“Without a Prophet at our head”:
een godsdienstsociologische verklaring van de scheuringen
in de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen,
1844-1860.
Afstudeerscriptie van: Ferdi Geleijnse
Hoofdvak: Godsdienstsociologie
Faculteit der Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap
Rijksuniversiteit Groningen
Oktober 2002
Begeleiders: dr. Y.B. Kuiper & dr. D.H. Hak
INHOUDSOPGAVE
2…… Inhoudsopgave
4…… Woord vooraf
6…… Inleiding
12…… Hoofdstuk 1: Rationele keuze theorie van religie
12…… 1.1: Inleiding
13…… 1.2: A Theory of Religion
16…… 1.3: Verdere discussie
23…… 1.4: Hypothesen
33…… Hoofdstuk 2: Een historische schets van het mormonendom
(1805-1860) 33…… 2.1: Omgevingsfactoren bij het ontstaan
van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen
35…… 2.2: Joseph Smith (1805-1844)
36…… 2.3: De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van
de Laatste Dagen, 1830-1839
39…… 2.4: De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van
de Laatste Dagen, 1839-1844
42…… 2.5: De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van
de Laatste Dagen, 1844-1860
44…… 2.6: De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van
de Laatste Dagen, 1830-860: theologische ontwikkelingen, hiërarchische
structuur en typering als cult.
44…… A: Theologie, 1830-1844
47…… B: De mormoonse hiërarchie, 1830-1860.
49…… C: De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de
Laatste Dagen (1830-1860) als cult.
50…… Hoofdstuk 3: Opvolgingscrisis, machtsstrijd en schismavorming
50…… 3.1: Kandidaten voor de opvolging
52…… 3.2: Uitkomsten van de crisis
53…… 3.3: De schismatische groeperingen
53…… A: Sidney Rigdons Church of Christ 57……
B: James Jesse Strang
61…… C: Lyman Wight
62…… D: Alpheus Cutler
67…… E: De Gereorganiseerde Kerk van Jezus Christus van
de Heiligen van de Laatste Dagen
71…… Hoofdstuk 4: Conclusies en discussie
71…… 4.1: Inleiding71…… 4.2: Conclusies
78…… 4.3: Discussie
82……. Bibliografie
WOORD VOORAF
Met deze afstudeerscriptie draag ik mijn studententijd ten grave. Meer
dan zes jaar heb ik met volle teugen genoten van de stad Groningen,
van de universiteit (in al haar facetten) en van de theologische en
godsdienstwetenschappelijke faculteit. Ook buiten de universiteit, maar
binnen het studentenleven heb ik volop geprofiteerd van de mogelijkheden
die de Stad aan een student biedt. Met name studentenvereniging Hendrik
(en dan vooral het schap Elysion) en het roemrucht theologisch, godsdienstwetenschappelijk
en wijsgerig dispuut Neoem Benej Neviim hebben mijn vrije tijd gevuld.
Ik ben dankbaar voor de altijd geanimeerde gesprekken, vaak tot in de
vroege uurtjes.
Het is een cliché van jewelste om in een woord vooraf te stellen
dat een boek, artikel of werkstuk mede het resultaat is van het fantastische
contact met medestudenten, met docenten en wetenschappers in het veld.
Hier zou ik tegenin willen brengen dat godsdienstsocioloog te Groningen
zijn een uiterst eenzame bezigheid is. Als ik het wel heb, ben ik de
eerste theoloog sinds een jaar of negen die afstudeert in de godsdienstsociologie
en tevens ben ik de laatste: het vak is afgeschaft als hoofdvakmogelijkheid
voor theologen. Niettemin vind ik het gepast om op deze plaats enkele
mensen te bedanken, die op zeer verschillende wijze hebben bijgedragen
aan deze scriptie.
Op de eerste plaats is daar dr. Colleen McDannell (University of Utah),
die tijdens haar gasthoogleraarschap in 2000 aan de faculteit der Letteren
mij niet alleen op het spoor van de mormonen zette, maar ook de eerste
was die mij introduceerde in het werk van Rodney Stark en Bill Bainbridge.
Dr. Danny L. Jorgensen (University of Florida at Tampa) was zo vriendelijk
een aantal artikelen op te sturen die het schrijven van de paragraaf
over Alpheus Cutler mogelijk hebben gemaakt, terwijl dr. Wouter van
Beek (Universiteit Utrecht) mij bij hem thuis ontvangen heeft en enkele
artikelen van zijn hand en twee belangrijke monografieën beschikbaar
stelde. De meeste dank moet echter uitgaan naar mijn twee scriptiebegeleiders.
