“Without a Prophet at our head”:
een godsdienstsociologische verklaring van de scheuringen
in de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen,
1844-1860.
Afstudeerscriptie van: Ferdi Geleijnse
Hoofdvak: Godsdienstsociologie
Faculteit der Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap
Rijksuniversiteit Groningen
Oktober 2002
Begeleiders: dr. Y.B. Kuiper & dr. D.H. Hak
INHOUDSOPGAVE
2…… Inhoudsopgave
4…… Woord vooraf
6…… Inleiding
12…… Hoofdstuk 1: Rationele keuze theorie van religie
12…… 1.1: Inleiding
13…… 1.2: A Theory of Religion
16…… 1.3: Verdere discussie
23…… 1.4: Hypothesen
33…… Hoofdstuk 2: Een historische schets van het mormonendom
(1805-1860) 33…… 2.1: Omgevingsfactoren bij het ontstaan
van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen
35…… 2.2: Joseph Smith (1805-1844)
36…… 2.3: De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van
de Laatste Dagen, 1830-1839
39…… 2.4: De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van
de Laatste Dagen, 1839-1844
42…… 2.5: De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van
de Laatste Dagen, 1844-1860
44…… 2.6: De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van
de Laatste Dagen, 1830-860: theologische ontwikkelingen, hiërarchische
structuur en typering als cult.
44…… A: Theologie, 1830-1844
47…… B: De mormoonse hiërarchie, 1830-1860.
49…… C: De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de
Laatste Dagen (1830-1860) als cult.
50…… Hoofdstuk 3: Opvolgingscrisis, machtsstrijd en schismavorming
50…… 3.1: Kandidaten voor de opvolging
52…… 3.2: Uitkomsten van de crisis
53…… 3.3: De schismatische groeperingen
53…… A: Sidney Rigdons Church of Christ 57……
B: James Jesse Strang
61…… C: Lyman Wight
62…… D: Alpheus Cutler
67…… E: De Gereorganiseerde Kerk van Jezus Christus van
de Heiligen van de Laatste Dagen
71…… Hoofdstuk 4: Conclusies en discussie
71…… 4.1: Inleiding71…… 4.2: Conclusies
78…… 4.3: Discussie
82……. Bibliografie
WOORD VOORAF
Met deze afstudeerscriptie draag ik mijn studententijd ten grave. Meer
dan zes jaar heb ik met volle teugen genoten van de stad Groningen,
van de universiteit (in al haar facetten) en van de theologische en
godsdienstwetenschappelijke faculteit. Ook buiten de universiteit, maar
binnen het studentenleven heb ik volop geprofiteerd van de mogelijkheden
die de Stad aan een student biedt. Met name studentenvereniging Hendrik
(en dan vooral het schap Elysion) en het roemrucht theologisch, godsdienstwetenschappelijk
en wijsgerig dispuut Neoem Benej Neviim hebben mijn vrije tijd gevuld.
Ik ben dankbaar voor de altijd geanimeerde gesprekken, vaak tot in de
vroege uurtjes.
Het is een cliché van jewelste om in een woord vooraf te stellen
dat een boek, artikel of werkstuk mede het resultaat is van het fantastische
contact met medestudenten, met docenten en wetenschappers in het veld.
Hier zou ik tegenin willen brengen dat godsdienstsocioloog te Groningen
zijn een uiterst eenzame bezigheid is. Als ik het wel heb, ben ik de
eerste theoloog sinds een jaar of negen die afstudeert in de godsdienstsociologie
en tevens ben ik de laatste: het vak is afgeschaft als hoofdvakmogelijkheid
voor theologen. Niettemin vind ik het gepast om op deze plaats enkele
mensen te bedanken, die op zeer verschillende wijze hebben bijgedragen
aan deze scriptie.
Op de eerste plaats is daar dr. Colleen McDannell (University of Utah),
die tijdens haar gasthoogleraarschap in 2000 aan de faculteit der Letteren
mij niet alleen op het spoor van de mormonen zette, maar ook de eerste
was die mij introduceerde in het werk van Rodney Stark en Bill Bainbridge.
Dr. Danny L. Jorgensen (University of Florida at Tampa) was zo vriendelijk
een aantal artikelen op te sturen die het schrijven van de paragraaf
over Alpheus Cutler mogelijk hebben gemaakt, terwijl dr. Wouter van
Beek (Universiteit Utrecht) mij bij hem thuis ontvangen heeft en enkele
artikelen van zijn hand en twee belangrijke monografieën beschikbaar
stelde. De meeste dank moet echter uitgaan naar mijn twee scriptiebegeleiders.
De eerste, dr. Yme Kuiper, die tevens mijn hoofdvakdocent was, heeft
mij zoals altijd de ruimte gelaten om dat te doen wat ik boeiend en
belangrijk vond. Een student kan zich geen ruimhartiger hoofdvakdocent
wensen; de breedte van de kennis die ik tijdens mijn doctoraalstudies
heb opgedaan is voor een groot deel aan hem te danken. Dr. Durk Hak
was een enthousiast en zorgvuldig scriptiebegeleider (en veel meer dan
een meelezer) voor mij. Met name zijn scherpe commentaar op het theoretische
gedeelte en zijn niet aflatende kritische houding hebben deze scriptie
zeer verrijkt. Voor hen beiden geldt dat ik de besprekingen over de
soms moeizame totstandkoming van deze scriptie altijd als positief,
stimulerend, en (mag ik het zeggen?) gezellig heb ervaren.
Tenslotte dan de onvermijdelijke dankwoorden in de persoonlijke sfeer.
Allereerst dank aan Dorien Evers en Albert Hankel, die beiden drie maanden
een kamer hebben opgegeven, waar ik een rustige studieplek vond. Heel
veel dank ben ik verschuldigd aan mijn ouders, die niet alleen financieel
(o zo belangrijk), maar vooral mentaal een grote steun zijn geweest.
Ik weet dat ze wat meewarig moeten hebben opgekeken toen hun zoon aankondigde
theologie te gaan studeren, maar hier en nu verzeker ik hen dat ik door
hen geworden ben wie ik nu ben. En ik hoop dan ook dat ze trots op me
zijn. De meeste dank komt mijn lief toe, Wilja. Meisje, ik weet dat
het soms moeilijk was om met mij samen te leven de afgelopen maanden,
zeker als ik weer eens vol was van het onderwerp of chagrijnig omdat
ik vastzat in een redenering. Nu dit ding klaar is gaan we samen een
nieuwe fase van ons leven in en ik weet zeker dat we ook dit zullen
klaren. Jouw voortdurende optimisme, vrolijkheid en liefde hebben aan
deze scriptie meer bijgedragen dan je ooit zult weten.
Tenslotte dan een woord over de dingen die voorbijgaan. Gedurende mijn
studies heb ik twee grootouders verloren. Ik vind het vreselijk jammer
dat Opa van den Bos en Oma Geleijnse me niet zien afstuderen. Het is
dan ook in liefdevolle herinnering dat ik deze scriptie aan hun beider
gedachtenis opdraag. Opa zei altijd: “Je moet alles in je leven
een keer gedaan hebben.” Nou Opa, kijk mij nou eens…
Ferdi Geleijnse
Oktober 2002
INLEIDING
De geschiedenis van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van
de Laatste Dagen (Mormonen) mag inmiddels als legendarisch worden beschouwd.
Ontstaan tijdens de Second Great Awakening in de staat New York als
een marginale nieuwe religieuze groepering, is de kerk inmiddels uitgegroeid
tot een gerespecteerde denominatie in de Verenigde Staten én
- mede door het uitgebreide missionaire programma – tot een volwaardige
speler op de internationale geloofsmarkt waar terdege rekening mee moet
worden gehouden. De aanwezigheid van de mormonen in Nederland werd onlangs
bekroond met de opening van een tempel, het belangrijkste liturgische
centrum in hun kerk, in Zoetermeer. De Amerikaanse godsdienstsocioloog
Rodney Stark heeft becijferd dat, wanneer deze kerk blijft groeien met
de snelheid waarmee ze dat de laatste honderdvijftig jaar heeft gedaan,
er in 2080 meer dan 265 miljoen mormonen zullen zijn. Bovendien horen
de mormonen inmiddels bij de Amerikaanse religieuze en culturele mainstream,
getuige – bijvoorbeeld – het succes van het Mormon Tabernacle
Choir en de organisatie van de Olympische Winterspelen 2002 in hun hoofdkwartier
Salt Lake City. Maar tegelijkertijd blijft een overblijfsel van het
verleden de mormoonse kerk parten spelen in de vorm van polygame families
en sekten, die overigens, wanneer zij betrapt worden door kerkelijke
of veroordeeld worden door wereldlijke overheden, meteen worden geëxcommuniceerd.
De grove lijnen van de geschiedenis van de mormonen zijn bekend: na
een moeizame start en diverse vervolgingen, die uiteindelijk resulteerden
in de dood van de stichter van de kerk, trokken vele duizenden gelovigen
onder leiding van Brigham Young over de Rocky Mountains naar het Grote
Zoutmeer en stichtten daar hun eigen staat, Deseret, met als hoofdstad
Salt Lake City. Minder bekend is echter dat de mormoonse kerk in haar
vroegste geschiedenis meer dan één maal te maken heeft
gehad met afsplitsingen en dat er momenteel vele tientallen grotere
en kleinere religieuze groeperingen bestaan, die zijn voortgekomen uit
de Utah-kerk of die kwalificeren als mormoons.
Zo vormden er zich schismatische groeperingen na het Manifesto van 1890
onder president Wilford Woodruff, waarmee de kerk de polygamie afzwoer
en na de Grote Depressie van 1930. Maar de meeste en belangrijkste schisma’s
deden zich voor in de periode direct na de gewelddadige dood van Joseph
Smith, jr., de stichter en profeet van de kerk. In mijn scriptie wil
ik dan ook uitgebreid ingaan op de beschrijving en de oorzaken van deze
schisma’s, en de probleemstelling ervan luidt dan ook:
‘Hoe kunnen we de vorming en de aard van de schisma’s in
de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen in de
periode 1844-1860 verklaren?’
In het eerste hoofdstuk zal ik het theoretisch kader schetsen aan de
hand waarvan ik de hoofdvraag van de scriptie zal proberen te beantwoorden.
Hierbij doe ik met name een beroep op het theoretische werk van Rodney
Stark en William Bainbridge: hun variant van de rationele keuze theorie
van religie. Na een korte inleiding op de basis van de theorie, waarmee
ik de lezer die niet bekend is met de basis ervan ter wille hoop te
zijn, zal ik ingaan op de ideeën die zij geformuleerd hebben ten
aanzien van schismatische groeperingen. Hun voornaamste these over schisma’s
is dat deze zich voornamelijk voordoen langs lijnen van sociale scheidingen,
waarbij diegenen die zich afscheiden het verlies van eerdere investeringen
in hun lidmaatschap van de moederkerk zoveel mogelijk trachten te beperken.
Daarnaast speelt het concept ‘spanning’ met de sociaal-culturele
omgeving een belangrijke rol in hun verklaring van het ontstaan van
sekten; ook hieraan zal ik aandacht besteden. Ook zal ik proberen uit
het werk van Stark en Bainbridge enkele noties te halen, die licht werpen
op vormen van leiderschap van religieuze bewegingen en op wat er gebeurt
als leiders plotseling (om wat voor reden dan ook) wegvallen uit hun
organisatie. Dit is uiteraard het probleem van de routinisering van
charisma, zoals ooit geformuleerd door Max Weber. Tenslotte zal ik in
een laatste paragraaf enkele hypothesen formuleren over de specifieke
situatie van de mormoonse kerk in 1844 en de gevolgen van de dood van
Joseph Smith, waarbij met name de factor ‘machtsstrijd’
een grote rol zal spelen. Hierbij ga ik uit van de theorie van Stark
en Bainbridge, maar zal ik enkele van hun noties moeten aanpassen of
uitbreiden om tot uitspraken te komen die relevant zijn voor het voorliggende
historische geval.
Vervolgens zal ik in het tweede hoofdstuk een beschrijving geven van
de geschiedenis van de mormoonse kerk tot aan de moord op Smith op 27
juni 1844 en de daarop volgende trek naar het westen. De reden hiervoor
is eenvoudig: de wortels van de claims waarop de schismatici hun legitimering
voor afscheiding baseren, liggen veelal in de periode vóór
1844. Dit is met name het geval voor die groepen die zich baseren op
anti-polygamistische stellingen, op leiderschapsclaims op basis van
status binnen de sterk hiërarchische kerkorganisatie en op profetieën
van Smith. Bovendien zullen facetten van de geschiedenis van de kerk
die relevant zijn voor de beantwoording van de hoofdvraag van deze scriptie
sommige lezers onbekend zijn
Daarna zal ik specifiek ingaan op de dood van Smith en de daaropvolgende
opvolgingcrisis die aan tenminste vijf mormoonse schismatische groeperingen
ten grondslag ligt. Vier van deze groepen zijn gecentreerd rond één
figuur, die al dan niet profetische kwaliteiten claimden, te weten:
Sidney Rigdon, Alpheus Cutler, Lyman Wight en James Jesse Strang. De
vijfde groepering ontstond in en rond de familie van Joseph Smith en
een vocale groep anti-polygamisten, de Gereorganiseerde Kerk van de
Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen. Tevens zal ik ingaan
op de complexen van factoren die het mogelijk maakten dat deze vijf
groepen zich afscheidden van de moederkerk. Enkele van de te behandelen
factoren zijn: dissatisfactie met de polygamistische praktijken van
de top van de mormoonse hiërarchie, een cultuur waarin profetieën
en openbaringen gestimuleerd werden, machtsstrijd, het gebrek aan een
duidelijke opvolger van Smith, persoonlijke vetes, opportunisme van
would-be leiders, elitevorming rond de persoon van de profeet en millennialistische
verwachtingen (en de daarmee samenhangende importantie van de stad Independence,
Missouri), en anderen.
In het laatste hoofdstuk dat de titel ‘Conclusies en Discussie’
draagt, zal ik proberen de schisma’s in het mormonendom (1844-1860)
te verklaren met behulp van de rationele keuze theorie in de vorm zoals
die op religieuze verschijnselen is toegepast door Stark en Bainbridge.
