MvG logo www.mvgcontact.org

Huichelaars

Home



Huichelaars

door Jan Gillis

Eens kwamen de Farizeeërs en enkele schriftgeleerden uit Jeruzalem bij Jezus om raad. Ze zagen dat sommige van zijn leerlingen met onreine handen aten. Eén van de honderden regels waaraan de Joden zich moesten houden, zegt dat ze niet mogen eten zonder eerst de vingertoppen gewassen te hebben. Komen ze bijvoorbeeld van de markt terug (zonder daarom iets gekocht te hebben), dan eten ze niet voordat ze zich gereinigd hebben. Zo bestaan er veel wetten waaraan de Joden zich bij overlevering moeten vasthouden: het afwassen van bekers, kruiken en koperen vaatwerk. Daarom stelden de Farizeeërs en de schriftgeleerden Hem de volgende vraag:

“Waarom gedragen uw leerlingen zich niet volgens de overlevering van de voorvaderen, maar eten ze met onreine handen?”

Jezus geeft geen direct antwoord op deze onschuldig klinkende vraag. Integendeel! Als een razende vaart Hij uit tegen hun gedrag dat wel de schijn van dienst aan God heeft maar de wil van God helemaal niet gehoorzaamt. De vraag van de Farizeeërs strookte niet met de leer die Christus hen voorhield. Zijn taal klonk dus helemaal niet zoals hun taal. Ze zaten niet op dezelfde golflengte. En het betrof juist die taal die de mens zo broodnodig heeft om God te kunnen begrijpen. Weerom heb ik het over de taal van de engelen, de taal van de Heilige Geest.

In plaats van de Farizeeërs met een zachte maar beleefde smoes wandelen te sturen, wordt Jezus razend kwaad en waarschuwt hij de omstanders nogal luidruchtig over de gevaren van het Farizeïsme. Ik druk er nogmaals op: nergens in de schriften staat er te lezen dat de Farizeeërs met slechte bedoelingen tot Jezus waren gekomen. Ze hadden slechts langs hun neus weg geconstateerd dat de leerlingen een jarenoude regel niet waren nagekomen. De reactie van de Meester is ontzettend:

“Hoe juist heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd! Zo staat er geschreven: Dit volk eert Mij met de lippen maar hun hart is ver van Mij. Zij eren Mij, maar zonder zin, en mensenwet is wat zij leren. Gij laat het gebod van God varen en houdt vast aan een overlevering van mensen.”

Hij noemt de Farizeeërs dus boudweg huichelaars. Vraagje: Hoe kunnen we tegenover God huichelen? De farizeeërs krijgen duidelijk geen antwoord op hun ongevaarlijk bedoeld vraagje. Als wij God iets vragen, krijgen wij dan ook altijd antwoord van Hem? Hoe zou het toch komen dat wij meestal geen antwoord van Hem krijgen? Ik vervolg met wat er in de Bijbel staat:

“Daarop riep Hij het volk weer bij zich en sprak tot hen: Luistert allen naar Mij.”
(Als om te zeggen: en niet naar die valse leraars)

“Luistert allen naar Mij en WILT VERSTAAN!”

Dat is iets nieuw! Hij eist van het volk dat ze Hem moeten verstaan. Hij wil dat het volk zich op zijn golflengte afstemt. Hij wil dat ze zijn taal begrijpen. Zoiets kan alleen de heilige Geest bewerkstelligen. Alleen Hij kan mild met de gave der talen omspringen. Jezus wil dus steeds dat wij verstaan waarom Hij gelijk heeft. Maar om dat te kunnen bereiken, moeten we eerst goed leren luisteren om zo de Geest te kunnen aanvoelen. Doen we dat niet dan kunnen we van zijn volgende lering geen sikkepit begrijpen. En hoe vaak gebeurt het niet dat we van het evangelie geen barst meer begrijpen? Soms drijven we het zover dat we bewust bepaalde leringen afwijzen omdat die helemaal niet in ons kraam te pas komen. Ofwel vinden we dat de doelgroep van een bepaalde lering niet onszelf maar ‘de anderen’ betreft. Maar ook het omgekeerde kan voorkomen! Hoeveel mensen op deze wereldbol leven er niet in de heilige overtuiging dat ze het evangelie al voldoende begrijpen en beleven?