De eerste, dr. Yme Kuiper, die tevens mijn hoofdvakdocent was, heeft
mij zoals altijd de ruimte gelaten om dat te doen wat ik boeiend en
belangrijk vond. Een student kan zich geen ruimhartiger hoofdvakdocent
wensen; de breedte van de kennis die ik tijdens mijn doctoraalstudies
heb opgedaan is voor een groot deel aan hem te danken. Dr. Durk Hak
was een enthousiast en zorgvuldig scriptiebegeleider (en veel meer dan
een meelezer) voor mij. Met name zijn scherpe commentaar op het theoretische
gedeelte en zijn niet aflatende kritische houding hebben deze scriptie
zeer verrijkt. Voor hen beiden geldt dat ik de besprekingen over de
soms moeizame totstandkoming van deze scriptie altijd als positief,
stimulerend, en (mag ik het zeggen?) gezellig heb ervaren.
Tenslotte dan de onvermijdelijke dankwoorden in de persoonlijke sfeer.
Allereerst dank aan Dorien Evers en Albert Hankel, die beiden drie maanden
een kamer hebben opgegeven, waar ik een rustige studieplek vond. Heel
veel dank ben ik verschuldigd aan mijn ouders, die niet alleen financieel
(o zo belangrijk), maar vooral mentaal een grote steun zijn geweest.
Ik weet dat ze wat meewarig moeten hebben opgekeken toen hun zoon aankondigde
theologie te gaan studeren, maar hier en nu verzeker ik hen dat ik door
hen geworden ben wie ik nu ben. En ik hoop dan ook dat ze trots op me
zijn. De meeste dank komt mijn lief toe, Wilja. Meisje, ik weet dat
het soms moeilijk was om met mij samen te leven de afgelopen maanden,
zeker als ik weer eens vol was van het onderwerp of chagrijnig omdat
ik vastzat in een redenering. Nu dit ding klaar is gaan we samen een
nieuwe fase van ons leven in en ik weet zeker dat we ook dit zullen
klaren. Jouw voortdurende optimisme, vrolijkheid en liefde hebben aan
deze scriptie meer bijgedragen dan je ooit zult weten.
Tenslotte dan een woord over de dingen die voorbijgaan. Gedurende mijn
studies heb ik twee grootouders verloren. Ik vind het vreselijk jammer
dat Opa van den Bos en Oma Geleijnse me niet zien afstuderen. Het is
dan ook in liefdevolle herinnering dat ik deze scriptie aan hun beider
gedachtenis opdraag. Opa zei altijd: “Je moet alles in je leven
een keer gedaan hebben.” Nou Opa, kijk mij nou eens…
Ferdi Geleijnse
Oktober 2002
INLEIDING
De geschiedenis van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van
de Laatste Dagen (Mormonen) mag inmiddels als legendarisch worden beschouwd.
Ontstaan tijdens de Second Great Awakening in de staat New York als
een marginale nieuwe religieuze groepering, is de kerk inmiddels uitgegroeid
tot een gerespecteerde denominatie in de Verenigde Staten én
- mede door het uitgebreide missionaire programma – tot een volwaardige
speler op de internationale geloofsmarkt waar terdege rekening mee moet
worden gehouden. De aanwezigheid van de mormonen in Nederland werd onlangs
bekroond met de opening van een tempel, het belangrijkste liturgische
centrum in hun kerk, in Zoetermeer. De Amerikaanse godsdienstsocioloog
Rodney Stark heeft becijferd dat, wanneer deze kerk blijft groeien met
de snelheid waarmee ze dat de laatste honderdvijftig jaar heeft gedaan,
er in 2080 meer dan 265 miljoen mormonen zullen zijn. Bovendien horen
de mormonen inmiddels bij de Amerikaanse religieuze en culturele mainstream,
getuige – bijvoorbeeld – het succes van het Mormon Tabernacle
Choir en de organisatie van de Olympische Winterspelen 2002 in hun hoofdkwartier
Salt Lake City. Maar tegelijkertijd blijft een overblijfsel van het
verleden de mormoonse kerk parten spelen in de vorm van polygame families
en sekten, die overigens, wanneer zij betrapt worden door kerkelijke
of veroordeeld worden door wereldlijke overheden, meteen worden geëxcommuniceerd.