Ik zal daarbij betogen dat de schisma’s inderdaad voor een deel
te wijten zijn aan sociale scheidingen, hoewel deze niet zozeer sociaal-economisch
van aard zijn, maar veeleer veroorzaakt zijn door interne ontwikkelingen
in de kerk. Ook zal ik ingaan op het begrip ‘spanning’ en
de betekenis die het heeft voor de verklaring van mormoonse schisma’s.
Ik zal daarbij betogen dat de relatie die Stark en Bainbridge veronderstellen
tussen ‘spanning’ en het ontstaan van – wat zij noemen
– sekten onvoldoende verklaring biedt voor het ontstaan van de
mormoonse sekten. Zij stellen dat wanneer de spanning met de omgeving
gereduceerd wordt, sekten zich gaan afscheiden van de moederkerk, waarbij
diegenen die het meest lijden onder ‘relatieve deprivatie’
de meest waarschijnlijke groep vormen om zich bij de afsplitsingen aan
te sluiten. Ervan uitgaande dat de spanning van de mormoonse (moeder-
of Utah-)kerk met haar omgeving zeker tot aan de grote trek westwaarts
altijd hoog is geweest (zie hoofdstuk 2, met als absoluut hoogtepunt
de moord op de leider van de beweging), lijkt de reactie van een deel
van de mormonen op de spanning met de omgeving omgekeerde te zijn van
wat welke Stark en Bainbridge voorspellen: kerkverlating. Bovendien
is het zo dat de mormoonse schismatische groeperingen een mormoonse
theologie bleven aanhangen, en dus niet zozeer de spanning met de omliggende
‘wereld’ verminderden, behalve op het punt van de polygamie
(hoewel de groep rond Strang deze praktijk in de jaren vijftig van de
negentiende eeuw weer oppakte).
Een mogelijke oplossing van dit probleem is misschien gelegen in het
feit dat we de mormonen tot aan 1846 niet als een ‘kerk’
moeten beschouwen (dit zou gezien de spanning met de Umwelt prima te
verdedigen zijn), maar eerder als een cult, dat wil zeggen een religieuze
groeperingen met een innovatieve theologie. Ook dit is verdedigbaar
gezien de groeiende breuklijnen van de mormoonse theologie met die van
de gevestigde én opkomende christelijke groeperingen, bijvoorbeeld
met het theologisch sanctioneren van polygamie of de openbaring over
het goddelijk worden van mensen of de openbaring en de liturgische implementatie
van het huwelijk dat zal voortduren nadat het aardse leven beëindigd
is (hetzij door de natuurlijke dood, hetzij door het einde der tijden).
Als we deze gedachtegang vasthouden en plausibel kunnen maken, leidt
dit onherroepelijk tot de vraag welke factoren aanleiding geven tot
schismavorming binnen cults. De vraag gesteld in Stark-en-Bainbridge
termen wordt dan: onder welke omstandigheden ontstaan sekten uit cults?
Op dit moment lijkt het meest waarschijnlijke antwoord op de hoofdvraag
eenvoudigweg dat de sociale scheidingen die ten grondslag lagen aan
de vorming van schismatische groeperingen reeds bestonden voordat Smith
vermoord werd. Deze gebeurtenis werkte slechts als een versnellende
factor in het uitspelen van oudere sociale en ideologische tegenstellingen.
Hoewel het uiteraard historisch koffiedik kijken is, lijkt het me logisch
dat de schisma’s ook zonder de dood van Smith plaats hadden gevonden.
De moord op de profeet was een destabiliserende factor in het leiderschap
van de jonge kerk en leidde, zoals te verwachten valt, tot een hevige
en langdurige machtsstrijd, die uiteindelijk zou leiden tot de vorming
van schismatische groeperingen, die allerlei vormen aannamen.
Wat de periodisering betreft is het duidelijk dat ik de onderzoeksperiode
laat beginnen met de dood van Joseph Smith in 1844. Hoewel ik om bovengenoemde
redenen al begin met de mormoonse geschiedenis in 1830, valt het onderzoeksobject
(de scheuringen) binnen de periode na 1844. De einddatum 1860 is gekozen
omdat pas in dat jaar de Gereorganiseerde Kerk formeel wordt opgericht
en Joseph Smith III het leiderschap van deze kerk op zich neemt. Daarmee
komt de leiderschapscrisis pas werkelijk tot een einde. Rond diezelfde
tijd geraakt de inmiddels in Utah gevestigde moederkerk in rustiger
vaarwater, mede door het uitbreken van de Amerikaanse burgeroorlog.
Een andere factor die de reikwijdte van de hoofdvraag van deze scriptie
inperkt is de keuze om alleen die schismatische groeperingen te behandelen,
die direct voortgekomen zijn uit wat later de Utah-kerk zou worden.
Er zijn ook schisma’s ontstaan in de groeperingen die direct voorkwamen
uit de Utah-kerk, bijvoorbeeld de groep rond Bickerton die zich afscheidde
van Sidney Rigdons Church of Christ, maar deze worden op deze plaats
niet behandeld.
Bovendien dient opgemerkt te worden dat de studie van het mormonendom
in het algemeen en die van de vroeg-mormoonse sekten in het bijzonder
ernstig bemoeilijkt wordt door een gebrek aan literatuur in Nederland.
Vooral het gemis aan tijdschriften die zich bezighouden met mormoonse
geschiedschrijving (zoals Dialogue, Sunstone en BYU Studies) is schrijnend,
nog afgezien van het feit dat een aantal van de belangrijkste monografieën
op dit gebied eveneens niet in Nederland te raadplegen zijn. Bovendien
worden de schismatische groeperingen in de door mormonen geschreven
geschiedenissen slechts beperkt behandeld. Of dit een vorm van ‘faithful
history’ is, durf ik niet te zeggen. Wél dat dit mijn studie
in ernstige mate heeft bemoeilijkt.
Als laatste wil ik in deze inleiding een opmerking maken over het vak
godsdienstsociologie. Het is opvallend dat de godsdienstsociologie in
de Verenigde Staten sinds het einde van de jaren ’60 van de vorige
eeuw een enorme vlucht heeft genomen. Met een duidelijk respect voor
de grondleggers van de Amerikaanse godsdienstsociologie (namen als Niebuhr,
Parsons en Berger schieten te binnen), hebben onderzoekers de discipline
min of meer ‘herontdekt’. Auteurs als Robert Bellah, Charles
Glock, Rodney Stark, William Bainbridge en William McLoughlin (om er
maar een paar te noemen) hebben boeken en artikelen het licht doen zien,
die de aandacht voor de sociologie van de godsdienst sterk hebben doen
toenemen.
In Nederland echter is de discipline achtergebleven ten opzichte van
de Amerikaanse collega’s. Binnen het onderwijs én onderzoek
aan de theologische én sociologische faculteiten in Nederland
wordt betrekkelijk weinig aandacht besteed aan de godsdienstsociologie.
Op deze plaats wil ik de hoop uitspreken dat deze scriptie toont waar
de historische godsdienstsociologie toe in staat is: niet alleen beschrijving
en interpretatie van historische gebeurtenissen en processen, maar ook
verklaringen geven voor die gebeurtenissen en processen. Het zou een
winst zijn voor de Nederlandse theologische en sociologische faculteiten
als zij de handschoen opnamen en meer aandacht gingen besteden aan de
sociologische bestudering van religie, met name aan het werk van Stark
en Bainbridge en andere auteurs die zich bezig houden met (vormen van)
rationele keuze theorie van religie.
Hoofdstuk 1: Rationele keuze theorie van religie.
Inleiding
Gedurende de afgelopen twintig jaar heeft er zich een verschuiving
voorgedaan in de godsdienstgeschiedenis en in de godsdienstsociologie,
welke Stephen Warner gekarakteriseerd heeft als een ‘shift in
paradigm’. De gedachte dat religie een steeds minder belangrijke
plaats innam binnen de cultuur en zou gaan innemen was de grondgedachte
van de aanhangers van het secularisatie-paradigma. De aanhangers van
het nieuwe paradigma betoogden dat religie een min of meer noodzakelijk
aspect is van het menselijke (samen)leven en dat religie daarom altijd
wel zal blijven bestaan. Zij stelden dat de aanhangers van het oude
paradigma hun blikveld te smal hadden gesteld, toen zij concludeerden
dat religieus geloof afnam. Deze stelling kon misschien wel waar zijn
voor de gevestigde orde van kerken, maar volgens de nieuwe school vloeiden
de religieuze behoeften nu slechts naar andere geloofsvormen en verdwenen
ze niet. Bovendien toonden enkele auteurs dat de oude vooronderstelling
dat ‘vroeger’ een groot gedeelte van de bevolking gelovig
was (eveneens een veronderstelling voor de secularisatiethese) en aangesloten
was bij en gecommitteerd was aan één van de gevestigde
kerken, onjuist was.
Daarnaast was er nog nooit een sociologische theorie van religie ontworpen
die de toets van de kritiek kon doorstaan. Rodney Stark schrijft in
zijn semi-autobiografische essay Bringing Theory Back in, dat hij als
student verbaasd was over het feit dat sociologische theorievorming
(met name in de structureel-functionalistische school van Talcott Parsons)
eigenlijk was opgehouden met het verzamelen van definities en concepten.
Volgens Stark las hij nergens falsifieerbare uitspraken, die gebaseerd
waren op deductieve redeneringen. Hierdoor gefrustreerd geraakt, begon
hij als leerling van Charles Glock in de late jaren zestig zelf met
het opstellen van een deductieve theorie over religie. Deze theorie
en uitwerkingen en toepassingen daarvan vonden hun beslag in een serie
artikelen die van 1979 tot 1983 in verschillende wetenschappelijke tijdschriften
verschenen, waarbij Stark vooral samenwerkte met William Sims Bainbridge.
Deze artikelen en enkele aanvullingen verschenen in 1985 in boekvorm
onder de titel The Future of Religion. Twee jaar later verscheen het
formele model in boekvorm, getiteld A Theory of Religion.
A Theory of Religion
Rationele keuze theorie van religie zoals die geformuleerd is door
Stark en Bainbridge gaat uit van een model van menselijk handelen dat
gebaseerd is op zeven axioma’s, die met name ontleend zijn aan
exchange theory. Deze axioma’s, zo stellen Stark en Bainbridge,
moeten we opvatten als een gegeven en ze dienen als basis voor het latere
deductieve werk. Ze dienen niet bewezen te worden. Voor de volledigheid
geef ik deze axiomia’s hieronder weer:
“A1: Human perception and action take place through time, from
the past into the future.
A2: Humans seek what they perceive to be rewards and avoid what they
perceive to be costs.
A3: Rewards vary in kind, value, and generality.
A4: Human action is directed by a complex but finite information-processing
system that functions to identify problems and attempt solutions to
them.
A5: Some desired rewards are limited in supply, including some that
simply do not exist.
A6: Most rewards sought by humans are destroyed when they are used.
A7: Individual and social attributes which determine power are unequally
destributed among persons and groups in any society.”
Uit deze zeven axioma’s deduceren Stark en Bainbridge proposities
over menselijk handelen in het algemeen en religieus gedrag in het bijzonder.
Deze proposities gaan noodzakelijkerwijs gepaard met definities; immers,
zo stellen zij, zonder definities kunnen proposities niets zeggen over
de empirische werkelijkheid.
Vanuit de axioma’s worden dus proposities afgeleid, ook over religieus
geloof. Stark en Bainbridge stellen dat, gegeven het feit dat mensen
beloningen zoeken en gegeven het feit dat sommige beloningen schaars
zijn, mensen behoefte hebben aan beloningen die voor hen simpelweg niet
bereikbaar zijn. Het meest pregnante en waarschijnlijk universele voorbeeld
van zulke behoeften is ‘leven na de dood’. Deze specifieke
beloning is niet direct te verkrijgen en is evenmin empirisch verifieerbaar,
maar kan alleen op basis van geloof (dus in de perceptie van de gelovige)
bestaan. Als dan beloningen zoals deze niet in de empirische wereld
te verkrijgen zijn, zijn mensen bereid een compensator te accepteren
die een belofte inhoudt dat in een later stadium die compensator ingewisseld
kan worden voor een waarachtige beloning. Dit concept wordt inzichtelijk
gemakt door het gebruik van het economische begrip IOU (I Owe You).
Op het moment van keuze wordt een belofte op beloning geaccepteerd wanneer
de beloning zelf niet voorhanden is.
Compensatoren, zo stellen Stark en Bainbridge, variëren in de mate
waarin ze de belofte in zich hebben op bepaalde beloningen. Om dit duidelijk
te maken onderscheiden ze algemene en specifieke compensatoren. Specifieke
compensatoren vervangen één enkele, specifieke beloning,
terwijl algemene compensatoren de vervanging zijn voor meerdere beloningen,
beloningen van grote waarde en van grote reikwijdte. Het sociale instituut
bij uitstek dat algemene compensatoren biedt is religie, omdat zij de
bovennatuurlijke basis levert waarop algemene compensatoren volgens
Stark en Bainbridge onherroepelijk op moeten rusten. Mensen sluiten
zich aan bij religieuze organisaties (die sociale instituten die op
het bovennatuurlijke gebaseerde, algemene compensatoren leveren), omdat
ze op basis van hun participatie in die organisaties (de kosten die
ze maken) verwachten dat ze beloningen krijgen, niet alleen algemene
beloningen of compensatoren daarvoor, maar ook specifieke beloningen
of compensatoren, zoals bijvoorbeeld macht, status, vriendschap, ontspanning
of seksuele contacten. Religieuze organisaties kunnen variëren
in de mate waarin algemene en specifieke beloningen en compensatoren
worden aangeboden. Volgens Stark en Bainbridge worden algemene beloningen
en compensatoren veelal aangeboden door de ‘kerken’ en meer
specifieke beloningen en compensatoren meer door ‘sekten’.
Dit is vooral duidelijk in de discussie die Stark en Bainbridge houden
over de rol die spanning met de sociaal-culturele omgeving speelt binnen
kerken en sekten. Waar ideaaltypisch gezien de kerken een lage spanning
onderhouden en dus meer algemene beloningen kunnen aanbieden, houden
sekten de spanning met de omgeving hoog, waardoor de wens naar meer
algemene beloningen niet vervuld kan worden en er dus compensatoren
van verschillende (beperktere) reikwijdten geaccepteerd zullen worden.
Op dit spanningsbegrip kom ik later terug.
