In het kader van de Rijksbegroting 2007 werd door
de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport, E. G. Terpstra een interdepartementale
sportnota gepresenteerd. Als 'warming up' werd, ter inleiding, een
korte beschouwing door antropoloog Wouter van Beek gepresenteerd.
De speelse paradoxen van de
sport
Wouter van Beek
'"Spel is ouder dan cultuur" (Huizinga)
Onze post-Calvinistische cultuur ziet spel en sport nog steeds primair
als vulling van vrije tijd, als ontspanning na het werk. Het is gezond,
sociaal en houdt de jeugd van de straat. Dat doet denken aan de eerste
reden voor de Olympische beweging een eeuw geleden: zorgen voor gezonde
soldaten voor het Franse leger. Investeren in scholen, ziekenhuizen
en wegen behoeft geen verdere legitimatie, geld steken in sport wordt
snel een luxe gevonden. De rechtvaardiging voor sport als deel van beleid
moet komen uit het «maatschappelijk belang», uit het educatieve
moment, uit gezondheid door lichaamsbeweging. Sport kan bijdragen aan
werkgelegenheid en leefbaarheid van de maatschappij. Verder werkt de
sport positief op groepsvorming en stimuleert het internationale contacten;
voor het beroemde «wij-gevoel» wordt een beroep op de sport
gedaan.
Op zich is deze externe legitimering van de sport makkelijk te vinden.
Met de snel groeiende vervlechting van de sport met reclame en media
wordt dat steeds overtuigender en is die behoefte aan rechtvaardiging
langzamerhand achterhaald. Veel belangrijker is echter de interne legitimering
van de sport. Voor de sportbeoefenaars – miljoenen sterk –
en de coaches, de trainers, de toeschouwers, de ouders – nagenoeg
de rest van de samenleving – is verwijzing naar het «maatschappelijk
belang» volstrekt irrelevant.
De vader die de keel schor staat te schreeuwen naar zijn voetballende
zoontje, de trouwe Ajax supporter die ook in de ArenA zijn ploeg trouw
aanmoedigt, de ouders die een nieuw tennisracket moeten kopen voor hun
kinderen en de zwemmoeder die weer een wasmachine vol nat spul heeft,
zijn met heel andere dingen bezig. Zij geven hun leven en dat van hun
kinderen een zin en betekenis door de sport en met de sport. De honderdduizenden
die hun vrije tijd geven aan sportorganisaties – penningmeesters,
kantinebeheerder, redacties van clubkrantjes, jeugdtrainers enzovoorts
– zij doen dat «voor de club» en «voor de sport».
Er gaapt een kloof tussen de licht excuserende houding van beleidsmakers
en de totale verslingerdheid van de sportbeoefenaren. Waardoor komt
dat? De grond van deze tegenstelling tussen externe en interne legitimering
is te vinden in de aard van het spel en de sport en haar verhouding
met andere activiteiten. Het spel herbergt een vijftal paradoxen, die
aangeven waarom de sport een sterke interne legitimering kent, maar
toch een externe zoekt.
«Spel is ouder dan cultuur» stelt Huizinga in zijn beroemde
verhandeling over de spelende mens. Inderdaad, het dier heeft niet op
de mens gewacht om het te leren spelen. Voor Huizinga gaat het veel
verder: spel is een cultuurscheppende activiteit die universeel is.
Spel komt overal voor, in alle culturen en in menselijke activiteiten;
Huizinga noemt «parlementaire spelzeden» maar ook wetenschap,
recht, poëzie en oorlog, elk met hun speelse («ludieke»)
aspecten. De eerste paradox is dat dit universele verschijnsel in wezen
een virtuele wereld betreft. Elk spel schept zijn eigen werkelijkheid;
immers, het spel beoogt nu juist niet het «gewone» of «eigenlijke»
leven te zijn. Het spel is «een uittreden daaruit in een tijdelijke
sfeer van activiteit met een eigen strekking» (Huizinga). Het
doel van het spel is spelen, niets anders. Daartoe creëert het
spel zich een wereld op zich, een eigen universum, een «tijdelijke
wereld binnen de gewone». Deze virtuele wereld kan dienen als
afwisseling, ontsnapping of ontspanning, wellicht als onmisbaar intermezzo
voor het dagelijkse leven, maar is voor alles «anders».
Kinderen geven in hun spel het verschil tussen beide werelden aan door
de verleden tijd te gebruiken. «Jij was de dief, zegt Jip. En
dan was ik depolitieagent. Wat moet ik dan doen? zegt Janneke. Je moet
sluipen, zegt Jip». Annie M.G. Schmidt Jip en Janneke. De arbeiders
Pers, Amsterdam, 1977: 114.