De grove lijnen van de geschiedenis van de mormonen zijn bekend: na
een moeizame start en diverse vervolgingen, die uiteindelijk resulteerden
in de dood van de stichter van de kerk, trokken vele duizenden gelovigen
onder leiding van Brigham Young over de Rocky Mountains naar het Grote
Zoutmeer en stichtten daar hun eigen staat, Deseret, met als hoofdstad
Salt Lake City. Minder bekend is echter dat de mormoonse kerk in haar
vroegste geschiedenis meer dan één maal te maken heeft
gehad met afsplitsingen en dat er momenteel vele tientallen grotere
en kleinere religieuze groeperingen bestaan, die zijn voortgekomen uit
de Utah-kerk of die kwalificeren als mormoons.
Zo vormden er zich schismatische groeperingen na het Manifesto van 1890
onder president Wilford Woodruff, waarmee de kerk de polygamie afzwoer
en na de Grote Depressie van 1930. Maar de meeste en belangrijkste schisma’s
deden zich voor in de periode direct na de gewelddadige dood van Joseph
Smith, jr., de stichter en profeet van de kerk. In mijn scriptie wil
ik dan ook uitgebreid ingaan op de beschrijving en de oorzaken van deze
schisma’s, en de probleemstelling ervan luidt dan ook:
‘Hoe kunnen we de vorming en de aard van de schisma’s in
de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen in de
periode 1844-1860 verklaren?’
In het eerste hoofdstuk zal ik het theoretisch kader schetsen aan de
hand waarvan ik de hoofdvraag van de scriptie zal proberen te beantwoorden.
Hierbij doe ik met name een beroep op het theoretische werk van Rodney
Stark en William Bainbridge: hun variant van de rationele keuze theorie
van religie. Na een korte inleiding op de basis van de theorie, waarmee
ik de lezer die niet bekend is met de basis ervan ter wille hoop te
zijn, zal ik ingaan op de ideeën die zij geformuleerd hebben ten
aanzien van schismatische groeperingen. Hun voornaamste these over schisma’s
is dat deze zich voornamelijk voordoen langs lijnen van sociale scheidingen,
waarbij diegenen die zich afscheiden het verlies van eerdere investeringen
in hun lidmaatschap van de moederkerk zoveel mogelijk trachten te beperken.
Daarnaast speelt het concept ‘spanning’ met de sociaal-culturele
omgeving een belangrijke rol in hun verklaring van het ontstaan van
sekten; ook hieraan zal ik aandacht besteden. Ook zal ik proberen uit
het werk van Stark en Bainbridge enkele noties te halen, die licht werpen
op vormen van leiderschap van religieuze bewegingen en op wat er gebeurt
als leiders plotseling (om wat voor reden dan ook) wegvallen uit hun
organisatie. Dit is uiteraard het probleem van de routinisering van
charisma, zoals ooit geformuleerd door Max Weber. Tenslotte zal ik in
een laatste paragraaf enkele hypothesen formuleren over de specifieke
situatie van de mormoonse kerk in 1844 en de gevolgen van de dood van
Joseph Smith, waarbij met name de factor ‘machtsstrijd’
een grote rol zal spelen. Hierbij ga ik uit van de theorie van Stark
en Bainbridge, maar zal ik enkele van hun noties moeten aanpassen of
uitbreiden om tot uitspraken te komen die relevant zijn voor het voorliggende
historische geval.
Vervolgens zal ik in het tweede hoofdstuk een beschrijving geven van
de geschiedenis van de mormoonse kerk tot aan de moord op Smith op 27
juni 1844 en de daarop volgende trek naar het westen. De reden hiervoor
is eenvoudig: de wortels van de claims waarop de schismatici hun legitimering
voor afscheiding baseren, liggen veelal in de periode vóór
1844. Dit is met name het geval voor die groepen die zich baseren op
anti-polygamistische stellingen, op leiderschapsclaims op basis van
status binnen de sterk hiërarchische kerkorganisatie en op profetieën
van Smith. Bovendien zullen facetten van de geschiedenis van de kerk
die relevant zijn voor de beantwoording van de hoofdvraag van deze scriptie
sommige lezers onbekend zijn
Daarna zal ik specifiek ingaan op de dood van Smith en de daaropvolgende
opvolgingcrisis die aan tenminste vijf mormoonse schismatische groeperingen
ten grondslag ligt. Vier van deze groepen zijn gecentreerd rond één
figuur, die al dan niet profetische kwaliteiten claimden, te weten:
Sidney Rigdon, Alpheus Cutler, Lyman Wight en James Jesse Strang. De
vijfde groepering ontstond in en rond de familie van Joseph Smith en
een vocale groep anti-polygamisten, de Gereorganiseerde Kerk van de
Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen. Tevens zal ik ingaan
op de complexen van factoren die het mogelijk maakten dat deze vijf
groepen zich afscheidden van de moederkerk. Enkele van de te behandelen
factoren zijn: dissatisfactie met de polygamistische praktijken van
de top van de mormoonse hiërarchie, een cultuur waarin profetieën
en openbaringen gestimuleerd werden, machtsstrijd, het gebrek aan een
duidelijke opvolger van Smith, persoonlijke vetes, opportunisme van
would-be leiders, elitevorming rond de persoon van de profeet en millennialistische
verwachtingen (en de daarmee samenhangende importantie van de stad Independence,
Missouri), en anderen.