In dit spel van het vervullen van beloningen en, indien deze niet beschikbaar
zijn, het aanbieden van compensatoren spelen religieuze organisaties
dus een belangrijke rol. In tegenstelling tot aanhangers van het oude
of secularisatie-paradigma, die stelden dat religieus pluralisme de
plausibiliteitsstructuur van religie ondermijnt, menen de aanhangers
van het nieuwe paradigma, waaronder Stark en Bainbridge, dat religieus
pluralisme juist bevorderend werkt voor de mate waarin religieus geloof
voorkomt binnen een maatschappij. Religies komen dan in een marktsituatie,
waarbij zij hun product (niet alleen de geloofsinhoud, maar ook kansen
op bijvoorbeeld macht en status) zo goed mogelijk dienen af te stemmen
op de wensen van hun potentiële klanten (mensen). In deze religieuze
economie maken klanten een rationele keuze, gebaseerd op een afweging
van de te verwachten kosten en baten, of en bij welke religieuze organisatie
ze zich aansluiten. Het woordje ‘of’ in de vorige zin overigens
is cruciaal in de discussie in hoeverre het logisch volgt uit de basis
van rationele keuze theorie dat er mensen zijn die zich atheïst
noemen. Stark en Bainbridge proberen dit te verklaren door de stellen
dat ‘atheïsme’ als categorie bij sociaal-wetenschappelijk
onderzoek (in de Verenigde Staten, dat wel) meer een indicatie is van
het niet-lid zijn van een religieuze organisatie dan een uitspraak over
wat mensen geloven. Zij wijten de relatief hoge graad van atheïsme
in sommige gebieden meer aan het gebrek aan religieuze organisaties
in die gebieden dan aan oprecht ongeloof.
De opkomst van het rationele keuze model heeft – uiteraard –
reacties uitgelokt van andere onderzoekers in het sociaal-wetenschappelijke
veld. Roy Wallis en Steve Bruce hebben reeds in een vroeg stadium enkele
problemen aangegeven die zij hadden met het Stark-en-Bainbridge perspectief.
Ten eerste zijn Wallis en Bruce van mening dat het begrip compensator
te breed gesteld is. Het is tegelijkertijd een vorm van beloning, een
belofte op die beloning én een uitleg over hoe die beloning verkregen
kan worden. Het kritiekpunt is dus dat de begripsbepaling onduidelijk
is en dat de betekenis van het concept heen en weer kan schuiven tussen
drie mogelijkheden. Een ander kritiekpunt van de kant van Wallis en
Bruce is de in hun ogen te simpele dichotomie die gesteld wordt tussen
de empirische claims van naturalistische systemen en de metafysische
claims van religieus geloof. Volgens hen maken Stark en Bainbridge de
fout van de arrogantie: wij, verlichte geesten, zullen wel even uitmaken
of metafysische claims onwaar zijn. Hetgeen, volgens Wallis en Bruce,
fout is, daar wetenschappers net zo min de verificatie als de falsificatie
van deze metafysische claims kunnen aantonen. Bovendien beschuldigen
Wallis en Bruce Stark en Bainbridge van ‘slechte wetenschap’;
de gegevens die zij gebruiken om hun theorieën vorm te geven zijn
te algemeen om conclusies uit te trekken. Vooral wordt daarbij de relatie
van het handelende individu tot zijn omgeving te veel uit het oog verloren.
Wallis en Bruce: “Knowing little about the meanings that the actors
attached to their circumstances, Stark en Bainbridge commit the familiar
error of supposing that the actors probably feel the same way they would
if they were in that position.”
Verdere discussie.
In deze paragraaf zullen we aandacht besteden aan enkele van de ideeën
en proposities die we ontlenen aan het werk van Stark en Bainbridge
en die relevant zijn voor de beantwoording van de hoofdvraag van dit
werkstuk. Waar nodig zullen we de opvattingen van Stark en Bainbridge
contrasteren en eventueel aanvullen met noties van andere onderzoekers.
Zoals ik in de inleiding heb geschreven, gaat het mij specifiek om schisma’s
binnen de mormoonse kerk na de dood van Joseph Smith. We hebben dus
te maken met tenminste twee verschillende problemen. Het eerste gaat
om de vraag onder welke voorwaarden zich kerkscheuringen voordoen. Het
tweede probleem is – algemeen gesteld – wat er gebeurt wanneer
de leider van een religieuze beweging sterft. Deze problemen zijn niet
geheel ongerelateerd; een veel voorkomende assumptie is dat de dood
van een leider van een religieuze beweging leidt tot schisma’s.
Om met het tweede probleem te beginnen, moeten we opmerken dat het religieus
leiderschap, zeker van een innovatieve religieuze beweging, veelal geassocieerd
wordt met het concept ‘charisma’. Het is bekend dat de klassieke
formulering van het concept bij Max Weber voorkomt, die charisma onderscheidt
als één van de drie ideaaltypische vormen van legitieme
autoriteit, naast traditionele autoriteit en ‘rationele’
of legitieme autoriteit. Weber definieert charisma als volgt:
“a certain quality of an individual personality, by virtue of
which he is set apart from ordinary people and treated as endowed with
supernatural, superhuman, or at least specifically exceptional powers
or qualities. These as such are not accessible to the ordinary person,
but are regarded as of divine origin or as exemplary, and on the basis
of them the individual concerned is treated as a leader.”
Het is belangrijk om hier op te merken dat Weber impliciet uitgaat van
een vorm van religieus leiderschap, die per definitie buiten datgene
wat als ‘normaal’ wordt gezien staat. Er is dus in Webers
idee van charisma altijd een zekere mate van spanning met de omliggende
wereld.
Overigens is het weberiaanse charisma-concept uitgewerkt en bijgesteld
door Roy Wallis. Aan de hand van een case-study over de Children of
God, een evangelicale protestbeweging, die ontstond in de late jaren
zestig in de San Francisco Bay Area rond een charismatische leider,
toont hij aan dat charisma alleen gerealiseerd kan worden in contact
met een groep volgelingen. Hij stelt dat charisma niet zozeer een inherente
individuele kwaliteit is, maar veeleer ontstaat in een proces van sociale
interactie met anderen. Dit proces doet zich voor in de vroegste fasen
van het ontstaan van een religieuze beweging, en diegenen die het charisma
van de leider ‘sociaal geconstrueerd’ hebben, dus de oudste
groep volgelingen, nemen hoogstwaarschijnlijk een hoge positie in de
religieuze hiërarchie.
Stark en Bainbridge hebben moeite met de verklarende waarde van het
concept ‘charisma’ omdat het niets zegt over de manier waarop
religieuze leiders hun groep leiden. Zij noemen het concept onwetenschappelijk,
omdat het zonder meer uitgaat van de veronderstelling dat charismatische
personen werkelijk bovenmenselijke krachten bezitten. Toch zullen ook
Stark en Bainbridge rekenschap moeten geven van de vormen van religieus
leiderschap en de bases waarop deze gelegitimeerd zijn.
Zij doen dit met behulp van het ‘entrepreneur-model’, een
verklaringsmodel voor het ontstaan van religieuze bewegingen met nieuwe
compensatoren. Entrepreneurs zijn volgens Stark en Bainbridge mensen
die op zoek zijn naar winst, die zij kunnen genereren door het aanbieden
van compensatoren. Hiertoe ontwerpen zij een nieuw product, een pakket
compensatoren, waarbij het gebruikelijk is dat dit nieuwe pakket een
samenstelsel is van zowel bestaande als innovatieve compensatoren. Ideeën
voor nieuwe compensatoren kunnen worden geïnspireerd door zowel
persoonlijke ervaring als door aanwezigheid van die ideeën in de
omliggende cultuur. Gewoonlijk heeft een entrepreneur een voorkennis
van het te verwachten succes van zijn of haar nieuwe pakket compensatoren
door eerdere betrokkenheid bij een ‘cult’. Hij moet echter
voorzichtig manoeuvreren met zijn nieuwe product, om de werking van
de markt goed te kunnen analyseren en zijn product aan de bewegingen
van de markt aan te passen.
Het grote verschil tussen de ideeën over ‘profetisch’
leiderschap van Stark en Bainbridge enerzijds en die van Weber en Wallis
anderzijds is gelegen in de intentie van degene die religieus vernieuwend
bezig is. Terwijl bij de laatsten ‘charisma’ bedoeld is
als ofwel een bepaalde kwaliteit van een individu die min of meer toevallig
bij hem of haar terechtkomt (Weber) ofwel een door volgelingen toegeschreven
kwaliteit (Wallis), ligt de nadruk bij Stark en Bainbridge veel meer
op al dan niet bewuste constructie van een geloofssysteem om een bepaald
doel te bereiken (het aanbieden van compensatoren in ruil voor gewenste
beloningen). Deze verschillende opvattingen over de aard en de functie
van religieus leiderschap, heeft consequenties voor de ideeën over
wat er gebeurt als religieuze leiders (of we ze nu charismatici of entrepreneurs
noemen) sterven.
Weber gaat er vanuit dat wanneer de persoonlijke charismadrager wegvalt,
de autoriteitsstructuur zich gaat stabiliseren en routiniseren. De factor
die als beste indicator kan dienen voor de mate waarin dit succesvol
gebeurd, is die van de opvolging. Hoewel er verscheidene manieren zijn
om het charismatische opvolgingsprobleem op te lossen, zal er binnen
de beweging een opvolger moeten worden gevonden, wil de beweging blijven
voortbestaan. De opvolger kan grofweg op twee manieren gevonden worden:
1) door de overdracht van de charismatische kwaliteiten op een ander,
of 2) door een verzakelijking van het charisma-begrip, bijvoorbeeld
door ritualisering of door de nieuwe leider democratisch te kiezen.
Dit kan uitmonden in de bureaucratisering van de beweging, waarbij het
leiderschap meer gekenmerkt wordt door een sfeer van beambten, dan door
een pure leiderschapssituatie, al dan niet met speciale gaven.
Roy Wallis stelt dat de plotselinge dood van een charismatische leider
werkt als een destabiliserende factor in de autoriteitsstructuur van
een beweging. De mate waarin deze destabilisering voorkomt, is afhankelijk
van de voorzorgsmaatregelen die genomen zijn voor de dood van de leider.
Hoewel het geen wet van meden en perzen is, is het waarschijnlijk dat
wanneer de leider een stevige autoriteitsstructuur heeft ontworpen en
ontwikkeld en bovendien een duidelijke opvolger of een heldere procedure
om een opvolger te vinden heeft aangewezen, de beweging binnen een relatief
korte tijd een nieuwe leider zal produceren en snel zal re-stabiliseren.
Het omgekeerde is waar voor bewegingen zonder een heldere autoriteitsstructuur
en zonder een duidelijke opvolger (of slechter nog: meerdere potentiële
opvolgers) of een procedure voor opvolging.
J. Gordon Melton heeft eenzelfde mening ontwikkeld over opvolgingscrises.
Hij stelt dat de dood van een religieuze leider zelden aanleiding is
voor de dood van een religieuze beweging, maar erkent wel dat er na
de dood van een leider er een machtsstrijd kan ontstaan, waarbij diegene(n)
die deze verliezen niet zelden wegbreken van de groep en een aantal
volgelingen meenemen om een rivaliserende organisatie op te zetten.
Maar, zo stelt hij, deze machtsstrijd is niet belangrijker dan andere
onderwerpen die kunnen leiden tot schisma’s. Bovendien geeft Melton
aan dat er tenminste drie factoren zijn die de impact van de dood van
een charismatische leider kunnen verzachten. Ten eerste is het logisch
dat wanneer er voorbereidingen zijn getroffen voor de opvolging voordat
de leider wegvalt, die opvolging min of meer gladjes verloopt. Daarnaast
stelt Melton dat wanneer de aardse bezittingen van de religieuze groep
niet in handen zijn van de leider alleen, maar formeel in de handen
zijn van de beweging als geheel en praktisch in de handen van een (al
dan niet bureaucratische) elite, er minder neiging zal zijn tot het
ontstaan van een machtsstrijd, simpelweg omdat er geen direct geldelijk
gewin uit de leiderschapspositie te halen is. Tenslotte is een belangrijke
dempende factor dat wanneer een religieuze beweging zich ontwikkelt
en groeit in aantal, er zich een ontwikkeling voordoet, waarbij de leider
steeds verder af komt te staan van zijn volgelingen. Er ontstaat een
bureaucratie die werkt als een soort intermediair tussen leider en volgelingen,
die bovendien in het geval van de dood van de leider de theologie van
de leider kan bewaken. Deze second and third echelons of leadership
geven de beweging een zekere mate van stabiliteit waardoor de opvolgingscrisis
verzacht wordt.
De tweede theoretische kwestie die in dit werkstuk aan de orde komt
is de vraag naar de omstandigheden waaronder kerkscheuringen of schisma’s
(ik gebruik de termen synoniem) ontstaan. Als eerste behandel ik de
stellingen die Roy Wallis heeft ontwikkelt in zijn theoretische essay
Propensity to Schism.
Wallis stelt dat het onderzoek naar de vorming van schisma’s zich
teveel heeft beziggehouden met de motivaties van mensen om een schismatische
groepering te stichten of zich daarbij aan te sluiten. Vaak worden deze
motivaties afgeleid van sociale verschillen, die op hun beurt gebaseerd
kunnen zijn op, bijvoorbeeld, sociaal-economisch verschillende subgroepen
binnen de moedergroepering of conflicten tussen personen, waarbij individuele
ambitie en status een grote rol spelen. Andere onderzoekers hebben conflicten
over zaken als ideologie, organisatie of liturgische praktijk at face
value genomen. Volgens Wallis leveren deze beide benaderingswijzen echter
geen verklaringen op: “The fact of social divisions does not provide
any explanation of schism unless these divisions are construed as providing
motivational grounds for breaking away or for remaining loyal to a schismatic
leader.” Wallis probeert vervolgens een theorie te ontwerpen die
stelt dat, wanneer een potentiële leider van een schisma op de
voorgrond treedt, hij een groep volgelingen voor zijn zaak moet proberen
te winnen door een legitieme claim voor zijn leiderschap te presenteren.
Zo dan is de geneigdheid tot schismavorming direct gerelateerd aan de
beschikbaarheid van ofwel alternatieve ofwel dezelfde autoriteitsclaims
als in de moeder-groepering.
