MvG logo www.mvgcontact.org

Zwarte Mist

Home

 

Zwarte Mist
door Béla Petsco

vertaald door Teuntje Buenk

Inleiding (ontleend aan het artikel "Mormonisme en Literatuur", in de rubriek Studies).

Béla Petsco, bekeerling van Hongaarse afkomst, is een welkome uitzondering op de vele in de kerk geboren Utah-schrijvers. In de verhalenbundel waaruit dit stuk is ontleend, volgt Béla Petsco de lotgevallen van een zendeling, Mighaly Agyar. Opgegroeid in een traditioneel Hongaars milieu, is Elder Agyar warm in de omgang, kunstzinnig en kritisch. In het verhaal "Zwarte mist" zal men vooral de gekunstelde, zeer sobere stijl van Petsco waarderen. Alleen met het minimum wordt de sfeer geschetst. Typerend is weer de verwevenheid van stof en geest , trouwens een doctrinaal punt van het evangelie: vanaf het eerste moment, bij het aankloppen aan de deur, beleeft de materie de geestelijke dimensie van het gebeuren. De zwarte mist, uiting van een satanische aanwezigheid, beheerst het voorval, maar weer zeer sober, zonder mysterieuze of spectaculaire efecten. Het angstaanjagende ervan wordt volkomen ontkracht door de rustige, schijnbaar naieve beheersing van Elder Agyar. Maar precies uit die rust spreekt een enorme geestelijke intensiteit.


Even leek het alsof een vreemde kracht Elder Agyar's hand tegenhield. De vuist bleef op enkele centimeters van de deur in de lucht zweven en Elder Agyar verwonderde zich hierover. Het leek net alsog een stem binnenin fluisterde: "Oppasssen!" - niet om hem tegen te houden, maar gewoon als waarschuwing. Het scheen hem toe alsof er iets onplezierigs op komst was, maar ja, wat het ook mocht zijn, hij kon het toch niet ontlopen.

Hij rechtte zijn rug, hief vor een tweede maal zijn arm op - en weer ging er die waarschuwende trilling door zijn lichaam. Terwijl hij klopte gluurde hij naar Elder Weldon, maar zijn collega scheen niets te hebben opgemerkt. Met een glimlach opende mevrouw Woudhorst de deur. Ze begroette hen vriendelijk, maar deed niet het stapje opzij om de zendelingen binnen te laten.

"Ik heb geprobeerd jullie te bellen," zei ze. "Ik weet niet of het wel zo goed uitkomt vanavond. Ik zei tegen een paar vrienden dat jullie zouden komen en ze zijn er nogal op tegen dat ik naar jullie luister. Toen ik zei dat ik het toch wilde, hebben ze zichzelf uitgenodigd. En ja, het zijn nou eenmaal oude vrienden van me - die kan ik toch niet weigeren?" Ze pauzeerde even. "Als jullie liever een andere avond komen, dan kunnen we wat makkelijker praten." Ze keek Elder Agyar aan.

Deze keek op zijn beurt even naar zijn collega en antwoordde toen glimlachend: "Als u het liever zo hebt, dan komen we wel een andere keer langs. Maar als u er geen bezwaar tegen hebt, dan ontmoeten we ook graag uw vrienden." Hij dacht even na en vervolgde: "We kunnen natuurlijk ons gesprek wat algemeen houden en iets over Joseph Smith en de herstelling van het evangelie zeggen."

Elder Agyar hoopte dat ze zou instemmen. Elder Weldon had al de hele dag geprobeerd het verhaal van Joseph Smith uit het hoofd te leren en het zou goed voor hem zijn het te oefenen.

"We hebben tenslotte het evangelie van Jezus Christus," moedigde Elder Agyar haar aan, "en het evangelie is voor alle mensen."
"Ikke ... wel, ik vind het goed dat jullie blijven," antwoordde mevrouw Woudhorst. "Ik ben alleen bang dat mijn vrienden het moeilijk willen maken. Het is niet leuk als jullie verkeerd over me denken." Elder Agyar glimlachte. "Dat zouden we nooit doen, zuster Woudhorst."

Mevrouw Woudhorst liet de zendelingen binnen en ging ze voor naar de huiskamer. De zithoek stond precies goed opgesteld voor een conversatie: een bank aan de
éne kant en drie comfortabele stoelen in een U-vorm ertegenover. De elders kozen de bank en mevrouw Woudhorst verontschuldigde zich even.

Nadat ze de kamer uit was, bemerkte Elder Agyar dat zijn collega nog even zijn les reperteerde. Hij bemoedigde hem dat het heus wel goed zou gaan en dat hij een seintje zou geven wanneer het zijn beurt was om in te vallen. Elder Weldon glimlachte zwakjes; het was voor hem de eesrte keer en hij wilde 't meteen goed doen.