In het laatste hoofdstuk dat de titel ‘Conclusies en Discussie’
draagt, zal ik proberen de schisma’s in het mormonendom (1844-1860)
te verklaren met behulp van de rationele keuze theorie in de vorm zoals
die op religieuze verschijnselen is toegepast door Stark en Bainbridge.
Ik zal daarbij betogen dat de schisma’s inderdaad voor een deel
te wijten zijn aan sociale scheidingen, hoewel deze niet zozeer sociaal-economisch
van aard zijn, maar veeleer veroorzaakt zijn door interne ontwikkelingen
in de kerk. Ook zal ik ingaan op het begrip ‘spanning’ en
de betekenis die het heeft voor de verklaring van mormoonse schisma’s.
Ik zal daarbij betogen dat de relatie die Stark en Bainbridge veronderstellen
tussen ‘spanning’ en het ontstaan van – wat zij noemen
– sekten onvoldoende verklaring biedt voor het ontstaan van de
mormoonse sekten. Zij stellen dat wanneer de spanning met de omgeving
gereduceerd wordt, sekten zich gaan afscheiden van de moederkerk, waarbij
diegenen die het meest lijden onder ‘relatieve deprivatie’
de meest waarschijnlijke groep vormen om zich bij de afsplitsingen aan
te sluiten. Ervan uitgaande dat de spanning van de mormoonse (moeder-
of Utah-)kerk met haar omgeving zeker tot aan de grote trek westwaarts
altijd hoog is geweest (zie hoofdstuk 2, met als absoluut hoogtepunt
de moord op de leider van de beweging), lijkt de reactie van een deel
van de mormonen op de spanning met de omgeving omgekeerde te zijn van
wat welke Stark en Bainbridge voorspellen: kerkverlating. Bovendien
is het zo dat de mormoonse schismatische groeperingen een mormoonse
theologie bleven aanhangen, en dus niet zozeer de spanning met de omliggende
‘wereld’ verminderden, behalve op het punt van de polygamie
(hoewel de groep rond Strang deze praktijk in de jaren vijftig van de
negentiende eeuw weer oppakte).
Een mogelijke oplossing van dit probleem is misschien gelegen in het
feit dat we de mormonen tot aan 1846 niet als een ‘kerk’
moeten beschouwen (dit zou gezien de spanning met de Umwelt prima te
verdedigen zijn), maar eerder als een cult, dat wil zeggen een religieuze
groeperingen met een innovatieve theologie. Ook dit is verdedigbaar
gezien de groeiende breuklijnen van de mormoonse theologie met die van
de gevestigde én opkomende christelijke groeperingen, bijvoorbeeld
met het theologisch sanctioneren van polygamie of de openbaring over
het goddelijk worden van mensen of de openbaring en de liturgische implementatie
van het huwelijk dat zal voortduren nadat het aardse leven beëindigd
is (hetzij door de natuurlijke dood, hetzij door het einde der tijden).
Als we deze gedachtegang vasthouden en plausibel kunnen maken, leidt
dit onherroepelijk tot de vraag welke factoren aanleiding geven tot
schismavorming binnen cults. De vraag gesteld in Stark-en-Bainbridge
termen wordt dan: onder welke omstandigheden ontstaan sekten uit cults?
Op dit moment lijkt het meest waarschijnlijke antwoord op de hoofdvraag
eenvoudigweg dat de sociale scheidingen die ten grondslag lagen aan
de vorming van schismatische groeperingen reeds bestonden voordat Smith
vermoord werd. Deze gebeurtenis werkte slechts als een versnellende
factor in het uitspelen van oudere sociale en ideologische tegenstellingen.
Hoewel het uiteraard historisch koffiedik kijken is, lijkt het me logisch
dat de schisma’s ook zonder de dood van Smith plaats hadden gevonden.
De moord op de profeet was een destabiliserende factor in het leiderschap
van de jonge kerk en leidde, zoals te verwachten valt, tot een hevige
en langdurige machtsstrijd, die uiteindelijk zou leiden tot de vorming
van schismatische groeperingen, die allerlei vormen aannamen.