Wallis onderscheidt groeperingen naar de mate waarin ze geloven dat
hun weg naar waarheid, redding of utopie de enige ware weg is. Enerzijds
zien we dan uniquely legitimate groepen, die vasthouden aan het idee
dan hun weg de enige juiste is, en anderzijds de pluralistically legitimate
groepen, die, hoewel ze denken dat hun weg de beste is, de legitimiteit
van andere waarheidsclaims niet geheel en al verwerpen. Daarnaast onderscheidt
Wallis drie sociale eenheden die toegang kunnen hebben tot legitimatiemiddelen,
te weten: één enkel persoon, een kleine groep personen
of elite en een grote groep personen. Zo komt hij dan tot een schema
waarin de geneigdheid tot schismavorming gevat kan worden:
Means of Legitimation
Singular Plural
One 1 4
Availability Few (elite) 2 5
Many 3 6
In feite komt dit neer op een continuüm waarin de geneigdheid
tot schismavorming het laagst is in categorie 1 (waarbij slechts één
persoon toegang heeft tot één enkele manier waarop claims
gelegitimeerd kunnen worden) en waarin deze geneigdheid het hoogst is
in categorie 6 (waarbij vele personen toegang hebben tot meerdere manieren
waarop claims gelegitimeerd kunnen worden). Het behoeft nauwelijks betoog
dat de hierboven beschreven situatie van charismatisch leiderschap overeenkomt
met de schematische categorieën 1 en – in minder mate –
4, met andere woorden: naarmate de manier waarop autoriteit gelegitimeerd
kan worden in een groepering meer gecentraliseerd is, des te minder
is men geneigd om schisma’s te vormen.
Stark en Bainbridge aan de andere kant gaan uit van een klassieker idee
waarom schisma’s voorkomen, namelijk dat schisma’s vooral
voorkomen langs lijnen van sociale scheidingen. Daaruit volgt dat schisma’s
het meest voorkomen in groeperingen die duidelijke lijnen van sociale
scheidingen in zich dragen. Belangrijk daarbij is dat diegenen die zich
aansluiten bij een schismatische groepering volgens de theorie van Stark
en Bainbridge geneigd zijn om eerder gedane investeringen in de moedergroepering
te bewaken. Deze investeringen nemen concreet de vorm aan van, bijvoorbeeld,
het ontvangen van gewenste beloningen of het aanhangen van diegenen
die in een eerdere fase de functie van distributeur van beloningen of
compensatoren hebben vervuld. Propositie 130 van de theorie gaat uitdrukkelijk
over machtsconflicten binnen de groep en stelt dat wanneer er grote
verschillen zijn in de mate waarin men verschillende ruilverhoudingen
heeft (vergelijk definities 14 en 15: “Exchange ratio is a person’s
net rewards over costs in an exchange” en “Power is the
degree of control over one’s exchange ratio”) of wanneer
men uitdrukkelijk verschillende beloningen wenst, de geneigdheid tot
schismavorming toeneemt.
De vraag is nu wat Stark en Bainbridge precies bedoelen met sociale
scheidingen. Hun definitie luidt als volgt: “Social cleavages
are divisions of networks across which there are relatively few strong
attachments.” Anders gezegd gaat het om twee of meer groepen binnen
een grotere sociale groep, die relatief weinig met elkaar te maken hebben.
Hoewel deze definitie niets zegt over het ontstaan van deze netwerken
binnen een groepering, kunnen we ons wel voorstellen welke (meerdere)
betekenissen het begrip sociale scheiding concreet kan aannemen. Zo
kunnen er netwerken ontstaan van diegenen die sociaal-economisch hoger
op de ladder staan en zij die lager staan. Ook kunnen we voorstellen
dat er groepen zijn die veel macht hebben en die weinig macht hebben.
Het zou ook nog zo kunnen zijn dat familiebanden een rol spelen, of
ordinaire ruzies, of conflicten over bezit, etcetera, etcetera. Het
komt er dus op neer dat de redenen (of, zo je wilt: motivaties) voor
het vormen van schismatische groeperingen legio zijn. De vraag blijft
echter bestaan welke sociale scheidingen aanleiding zijn voor schismavorming
en welke niet.
De discussie wordt evenmin verhelderd door het feit dat Stark en Bainbridge
hun beeld van processen van schismavorming laten afhangen van hun opvattingen
over kerk, sekte en cult. Daarbij wordt ‘kerk’ gezien als
een religieuze organisatie die een relatief lage spanning heeft met
de sociaal-culturele omgeving. ‘Sekte’ zien zij als een
religieuze organisatie met traditionele geloofsinhoud en met een relatief
hoge spanning met die omgeving. ‘Cult’ is een religieuze
organisatie met innovatieve geloofsinhoud en met een relatief hoge spanning
met de omgeving. De crux hier is dat de discussie van Stark en Bainbridge
gebaseerd is op de veronderstelling dat sekten schisma’s zijn
die uit kerken voortkomen. Hoewel zij erkennen dat cults, gedurende
het proces waarin zij groeien naar de status van kerk, schisma’s
kennen, wordt (bij mijn weten) nergens in hun werk specifiek ingegaan
op de manier waarop dat gaat. Als ik als veronderstelling neem dat dit
op dezelfde wijze gaat als wanner sekten zich losmaken van kerken, dan
word ik geconfronteerd met een probleem. Immers, de groepen die zich
afscheiden van kerken en sekten doen dit om de spanning met de omliggende
sociaal-culturele omgeving te verhogen, omdat daar de relatief schaarse
beloningen die zij wensen te verkrijgen zijn. Als dit waar is en ook
voor cults zou moeten gelden, dan zouden we bij schisma’s vanuit
cults te maken hebben met groeperingen die een nog hogere spanning met
de sociaal-culturele omgeving willen, terwijl ze uit een moedergroep
voortkomen die al een relatief hoge spanning met de sociaal-culturele
omgeving heeft.
Eén oplossing voor dit probleem wordt gegeven in de discussie
van Stark en Bainbridge over church movements. Wanneer er een marginale
groep binnen een sekte bestaat die een lagere spanning met de omgeving
wenst, en wanneer deze groep niet voldoende macht heeft binnen de sekte
om dit doel te realiseren, zal deze marginale groep een church movement
vormen. Deze neiging wordt gereduceerd wanneer leden van deze marginale
groep zonder veel te investeren over kunnen stappen naar een andere
religieuze organisatie met een relatief lage spanning. Hierop kom ik
in de volgende paragraaf terug.
4. Hypothesen.
Eén van de pijlers waarop de rationele keuze theorie van religie
rust is de notie dat mensen op een rationele manier handelen om zoveel
mogelijk beloningen te verkrijgen tegen zo laag mogelijke kosten. Om
dit proces te optimaliseren, zoeken zij dus naar een goede ruilverhouding.
Stark en Bainbridge, zo stelde hun axioma 7, gaan ervan uit dat de omstandigheden
die macht bepalen ongelijk verdeeld zijn. Zij definiëren macht
dan ook als de mate van controle die een individu heeft over zijn of
haar ruilverhouding. Kort gezegd komt dit erop neer dat alle mensen
macht willen en dat zij kosten zullen maken om macht te verkrijgen.
Eén van de manieren waarop macht verkregen kan worden is het
leiderschap van een religieuze organisatie. Binnen een cult doet er
zich een vorm van leiderschap voor, waarbij de macht in de handen is
van een charismatische leider, zoals bedoeld in zowel de zin van Weber
als van Wallis. Volgens Stark en Bainbridge worden cults gesticht door
individuen die verwachten dat zij door deze handelingen een zekere winst
zullen behalen. Door de aard van hun leiderschap hebben zij macht over
de religieuze organisatie en kunnen zij de door hen gewenste beloningen
(welke dit ook zijn) uit ‘hun’ organisatie halen.
Wat nu gebeurt er als de charismatische leider plotseling wegvalt? Als
mensen tegen redelijke kosten macht willen verkrijgen, is het logisch
dat wanneer er een machtspositie vrijkomt, er mensen zullen zijn die,
om het zo te stellen, de vacature willen vullen. Als ik nu vanuit de
ideeën van Stark en Bainbridge over macht naar deze situatie kijk,
wordt al spoedig duidelijk wat er zal gebeuren. Gesteld nu, dat er meerdere
personen binnen de organisatie zijn die de positie van leider willen
aannemen, zullen deze personen met elkaar een strijd aangaan om de macht
te verkrijgen. Weber wees erop dat het charismatische leiderschap moet
worden overgedragen, wil de organisatie kunnen voortbestaan. De overdracht
kan ofwel een overdracht zijn van de charismatisch gelegitimeerde machtspositie
aan een ander ofwel een vorm van institutionalisering of bureaucratisering
van de organisatie. Dit zegt echter niets over de onderliggende motieven
van diegenen die het leiderschap op zich willen nemen. Daarnaast dient
te worden opgemerkt dat, volgens de ideeën van Melton, de hevigheid
van de te verwachten machtsstrijd gereduceerd wordt, wanneer er binnen
de organisatie een procedure bestaat voor de opvolging van de charismatische
leider, hetzij door benoeming van een opvolger door de charismaticus
zelf, hetzij door een procedure aan de hand waarvan een nieuwe leider
of nieuwe leiders verkozen wordt of worden.
Wat betekent dit alles voor de hoofdvraag van dit werkstuk? Toen Joseph
Smith in 1844 stierf in de gevangenis van Carthage, Illinois, liet hij
een organisatie achter die geleid werd volgens de beginselen van het
charismatisch leiderschap. We veronderstellen dat de Kerk van Jezus
Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen een cult was in de zin
van Stark en Bainbridge, d.w.z. met een innovatieve ideologie en een
relatief hoge spanning met de sociaal-culturele omgeving. De organisatie
was bovendien groeiende en er vielen beloningen uit de leiderschapspositie
te halen, zoals (bijvoorbeeld) geldelijk gewin, sociale status of seksuele
contacten. Bovendien waren er meerdere individuen en groepen die ofwel
door directe benoeming ofwel op basis van hun positie in de kerk aanspraak
konden maken op de opvolging van Smith. Smith had immers tijdens zijn
leven meerdere, conflicterende uitspraken gedaan over wie hem zou moeten
opvolgen in het geval van zijn afwezigheid of zijn dood. Daarnaast was
de organisatie van de kerk in 1844 zo, dat een relatief grote groep
mannen een hoge positie had in de sterk hiërarchisch georganiseerde
kerk, waardoor zij met enig recht de opvolging van Smith konden claimen.
Dus, gegeven de aanname dat mensen uit zijn op macht, gegeven het feit
dat er binnen de mormoonse kerk een machtsvacuüm was ontstaan,
gegeven het grote aantal mogelijke opvolgers van Smith en gegeven het
feit dat er geen procedure bestond, waarbij de opvolging van Smith formeel
geregeld was,
Valt het te verwachten dat er in 1844 in Nauvoo, Illinois, binnen de
Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen een machtsstrijd
uitbreekt omtrent de opvolging van Joseph Smith, jr. (Hypothese 1)
Dit brengt me bij een volgende stap. De hoofdvraag van deze scriptie
is immers naar de vorming van schisma’s na de dood van Smith.
Als ik nu aanneem dat er een machtsstrijd was uitgebroken, kan ik dan
naar een mechanisme waardoor uit deze machtsstrijd schismatische groepering
voortkomen?
Ten eerste ga ik er vanuit dat wanneer de strijd om de macht gestreden
is, er een aantal verliezers zullen zijn. De vraag is dan of deze verliezers
hun claim tot leiderschap zullen neerleggen of dat zij zo van hun gelijk
overtuigd zijn dat zij de moederorganisatie zullen verlaten. Uitgaande
van de gedachten van Hirschmann, zullen deze verliezers een kosten-baten
analyse maken op basis waarvan zij besluiten om in de kerk te blijven
of niet. Daarnaast is het mogelijk dat de winnaar van de machtsstrijd
de aanwezigheid van één of meer verliezers als dusdanig
bedreigend ervaart voor zijn nieuwverworven machtspositie, dat hij de
verliezer(s) de toegang tot de organisatie verbiedt en hen (onder welk
voorwendsel dan ook) excommuniceert. Wanneer de verliezers besluiten
of gedwongen worden de kerk te verlaten, zullen zij kosten moeten maken
en om deze kosten terug te verdienen kunnen zij besluiten tot de oprichting
van een rivaliserende organisatie, mits deze stap kansen biedt op het
verwerven van beloningen en mits zij zich op het moment van excommunicatie
of uittreding reeds verzekerd weten van een aanhang die voldoende groot
is om de opzet van een rivaliserende organisatie aantrekkelijk te maken.
Het is waarschijnlijk dat deze verliezers, wanneer zij hun afscheiding
geformeerd hebben, hun handelingen voortdurend zullen blijven legitimeren
met verwijzing naar hun claim op het leiderschap. Als we nu eens specifiek
naar leiderschap kijken en ervan uitgaan dat leiderschap beloningen
oplevert, is het waarschijnlijk dat diegenen die de machtsstrijd verloren
hebben een nieuwe rivaliserende organisatie op zullen zetten, als zij
verwachten dat zij daardoor wél (een relatief groot deel van)
de beloningen kunnen verkrijgen die zij niet hebben verkregen of waartoe
hen de toegang werd ontzegd toen hun claim op het leiderschap van de
moederorganisatie werd geweigerd.
Andere verliezers zullen echter besluiten om nog in de organisatie te
blijven, ofwel omdat zij (nog) onvoldoende aanhang hebben verkregen
om uittreding en het opzetten van een rivaliserende organisatie rendabel
te maken ofwel omdat zij verwachten op termijn de beloningen die zij
wensen alsnog te verkrijgen binnen de moederorganisatie. Deze lieden
zullen dan binnen de moederorganisatie nog steeds proberen om de strijd
te verlengen. Maar, aangezien op een zeker moment de spanningen binnen
de moederorganisatie te hoog zullen oplopen om het voortbestaan van
een deviante leider en zijn volgelingen te rechtvaardigen binnen de
organisatie (anders gezegd: de kosten van een voortdurende machtsstrijd
worden te hoog, zowel voor de leiders van de moederorganisatie als voor
de deviante leider), zal ook de deviante leider, die belust is op macht
en een zekere aanhang heeft weten te werven, uittreden en een eigen,
rivaliserende groep opzetten. Hij zal zijn wegbreken van de kerk niet
meer uitsluitend legitimeren met een beroep op zijn eerdere opvolgingsclaim,
maar zal veeleer theologische of ideologische argumenten aanwenden om
zijn stappen te verantwoorden, aangezien zijn opvolgingsclaim minder
kracht heeft met het verstrijken van de tijd.
Zoals hierboven gesteld is er nog een additionele factor waarmee ik
rekening moet houden: het gedrag van de winnaar(s) van de machtsstrijd.
