Het verhaal van de blindgeborene
(Gelooft ook gij in de Mensenzoon?)
door Jan Gillis
Het nu volgend verhaal speelt zich volledig af op een sabbatdag in
Jeruzalem. Wellicht was het een stralende zomerdag kort na het Loofhuttenfeest
in september. Met enkele van zijn leerlingen stapte Jezus door de kronkelige
straatjes en steegjes van het oude Jeruzalem om daar zijn evangelie
aan de man te brengen. Ik leg er wel de nadruk op dat Hij op stap was
met ‘leerlingen’ en niet met zijn ‘apostelen’.
Als volwaardige zendelingen trachtten deze leerlingen van deur tot deur
het evangelie aan de inwoners van Jeruzalem te brengen en dit onder
het waakzaam oog van hun Meester. In geval enkele hardvochtige inwoners
de leerlingen wat te hard het vuur aan de schenen zouden leggen, kon
Jezus wel voor hen de hete kastanjes uit het vuur komen halen. Zeker
is dat Jezus hen bij dit werk ook aan ’t onderrichten was. Hij
liet hen toe om eender welke vraag op Hem af te vuren. Hij wist dat
zij alleen op die manier het eeuwige leven beter zouden kunnen begrijpen.
Ik hoop dat ik hiermee de achtergrond van dit verhaal genoeg gesitueerd
heb en dat de lezer nu heel levendig dat groepje zendelingen met Jezus
op kop door de straten van Jeruzalem ‘ziet’ trekken. En
ik leg wel de nadruk op ‘zien’ want niet zo gelukkig als
de rest van Jeruzalem, strompelde daar langs de kant van de huizen een
man die met zijn hand tegen de muur, de straatlijn trachtte te volgen.
Niettegenstaande hij bedelde was hij geen bedelaar in de echte zin
van het woord. Iedereen in Jeruzalem kende hem! Heette hij niet Sidonius?
Trouwens zijn ouders waren in de stad van David ook geen onbekenden
meer. Het waren godvruchtige mensen die altijd heel stipt de wetten
van Mozes hadden nageleefd. Vanwege zijn handicap kon de stumper geen
enkel beroep uitoefenen: hij werd namelijk blind geboren. Maar met bedelen
trachtte de sukkelaar de last die op de schouders van zijn ouders drukte,
zoveel mogelijk weg te nemen. Als geboren en getogen inwoners van Jeruzalem
kenden dus ook de kersverse leerlingen van Jezus zijn droevig lot.
Bij één van hen werd bij het zien van de blindgeborene
toch heel wat medeleven losgeweekt. Ofwel herinnerde hij zich plots
de leerstelling die zijn ouders hem vroeger in zijn kindertijd hadden
ingeprent. Schoorvoetend, ietwat verlegen, kwam hij aan de zijde van
de Leermeester lopen. Jezus besefte meteen dat er een brandende vraag
op de lippen van zijn jonge leerling lag.
“Rabbi?”
Een beetje beschroomd bestudeerde de leerling zijn vuile tenen die
vanuit zijn versleten sandalen omhoog krulden.
“Wie heeft gezondigd, deze man die blind geboren werd of zijn
ouders?”
Als een donderslag bij klaarlichte dag bleef deze vraag in het nauwe
steegje hangen. Iedereen in het groepje besefte maar al te goed dat
omwille van de zonden van de ouders ook de kinderen door God konden
gestraft worden. Staat er in de Talmud niet het volgende over Godhaters
te lezen?
“Ik ben voor hen die Mij haten een jaloerse God die de schuld
van de vaders wreekt op hun kinderen, tot het derde en vierde geslacht.”
Maar de geslachtslijn van de ouders van deze blindgeborene was ongerept.
Sinds honderden jaren waren de voorouders van de blinde eervolle burgers
van Jeruzalem geweest. Bleef voor de leerlingen nog maar één
keuze over. De man zelf had gezondigd … en nog wel voordat hij
geboren werd! Want hij was toch blind geboren, niet? Dat laatste wist
nu eens iedereen in Jeruzalem!
Even hoorde men bij de leerlingen een instemmend geroezemoes. Ze vonden
dat hun kompaan een heel goede vraag had gesteld. Eindelijk zouden ze
uit de mond van de Grootmeester zelf te weten komen of er ook voor de
geboorte van de mens een leven bestond. Vol verwachting keerden alle
ogen zich op de Messias. Zouden ze over dit penibel onderwerp eindelijk
een verduidelijkende leerstelling mogen ontvangen? Jezus antwoordde:
“Noch hij noch zijn ouders hebben gezondigd, maar de werken Gods
moeten in hem openbaar worden. Wij moeten de werken van Hem die Mij
gezonden heeft, verrichten zolang het dag is. Er komt een nacht en dan
kan niemand werken. Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van
de wereld.”
Had Keulen in Israël gelegen, dan hadden de leerlingen het waarachtig
weer horen donderen. Nu begrepen ze hun Leermeester toch niet zo goed
meer. Toch enkel zonde had die man kunnen blind maken? Blindheid kon
toch nooit als een zegen aanzien worden? Voor zover er in dit geval
nog iets te ‘zien’ viel?