Wat de periodisering betreft is het duidelijk dat ik de onderzoeksperiode
laat beginnen met de dood van Joseph Smith in 1844. Hoewel ik om bovengenoemde
redenen al begin met de mormoonse geschiedenis in 1830, valt het onderzoeksobject
(de scheuringen) binnen de periode na 1844. De einddatum 1860 is gekozen
omdat pas in dat jaar de Gereorganiseerde Kerk formeel wordt opgericht
en Joseph Smith III het leiderschap van deze kerk op zich neemt. Daarmee
komt de leiderschapscrisis pas werkelijk tot een einde. Rond diezelfde
tijd geraakt de inmiddels in Utah gevestigde moederkerk in rustiger
vaarwater, mede door het uitbreken van de Amerikaanse burgeroorlog.
Een andere factor die de reikwijdte van de hoofdvraag van deze scriptie
inperkt is de keuze om alleen die schismatische groeperingen te behandelen,
die direct voortgekomen zijn uit wat later de Utah-kerk zou worden.
Er zijn ook schisma’s ontstaan in de groeperingen die direct voorkwamen
uit de Utah-kerk, bijvoorbeeld de groep rond Bickerton die zich afscheidde
van Sidney Rigdons Church of Christ, maar deze worden op deze plaats
niet behandeld.
Bovendien dient opgemerkt te worden dat de studie van het mormonendom
in het algemeen en die van de vroeg-mormoonse sekten in het bijzonder
ernstig bemoeilijkt wordt door een gebrek aan literatuur in Nederland.
Vooral het gemis aan tijdschriften die zich bezighouden met mormoonse
geschiedschrijving (zoals Dialogue, Sunstone en BYU Studies) is schrijnend,
nog afgezien van het feit dat een aantal van de belangrijkste monografieën
op dit gebied eveneens niet in Nederland te raadplegen zijn. Bovendien
worden de schismatische groeperingen in de door mormonen geschreven
geschiedenissen slechts beperkt behandeld. Of dit een vorm van ‘faithful
history’ is, durf ik niet te zeggen. Wél dat dit mijn studie
in ernstige mate heeft bemoeilijkt.
Als laatste wil ik in deze inleiding een opmerking maken over het vak
godsdienstsociologie. Het is opvallend dat de godsdienstsociologie in
de Verenigde Staten sinds het einde van de jaren ’60 van de vorige
eeuw een enorme vlucht heeft genomen. Met een duidelijk respect voor
de grondleggers van de Amerikaanse godsdienstsociologie (namen als Niebuhr,
Parsons en Berger schieten te binnen), hebben onderzoekers de discipline
min of meer ‘herontdekt’. Auteurs als Robert Bellah, Charles
Glock, Rodney Stark, William Bainbridge en William McLoughlin (om er
maar een paar te noemen) hebben boeken en artikelen het licht doen zien,
die de aandacht voor de sociologie van de godsdienst sterk hebben doen
toenemen.
In Nederland echter is de discipline achtergebleven ten opzichte van
de Amerikaanse collega’s. Binnen het onderwijs én onderzoek
aan de theologische én sociologische faculteiten in Nederland
wordt betrekkelijk weinig aandacht besteed aan de godsdienstsociologie.
Op deze plaats wil ik de hoop uitspreken dat deze scriptie toont waar
de historische godsdienstsociologie toe in staat is: niet alleen beschrijving
en interpretatie van historische gebeurtenissen en processen, maar ook
verklaringen geven voor die gebeurtenissen en processen. Het zou een
winst zijn voor de Nederlandse theologische en sociologische faculteiten
als zij de handschoen opnamen en meer aandacht gingen besteden aan de
sociologische bestudering van religie, met name aan het werk van Stark
en Bainbridge en andere auteurs die zich bezig houden met (vormen van)
rationele keuze theorie van religie.
Hoofdstuk 1: Rationele keuze theorie van religie.
Inleiding
Gedurende de afgelopen twintig jaar heeft er zich een verschuiving
voorgedaan in de godsdienstgeschiedenis en in de godsdienstsociologie,
welke Stephen Warner gekarakteriseerd heeft als een ‘shift in
paradigm’. De gedachte dat religie een steeds minder belangrijke
plaats innam binnen de cultuur en zou gaan innemen was de grondgedachte
van de aanhangers van het secularisatie-paradigma. De aanhangers van
het nieuwe paradigma betoogden dat religie een min of meer noodzakelijk
aspect is van het menselijke (samen)leven en dat religie daarom altijd
wel zal blijven bestaan. Zij stelden dat de aanhangers van het oude
paradigma hun blikveld te smal hadden gesteld, toen zij concludeerden
dat religieus geloof afnam. Deze stelling kon misschien wel waar zijn
voor de gevestigde orde van kerken, maar volgens de nieuwe school vloeiden
de religieuze behoeften nu slechts naar andere geloofsvormen en verdwenen
ze niet. Bovendien toonden enkele auteurs dat de oude vooronderstelling
dat ‘vroeger’ een groot gedeelte van de bevolking gelovig
was (eveneens een veronderstelling voor de secularisatiethese) en aangesloten
was bij en gecommitteerd was aan één van de gevestigde
kerken, onjuist was.