De wereld van het spel is een complete, met niet alleen regels, maar
ook emoties, overtredingen en straffen, botsingen tussen persoonlijkheden,
vetes en vriendschappen. Zij kent ook haar eigen ceremonieel, haar symboliek,
haar ritus. Al is het een eigen wereld, zij is verrassend toegankelijk
voor alles. De mens is zozeer een spelend wezen, dat hij zich met het
grootste gemak kan verplaatsen in het spel van de ander. De spelwereld
is uiterst toegankelijk en vormt zo een geliefd schouwspel, langzamerhand
het schouwspel. Net als in de wereld van het theater en die van het
ritueel zijn toeschouwers belangrijk.
Het publiek maakt net zoveel deel uit van de spelwereld als de spelers
zelf. Een voetbalwedstrijd zonder publiek is een straf, een bergetappe
van de Tour de France met lege wegen zou een ramp zijn. Maar ook de
golfer die verwaaid thuis komt met een goede score wenst daarvan de
wereld in kennis te stellen, en een hengelaar die zijn gigantische snoek
wegmoffelt is ondenkbaar.
De eigen wereld is tijdelijk en beperkt, maar absoluut, de tweede paradox.
Het spel trekt allereerst grenzen: binnen een afgeperkte ruimte, in
een vast tijdsbestek, volgt het spel vaste regels in een eigen en volstrekte
orde. Elk spel kent een begin en een einde, speelt zich af op vaste
plaats – veld, bord of arena – en bestaat bij gratie van
regels. Die grenzen en regels staan niet ter discussie, in geen geval
tijdens het spel zelf. Spelers mogen overtredingen maken, al dan niet
goed voor een gele of rode kaart, de voetballer die met de scheidsrechter
of de UEFA vertegenwoordiger in debat gaat over de wenselijkheid van
de buitenspelregel, moet nog geboren worden. Hij zou geen «spelbreker»
zijn, goed voor een zwarte kaart: «tegenover de regels van het
spel is geen scepticisme mogelijk» (Paul Valéry).
Hoe absoluut die regels zijn, blijkt wanneer men ze wil veranderen.
Wijzigingen in spelregels stuiten altijd op weerstand, en kunnen pas
bij een sterke organisatie van de sport worden doorgevoerd: de buitenspelregels
bij het hockey, het terugspelen op de keeper van de voetballers, zijn
na uitvoerige discussie en experiment gewijzigd. Volkssporten en -spelen
kennen veel variatie in regels, die als deel van de algemene culturele
bagage nauwelijks te veranderen zijn. Officiële organisatie slaagt
er hooguit moeizaam in regels te homogeniseren.
Het «huisdammen» kent de regels van het «blazen»,
het wegnemen van de schijf die had moeten slaan. Het officiële
dammen kent dit niet en bestrijdt het, maar in de huiskamers blijft
men «blazen».
Sommige sporten zijn er nooit in geslaagd de regels gelijk te trekken;
daar blijven nauwverwante sporten los van elkaar bestaan.
Rugby is een voorbeeld. «Union» en «League»,
behorend bij Zuid en Noord Engeland, hebben verschillende regels en
beschouwen zich als aparte sporten. Toch kunnen spelers makkelijk wisselen
tussen beide. Australië heeft er nog een derde variant aan toegevoegd.
«Aussie rules». Recente pogingen om tot een «Superleague»
te komen hebben nog niet tot integratie geleid.
Regelsystemen van de sport zijn hardnekkig. Veel sporten zijn verspreid
als deel van een koloniaal systeem. Werd na de dekolonisatie van alles
veranderd, de sport meestal niet.
Voetbal wordt wereldwijd gespeeld met dezelfde regels, net als basketbal,
bridge, hockey, atletiek enzovoorts.
Een curieuze en zeldzame uitzondering is cricket op de Trobriand-eilanden.
De Britten introduceerden cricket in hun Melanesische kolonies, als
deel van het «civilisatieproces». Op de meest eilanden wordt
«Netjes» gespeeld, overhands bowlend in witte pakken. Op
de Trobriand-eilanden is het «aangepast»: alle mannen uit
het dorp spelen mee (60 tegen 60), woest beschilderd in oorlogskleuren.
Iedere «catch» wordt met krijgszangen en -dansen gevierd.
verder staat de uitslag vast: de gastheer wint. Hun eigen verklaring
van de veranderingen: «We hebben het wat interessanter gemaakt».
De derde paradox van het spel is die van het gereglementeerde gevecht.
Binnen de afgebakende, beperkte en tijdelijke orde roept het spel spanning
op. Het boeit spelers en toeschouwers, en biedt zo spanning en ontspanning
tegelijk. In die ordelijke wereld is, vooral bij het competitieve spel,
strijd het hoofdmotief. Veilig binnen de absolute begrenzing, wordt
gekampt met een volkomen overgave en tomeloze inzet. Men speelt zonder
terughouding, in totale concentratie op het verslaan van de ander: «voetbal
is oorlog». «Het is maar een spelletje», is het flauwe
excuus van de verliezer. De winnaar heeft geen behoefte aan relativering:
zelfs de eer, het applaus en de publiciteit zijn ondergeschikt aan winnen.
