De Blinde Rage van de Anti-Mormoonse Literatuur
(1850-1930)
door Elisabeth Mulder en Fritz Dejonghe
Zelfs nu nog huiveren sommige (oudere) mensen bij het woord "mormonen".
Er rinkelt een belletje - polygamie, een vreemd volkje in het Amerikaanse
westen. Dit is de late erfenis van een "literatuur" die zich
tachtig jaar lang heeft gevoed met grenzeloze fantasiegegevens over
"een secte" in het ontoegankelijke Rotsgebergte.
Hoe is deze literatuur ontstaan? Zoals reeds gemeld kent de negentiende
eeuw een vloed van populaire romans van twijfelachtig alooi. De schrijvers
zoeken vooral naar avontuurlijke gegevens in een exotisch kader, bij
voorkeur met zowel een flinke dosis sensualiteit als een reeks gruwelijke
voorvallen. Het nog onbekende Afrikaanse binnenland begint verhalen
op te leveren van wilde menseneters die koene blanke helden de pot indraaien;
bij de Indianenstammen moeten regelmatig ontvoerde jonge vrouwen bevrijd
worden van de martelpaal; schattenzoekers schuimen de Zuid-Amerikaanse
stromen en wouden af, voortdurend bedreigd door de giftige pijlen van
koppensnellers; in de sensuele harems van het mysterieuze Oosten worden
de eunuchen verschalkt om te kunnen binnendringen in het Ontoelaatbare.
In het onbekende mormonisme, eenzaam teruggetrokken in een grootse
en geheimzinnige wildernis, vinden vele schrijvers een nieuwe en onuitputtelijke
grond voor sensatie verhalen. Het beeld van de Heiligen is immers al
flink besmeurd geworden dor de haat van hen die Joseph Smith en de zijnen
verjoegen van New York naar Missouri en vervolgens naar Illinois. De
moordenaars van Joseph en Hyrum Smith rechtvaardigen hun daad met verhalen
over mormoonse "verdelgers", de zogenaamde Danieten, die 's
nachts eerzame burgers zouden overvallen. En als klap op de vuurpijl
komt er dan nog de leer van het meervoudige huwelijk bij, waarbij het
literaire beeld van de Turkse harems, met al hun geheimzinnigheid en
erotisme, op het mormonisme wordt geent.
Alles werkt blijkbaar samen om vanaf 1850 de grote massa een stroom
goedkope romans en toneelstukken aan te bieden, waarbij de Heiligen
der Laatste Dagen het mikpunt worden van onvoorstelbare verhalen. De
meeste intriges draaien rond de onschuldige jonge vrouw die naar Utah
wordt gelokt om in een polygaam gezin aan de grillen van een barbaarse
echtgenoot te worden overgeleverd, dan ontsnapt met een bende woeste
Danieten op haar spoor om op het nippertje gered te worden door een
heldhaftige, christelijke jongeling.
Sommige Angelsaksische auteurs danken hun later succes aan een eerste
boek met anti-mormoonse inhoud. Arthur Conan Doyle creeert zijn Sherlock
Holmes in "A Study in Scarlet", waar de detective een groep
mormoonse bandieten moet overwinnen. Mark Twain wordt beroemd met "Roughing
it", een boek met een belangrijke mormoonse episode. Theodore Winthrop
en Zane Grey, twee Amerikaanse romanciers die ook nu nog hoog aangeschreven
staan, verwierven bekendheid door anti-mormoonse romans. En voor wie
iets meer afweet van literatuur, zijn volgende namen zeker veelbetekenend:
Harriet Beecher Stowe, Artemus Ward, Joaquin Miller, Robert Buchanan
- allen op een bepaald ogenblik delend in de anti-mormoonse schrijfrage.
Maar geen een had ooit echte Heiligen der Laatste Dagen gezien.
Ook vele populaire schrijvers in ons eigen Europa ontsnappen niet aan
deze anti-mormoonse sensatiemode. Reeds in 1846 verschijnt van de hand
van Amalie Schoppe de Duitse roman "Der Prophet", een bij
de haren gesleurde avonturenroman waarbij Joseph Smith in feite een
vroegere Adelbert Braun is, die met zijn imperialistisch leger dictator
over Amerika tracht te worden; hij wordt daarin tegengewerkt door de
moedige held, Arnold, eveneens Duitser, die Joseph Smith dodelijk verwondt;
maar dan de natuurlijke zoon van Adelert blijkt te zijn. Karl May, de
beroemde auteur van Indianen-avonturen rond Winnetou, maar die zelf
nooit in Amerika was geweest, geeft eveneens toe aan de anti-mormoonse
mode en laat zijn helden regelmatig een paar mormoonse bandieten uitschakelen.