Wanneer de winnaar zijn nieuwe machtspositie inneemt zal hij rekening
moeten houden met de aanwezigheid van verliezers en hun aanhangers.
De winnaar zal in de initiële fase van leiderschap een strategie
moeten ontwikkelen, waarbij hij enerzijds zijn machtsbasis consolideert
en zo mogelijk versterkt en anderzijds het voortbestaan van de groepering
waaraan hij leiding geeft zal moeten garanderen. Wanneer een verliezer
van de machtsstrijd over een relatief grote aanhang kan beschikken en
wanneer de winnaar deze verliezer als een bedreiging voor zijn status
in de organisatie ervaart, kan de nieuwe leider ervoor kiezen de verliezer
zo spoedig mogelijk uit de groep te zetten, bijvoorbeeld door het middel
excommunicatie in te zetten of door de ‘oude’ machtspositie
van de verliezer dusdanig te reduceren dat lidmaatschap van de groepering
niet langer die beloningen biedt die het voorheen voor de verliezer
wel deed. Hiermee verstevigt de nieuwe leider zijn eigen positie en
ontdoet hij de organisatie van elementen die gevaarlijk kunnen zijn
voor de stabiliteit en het voortbestaan ervan.
In andere gevallen, namelijk wanneer de verliezer in kwestie een relatief
geringe aanhang heeft en een niet al te grote bedreiging vormt voor
de nieuwe leider, zal de winnaar van de machtsstrijd proberen deze verliezer
en zijn aanhang binnen boord te houden. De winnaar kan dit bijvoorbeeld
doen door de verliezer een positie binnen de groep aan te bieden, die
hoger was dan de positie die de verliezer voorheen innam. Zo houdt de
winnaar zijn groep tot op zekere hoogte bij elkaar en legt hij elementen
die mogelijk gevaarlijk zijn voor zijn positie (tenminste voor enige
tijd) het zwijgen op. Dit middel is echter slechts een pleister op de
wonde van de machtsstrijd, omdat met deze handelingen niet zozeer de
oorzaak voor de machtsstrijd wordt weggenomen, maar veeleer de gevolgen
zoveel mogelijk worden verzacht. Als de winnaar deze strategie kiest,
blijft er dus onderhuids een voedingsbodem binnen de groep bestaan voor
een machtsstrijd.
Hierbij dient opgemerkt te worden dat machtsstrijd op zichzelf niet
de enige aanleiding is voor de vorming van schismatische groeperingen.
Een schismaticus dient immers een aantal volgelingen aan te trekken,
wil hij succesvol weg kunnen breken van de moederorganisatie. Hierbij
zijn tenminste twee factoren van belang. Allereerst moet er een middel
zijn waarmee de schismaticus zijn beslissing om de moederorganisatie
te verlaten legitimeert. Zoals we in het schema van Roy Wallis hebben
gezien, is de geneigdheid tot schismavorming groter naarmate de legitimatiemiddelen
beschikbaar zijn voor meer dan één persoon. Daarnaast
moeten we er rekening mee houden dat, volgens Stark en Bainbridge, schisma’s
zich voordoen langs lijnen van sociale scheidingen. Deze uitspraak zegt
niets over de leider van een schismatische beweging, maar spreekt veeleer
over het segment van de religieuze organisatie zal moeten aanspreken
om zijn schisma succesvol te laten verlopen. Het ligt in de lijn der
verwachting dat de sociale scheidingen waaraan de schismaticus appelleert
reeds bestaan voordat het schisma zich vormt. Zoals hierboven gesteld,
kunnen deze sociale scheidingen allerlei vormen aannemen. Een andere,
additionele factor die overgang van cult naar schismatische groepering
vergemakkelijkt, is de verwachting dat lidmaatschap van het schisma
grotere beloningen zal opleveren. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat
iemand die in de organisatie van de cult tot de lagere echelons behoorde,
binnen een schismatische groepering snel kan stijgen in de rangen en
zo macht kan verwerven. Kort gezegd: wil een schisma succesvol zijn,
dan dient de leider van de beweging zijn claim voor leiderschap op zo’n
manier te legitimeren, dat hij volgelingen trekt uit bepaalde bestaande
groepen binnen de religieuze moederorganisatie en hen daarbij een grotere
kans biedt op beloningen dan voor die volgelingen binnen de cult bestaat.
Onderliggende gedachte hierbij is dat wanneer een religieuze organisatie
voldoende leden heeft, er sociale subgroepen ontstaan, die verschillende
belangen hebben en relatief onafhankelijke sociale netwerken vormen.
Stark en Bainbridge stellen dat mensen relaties aangaan en onderhouden
met uitwisselingspartners omdat dit hen voordeel oplevert, hetzij voor
de een of de ander, hetzij voor beiden. Omdat beloningen van uitwisselingspartners
met wie men al een langere relatie heeft gemakkelijker te verkrijgen
zijn dan beloningen van nieuwere uitwisselingspartners, ontwikkelen
zich relaties en zo ontstaan - via lijnen van het uitwisselen van beloningen
en kosten – sociale groepen. Dit is dan ook de basis voor de vorming
van conflicterende subgroepen binnen de moedergroepering, waardoor het
wegbreken van de schismatische groepering vergemakkelijkt wordt. Diegenen
dan die een schismaticus volgen, zullen de beloningen en compensatoren
die hun lidmaatschap van een subgroep oplevert, kunnen behouden.
Kijkend naar de specifieke situatie van het mormonendom in 1844, kan
ik stellen dat er legio lieden waren, die na de machtsstrijd als ‘verliezer’
betiteld konden worden. Daarnaast waren er legitimatiemiddelen voorhanden,
die door verliezers aangewend konden worden om de vorming van een schismatische
groepering te legitimeren. Hoewel dit nader uitgewerkt wordt in hoofdstuk
3, wijs ik hier reeds op de vele benoemingen die Smith had gedaan, de
machtsposities van de verliezers en een religieuze cultuur waarin openbaringen
regelmatig voorkwamen. Tenslotte waren er binnen de mormoonse kerk groeperingen
aanwezig die als subgroep gecategoriseerd kunnen worden. Hierbij valt
te denken aan anti-polygamisten, diegenen die geen toegang hadden tot
de religieuze elite rond Joseph Smith en diegenen die na de dood van
Smith niet bereid waren de grote tocht naar het westen te wagen, om
wat voor redenen dan ook.
Gegeven nu dat er verliezers zijn, gegeven de aanname dat mensen macht
willen, gegeven dat deze verliezers een aanhang hebben die voldoende
groot is en gegeven dat zij een min of meer legitieme claim hebben om
het leiderschap van de organisatie te verkrijgen, gegeven de veronderstelling
dat de winnaar van de machtsstrijd zich zo snel mogelijk zal ontdoen
van elementen die zijn positie en de interne samenhang van de organisatie
bedreigen, gegeven de afwezigheid van een procedure voor de opvolging
van Joseph Smith, gegeven de aanwezigheid en toegankelijkheid van legitimatiemiddelen
en gegeven de aanwezigheid van sociale scheidingen,
Valt het te verwachten dat kort na de dood van Joseph Smith, jr. er
binnen de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen
zich schisma’s zullen voordoen, welke gelegitimeerd zullen worden
met een beroep op opvolgingsclaims. (Hypothese 2a)
En vervolgens: Gegeven dat er verliezers zijn, gegeven de aanname dat
mensen macht willen, gegeven dat er verliezers zijn die op het moment
van de dood van de profeet onvoldoende te winnen hebben bij de vorming
van een schismatische organisatie, gegeven de veronderstelling dat de
winnaar van de machtsstrijd verliezers met een geringe aanhang, die
de minste bedreiging vormen voor zijn pas verworven leiderschap, zal
proberen binnen boord te houden, gegeven de afwezigheid van een procedure
voor de opvolging van Joseph Smith, gegeven de aanwezigheid en toegankelijkheid
van legitimatiemiddelen en gegeven de aanwezigheid van sociale scheidingen,
Valt het te verwachten dat er nog geruime tijd na dood van Joseph Smith,
jr. binnen de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste
Dagen zich interne machtsconflicten voordoen, die uiteindelijk zullen
leiden tot de vorming van schismatische groeperingen, welke gelegitimeerd
zullen worden met een beroep op theologische of ideologische argumenten.
(Hypothese 2b)
Een volgende relevante kwestie die ik zal bespreken is de aard die
schisma’s van een cult aannemen. De definitie van Stark en Bainbridge
volgend, zijn leden van cults in constante, relatief hoge spanning met
hun sociaal-culturele omgeving. Juist in deze spanning kunnen zij die
specifieke beloningen en compensatoren aanbieden, die cults aantrekkelijk
maken voor (potentiële) volgelingen/cliënten. Maar wat moet
ik verwachten dat er gebeurt met groepen die zich afscheiden van de
cults? Ik stel me voor dat deze groepen hun spanning met de sociaal-culturele
omgeving op twee verschillende manieren vorm kunnen geven. Enerzijds
is er de mogelijkheid tot spanningsreductie, anderzijds is er de mogelijkheid
tot spanningsverhoging. Eerst zal ik de spanningsreducerende schisma’s
behandelen, vervolgens de spanningsverhogende.
Gegeven het feit dat de spanning met de omgeving al hoog is, verwachten
we dat, wanneer ze zich voordoen, schisma’s van cults over het
algemeen zullen streven naar een lagere spanning met de sociaal-culturele
omgeving. Omdat zij in de cults blijkbaar niet langer de gewenste (mate
van) beloningen van hun lidmaatschap kunnen verkrijgen, sluiten volgelingen
zich aan bij een schismatische groepering. Door de spanningsreductie
verwachten zij beloningen te verkrijgen tegen geringere kosten. Omdat
Stark en Bainbridge in A Theory of Religion niet specifiek ingaan op
schisma’s uit cults, maar wel op spanningsverlagende bewegingen
binnen sekten (die ze church movement noemen), moet ik een nieuwe definitie
inbrengen. Wanneer ze spreken over het relatief zeldzame geval van een
church movement, brengen Stark en Bainbridge propositie 154 ten berde:
“If a substancial (sic) group of marginal members develops within
a sect, who have much to gain from reduced tension but who lack the
power to transform the sect, they will tend to form a schismatic church
movement.” Ik stel voor om propositie 154 omwille van het voorliggende
historische geval als volgt om te vormen: If a substantial group of
marginal members develops within a cult, who have much to gain from
reduced tension but who lack the power to transform the cult, they will
tend to form a schismatic accommodation movement.
Daarnaast is het waarschijnlijk dat wanneer deze accommodation movements
zich vormen, zij dit eveneens doen langs lijnen van sociale scheidingen.
Het idee van sociale scheiding en de daarbij behorende notie dat er
in elke religieuze organisatie sociale netwerken bestaan die relatief
onafhankelijk van elkaar opereren, doen beiden recht aan het idee dat
wanneer mensen zich aansluiten bij schismatische groeperingen ze dit
doen op zo’n manier dat de investeringen die zij hebben gedaan
door hun lidmaatschap van de cult, zoveel mogelijk behouden blijven.
Dit kan op meerdere manieren gebeuren, bijvoorbeeld door het blijven
vasthouden aan specifieke theologie noties binnen de accommodation movements
of het overgaan van hele families of vriendengroepen.
Het behoeft weinig betoog dat de spanning met de sociaal-culturele omgeving
hoog was voor de mormonen in 1844. Al jarenlang leden de mormonen onder
vervolging en tegenwerking van locale en staatsoverheden, hetgeen uiteindelijk
culmineerde in de dood van Joseph Smith, jr. De redenen voor de vervolgingen
waren niet alleen religieus gemotiveerd, maar ook polygamie, de creatie
van een zelfvoorzienend economisch systeem en een eigen wetgeving en
rechtspraak waren voldoende motivatie voor anderen om de mormonen te
vervolgen. Anderzijds was er binnen de kerk ook een duidelijk gevoel
van ‘anders zijn dan de anderen’, waardoor de leden weinig
contact hadden met de omliggende ‘wereld’.
Dus, gegeven dat er zich schisma’s voordoen binnen het mormonendom
in de periode 1844-1860 langs lijnen van sociale scheidingen, gegeven
de veronderstelling dat schisma’s van cults meer te winnen hebben
bij spanningsreductie dan bij spanningsverhoging, gegeven de veronderstelling
dat schismatische groeperingen zoveel mogelijk de voormalige investeringen
proberen te beschermen,
Valt het te verwachten dat, wanneer er zich groepen afscheiden van
de Kerk van de Heiligen van Jezus Christus van de Laatste Dagen na juni
1844, deze groepen het karakter hebben van een accommodation movement,
waarbij ze de investeringen die leden in de Kerk hebben gedaan tot op
zekere hoogte zullen veiligstellen. (Hypothese 3a)
Er moet echter ruimte worden gelaten voor een bijzonder soort schisma’s
– uit – cults. Voor sommige individuen kan de spanning met
de sociaal-culturele omgeving nooit hoog genoeg zijn; zij verwachten
uit een uitermate hoge spanning meer beloningen te halen. Volgens de
theorie van Stark en Bainbridge verwacht ik dat deze individuen voortkomen
uit de laagste echelons van de organisatie in termen van toegang tot
macht en hun sociaal-economische positie. Hierbij moet ik wel opmerken
dat het in het voorliggende historische geval om een kleine groep gaat;
immers, de hoge spanning met de omgeving binnen de mormoonse moederorganisatie
veronderstelt reeds dat de meerderheid van de leden van de kerk ten
opzichte van niet-mormonen relatief laag op de sociale ladder staat.
Als dan schisma’s zich voortdoen vanuit een cult die als impliciet
doel een verhoogde spanning met de sociaal-culturele omgeving hebben,
hebben we te maken met wat Stark en Bainbridge ‘sekten’
zouden noemen. Immers, deze groepering verlaten de moederorganisatie
om hogere spanning te bewerkstelligen, terwijl ze tegelijkertijd binnen
het theologische of ideologische discours van de moederorganisatie blijven.
Wel houd ik er rekening mee dat de term ‘sekte’ door Stark
en Bainbridge gereserveerd wordt voor schismatische groeperingen die
voortkomen uit wat zij ‘kerk’ noemen. Bij gebrek aan een
betere term, echter, houd ik het gebruik van ‘sekte’ aan
voor deze speciale gevallen.