Mevrouw Woudhorst kwam terug en nam plaats op de buitenste stoel. Ze kletsten even over het weer en net toen het onderwerp van de afgelopen zondagschoolles werd aangesneden, ging de bel. Mevrouw Woudhorst liet haar vrienden binnen. Het echtpaar was tussen de dertig en de veertig jaar, schatte Elder Agyar - misschien net over de dertig. Ze werden voorgesteld als David en Hazel Visser, maar meneer Visser merkte op dat hij spoedig Eerwaarde Doctor Visser genoemd zou worden.

Meneer Visser verklaarde dat hij tot een christelijke kerk behoorde, waar Elder Agyar niet de juiste naam van opving. Het echtpaar Visser zat recht tegenover de zendelingen. Na een gebed door Elder Weldon begon Elder Agyar met de discussie. Mevrouw Woudhorst knipte de lamp aan die naast haar op de tafel stond. Buiten begon het al donker te worden.

Elder Weldon kreeg een seintje en was trots dat zijn gedeelte goed verliep. De heer en mevrouw Visser luisterden toe, doch deden verder hun mond niet open. Wel leek het alsof ze iets meer aandacht schonken toen Elder Weldon het woord nam. Toen de zendeling klaar was, gaf hij zijn getuigenis dat hij zeker wist dat God de Vader en zijn Zoon Jezus Christus aan Joseph Smith verschenen waren. Pas toen hij helemaal klaar was, leunde hij achterover in zijn hoekje van de bank.

Vervolgens vertelde Elder Agyar over de zending van de profeet Joseph. Pas toen begon meneer Visser vragen te stellen. Hij vroeg dezelfde dingen die de zendelingen zojuist uitgelegd hadden. Dit bracht een verwonderde blik op mevrouw Woudhorst's gezicht - maar ze ging er niet op in.

Geduldig beantwoordde Elder Agyar meneer Visser's vragen, al moest hij hetzelfde antwoord veelvuldig herhalen, soms zelfs op verschillende manieren. Plotseling hield meneer Visser op vragen te stellen en begon hij zich fel tegen Joseph Smith uit te laten. Maar Elder Agyar kende zulke preken en hij liet zijn oplettendheid varen. Toen viel het hem op hoe donker het in de kamer was geworden. Terwijl hij wachtte tot meneer Visser uitgesproken was, wreef hij zijn ogen uit. Het leek wel of hij ineens moe was, want de kamer werd steeds donkerder. Net als die keer op het strand toen Elder Weldon en hij de mist zagen opkomen.

Dat ging ook zo snel - binnen enkele minuten zat de gehele kust potdicht. Hij probeerde naar buiten te kijken om te zien alsof de hele kamer in een donkere mist gehuld was - alles, behalve de bank waar zij op zaten en de stoel van mevrouw Woudhorst - blijkbaar het enige door de tafellamp verlicht.

Mevrouw Woudhorst zag er tevreden uit. Alles leek heel gewoon voor haar, dacht Elder Agyar. Ach, misschien lag het wel aan hem; het was een drukke dag geweest. Toen bemerkte hij ineens dat zijn collega vlak naast hem zat . Zo dicht tegen hem aan, dat ze elkaar raakten. Elder Weldon keek op een vreemde manier de kamer rond - hij hoorde de stem van meneer Visser - maar het leek alsof hij zo langs de man heenkeek, naar iets achter hem. Elder Agyar keek op zijn horloge.

"Neemt u mij niet kwalijk, meneer Visser, maar het is bijna tien uur. Elder Weldon en ik moeten echt vertrekken. Wij zendelingen moeten ons aan het uur houden. We moeten nog een eindje met de wagen." Hij sprak in de richting waar de stem van meneer Visser vandaan scheen te komen. Elder Agyar keerde zich daarna tot mevrouw Woudhorst. "Het is misschien beter eeen volgende keer verder te praten."

De zendelingen volgden mevrouw Woudhorst naar de voordeur en wensten haar goedenacht. Ze vroeg hen of ze die donderdag weer langs wilden komen en ze fluisterde vlug dat haar vrienden er dan niet bij zouden zijn. ze spraken een tijd af.

Buiten was het een heldere avond. Wat er verkeerd scheen te zijn met Elder Agyar's ogen was nu over. Zelfs heel in de verte kon hij de lichtjes van enkele huizen duidelijk onderscheiden.

Pas toen ze door het stadscentrum reden, deed Elder Weldon voor het eerst zijn mond open. "Elder?"
"Ja?"
"Vond jij ook iets vreemds bij zuster Woudhorst?"
"Vreemd?" Eindelijk had Elder Agyar het juiste woord gevonden. "Zoals wat?"
Zijn collega antwoordde niet onmiddellijk. Hij wachtte even. "Vond jij het ook niet erg donker binnen?"
Elder Agyar dacht na. De koplampen van de auto beschenen drie mensen die wat verderop de weg over staken. Hij remde af; de mensen haastten zich over.
Toen gaf hij gas en antwoordde: "Ja".
Zijn collega keek hem aan: "Dat vond ik nou ook."

 

 

 

bron: Horizon, tijdschrift over de mormoonse gemeenschap