Zoals alle Joden trouwens, wisten ze maar al te goed dat Lucifer, ooit
de glansrijke vorst van de dageraad, omwille van ‘zijn zonde’
genadeloos als boze geest op aarde werd neergeworpen. Dat ontnemen van
een lichaam was voor Satan een zware straf geweest, maar was blindgeboren
worden ook geen zware straf? En zonet kwam hun Leraar hen te vertellen
dat de man in zijn voorbestaan niet gezondigd had … maar dat wel
Gods werken in hem moesten openbaar gemaakt worden! In Godsnaam! Wat
bedoelde Jezus daar nu mee?
Ter verduidelijking aan de lezer! De Joden zijn ervan overtuigd dat
er ‘voor’ het bestaan van de mens op aarde er nog een ander
leven bestond. Die vorm van zijn speelde zich af in de nabijheid van
God. Ook in dat bestaan trad God op als een Heerser die Zijn wetten
stelde! Ongehoorzaamheid aan die wetten leidde toen al tot zonde …
en met heel nare gevolgen. Die gevolgen zouden immers ook voelbaar kunnen
worden in het daaropvolgende leven op aarde. Voor de belofte van dat
aardse leven hadden we volgens het boek Job, trouwens allemaal van vreugde
gejubeld . Uiteindelijk zouden we onszelf tegenover God kunnen bewijzen.
Maar juist omwille van zonde bedreven in het voorbestaan, zou ons lichaam
(op proef?) in het latere leven kunnen beperkt worden in zijn mogelijkheden.
En dat wisten de leerlingen van Christus maar al te goed.
Voor een kleine zonde kon je lichaam er een kleine handicap aan overhouden,
voor een grotere zonde een grotere handicap en in het geval van de duivel
kon je er zelfs heel je lichaam aan kwijtspelen. Voor de leerlingen
was het allemaal zo klaar als een klontje: de blindgeborene had in zijn
voorbestaan flink gezondigd. Dat vertelden niet alleen de ouders van
de blinde maar ook de Farizeeërs, de kenners van God bij uitstek.
En nu kwam hun rabbi hen vertellen dat die man niet had gezondigd.
Met een heel raadselachtige glimlach had Hij er zelfs aan toegevoegd
dat alleen de werken Gods in hem moesten geopenbaard worden. De spanning
was te snijden!
Vrij onverwacht spuwde Jezus op de grond! Alsof hij een seintje had
gehoord, stopte de blinde zijn tocht door de straten van Jeruzalem.
Zijn fletse, niets weerspiegelende ogen richtten zich op Jezus. Allicht
dacht de ongelukkige:
“Ik word niet alleen meer bespot, nu spuwen ze zelfs naar mij.”
Jezus hurkte neer en maakte van zijn speeksel in het mulle zand een
hoopje slijk. Dat mocht Hij eigenlijk niet doen. Een grondstof aanmaken
voor de bouw van een huis was op de sabbatdag totaal uit den boze. Die
dag wou Jezus echter geen huis maar wel een mens opbouwen.
Sprak Hij de stakker als eerste aan of was het de blinde die Jezus
aanklampte? De bijbel vertelt het ons niet. Maar Christus moet ongetwijfeld
een immense liefde hebben uitgestraald want ongestoord liet de blinde
toe dat Jezus zijn dode ogen onder het slijk begroef. Of misschien klonk
de stem van de Meester hem heel vertrouwd toe? Had hij die vriendelijke
stem ooit al niet eerder gehoord? Jezus sprak:
“Ga u wassen in de vijver van de Siloam!”
Vanwaar kende hij toch die stem? Hij was wel blind maar door Gods goedheid
was hij wel gezegend met een scherp gehoor. En die oren lieten hem nooit
in de steek. De man pijnigde zijn geheugen maar kwam maar niet te weten
vanwaar hij die Jezus kende. Stilaan groeide er bij hem echter een klein
vermoeden! Had diezelfde stem hem vroeger ook al niet iets gevraagd?
Oh ja! Ooit had hij moeten kiezen tussen twee personen! De ene zei dat
hij nooit zelf een beslissing zou mogen nemen. De andere liet hem de
vrije keuze om zelf te beslissen. Toen had hij eigenlijk niet goed geweten
wie van de twee hij zou volgen. Zo slim was hij toen nog niet geweest
en over de problematiek van de vrije keuze had hij overigens nog nooit
wakker gelegen. Maar toen hij dan toch voor de eerste maal had moeten
kiezen, was het bij hem uiteindelijk die zachtaardige man geworden.