Nu zijn er parallellen te trekken naar oude oorlogsvormen waarin volgens
vaste regels werd gevochten – «totale oorlog» is een
uitvinding van onze eeuw. Klassieke, Middeleeuwse en veel «tribale»
oorlogen kenden en kennen vaste regels met hoofse beleefdheden, afspraken
en ceremonies. Duels leidden via onaantastbare protocollen tot symbolische
verwondingen of een eervolle dood. Ondanks het vergoten bloed was het
toch een spel: oorlog kan ook voetbal zijn.
De vierde paradox is die van de «lege prijs». De strijd
heeft een inzet, de competitie een prijs. Meestal staat deze prijs in
geen enkele verhouding tot de inspanningen van spelers (en coaches,
officials, toeschouwers enzovoorts.). Enkele professionele media-genieke
sporten daargelaten, zijn prijzen niet meer dan een teken van de zege,
een symbool van de overwinning.
Het voorbeeld hiervan is de sportbeker. Gespeend van ieder praktisch
nut, geheel «buitenkant» zonder «binnenzijde»,
soms mooi maar vaak afzichtelijk lelijk ontleent de «Cup»
zijn waarde niet aan de winkelprijs, maar alleen aan de strijd die geleverd
moet worden om hem te winnen.
Nu is de competitie, volgens de filosoof Girard, de kern van iedere
waarde; een voorwerp is pas begeerlijk wanneer een ander het ook blijkt
te wensen: objecten en symbolen zijn pas interessant via de ogen van
een ander. Sportprijzen en -titels zijn daar prima voorbeelden van;
zij krijgen waarde doordat anderen ze willen hebben. Zonder competitie
zouden zij niet eens bestaan. Iedere sportcompetitie draait dus om,
in termen van de Franse socioloog Bourdieu, «symbolisch kapitaal»,
niet-economische waarden die door allen worden gedeeld. Kampioenstitels
zijn daarvan het fraaiste voorbeeld. Titels vormen het voornaamste kapitaal
van iedere sportbond; het recht om titels uit te geven wordt zorgvuldig
gekoesterd en nauwgezet bewaakt: zonder titels geen bonden.
Rivaliserende sportbonden, opererend binnen dezelfde sport, vormen daarom
een ernstige bedreiging voor sport en bonden. Het boksen kent al een
jarenlange impasse op wereldniveau. De diverse organisaties die alle
beginnen met «World Boxing...» erkennen elkaar niet, zijn
elk in handen van enkele bokspromotors en kunnen het slechts eens zijn
over een uitzonderlijke kampioen.
Er is één wereldtitel, of er is geen wereldtitel.
Deze paradox bepaalt ook de merkwaardige relatie tussen winnaar en
verliezer. De meeste aandacht gaat uit naar de winnaar van het symbolisch
kapitaal, de kampioen. De kunstmatige schaarste van dat kapitaal betekent
echter dat bijna iedereen het niet verwerft en zich daarvan ook bewust
is. Competitie bestaat bij gratie van de verliezer, van de strijder
die bedoelt te winnen, maar zich bij zijn verlies weet neer te leggen.
Hij, en niet de winnaar, bepaalt de waarde van het symbolisch kapitaal;
wanneer veel verliezers hard gestreden hebben, is winst werkelijk wat
waard. Velen weten dat ze nooit zullen winnen, maar blijven in de competitie;
voor hun wordt de onbereikbare prijs slechts waardevoller.
Al weten alle basketbalploegen dat ze tegen het Dream Team geen kans
hebben, ze gaan toch even opgewekt de competitie in; elke prestatie
tegen dat team krijgt er des te meer reliëf door. Het Dream Team
verliest hiermee, omdat hun winst geen echt winnen is.
Een speler kan wel winnen, maar nooit helemaal verliezen; als team of
speler wordt altijd een prestatie verricht, worden doelen bereikt en
wensen verwezenlijkt, ook al worden wellicht illusies verstoord en ambities
gedwarsboomd. Men strijdt niet alleen tegen de ander, maar ook met zichzelf.
Grensverlegging, verbetering van persoonlijke records, iets nieuws presteren,
het zijn wezenlijke elementen van de sport.
De 800 meter loper die haar persoonlijke record verbetert, de golfer
die eindelijk onder «par» komt door een «birdie»
op de laatste «hole», de schaker die zijn ELO rating verhoogt,
de turner die zijn eerste Kachev op de rekstok volbrengt en de pupil
die zijn eerste doelpunt scoort, allen hebben een prestatie geleverd
die hen in diepe voldoening zal bijblijven.