Zo kom ik dan de laatste (deel)hypothese. Gegeven dat er zich schisma’s
voordoen binnen het mormonendom in de periode 1844-1860, gegeven dat
er een marginale groep binnen de Kerk was die verwachtte beloningen
te verkrijgen uit een zeer hoge spanning met de sociaal-culturele omgeving,
gegeven de veronderstelling dat schismatische groeperingen zoveel mogelijk
de voormalige investeringen proberen te beschermen,
Valt het te verwachten dat er zich groepen afscheiden van de Kerk van
Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen, die het karakter
aannemen van een sekte, waarbij ze de investeringen die leden in de
Kerk hebben gedaan tot op zekere hoogte zullen veiligstellen. (Hypothese
3b)
Als ik de hypothesen die in deze paragraaf geformuleerd zijn probeer
schematisch weer te geven, begint het dus met een machtsstrijd. Hieruit
komen verliezers en winnaars voort. De verliezers splitsen zich op in
twee groepen: zij die een schismatische beweging gaan leiden en die
een beroep doen op opvolgingsclaims en zij die binnen de groep blijven
of worden gehouden en die pas later in de tijd een schismatische groepering
zullen gaan vormen die gelegitimeerd wordt op basis van theologische
of ideologische argumenten. Tenslotte kunnen deze schismatische groeperingen
geplaatst worden op een continuüm, waarbij accommodation movement
de ene en sekte de andere pool vormt. Dit levert het volgende schema
op:
MACHTSSTRIJD
WINNAARS VERLIEZERS
BINNEN KERK SCHISMA’S
ACCOMMODATION MOVEMENT SEKTE
HOOFDSTUK 2: EEN HISTORISCHE SCHETS VAN HET MORMONENDOM (1805-1844)
Omgevingsfactoren bij het ontstaan van de Kerk van de Heiligen van
Jezus Christus van de Laatste Dagen.
Het oosten van de nog jonge republiek van de Verenigde Staten onderging
in de eerste drie decennia van de negentiende eeuw een transformatie
op religieus gebied. Verscheidene oude en nieuwe religieuze bewegingen
deden alles wat zij konden om nieuwe aanhangers te werven. In deze periode
deed zich een ware aardverschuiving voor op de Amerikaanse religieuze
kaart. De oudere, veelal met de sociaal-economische elite geassocieerde
religies van New England, zoals de Congregationalisten, Episcopalen
en Presbyterianen, verloren snel terrein ten opzichte van nieuwere bewegingen,
met name de Methodisten en Baptisten. Deze laatste denominatie bediende
zich van een tot dan toe ongebruikt medium voor haar wervingscampagnes,
de revival meeting. Figuren als Lyman Beecher en Charles Finney trokken
rond met een ‘show’ van dans, muziek en ander vertier en
wisten het volk op de frontier aan te spreken met hun preken, die erop
gericht waren het enthousiasme van de bevolking op te wekken en hen
zo tot het geloof te brengen. Bovendien introduceerden de Methodisten
het systeem van de rondtrekkende predikers, die ieder jaar een bepaalde
route reden en zo – vooral aan de frontier - meer mensen bereikten
dan de oudere denominaties hadden gedaan, die hun geestelijken een vaste
plaats lieten behouden. Deze golf van hernieuwd religieus geloof wordt
gewoonlijk in de literatuur aangeduid als de Second Great Awakening.
Finke en Stark gaan er echter van uit dat de notie van de Second Great
Awakening een fictief begrip is. Zij stellen dat het verschijnsel verklaard
kan worden door erop te wijzen dat de revival meetings goed georganiseerde,
vooraf geplande, door religieuze professionals bedachte gebeurtenissen
waren. William McLoughlin daarentegen ziet in de Second Great Awakening
een nieuwe fase in zijn schema van sociale onrust en natuurrampen, die
leiden tot een behoefte aan religieus geloof, hetgeen op zichzelf weer
leidt tot de opkomst van nieuwe, enthousiaste vormen van religie. Hoe
dit ook mag zijn, het religieuze enthousiasme leidde in de staat New
York tot zoveel revivals dat de term ‘Burned-over district’
gewoonlijk voor dit gebied in die tijd wordt gereserveerd.
Het waren echter niet alleen de upstart sects van de Methodisten en
de Baptisten die zich lieten gelden. Gedurende de periode 1800-1830
zag de jonge republiek tevens de opkomst van een aantal kleinere bewegingen,
die zich niet meer bedienden van de klassieke theologie, maar die in
hun geloofsleer innovatief bezig waren. Zo kwamen er een aantal communautaire
groepen zoals de Shakers en de Oneida-beweging zich vestigen in New
York, maar ook de ‘primitieve’ christelijke groeperingen
vonden aanhangers aan de frontier. Met leiders als Alexander Campbell
in New York en Pennsylvania en Barton Stone in Kentucky, wisten deze
groeperingen hun boodschap aan de man te brengen door te claimen dat
de gevestigde religieuze orde van hun tijd een corruptie was van het
ware christendom. Zij propageerden een ‘restauratie’ van
het christendom zoals het voorkwam in de tijd van de apostelen.
Bovendien traden er allerlei millennialistische bewegingen op de voorgrond.
De beroemdste hiervan is misschien wel die van William Miller, die met
zijn volgelingen in 1844 op een berg stond te wachten om door Christus
opgenomen te worden in de hemel. De dag kwam en ging zonder de wederkomst.
Daarnaast was het niet ongebruikelijk dat er zo nu en dan een profeet
opstond, die waarschuwde tegen de gevaren van de tijd en probeerde een
eigen koninkrijk te stichten. Het voorbeeld van de profeet Matthias,
die in zowel de stad als de staat New York optrad, dringt zich hier
op.
De mentaliteit aan de frontier wordt wel geduid als Jacksoniaans republicanisme.
De ideaaltypische man was hardwerkend, zelfvoorzienend, sprong voorzichtig
om met zijn geld, had een eigen stukje grond dat hij zelf bewerkte:
de typische yeoman farmer. Daarnaast was er een golf van democratisering
over het land gekomen, waardoor het individu gedacht werd autonomer
te zijn dan tot dan toe werd aangenomen. Bovendien deed zich een autoriteitscrisis
voor op volksniveau. Zowel de opkomst van de lagere strata van de bevolking
in de publieke sfeer (bijvoorbeeld door kranten en voluntaristische
organisaties) als de ontevredenheid van die strata met de gevestigde
religieuze, politieke en professionele orde, bereidden de weg voor revivals,
millennialisme, profeten, en – uiteindelijk – ook voor de
opkomst van Joseph Smith, jr.
Joseph Smith.
Joseph Smith, jr. werd geboren op 23 december 1805 in Sharon, Vermont,
als de zoon van Joseph Smith en Lucy Mack. Joseph, sr. was afkomstig
uit een congregationele familie die al vijf generaties in Massachusetts
verbleef. De familie Smith had in de loop van de jaren een aardig kapitaal
opgebouwd en had aanzienlijke politieke invloed. Ook de familie van
Lucy Mack was afkomstig uit New England, en ook haar familie stond relatief
hoog op de sociaal-economische ladder. Joseph Smith en Lucy Mack trouwden
in 1796 en probeerden een bestaan op te bouwen in Vermont. Het familiekapitaal
smolt echter als sneeuw voor de zon vanwege een aantal slechte investeringen
en mislukte oogsten. Smith, sr. zag zich gedwongen zijn vrouw en kinderen
in de periode tussen 1803 en 1816 maar liefst zeven keer te verhuizen
op zoek naar werk. ’s Zomers probeerde hij zich te verhuren als
landarbeider en ’s winters gaven hij en zijn vrouw les op frontier-scholen.
In 1816 verhuisde Smith naar de staat New York en vestigden zich in
de buurt van Palmyra. Hoewel het de familie lukte om in 1818 een stuk
land te kopen, leefden ze nog steeds in armoede, vooral omdat de beste
grond toen al vergeven was aan eerdere settlers.
Hoewel Palmyra meerdere religieuze groeperingen kende, werd Smith, sr.
nooit lid van een van hen, omdat hij (net als veel van zijn tijdgenoten)
primitivistische ideeën had, dat wil zeggen dat hij geloofde dat
de christelijke denominaties in zijn tijd ofwel lege omhulsels waren
ofwel de vijanden van ware kennis en dat de ware kerk opnieuw hersteld
zou moeten worden. Lucy en twee van haar zoons werden korte tijd presbyteriaans.
Toch konden de Smiths zich nooit vinden in een van de bestaande kerken.
Niettemin waren ze zeer religieus: iedere dag werd er gebeden en uit
de Bijbel gelezen. Bovendien, zo schijnt D. Michael Quinn te hebben
aangetoond, hielden vader en zoon Joseph Smith zich bezig met volksmagie.
Van Smith, jr. staat inmiddels onomstotelijk vast dat hij wichelroedes
en ‘ziener-stenen’ gebruikte om schatten te vinden.
In deze omgeving van religieus enthousiasme en frontier-armoede groeide
de jonge Joseph op. Hoewel hij op jonge leeftijd interesse had getoond
in religieus geloof en dan vooral in het methodisme, werd hij nooit
lid van een kerk. In de war geraakt door de vele religieuze opties die
voor hem openstonden, vroeg hij in 1820 in een gebed aan God vroeg bij
welke kerk hij zich moest aansluiten. In een visioen zag Joseph toen
zowel God als Jezus, en Smith zei hierover: “I was answered that
I must join none of them, for they were all wrong, and the personage
who addressed me said that all their creeds were an abomination in his
sight.” Enkele jaren later, in 1823, werd Smith ’s nachts
drie keer bezocht door een engel, die zichzelf Moroni noemde. Deze deelde
Smith mee dat God hem had uitverkoren om belangrijk werk te doen en
dat er twee gouden platen bestonden die samen het ware evangelie bevatten.
Het duurde nog tot 1827 voordat Joseph Smith de platen vond in een heuvel
genaamd Cumorah, vlakbij Palmyra. Samen met zijn vrouw Emma vertrok
hij vervolgens naar Pennsylvania, waar hij onderdak vond bij Martin
Harris. Samen met Oliver Cowdery, een bekeerling die fungeerde als Smiths
secretaris, vertaalde Smith de gouden platen en in 1830 verscheen dan
eindelijk het Boek van Mormon.
De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen, 1830
– 1839.
Op 6 april 1830 werd in het huis van Peter Whitmer in Fayette, New
York de ‘Church of Christ’ opgericht, in het bijzijn van
Joseph Smith, jr., Samuel Smith, Oliver Cowdery, Peter Whitmer en David
Whitmer. Joseph Smith en Cowdery, die elkaar een jaar eerder na een
visioen gedoopt hadden tot priester in de Aaronische orde, werden de
ouderlingen van de kerk. Later werd de kerk omgedoopt tot ‘Church
of Latter-day Saints’ en tenslotte, in 1838, werd de naam ‘Church
of Jesus Christ of Latter-day Saints’.
Eén van de noties in het Boek van Mormon is dat de indianen de
afstammelingen zijn van een zoon van Lehi, een Israëliet die in
600 voor Christus de oceaan overstak en in Amerika terecht kwam. Deze
indianen, hoewel ze zich van God hadden afgekeerd en daarvoor gestraft
waren met een donkere huid, moesten volgens de vroege mormoonse leer
tot het ware geloof worden gebracht en daarom gaf Joseph Smith in het
najaar van 1830 opdracht tot een missie naar de indianen. Op hun tocht
ontmoetten de vier missionarissen in Kirtland, Ohio de predikant Sidney
Rigdon. Rigdon, die zich recent met zijn gemeente had afgesplitst van
de door Alexander Campbell geleide Disciples of Christ, bekeerde zich
tot het mormonendom en nam ongeveer honderd van zijn volgelingen met
zich mee. Overigens werd Rigdon in 1833 lid van de First Presidency,
het leidende orgaan van de kerk dat bestond uit de president (Smith)
en twee counselors (Cowdery en Rigdon). Toen Smith en de overige mormonen
vanuit New York op zoek gingen naar een plaats om zich te vestigen,
waren ze al snel van mening dat Kirtland de juiste plek was. Kirtland
zou tot aan 1837 de centrale plaats zijn van de jonge kerk. De kerk
groeide in deze periode nog niet zo snel als later het geval zou zijn.
Stark rapporteert dat er na de oprichting van de kerk met zes leden
er in september 1830 62 leden waren. Na de bekering van Rigdon kwam
dit aantal op meer dan honderd. In de zomer van 1835 telde de kerk zo’n
tweeduizend leden.
In 1832 richtten de Mormonen een tweede centrum op, in Independence
in Jackson County, Missouri, alwaar volgens een openbaring van Joseph
Smith het nieuwe koninkrijk van God, Zion, gestalte zou krijgen. Rond
deze tijd begonnen ook de eerste pesterijen en vervolgingen. In maart
1832 werden Smith en Rigdon terwijl ze lagen te slapen aangevallen door
een bende woedende mannen die de twee besmeurden met teer. Beiden overleefden
het incident, maar de toon was daarmee wel gezet. Maar waarin lag de
reden voor de vervolgingen?
Arrington en Bitton geven een aantal redenen voor het feit dat de Mormonen
blijkbaar zoveel vijandigheid aantrokken. Allereerst was het de perceptie
van sommigen dat de theologische noties van de Mormonen de traditionele
waarden in gevaar bracht. Beschuldigingen van on-Amerikaans denken waren
in het republikeins denkende Amerika voldoende reden voor burgers om
erop los te slaan. Bovendien werden specifiek mormoonse ideeën
zoals de imminente wederkomst van Christus en voortdurende openbaring
opgevat als bedreigingen voor de gevestigde religieuze orde. Ten tweede
werden de Mormonen in Missouri beschuldigd van het opruien van de indianen.
Ook werden de Mormonen ervan verdacht asiel te hebben verleend aan weggelopen
slaven. De grootste problemen echter deden zich voor op andere gebieden.