Daarnaast was er nog nooit een sociologische theorie van religie ontworpen
die de toets van de kritiek kon doorstaan. Rodney Stark schrijft in
zijn semi-autobiografische essay Bringing Theory Back in, dat hij als
student verbaasd was over het feit dat sociologische theorievorming
(met name in de structureel-functionalistische school van Talcott Parsons)
eigenlijk was opgehouden met het verzamelen van definities en concepten.
Volgens Stark las hij nergens falsifieerbare uitspraken, die gebaseerd
waren op deductieve redeneringen. Hierdoor gefrustreerd geraakt, begon
hij als leerling van Charles Glock in de late jaren zestig zelf met
het opstellen van een deductieve theorie over religie. Deze theorie
en uitwerkingen en toepassingen daarvan vonden hun beslag in een serie
artikelen die van 1979 tot 1983 in verschillende wetenschappelijke tijdschriften
verschenen, waarbij Stark vooral samenwerkte met William Sims Bainbridge.
Deze artikelen en enkele aanvullingen verschenen in 1985 in boekvorm
onder de titel The Future of Religion. Twee jaar later verscheen het
formele model in boekvorm, getiteld A Theory of Religion.
A Theory of Religion
Rationele keuze theorie van religie zoals die geformuleerd is door
Stark en Bainbridge gaat uit van een model van menselijk handelen dat
gebaseerd is op zeven axioma’s, die met name ontleend zijn aan
exchange theory. Deze axioma’s, zo stellen Stark en Bainbridge,
moeten we opvatten als een gegeven en ze dienen als basis voor het latere
deductieve werk. Ze dienen niet bewezen te worden. Voor de volledigheid
geef ik deze axiomia’s hieronder weer:
“A1: Human perception and action take place through time, from
the past into the future.
A2: Humans seek what they perceive to be rewards and avoid what they
perceive to be costs.
A3: Rewards vary in kind, value, and generality.
A4: Human action is directed by a complex but finite information-processing
system that functions to identify problems and attempt solutions to
them.
A5: Some desired rewards are limited in supply, including some that
simply do not exist.
A6: Most rewards sought by humans are destroyed when they are used.
A7: Individual and social attributes which determine power are unequally
destributed among persons and groups in any society.”
Uit deze zeven axioma’s deduceren Stark en Bainbridge proposities
over menselijk handelen in het algemeen en religieus gedrag in het bijzonder.
Deze proposities gaan noodzakelijkerwijs gepaard met definities; immers,
zo stellen zij, zonder definities kunnen proposities niets zeggen over
de empirische werkelijkheid.
Vanuit de axioma’s worden dus proposities afgeleid, ook over religieus
geloof. Stark en Bainbridge stellen dat, gegeven het feit dat mensen
beloningen zoeken en gegeven het feit dat sommige beloningen schaars
zijn, mensen behoefte hebben aan beloningen die voor hen simpelweg niet
bereikbaar zijn. Het meest pregnante en waarschijnlijk universele voorbeeld
van zulke behoeften is ‘leven na de dood’. Deze specifieke
beloning is niet direct te verkrijgen en is evenmin empirisch verifieerbaar,
maar kan alleen op basis van geloof (dus in de perceptie van de gelovige)
bestaan. Als dan beloningen zoals deze niet in de empirische wereld
te verkrijgen zijn, zijn mensen bereid een compensator te accepteren
die een belofte inhoudt dat in een later stadium die compensator ingewisseld
kan worden voor een waarachtige beloning. Dit concept wordt inzichtelijk
gemakt door het gebruik van het economische begrip IOU (I Owe You).
Op het moment van keuze wordt een belofte op beloning geaccepteerd wanneer
de beloning zelf niet voorhanden is.