Persoonlijk had hij die nooit gekend! Die twee heren trommelden zomaar
iedereen op die ze konden overtuigen voor hun zaak en gingen dan …
krijgertje spelen! Neen, neen! Oorlog was niets voor hem geweest! Wijselijk
was hij uit de buurt van die twee krijgsheren gebleven. Maar er was
geen ontsnappen aan! Uiteindelijk was hij dan toch voor die moeilijke
keuze gesteld geworden! Nu ja! Hij had gekozen voor de sympathiekste
van de twee … en hij was niet alleen geweest. En als die knappe
gast achteraf zou vragen om voor hem terug oorlogje te spelen, zou hij
doen alsof zijn neus bloedde! Hij zou dan maken dat hij wegkwam en ervoor
te zorgen dat die onbekende, zachtaardige man hem niet meer te ‘zien’
zou krijgen. Maar als hij terugdacht aan die vriendelijke, zelfs lieve
stem, kreeg hij altijd wel de kriebels.
… En nu kreeg hij weer die kriebels!
“Ga u wassen in de vijver van de Siloam!” Even moest hij
wel lachen. De naam van de vijver was Siloam, de Gezondene! Hij, een
povere blinde, werd gezonden naar de Gezondene. Haha! Heel grappig!
Maar toen kreeg hij het plots ijskoud!
“Mijn God! Hemelse Vader!” dacht hij “Dat is Johannes
de Doper die tegen mij spreekt!”
Zijn ouders hadden hem verteld over die woestijnbewoner die mensen
in de Jordaan doopte. Neen! Die kon het niet zijn want deze man vroeg
hem … vriendelijk nog wel … om zichzelf te gaan onderdompelen
in het water van de Siloam. Weer stond hij voor een moeilijke keuze!
Zou hij die raad nu opvolgen of niet? Mogelijk maakte hij zich voor
de rest van zijn leven hopeloos belachelijk bij de inwoners van Jeruzalem.
“Ga u toch wassen in de vijver van de Siloam!”
Klonk er in die smekende stem al niet wat meer gezag dan tevoren? Heel
even kreeg hij dat goede, warme gevoel dat hij deze uitnodiging niet
mocht weigeren. Alsof hij die weg al duizend maal had afgelegd, liep
hij ‘blindelings’ naar de vijver. Zijn gekromde schaduw
gleed niet meer langs de muren van Jeruzalem want trots liep hij nu
rechtop door de straten tot bij het water.
… en dompelde zich onder.
Het slijk op zijn ogen loste op in het lauwe water van de bron.
Hij zag!
Als een vuurtje liep dit nieuws door de stad van David en het duurde
dan ook niet lang of onze vriend werd voor de Farizeeërs geleid.
“Waar is die man? Die schenner van de sabbat!” krijste
één van hen.
“Ik weet het niet” murmelde onze ex – blinde “ik
kon hem toen nog niet zien!”
“Hoe heeft hij uw ogen geopend?” snauwde een andere hem
toe.
“Dat heb ik u toch al verteld” zuchtte de man “maar
u heeft niet geluisterd. Waarom wilt u het opnieuw horen? Wilt gij soms
ook een leerling van hem worden?”
Vol verachting antwoordden ze hem:
“Jij bent een leerling van die man!”
Het hart van de genezen kerel wipte op van vreugde. Met zekerheid wist
hij nu dat hij de juiste keuze had gemaakt. Zij die nu zijn leven trachtten
te verzuren, behoorden tot het andere kamp. Zo veel was duidelijk! Maar
toch probeerde hij in een ultieme poging hun hart te laten spreken.
“Wij weten dat God niet naar zondaars luistert, maar als iemand
godvrezend is en zijn wil doet, dan luistert Hij toch, ook al is die
blind!”
Zuivere gramschap droop van hun gezichten!
“In zonden ben je geboren, zo groot als je bent” spotte
één van zijn belagers “… en juist jij wil
ons de les lezen!”
Toen wierpen ze hem buiten!
Was het toeval of niet, maar samen met zijn leerlingen stond Jezus
hem bij de poort van het Sanhedrin op te wachten.
“Gelooft ge in de Mensenzoon?”
Weer klonk die zachte, zoete stem in de oren van de man. Eén
verschil! Nu stond hij oog in oog met zijn Genezer. Plots werd hij overmand
door twijfel! Tenslotte had hij zijn Helper in nood nog nooit gezien!
“Wie is dat Heer? Dan zal ik in Hem geloven!”
“Ge ziet Hem nu” fluisterde Jezus hem in ‘t oor.
Deemoedig wierp de man zich voor Hem neer. Zoals Jezus het zijn leerlingen
had onderwezen, was bij de man Gods werk waarlijk geopenbaard geworden.
Jezus vervolgde:
“Als een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen opdat de niet
zienden zouden zien en de zienden blind worden.”
Een Farizeeër die in de nabijheid van Jezus aan ’t luistervinken
was, vroeg hem spinnijdig:
“Zijn ook wij dan soms blind.
“Als jij blind waart, zou jij geen zonde hebben, maar nu je zegt:
wij zien, blijft uw zonde.
Voor zover mijn versie over de blindgeborene. Graag nu nog enkele vraagjes
aan de lezer!
“Bent u soms ook blind? Wilt gij ook soms leerling van Hem worden?
Gelooft gij nu ook in de Mensenzoon?”