MvG logo www.mvgcontact.org

Brood

Home


Brood

door Jan Gillis

3 mei 1989, een woensdagnamiddag, zond de Evangelische Omroep in Nederland een opmerkelijk programma op de beeldbuis uit: een interview met de Jood Schlomo Amnon, de man die destijds de Exodus leidde.

Alexander Klein, alias Schlomo, overleefde tijdens de Tweede Wereldoorlog verscheidene concentratiekampen. Aan God maakte hij de heilige belofte dat hij zich de rest van zijn leven zou blijven inzetten om alleenstaande kinderen te helpen en onschuldige gevangenen in hun lot te ondersteunen … als God hem tenminste de holocaust zou laten overleven. En God hield Zijn woord … en zoals het bij een verbond hoort, hield ook Schlomo zijn woord.

Na de oorlog ging hij ijverig op zoek naar de vele ouderloze Joodse kinderen die verdwaald in het zwaar geteisterde Duitsland rondzwierven. Met behulp van de organisatie Alya Beth bereikte hij in 1947 met 1500 kinderen de havenstad Marseille. Daar scheepten ze in op een boot richting Israël. De onvergetelijke reis met de Exodus was begonnen.

Iedereen kent wel het beroemde boek van Leon Uris of heeft er tenminste al eens over gehoord. Niet zozeer wil ik met deze tekst het hartverscheurende epos van Uris de hemel in prijzen. Maar ik wil graag terugblikken op dat bewuste interview met Schlomo.

In de loop van het gesprek stelde de reporter –gezien de hallucinerende gebeurtenissen van de holocaust - een nogal brutale vraag. Schlomo’s antwoord werkte op mij eerder ontnuchterend. Zorgvuldig heb ik toen dat beeld van de oud geworden man op TV onderzocht. Op zijn gezicht vol rimpels kon ik echter geen enkel spoor van leugen ontdekken.

“Geef me een voorbeeld van al dat kinderleed!” stelde de reporter cru “een voorbeeld waarbij jij nu nog altijd moet huiveren!”

Naar waarheid antwoordde Schlomo dat hij veel zulke voorbeelden kon aanhalen. Maar één geval was volgens hem zo schrijnend geweest dat hij daar nu nog altijd over droomde.

Het vijftienjarige meisje heette Gilda. Haar familienaam kon Schlomo zich niet meer herinneren. Tijdens de oorlogsjaren was ze samen met haar moeder door de Duitsers overgebracht geworden naar Theresienstadt. Van haar vader of de rest van de familie had ze nooit meer iets vernomen. Die waren naar een andere plaats gedeporteerd geworden. Voor zover men in een concentratiekamp dat woord zou mogen gebruiken, ‘blaakte’ Gilda van gezondheid. De toestand van haar moeder ging echter zienderogen achteruit. Ook de Duitsers kregen de fysieke aftakeling van de vrouw in ’t oog. Het noodlot zou niet lang meer op zich laten wachten. Op een ochtend tijdens een mensonterend appel, werd de moeder links van het plein afgeleid terwijl haar radeloze dochter naar rechts werd weggeduwd. Op dat ene korte ogenblik van scheiden, vond de moeder nog de mogelijkheid om haar dochter een snee brood toe te stoppen.

Nu moet je weten dat een snee brood op dat moment in Theresienstadt een klein fortuin waard was. Voor Gilda bleef echter dat gekregen stuk brood een ‘blijvend’ symbool van haar toen nog ‘levende’ moeder. Gilda wist dat haar moeder zou vergast worden! En ze besefte maar al te goed dat haar moeder met het geven van dat stukje brood, een allerlaatste poging had ondernomen om haar nazaat in leven te houden. Dat moment waar leven en dood, via een homp brood, nog even hadden getracht om met mekaar in contact te komen, bleef voor eeuwig in de herinnering van dat jonge, Joodse meisje ‘leven’.

Waarschijnlijk heeft u in deze geschiedenis ook de analogie ontdekt met het verhaal van Jezus Christus die vlak voor Zijn dood ook het brood aan zijn trouwe discipelen gaf en sprak:

“Dit is Mijn lichaam dat voor u gegeven wordt, doe dit tot een gedachtenis aan Mij.”