Deze persoonlijke prestaties mogen alleen betekenis hebben binnen het
kader van die sport, zij zijn daar niet minder wezenlijk om. Integendeel,
prestaties zijn blijvend, een vijfde speelse paradox. De tijdelijke
wereld van het spel en de arbitraire regels van de sport, creëren
een blijvende geschiedenis. Elke club leeft in haar eigen historie,
met als absoluut centrum de prijzenkast. Persoonlijke prestaties worden
een leven lang gekoesterd in medailles, diploma's en fotoboeken. Niemand
«was» kampioen, men «is» toch zeker «Kampioen
1981». Dit geldt a fortiori voor de top van het symbolisch kapitaal:
de titels, kampioenschappen en records. De vluchtige competitie schenkt
blijvende glorie, de virtuele wereld van de sport drijft naar absolute
roem. Olympische medaillewinnaars blijven dat hun leven lang, wat zij
verder ook in de «gewone» wereld (meestal aangeduid als
«het maatschappelijk leven») worden: coach of bankier, kledingverkoper
of staatssecretaris. Blijvend ook is de dramatiek van de sport: naast
de spanning van het gevecht en de opwinding van de overwinning, is er
het persoonlijk drama, vaak omlijst door schitterende beelden.
De blik van Mary Decker toen zij op de 3000 meter ten val kwam, het
drama van Ben Johnson's diskwalificatie, Bubka die in wereldrecords
grossiert maar in de Olympische Spelen de eerste sprong niet haalt,
een gemiste strafschop in een voetbalfinale: dramatiek te over.
De vijf paradoxen geven aan dat de basiswaarden van spel en samenleving
moeilijk in elkaar vertaalbaar zijn. Beide werelden zijn nagenoeg elkaars
tegendeel; immers de paradoxen zijn juist paradoxaal vanuit de optiek
van de dagelijkse werkelijkheid. De sport heeft uit haar eigen aard
een enorme intrinsieke legitimiteit: fascinatie, spanning, zekerheid,
strijd, zelfverdediging, roem, historie, zelfverwerkelijking, roem historie,
menselijk drama, alles is aanwezig. Toch acht de «gewone»
wereld zichzelf niet alleen dominant, maar zij weet zich ook de toetssteen
voor die van de sport.
De dominantie van de «echte» wereld blijkt daar waar de
schaarste reëel is: waar honger is, valt spel weg. Het spel gedijt
bij redelijke welstand; veel sporten zijn voortgekomen uit de vrije
tijd van de Engelse aristocratie. De plaats van en de ruimte voor de
werelden van het spel hangen af van de maatschappij in kwestie. In samenlevingen
waarin het maatschappelijke belang heel eenduidig is gedefinieerd, heeft
de sport een ambivalente positie. Religieus fundamentalisme staat op
gespannen voet met sportbeoefening; religieuze waarden vullen het veld
van betekenisgeving geheel op en laten geen plaats voor de symbolische
waarden van de sport. De tegenhanger hiervan, de communistische staten,
gebruikten de betekenistoekenning door de sport als invulling van hun
zingevingsvacuüm; zij lijfden zo de sportwaarden in ter rechtvaardiging
van de staat.
Uiteraard hebben economische belangen, via reclame, sponsoring en vooral
de media beide werelden in onze maatschappij sterk vervlochten. De externe
legitimering volgt via de markt van de media schoorvoetend de interne.
Het spel is ook in de «gewone» wereld belangrijk geworden,
via institutionalisering, professionalisering en commercialisering.
Gaat dit de wereld van het spel veranderen? Huizinga, schrijvend vlak
voor de Tweede Wereldoorlog, dacht van wel. Hij miste het «ludieke»,
het speelse plezier, en hij miste schoonheid in de strak geregelde competities.
Een halve eeuw later schrijvend kunnen wij hem daarin niet volgen. Het
spel in de sport is niet op de terugtocht, noch in de breedtesport,
noch in de topsport. Professionalisering en reglementering zijn wezenlijk
deel van de wereld van het spel, zijn dat ook altijd geweest. De schaakjournalist
Stract fulmineerde in 1956 al terecht tegen Huizinga's opinie dat het
schaak- en damspel geen «zichtbare schoonheid» zouden inhouden.
Schoonheid is in het oog der waarnemer. Niet alleen de wat lastig toegankelijke
denksporten, maar alle sporten genereren een eigen, intrinsieke meerwaarde.
In de werelden van de sport vindt de speler een totale expressie: opwinding
en sensatie, vreugde, teleurstelling, humor, maar ook momenten en beelden
van grote schoonheid. Het spel is inderdaad ouder dan de cultuur.
uit: de 2007
interdepartementale sportnota van de Tweede Kamer der Staten-Generaal