In zowel Ohio als Missouri en later Illinois werden de Mormonen door
zakenlieden gezien als een bedreiging voor de locale economie. Dit is
niet onlogisch aangezien Smith in 1831 in Ohio de United Order of Enoch
had ingesteld, een economisch systeem waarbij bezit gemeenschappelijk
werd gemaakt en onder beheer van de top van de kerk werd gesteld. Daarbij
kwam nog, dat de Mormonen grote stukken land opkochten en die onder
leden verdeelden. Naast een economische bedreiging, vormden de Mormonen
ook een politieke bedreiging. Omdat alle Mormonen bij verkiezingen allemaal
hetzelfde stemden, waren ze in bepaalde gebieden een machtsfactor geworden,
die verkiezingen kon maken en breken. Een volgend facet waardoor de
Mormonen als bedreigend werden ervaren is een religieus facet. De oudere
denominaties hadden grote problemen met hun kerken in het westen. Er
waren weinig leden en bekeringen vonden nauwelijks plaats. En plotseling
verscheen daar bijna uit het niets een grote groep leden van een nieuwe
kerk, die groeide als kool, goed georganiseerd was en vol enthousiasme
aan de toekomst werkte. Tenslotte werden de Mormonen beschuldigd van
diverse misdaden, zoals diefstal, chantage en zelfs moord.
Ondanks de problemen met niet-mormonen lukte het de volgelingen van
Smith om in 1836 de tempel in Kirtland af te bouwen. Een tempel in het
mormonendom is dé centrale liturgische plaats, waar gedoopt word
en huwelijken worden gesloten middels voor buitenstaanders geheime rituelen.
In november van dat jaar hadden de mormonen in Kirtland een bank opgezet,
de Kirtland Safe Society anti-Banking Company. Toen deze begin 1837
op de fles ging en de mormoonse leiders een schuld hadden van $150.000
bij niet-mormonen, zagen zij zich genoodzaakt te vertrekken uit Kirtland.
Ook in Independence, Missouri ging het mis voor de mormonen. Ook in
deze stad in Jackson County probeerde Smith een United Order op te zetten.
De niet-mormoonse inwoners van Missouri vreesden de macht van de kerk,
die in Independence al op zo’n 1200 leden kon rekenenen. Toen
het geweld uitbrak, adviseerde Smith zijn volgelingen slechts passief
verzet te gebruiken. Hoewel de gouverneur de mormonen steunde, werd
de grootste groep mormonen in november 1833 de stad uitgedreven. Voor
Smith en de zijnen was dit een geweldige tegenslag, immers: in Independence
zouden de heiligen zich verzamelen en leven in het nieuwe Jeruzalem.
De mormonen uit Independence vertrokken naar het noorden van Missouri,
eerst naar Clay County en later Ray County, waar ze een groot stuk land
verwierven.
Na Kirtland en na Independence moesten de mormonen opnieuw beginnen.
Van de overheid in Missouri kregen ze toestemming om Caldwell County
te organiseren. Het hoofdkwartier van de county én van de kerk
kwam terecht in Far West, Missouri. De stad groeide snel, enerzijds
door de komst van mormonen uit Kirtland en anderzijds door de instroom
van bekeerlingen uit Engeland. Maar ook hier was er sprake van anti-mormoonse
sentimenten. De mormonen, door schade en schande wijs geworden, hadden
inmiddels zelf een geheim leger ingesteld. In augustus 1838 ging het
mis en er braken schermutselingen uit. De gouverneur reageerde furieus
en zond de militie erop af. Het resultaat was een moordpartij bij Haun’s
Mill. En wederom wisten de mormonen dat ze zich moesten verplaatsen.
De volgende halte zou liggen in Nauvoo, Illinois.
De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen, 1839-1844.
In de winter van 1838-1839 trokken de duizenden mormonen over de Mississippi
richting Quincy, Illinois en omgeving. De profeet Joseph Smith zat nog
in de gevangenis in Missouri vanwege een beschuldiging van verraad.
Nalatigheid en misschien sympathie van de gevangenisbewaarders leidden
ertoe dat Smith in de lente kon ontsnappen en niet veel later voegde
hij zich bij zijn volgelingen. De nog jonge staat Illinois was dunbevolkt
en de weinige settlers die er woonden ontvingen de mormonen met open
armen. Na de aankoop van een groot stuk land stichtte Smith weer een
nieuwe stad, aan de boorden van de Mississippi, genaamd Nauvoo, wat
volgens de profeet Hebreeuws was voor ‘mooie rustplaats’.
Hij noemde Nauvoo het nieuwe Jeruzalem, Zion, de plaats waar de heiligen
in de laatste dagen zouden samenkomen. In de jaren 1839 en 1840 hadden
de heiligen veel te lijden onder het natte land en het slechte weer.
Ziekten als malaria, tyfus en dysenterie kostten velen het leven, waaronder
de vader en een broer van de profeet. Niettemin kregen de mormonen het
voor elkaar een bloeiende stad te stichten. Arrington en Bitton schrijven
dat er naast de bouw van een grote tempel ook een hotel was en houtzagerijen,
een bloemfabriek, een gereedschapsfabriek, een metaalgieterij en een
porseleinfabriek.
Ook getalsmatig ging het de kerk voor de wind. Stark stelt dat het aantal
inwoners van Nauvoo begin 1839 rond de vijfduizend lag. In 1844, zo
schatten Arrington en Bitton, was de bevolking verdubbeld tot tienduizend,
waarmee Nauvoo de op een na grootste stad van Illinois was geworden,
na Chicago. De verklaring voor de groei van het inwoneraantal is tweeledig.
Enerzijds wisten de mormonen een groot aantal Amerikanen te bekeren
en naar Nauvoo te laten komen. Anderzijds begint rond 1839 de immigratie
goed op gang te komen. Reeds in 1837 waren er al mormoonse missionarissen
naar Engeland gestuurd en zij bekeerden daar 1.400 mensen. Een intensievere
missie, met mormoonse grootheden als Brigham Young, Heber C. Kimball
en Parley Pratt, vertrok in 1839 en vond een gewillig oor aan de westkust
van Engeland, met name bij voormalige methodisten in Liverpool en Manchester
en omgeving. Aangezien het voor de mormoonse theologie noodzakelijk
was voor de heiligen om zich te verzamelen in Zion, werd de bekeerlingen
verzocht om naar Nauvoo te trekken. Volgens Ostling en Ostling waren
er in het midden van 1844 reeds 5.000 Britse mormonen naar Nauvoo geëmigreerd.
Arrington en Bitton stellen dat er in 1841 meerdere duizenden mormonen
waren in Groot-Brittannië. Bovendien hadden zich in de periode
1830-1844 volgens hen zo’n 35.000 mensen zich aangesloten bij
de kerk.
Met de tegenstand van de New York-, Ohio- en Missouri-perioden in het
achterhoofd, vroegen de mormonen een charter aan voor de stad Nauvoo.
In december 1840 verkregen ze dit document, dat in feite betekende dat
Nauvoo en omgeving een mormoonse stadstaat konden worden. De stadsraad
kreeg de macht om de stad te besturen en bovendien werden de leden van
die raad aangesteld als rechters. Daarnaast kreeg Nauvoo ook haar eigen
leger, het Nauvoo Legion, waarvan Smith luitenant-generaal werd. Ook
werd er een universiteit opgericht, maar volgens O’Dea vroeg dit
teveel van de economische en intellectuele mogelijkheden van de stad.
Een ander opvallend kenmerk van het bestuur van Nauvoo was dat alle
hogere functies die normaal tot de publieke sector behoorden, allemaal
werden bezet door autoriteiten van de kerk, de president (Joseph Smith,
de counselors (Sidney Rigdon en William Law) en leden van het Quorum
van de Twaalf. De scheiding tussen kerk en staat, zoals geponeerd in
de grondwet van de Verenigde Staten, werd door de mormonen zo goed als
opgeheven, hoewel religieuze minderheden getolereerd werden.
In Nauvoo deden zich in de kringen rond de profeet een aantal ontwikkelingen
voor, die de toekomst van de kerk voor altijd zouden tekenen. Hoewel
er al eerder, in Missouri, geruchten waren geweest dat de top van de
mormoonse hiërarchie zich bezig zou houden met polygamie, kwamen
deze praktijken in Nauvoo pas duidelijk naar voren. Dit is opvallend
laat, gezien het feit dat Smith reeds in 1831 in Jackson County, Missouri
groen licht gaf voor het huwen van Indiaanse vrouwen. Gedurende meer
dan tien jaar ontkende Smith publiekelijk dat polygamie de wens van
God was. In de directe kring rondom zijn persoon echter was het niet
ongebruikelijk dat de mannen er vrouwen bij namen. Dit gebeurde met
medeweten en toestemming van Smith, die polygamie later “the most
holy and important doctrine ever revealed to man on earth” noemde.
De polygamische praktijken in de kerk werden gerechtvaardigd door een
veranderend concept van het huwelijk. In antwoord op een vraag van zijn
broer aangaande de staat van verlossing van zijn overleden eerste vrouw,
introduceerde Smith in 1843 het idee van een ‘hemels huwelijk’.
Hij bedoelde daarmee dat een man en een vrouw aan elkaar verbonden konden
worden, niet alleen voor de tijd op aarde, maar ook voor de eeuwigheid.
Zo zouden man en vrouw ook na dit leven in het hemelse koninkrijk samen
kunnen zijn. Bovendien veranderde het beeld van de verlossing. Smith
openbaarde dat diegenen die onder de nieuwe wet van de polygamie kwamen
te leven, de heersers zouden zijn in de hemel. Verbonden zijn aan iemand
uit de top van hiërarchie (zelfs in een polygamisch huwelijk) werd
zo voor vrouwen een ‘sure ticket to heaven’.
Binnen de groep van mormoonse leiders bleek het onderwerp polygamie
een onderwerp te zijn dat tweespalt bracht. Verscheidene prominente
mormonen ontkenden de praktijken simpelweg; anderen deden hun best om
ze te verbergen. Anderen echter geloofden in het goddelijke gebod en
participeerden in de nieuwe praktijk.
Terwijl polygamie zich binnen het mormonendom zelf afspeelde, groeide
de weerstand van de niet-mormonen in Illinois tegen de mormonen. Geruchten
over polygamie deden de ronde, mede door een aantal artikelen van John
C. Bennett (die later in deze scriptie nog aan bod komt) en door het
verschijnen van de Nauvoo Expositor, de krant van anti-polygamistische
mormonen. Met name de Expositor was een doorn in het oog van Joseph
Smith en in juni 1844 werd de drukpers op zijn bevel vernietigd en alle
exemplaren van de krant in brand gestoken. Deze actie wekte de toorn
van gouverneur Ford van Illinois, die Smith beval zich onmiddellijk
over te leveren aan de wereldlijke autoriteiten. Hoewel Smith enige
tijd speelde met het idee om te ontsnappen, leverde hij zichzelf uiteindelijk
uit. Hij werd gevangen gezet in de gevangenis van Carthage, Illinois
samen met zijn broer Hyrum en de apostelen John Taylor en Willard Richards.
In de middaguren van 27 juni 1844, terwijl de vier zaten te praten,
werd de gevangenis bestormd door een groep van ongeveer 150 mannen,
die hun gezichten zwart hadden gemaakt. Onder hen bevonden zich leden
van de militie van Warsaw, Illinois. Ze stormden de trap op en toen
ze deur niet konden openen, vuurden ze erdoor en doodden Hyrum Smith.
Joseph Smith beantwoordde het vuur, maar wilde uiteindelijk –
gezien de hachelijke toestand – uit het raam springen. In het
raam staand werd hij twee maal van achteren geraakt en een maal van
voren. De profeet stierf, 38 jaar oud.
De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen , 1844-1860.
Na de dood van de profeet en oprichter van de kerk werd na een interne
machtsstrijd, waarop we in het volgende hoofdstuk uitgebreid zullen
terugkomen, het leiderschap van de kerk overgenomen door het Quorum
van de Twaalf Apostelen, met Brigham Young aan het hoofd. De belangrijkste
aandachtspunten van het beleid van Young in Nauvoo waren de voortzetting
van het missionaire werk in het oosten van de V.S., het voltooien van
de bouw van de tempel in Nauvoo en het verstevigen van de interne structuur
van de kerk. Maar al snel begonnen de vervolgingen weer: in de herfst
van 1844 werden enkele huizen van mormonen geplunderd en in januari
1845 werd het charter van Nauvoo ingetrokken. In het najaar van 1845
was het de mormoonse leiders duidelijk geworden dat ze Nauvoo zouden
moeten verlaten.
Joseph Smith had in de laatste jaren van zijn leven al opdracht gegeven
tot het onderzoeken van mogelijke nieuwe vestigingsplaatsen voor zijn
volgelingen. Zo was James Strang naar Voree, Wisconsin gestuurd om daar
een settlement op te zetten en Lyman Wight onderzocht de mogelijkheden
in Texas. Andere mogelijke vestigingsplaatsen waren Oregon en California.
De mormoonse leiders besloten uiteindelijk tot een massale verhuizing
van de gelovigen naar de Salt Lake Valley, vanwege de geografische afstand
tot de Amerikaanse overheden en vanwege de relatieve onaantrekkelijkheid
van het gebied voor andere settlers. In de winter van 1846 trokken de
eerste mormonen over de bevroren Mississippi en in de maand juni van
dat jaar waren zo’n 16.000 mormonen onderweg naar het westen.
Langs de route, die later de ‘Mormon Trail’ genoemd zou
worden, richtten de mormonen verschillende steden op, die dienden als
rustplaats voor de reizigers, zoals Sugar Creek, Iowa en Winter Quarters.
De tocht vorderde langzaam: pas op 7 april 1847 vertrok het eerste contingent
mormonen uit Iowa in de richting van het Salt Lake. Op 24 juli bereikte
Brigham Young de vallei en wees deze plaats aan als de juiste. Vanaf
dat moment druppelden de mormonen groepsgewijs binnen, na een lange
en moeizame reis. Niet alleen uit het Midwesten, maar ook van overzees
(vanaf 1852) kwamen mormonen naar Salt Lake City, velen met financiële
hulp van het door de kerk opgezette ‘Perpetual Emigration Fund’.
In 1850 werd het territorium ‘Deseret’ opgericht (naar een
woord uit het boek van Mormon dat ‘honingbij’ betekent)
en Brigham Young werd aangesteld als gouverneur.
De periode van 1850 tot 1860 kenmerkte zich door pogingen van het nieuwe
mormoonse leiderschap om zoveel mogelijk van de heiligen te verzamelen
in de regio rond het Zoutmeer. Vele duizenden maakten de zware reis
westwaarts en, als ze de tocht overleefden, vestigden zich in en om
Salt Lake City. Een minderheid bleef echter achter in het Midwesten,
hetzij omdat ze niet langer het leiderschap van het Quorum van de Twaalf
accepteerden, hetzij omdat ze om pragmatische redenen, zoals geldgebrek,
ziekte en ouderdom, niet in staat waren om de tocht te volbrengen.