De Franse populaire auteurs, verlekkerd op "chroniques scandaleuses",
blijven niet achter. Reeds in 1859 publiceert Paul Duplessis een enorme,
vijfdelige roman, "Les Mormons", rond de klassieke intrige
van de ontvoerde meisjes en hun bevrijding uit de klauwen van de Danieten.
De fantasie maakt hier Brigham Young tot de stroman van de onzichtbare
leider van het mormonisme, ene Hiram-Harris, een hypnotische griezel
(3).
Zo sterk wordt de mormoonse legende in Frankrijk dat zelfs tot in de
twintigste eeuw grote schrijvers aan de mode meedoen. In 1917 voert
de dichter en romancier Guillaume Apolinnaire de fantasma's rond het
mormonisme tot een hoogtepunt met een roman waarin de Heiligen der Laatste
Dagen zich blaffend en gierend als tollende hoepels voortbewegen in
apocalyptische processies ("La femme assise"). As orgelpunt
verschijnt dan in 1921 "Le lac sale" van Pierre Benoit, een
van de grootste Franse succesauteurs. Het verhaal draait om een protestantse
dominee die door slinkse middelen leider van het mormoonse rijk wordt
en gewetenloos de polygamie onderhoudt (4).
Door heel deze "literatuur" heen loopt een sterke immorele
krachtlijn: het publiek kan immers over sexuele uitspattingen en gruwels
lezen onder het mom van zogenaamde verontwaardiging. de anti-mormoonse
boeken zijn eigenlijk de toelaatbare pornografie van de tijd. Ze doen
denken aan de dame die voortdurend "hoe verschrikkelijk!"
roept, terwijl ze met verlangende ogen naar een onkuis tafereel blijft
kijken. Alles bij elkaar vertelt die literatuur ons heel wat over het
soort mensen die deze boeken schrijven en lezen, maar helemaal niets
over de realiteit van het mormonisme.
De buitenstaanders die de mormoonse gemeenschap werkelijk kennen, klagen
vanaf het begin het leugenachtige van die literatuur aan. De reizigers
die Salt Lake City aandoen in de tweede helft van de negentiende eeuw,
getuigen voortdurend van de schoonheid van de stad en streek, van het
hoog moreel peil van de Heiligen, van hun uitmuntende sociale en economische
prestaties. Zij beschuldigen de populaire literatuur van schandalige
feitenvervalsing en zij publiceren talrijke loftuigingen ten voordele
van de mormoonse gemeenschap. Maar geen van die stemmen is bij machte
de vloedgolf anti-mormoonse literatuur tegen de houden.
In feite zal het tot de jaren 1930 duren voor de realiteit van het
mormonisme de negatieve legende kan aantasten. de uitzendingen van het
Mormoons Tabernakel Koor, het voorbeeldig welzijnszorgprogramma in de
Grote Depressie, het groeiend internationaal zendingswerk verbeteren
gestadig het imago van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der
Laatste Dagen.
Toch weegt de erfenis van de anti-mormoonse literatuur nog tot op heden
door. Als men bijvoorbeeld bedenkt dat in 1960 een "ernstig"
wetenschapsmens de dolzinnige roman van Guillaume Apolinnaire als bron
voor een studie over het mormonisme gebruikt, dan begrijpt men hoe vooroordelen
in stand worden gehouden (5). Anderzijds leidt de erfenis soms ook tot
complexen bij kerkleden zelf: dit uit zich in een overdreven triomfalisme
om toch maar te bewijzen dat de oude imago's onjuist zijn, of in een
verlegenheid over de polygame episode die het liefst doodgezwegen wordt,
of in defensieve overreacties bij de minste kritische opmerking.
Het bovenstaande is een deel van het meer uitgebreide
werk:
Mormonisme en Literatuur
, op de MVG webste beschikbaar (inclusief bronvermelding)
Lees ook: The Technicolor Time Machine - Beeldvorming op het Witte Doek
MVG columnist George Tuffin bespreekt in zijn maandelijkse filmrubriek hoe meningen en opvattingen over en rondom het Mormonisme gevormd worden door het medium film.