Compensatoren, zo stellen Stark en Bainbridge, variëren in de mate
waarin ze de belofte in zich hebben op bepaalde beloningen. Om dit duidelijk
te maken onderscheiden ze algemene en specifieke compensatoren. Specifieke
compensatoren vervangen één enkele, specifieke beloning,
terwijl algemene compensatoren de vervanging zijn voor meerdere beloningen,
beloningen van grote waarde en van grote reikwijdte. Het sociale instituut
bij uitstek dat algemene compensatoren biedt is religie, omdat zij de
bovennatuurlijke basis levert waarop algemene compensatoren volgens
Stark en Bainbridge onherroepelijk op moeten rusten. Mensen sluiten
zich aan bij religieuze organisaties (die sociale instituten die op
het bovennatuurlijke gebaseerde, algemene compensatoren leveren), omdat
ze op basis van hun participatie in die organisaties (de kosten die
ze maken) verwachten dat ze beloningen krijgen, niet alleen algemene
beloningen of compensatoren daarvoor, maar ook specifieke beloningen
of compensatoren, zoals bijvoorbeeld macht, status, vriendschap, ontspanning
of seksuele contacten. Religieuze organisaties kunnen variëren
in de mate waarin algemene en specifieke beloningen en compensatoren
worden aangeboden. Volgens Stark en Bainbridge worden algemene beloningen
en compensatoren veelal aangeboden door de ‘kerken’ en meer
specifieke beloningen en compensatoren meer door ‘sekten’.
Dit is vooral duidelijk in de discussie die Stark en Bainbridge houden
over de rol die spanning met de sociaal-culturele omgeving speelt binnen
kerken en sekten. Waar ideaaltypisch gezien de kerken een lage spanning
onderhouden en dus meer algemene beloningen kunnen aanbieden, houden
sekten de spanning met de omgeving hoog, waardoor de wens naar meer
algemene beloningen niet vervuld kan worden en er dus compensatoren
van verschillende (beperktere) reikwijdten geaccepteerd zullen worden.
Op dit spanningsbegrip kom ik later terug.
In dit spel van het vervullen van beloningen en, indien deze niet beschikbaar
zijn, het aanbieden van compensatoren spelen religieuze organisaties
dus een belangrijke rol. In tegenstelling tot aanhangers van het oude
of secularisatie-paradigma, die stelden dat religieus pluralisme de
plausibiliteitsstructuur van religie ondermijnt, menen de aanhangers
van het nieuwe paradigma, waaronder Stark en Bainbridge, dat religieus
pluralisme juist bevorderend werkt voor de mate waarin religieus geloof
voorkomt binnen een maatschappij. Religies komen dan in een marktsituatie,
waarbij zij hun product (niet alleen de geloofsinhoud, maar ook kansen
op bijvoorbeeld macht en status) zo goed mogelijk dienen af te stemmen
op de wensen van hun potentiële klanten (mensen). In deze religieuze
economie maken klanten een rationele keuze, gebaseerd op een afweging
van de te verwachten kosten en baten, of en bij welke religieuze organisatie
ze zich aansluiten. Het woordje ‘of’ in de vorige zin overigens
is cruciaal in de discussie in hoeverre het logisch volgt uit de basis
van rationele keuze theorie dat er mensen zijn die zich atheïst
noemen. Stark en Bainbridge proberen dit te verklaren door de stellen
dat ‘atheïsme’ als categorie bij sociaal-wetenschappelijk
onderzoek (in de Verenigde Staten, dat wel) meer een indicatie is van
het niet-lid zijn van een religieuze organisatie dan een uitspraak over
wat mensen geloven. Zij wijten de relatief hoge graad van atheïsme
in sommige gebieden meer aan het gebrek aan religieuze organisaties
in die gebieden dan aan oprecht ongeloof.
De opkomst van het rationele keuze model heeft – uiteraard –
reacties uitgelokt van andere onderzoekers in het sociaal-wetenschappelijke
veld. Roy Wallis en Steve Bruce hebben reeds in een vroeg stadium enkele
problemen aangegeven die zij hadden met het Stark-en-Bainbridge perspectief.
Ten eerste zijn Wallis en Bruce van mening dat het begrip compensator
te breed gesteld is. Het is tegelijkertijd een vorm van beloning, een
belofte op die beloning én een uitleg over hoe die beloning verkregen
kan worden. Het kritiekpunt is dus dat de begripsbepaling onduidelijk
is en dat de betekenis van het concept heen en weer kan schuiven tussen
drie mogelijkheden. Een ander kritiekpunt van de kant van Wallis en
Bruce is de in hun ogen te simpele dichotomie die gesteld wordt tussen
de empirische claims van naturalistische systemen en de metafysische
claims van religieus geloof. Volgens hen maken Stark en Bainbridge de
fout van de arrogantie: wij, verlichte geesten, zullen wel even uitmaken
of metafysische claims onwaar zijn. Hetgeen, volgens Wallis en Bruce,
fout is, daar wetenschappers net zo min de verificatie als de falsificatie
van deze metafysische claims kunnen aantonen. Bovendien beschuldigen
Wallis en Bruce Stark en Bainbridge van ‘slechte wetenschap’;
de gegevens die zij gebruiken om hun theorieën vorm te geven zijn
te algemeen om conclusies uit te trekken. Vooral wordt daarbij de relatie
van het handelende individu tot zijn omgeving te veel uit het oog verloren.