Wordt in alle christelijke godsdiensten dat stukje brood ook niet als blijvende herinnering aan de enige levende God gebruikt?

Nooit heeft Gilda van dat brood gegeten! Angstvallig hield ze het in haar versleten handtas verborgen. Op die manier koesterde ze het leven van haar moeder dicht bij haar. Ook Gilda behoorde tot één van de passagiers die de beroemde overtocht met de ‘Exodus’ ondernam. Eens aan wal in Palestina stonden de Engelse veiligheidsdiensten hen met grimmige gezichten op te wachten. Denkelijk lag de geschiedenis met Lawrence of Arabia hen nog te zwaar op de maag. Onverbiddelijk werden de schaarse bezittingen van de Joden in beslag genomen. Zonder medelijden werden de kinderen door enkele veiligheidstroepen afgetuigd en terug aan boord gebracht. De boot moest onverwijld terug naar Marseille. Na een tweede poging met verscheidene kleinere boten zouden de Joden uiteindelijk in hun opzet slagen en werd de grondslag gelegd van de huidige staat Israël.

Maar terug naar de lotgevallen van Gilda die bij de eerste aankomst in het ‘beloofde land’ ook geconfronteerd werd met de niets ontziende Engelsen. Zonder respect scharrelden ze in Gilda’s povere bezittingen en vonden het stuk brood gewikkeld in een blad uit de Thora. Achteloos wierp de officier dat verdroogd en beschimmeld pakje overboord.

Gilda schreeuwde het uit!

“Jullie vermoorden mijn moeder!” riep ze hysterisch.

Enkele rake klappen moesten haar als antwoord dienen.


Twee jaar later hield Schlomo dat bewuste gesprek met Gilda. Op dat moment behoorde zij tot een keurkorps dat een kibboets op de westelijke Jordaanoever moest beschermen tegen vijandige Syrische aanvallen. Met horten en stoten had Gilda hem nog het verhaal van dat stuk brood verteld … Enkele maanden later was ook zij dood!

Een Syrische kogel! … Hart doorboord!

Maar tot op heden droomt Schlomo nog steeds van dat stuk brood. Hij vindt het oprecht spijtig dat hij bij dat laatste gesprek met Gilda, nog niet wist wat er in Israël allemaal te gebeuren stond.

“Anders had ik haar kunnen vertellen” zegt hij tijdens het interview “dat de plek waar het brood in zee viel, nu tientallen boten patrouilleren, ter verdediging van ons landje. Voor altijd zal dat stukje brood Israël blijven beschermen.”

En die laatste woorden sprak hij uit met een onloochenbare hartstocht.

Maar terug even de draad opnemen met al de misvieringen die overal ter wereld worden opgedragen. Als wij van het brood eten, denken wij toch ook terug aan het Zoenoffer van Jezus? Gedenken wij dan niet dat Hij zijn lichaam voor ons offerde met de belofte dat Hij ons nadien eeuwig zou kunnen laten leven? Het brood van Gilda werd in zee geworpen door een achteloze officier. Voor Israël kan dat stukje brood nu uitgroeien tot een symbool van onbegrensde vrijheid. Ooit werden ook wij als brood in water gedoopt. En juist bij de Eucharistievieringen of de Avondmaaldiensten gedenken de meeste Christenen hun doopverbond.

Ze beloven God dat ze steeds Zijn geboden zullen onderhouden om zo het koninkrijk hier op aarde te helpen stichten en uit te bouwen. Als tegenprestatie zal God ons dan altijd blijven verdedigen. Zoals Schlomo beseft welke zegening Gilda’s brood voor Israël zal blijven betekenen, zo ook beseffen de meeste christenen dat bij het breken van het brood, God hen duizendvoudig zal blijven zegenen.

Laat ons nooit vergeten dat Christus ons persoonlijk dat brood heeft aangereikt en dat niemand ons dat nog kan afnemen. Al is een massa volk de mening toegedaan dat zo’n stukje brood al ergens op de zeebodem ligt te rotten, toch zal het ons geestelijk blijven voeden.

… Zelfs als stompzinnige atheïsten beweren dat het nu al wel volledig beschimmeld zal zijn.