En dan komt er uit Jezus ‘ mond een soort beginselverklaring. Hij verkondigt één van zijn markantste leringen uit de Bijbel:

“Luistert allen naar Mij en wilt verstaan: niets kan de mens bezoedelen wat van buitenaf in hem komt. Maar wat uit de mens komt, dat bezoedelt de mens. Want uit het binnenste, uit het hart van de mensen komen boze gedachten: ontucht, diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, godslastering, trots, lichtzinnigheid. Al die slechte dingen komen uit het binnenste en bezoedelen de mens.”

Het lijkt me duidelijk wat Jezus hiermee bedoelt. Maar hebben we Hem wel echt begrepen? Blijkt het uit onze manier van leven dat we Hem wel degelijk begrepen hebben?

Achteraf zal Jezus zijn leerlingen verduidelijken wat Hij met die scherpe uitlatingen zoal bedoelde.

“Van binnen uit het hart komen de slechte gedachten.”

Het is van binnen in ons hart dat we de verkeerde taal ontwikkelen, zeker niet de taal van de engelen. En dan somt Jezus enkele boze gedachten op, twaalf in totaal. Alsof Hij ieder van Zijn apostelen met ieder zijn specifieke boze gedachte wou opzadelen. Of verwees Hij soms naar de zondigheid bij de twaalf stammen van Jacob? Elke stam die met zijn eigen zondige gedachten te kampen had? Heeft niet iedereen op deze wereld enigszins te maken met één, meer of talloze boze gedachten die zijn leven blijven teisteren?

Steeds moeten we voor ogen houden dat de Farizeeërs en de schriftgeleerden in hun tijd voor de meest vromen van het land doorgingen. Zij waren ‘de’ godsdienstspecialisten van het volk. Maar beschouwen wij onszelf ook niet al te dikwijls als de meest vrome wezens die er bestaan? En vinden wij het ook niet heel vervelend van God dat Hij ons maar geen antwoord wil geven op onze meest onschuldige vraagjes? Waar zit de huichelaar in ons?

Laat ons vanaf vandaag ophouden met onze naaste te bekritiseren. En laat ons zeker niet beginnen vitten op God om Hem op die manier toch maar ons gelijk af te dwingen. Tenslotte is Jezus onze goede vriend die alleen maar het beste met ons voorheeft. Jezus wil garant blijven staan voor ons geluk. Besef dat Hij daartoe in staat is en dat Zijn raad dus kostbaar blijft.
Niettegenstaande de Farizeeërs zich stipt hielden aan wat God hen voorschreef, zonder er iets aan toe te voegen of te verwijderen en niettegenstaande zij heel goed wisten dat er geen volk verstandiger en wijzer was dan de kinderen Gods die zich aan Gods geboden hielden , konden de Farizeeërs en de Schriftgeleerden niet verstaan wat God van hen wou. In elk geval deden ze niet wat Hij van hen vroeg.

Maar noemen we onszelf ook geen kinderen van God? Volbrengen we zijn wil in zijn naam of alleen maar onze wil in zijn naam? Jezus noemt die mensen terecht schijnheiligen omdat hun handelingen de indruk wekken van heiligheid. Bestempelen we ons ook niet dikwijls als heiliger dan de profeet of paus?

God is alleen gelukkig over ons als wij in staat zijn om onszelf te vrijwaren van de besmetting van de wereld . En Vader wil dat al Zijn kinderen over gans de wereld zo gelukkig worden als Hijzelf. Daarom eist Hij van ons dat wij de handen uit de mouwen steken om de minder begunstigden op deze aarde te helpen. En God deert het niet of die handen nu gewassen zijn of niet.

Als we meewerken aan de opbouw van al dat geluk op aarde, belooft God ons een ander hart, een hart waarin zijn wet duidelijk staat gegrift. Eindelijk verwerven we dan een hart waar ook andere dingen uitstromen dan boze gedachten. Maar zo’n hart is alleen weggelegd voor die mensen die Gods woord naar waarheid uitleggen. En daarvoor moet je natuurlijk dezelfde taal spreken als de Leermeester.

Zo simpel is dat!