De Amerikaanse overheid liet de mormonen echter niet met rust. Bang
voor een mormoonse theocratische staat aan de rand van het grondgebied
van de natie en bezorgd dat de mormonen de economische voortgang van
de V.S. zouden belemmeren, begonnen republikeinen met een campagne die
president James Buchanan moest overreden om de twin relics of barbarism
(te weten: slavernij en polygamie) in het territorium Deseret uit te
roeien. Brigham Young reageerde toen hij hoorde van de in aantocht zijnde
federale troepen door het merendeel van de mormonen tijdelijk weg te
halen uit Salt Lake City. Het leger nam in 1857 de stad en omgeving
in en zorgde ervoor dat een niet-mormoonse gouverneur zijn plaats kon
innemen. Kort daarna kwamen Young en zijn volgelingen weer terug in
de stad. In 1859 verlieten de meeste troepen Deseret weer om te vechten
in de Burgeroorlog en er brak een relatief rustige periode aan voor
de mormonen.
De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen (1830-1860):
theologische ontwikkelingen, hiërarchische structuur en typering
als cult.
Theologie (1830-1844).
De leer van de mormoonse kerk in de eerste dertig jaar van haar bestaan
was gebaseerd op een viertal ‘heilige’ boeken. Allereerst
was er natuurlijk het Boek van Mormon, de vertaling van de gouden platen
die Joseph Smith in 1827 gevonden had bij de berg Cumorah nabij Palmyra,
New York. Voorts hielden de mormonen vast aan het gebruik van de Bijbel
en wel in de vertaling van Joseph Smith zelf. Daarnaast waren er nog
twee mormoonse werken, de Doctrine and Covenants en de Pearl of Great
Price. De eerste van die twee bevatte de openbaringen zoals die gedaan
werden aan Joseph Smith en (later) enkele van zijn opvolgers. Nog steeds
is Doctrine and Covenants een boek dat altijd ‘onaf’ is,
omdat mormoonse leiders geloven in voortdurende openbaring, dat willen
zeggen: het is altijd mogelijk dat er openbaringen toe worden gevoegd
aan D&C. De Pearl of Great Price is een verzameling van verschillende
stukken van de hand van Smith, die de status van ‘schrift’
hebben verworven onder de mormonen. In de Pearl of Great Price is onder
andere het Boek van Abraham opgenomen: Smiths vertaling, voor het eerst
gepubliceerd in 1842, van vier Egyptische papyrusrollen die hij in 1833
gekocht had van ene Michael Chandler.
Hoewel er vele wetenschappers zijn die hebben aangetoond in hoeverre
het belangrijkste Mormoonse geschrift, het Boek van Mormon, het resultaat
is van de bewerking van bestaand materiaal en dat het boek goed aansloot
bij de Zeitgeist in de V.S. rond 1830, is het op deze plaats interessanter
om kort te kijken naar enkele theologische noties die zich vanaf de
oprichting van de kerk in 1830 tot aan de dood van de profeet in 1844
ontwikkelden tot een theologisch systeem. Het Boek van Mormon is in
eerste instantie het verhaal van de Hebreeuwse stam van Lehi, een afstammeling
van Jozef, die in oudtestamentische tijden naar het Amerikaanse continent
vertrok. De zonen van Lehi raakten met elkaar in conflict en er ontstonden
twee groepen, de Nephieten, oftewel de afstammelingen van de goede zoon
van Lehi, en de Lamanieten, de afstammelingen van Lehi’s slechte
zoon, die door God gestraft werden voor hun afvalligheid met een donkere
huidskleur. De mormonen zien zichzelf als de afstammelingen van de Nephieten.
Volgens O’Dea is het centrale thema van het boek van Mormon een
combinatie van het laat-calvinistische idee dat het leiden van een ethisch
correct leven leidt tot voorspoed in de wereld én de oproep tot
nederigheid en boetedoening zoals die gevonden kon worden in het ‘enthousiaste’
christendom van de Second Great Awakening. Het gaat daarbij om een cyclische
beweging waarin de mens gevangen zit. De mens is in wezen deugdzaam
en doet het goede en verzamelt zo met Gods hulp rijkdom. Dit leidt tot
hoogmoed, arrogantie, zonde en ongelijkheid, waarna de mens zich genoodzaakt
weet boete te doen en spiritueel weer op het rechte pad te komen. Vervolgens
wordt de mens weer deugdzaam en rechtvaardig en begint de cyclus van
voren af aan, totdat God uiteindelijk ingrijpt en het einde der tijden
inzet. Niettemin is Het Boek van Mormon sterk arminiaans van inslag:
God zal de mens oordelen naar zijn werken. Hij is bij machte om de genade
van God te verdienen op basis van zijn activiteit in de wereld.
Maar daarmee is niet alles gezegd over het mormoonse mensbeeld. De mormoonse
theologie gaat ervan uit dat mensen een drievoudige aard hebben. Eerst
is daar ‘eeuwigdurende intelligentie’; een niet-fysieke
staat van zijn die al van eeuwigheid bestaat en die niet door God geschapen
is. De mens is dus in essentie onafhankelijk van God in deze staat.
Vervolgens worden mensen voorzien van een ‘spirit body’,
dat wordt gegeven door een Hemelse Vader en Moeder. In deze periode
leeft de mens gedurende enige tijd in een staat van preëxistentie
in een niet-fysiek lichaam. Met de geboorte komt de mens dan te wonen
in ‘fysiek lichaam’, dat gegeven is door twee wereldse ouders.
Het doel van fysiek lichaam is de mens sterfelijk te maken, zodat hij
kan leren wat hij moet doen om goddelijkheid te bereiken en gelijk te
worden aan de hemelse ouders. Deze notie is opvallend, omdat ze de belofte
aan de mens inhoudt, dat deze goddelijk of godgelijk kan worden. Dit
is de belangrijkste fase in een mensenleven, omdat hier de mens moet
kiezen tussen goed en kwaad en zo een plek moet zien veilig te stellen
in het hiernamaals. Mormonen zien het aardse bestaan dan ook niet als
een tranendal, maar als een plaats waarin de mens de kans heeft zijn
zaligheid te verdienen, zonder dwang van God of mensen.
De rol van Jezus in de mormoonse theologie niets meer en niets minder
dan een soteriologische. Mormonen geloofden dat Jezus aan het kruis
gestorven was om de mensheid van de zonde en de dood te verlossen. Maar
om van het werk van Jezus en het daaruit voortvloeiende heil voor allen
te kunnen profiteren moet de mens boete doen en goede werken verrichten.
Pas dan worden het fysieke en het spirituele lichaam weer herenigd en
zal de mens als god en met God leven.
Niet alleen de hereniging met God is van belang voor de mormoonse mens.
Ook het veiligstellen van een verblijf in de hemel met geliefden is
een doel. Dit is dan ook de theologische rechtvaardiging voor de polygamie;
het idee was dat, wanneer mensen ‘sealed together’ waren,
zij in de hemelse toestand ook getrouwd zouden zijn. Daarom huwden mormoonse
mannen meerdere vrouwen en stelde zo voor beiden een gelukkig hemels
leven veilig.
De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen was
in de vroegste periode een restaurationistische beweging. Het doel was
om de primitieve, vroegste christelijke kerk opnieuw op te richten,
om zo te voldoen aan Gods geboden. Dit streven is niet alleen terug
te vinden in de hiërarchische structuur van de kerk, maar ook de
sterk collectivitische inslag. Meerdere malen heeft Smith geprobeerd
om een min of meer communistisch systeem op te zetten, waarbij iedereen
zijn of haar kapitaal aan de lokale kerkelijke autoriteiten schonk en
waaruit eenieder gevoed, gehuisvest en gekleed werd.
Een andere theologische trend binnen de kerk (de term ‘laatste
dagen’ zegt het al) was een millennialistisch wereldbeeld. Reeds
in het eerste visioen dat Joseph Smith ontving is dit motief al duidelijk:
de door Smith te stichten gemeenschap zou regeren in het duizendjarige
rijk Gods. Van Beek onderscheidt vijf specifieke mormoonse kenmerken
aan het millennialistische motief. Ten eerste draait het om Amerika
als plaats waar God de gelovigen zal laten verzamelen en waar de wederkomst
zal plaatsvinden. Voorts is het mormoonse millennialisme verbonden met
de notie dat de heiligen Gods Rijk moeten voorbereiden door een theocratisch
bestuurd gebied in te richten. Bovendien moeten op die plek vanuit alle
hoeken van de aarde de heiligen zich verzamelen, om zo de straffen van
God aan de aarde te kunnen ontlopen. Tevens moet dit koninkrijk ingericht
worden volgens de regels van de United Order, het communautaire samenleven,
zoals hierboven besproken is.
Tenslotte, en tegelijk het meest in het oog springende, is de rol die
de polygamie speelde in het mormoonse millennialisme. Van Beek schrijft:
“In de cruciale openbaring … was het celestiale huwelijk,
impliciet het ‘meervoudige huwelijk’, een voorwaarde voor
verhoging in het koninkrijk. … [Het] ‘nieuw en eeuwigdurend
huwelijksverbond’ werd gezien als een vervulling van een oude
profetie, als deel van de ‘herstelling van alle dingen’
en als een noodzakelijke voorbereiding op de komst van Christus.”
Het is moeilijk vast te stellen wanneer de theologische rechtvaardiging
voor meervoudige huwelijken begonnen is. Volgens W.W. Phelps, die in
1861 een aantal brieven uit 1831 publiceerde, had de profeet toen al
geopenbaard dat mormoonse mannen in de toekomst Lamanitische vrouwen
tot zich zouden moeten nemen, naar het voorbeeld van Abraham en Jacob.
Reeds in 1835 is er dan al sprake van ‘hemelse huwelijken’,
maar het zou tot 1841 duren voordat Smith de eerste polygamistische
huwelijksceremonie zou uitvoeren. De profeet zelf huwde toen Louisa
Beaman.
De Mormoonse Hiërarchie (1830-1860).
De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen is gedurende
haar hele geschiedenis sterk hiërarchisch georganiseerd geweest
en werd gekenmerkt door een manier van besturen die ‘top-down’
genoemd kan worden. Bovendien was er aan de top van de hiërarchie
ruimte voor een redelijk groot aantal mannen om in korte tijd een relatief
hoge positie te bereiken.
Hoewel Joseph Smith vanaf 1830 al leider was van de mormoonse beweging,
ging hij pas in 1832 over tot het organiseren van een hiërarchische
structuur. In dat jaar benoemde hij zichzelf tot president van de kerk
en stelde een eerste en een tweede counselor aan, respectievelijk Jesse
Gausse en Sidney Rigdon. Gedrieën vormden zij de eerste First Presidency
van de Kerk.
In 1835 breidde Smith de hiërarchie uit middels de oprichting van
het Quorum van de Twaalf Apostelen, dat in rangorde direct onder de
First Presidency staat. De eerste taak van het Quorum, dat vanaf de
oprichting onder leiding stond van Brigham Young, was het verhuizen
van de heiligen van Missouri naar het gebied rond Quincy, Illinois.
Voorts hielden de leden van het Quorum van de Twaalf zich bezig met
het interne beleid en functioneerden ze als missionarissen in het oosten
van de V.S. Na 1844 namen de Twaalf de macht van de kerk over en organiseerden
de exodus naar wat later Utah zou worden. Daarnaast werd onder de leiding
van Brigham Young de overzeese missie serieus aangepakt; met name in
Engeland en Scandinavië functioneerden leden van het Quorum als
missionarissen voor de kerk, waarbij ze nieuwe bekeerlingen veelvuldig
probeerden te bewegen naar Amerika te emigreren. Gezamenlijk vormden
de First Presidency en het Quorum van de Twaalf Apostelen het dagelijks
bestuur van de Kerk. Voor beide organen gold dat wanneer iemand geroepen
wordt tot het ambt, dit een aanstelling voor het leven is. Inmiddels
is het zo dat een nieuwe president gekozen wordt door de twaalf apostelen,
waarbij het gebruikelijk is dat het langstzittende lid van het Quorum
de enige kandidaat is.
Onder het Quorum van de Twaalf Apostelen stonden een aantal regionale
besturen. Deze hadden weinig tot geen invloed op de top van de hiërarchie
maar functioneerden min of meer als doorgeefluik voor bevelen en verordeningen.
Daarnaast waren ze verantwoordelijk voor de dagelijkse leiding van (bijvoorbeeld)
een gemeente, een groep van gemeenten of een regio. Gewoonlijk bestonden
deze besturen uit drie personen, te weten een voorzitter en twee raadslieden,
naar het voorbeeld van de First Presidency.
Tenslotte vond in maart 1844 te Nauvoo de oprichting plaats van de Council
of Fifty. Hoewel de precieze aanleiding voor de oprichting van de Council
onduidelijk is, kreeg deze groep mannen, die allen persoonlijk geroepen
werden door Joseph Smith, de taak om te functioneren als schaduwregering
van Nauvoo en de theocratie te bewaren. Dit is merkwaardig, omdat Nauvoo
reeds een theocratisch bestuurde stadstaat was: alle lokale autoriteiten
van enig gewicht waren hooggeplaatste mormonen. Bovendien is de importantie
van de Council of Fifty beperkt. Na de dood van Smith en gedurende de
jaren dat Young aan de macht was heeft de Council of Fifty geen beslissingsmacht
gehad. Daarnaast vergaderden de leden van de raad slechts zelden. Niettemin
was het lidmaatschap van de council een prestigieus middel om status
te verwerven in de kerk. Dat dit later nog een rol zal spelen bij onze
schisma’s zullen we zien in hoofdstuk 3.
De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen (1830-1860)
als cult.
In hoofdstuk 1 hebben we aangenomen dat de mormoonse kerk in de periode
1830-1860 als cult kan worden betiteld. Volgens de definitie van Stark
en Bainbridge moet een religieuze groepering aan twee kenmerken voldoen
om als cult te kunnen worden aangemerkt: innovatieve theologie en hoge
spanning met de omliggende sociaal-culturele wereld.
Wat de theologie betreft zal uit het voorafgaande, en met name paragraaf
2.6.a., duidelijk zijn geworden dat de mormoonse theologie als innovatief
kan worden bestempeld. Hoewel de mormoonse leer op punten uitdrukkelijk
christelijk geïnspireerd is, zijn er voldoende aanwijzingen voor
innovatie, bijvoorbeeld in het mensbeeld, de relatie van de mens tot