Wallis en Bruce: “Knowing little about the meanings that the actors
attached to their circumstances, Stark en Bainbridge commit the familiar
error of supposing that the actors probably feel the same way they would
if they were in that position.”
Verdere discussie.
In deze paragraaf zullen we aandacht besteden aan enkele van de ideeën
en proposities die we ontlenen aan het werk van Stark en Bainbridge
en die relevant zijn voor de beantwoording van de hoofdvraag van dit
werkstuk. Waar nodig zullen we de opvattingen van Stark en Bainbridge
contrasteren en eventueel aanvullen met noties van andere onderzoekers.
Zoals ik in de inleiding heb geschreven, gaat het mij specifiek om schisma’s
binnen de mormoonse kerk na de dood van Joseph Smith. We hebben dus
te maken met tenminste twee verschillende problemen. Het eerste gaat
om de vraag onder welke voorwaarden zich kerkscheuringen voordoen. Het
tweede probleem is – algemeen gesteld – wat er gebeurt wanneer
de leider van een religieuze beweging sterft. Deze problemen zijn niet
geheel ongerelateerd; een veel voorkomende assumptie is dat de dood
van een leider van een religieuze beweging leidt tot schisma’s.
Om met het tweede probleem te beginnen, moeten we opmerken dat het religieus
leiderschap, zeker van een innovatieve religieuze beweging, veelal geassocieerd
wordt met het concept ‘charisma’. Het is bekend dat de klassieke
formulering van het concept bij Max Weber voorkomt, die charisma onderscheidt
als één van de drie ideaaltypische vormen van legitieme
autoriteit, naast traditionele autoriteit en ‘rationele’
of legitieme autoriteit. Weber definieert charisma als volgt:
“a certain quality of an individual personality, by virtue of
which he is set apart from ordinary people and treated as endowed with
supernatural, superhuman, or at least specifically exceptional powers
or qualities. These as such are not accessible to the ordinary person,
but are regarded as of divine origin or as exemplary, and on the basis
of them the individual concerned is treated as a leader.”
Het is belangrijk om hier op te merken dat Weber impliciet uitgaat van
een vorm van religieus leiderschap, die per definitie buiten datgene
wat als ‘normaal’ wordt gezien staat. Er is dus in Webers
idee van charisma altijd een zekere mate van spanning met de omliggende
wereld.
Overigens is het weberiaanse charisma-concept uitgewerkt en bijgesteld
door Roy Wallis. Aan de hand van een case-study over de Children of
God, een evangelicale protestbeweging, die ontstond in de late jaren
zestig in de San Francisco Bay Area rond een charismatische leider,
toont hij aan dat charisma alleen gerealiseerd kan worden in contact
met een groep volgelingen. Hij stelt dat charisma niet zozeer een inherente
individuele kwaliteit is, maar veeleer ontstaat in een proces van sociale
interactie met anderen. Dit proces doet zich voor in de vroegste fasen
van het ontstaan van een religieuze beweging, en diegenen die het charisma
van de leider ‘sociaal geconstrueerd’ hebben, dus de oudste
groep volgelingen, nemen hoogstwaarschijnlijk een hoge positie in de
religieuze hiërarchie.
Stark en Bainbridge hebben moeite met de verklarende waarde van het
concept ‘charisma’ omdat het niets zegt over de manier waarop
religieuze leiders hun groep leiden. Zij noemen het concept onwetenschappelijk,
omdat het zonder meer uitgaat van de veronderstelling dat charismatische
personen werkelijk bovenmenselijke krachten bezitten. Toch zullen ook
Stark en Bainbridge rekenschap moeten geven van de vormen van religieus
leiderschap en de bases waarop deze gelegitimeerd zijn.
Zij doen dit met behulp van het ‘entrepreneur-model’, een
verklaringsmodel voor het ontstaan van religieuze bewegingen met nieuwe
compensatoren. Entrepreneurs zijn volgens Stark en Bainbridge mensen
die op zoek zijn naar winst, die zij kunnen genereren door het aanbieden
van compensatoren. Hiertoe ontwerpen zij een nieuw product, een pakket
compensatoren, waarbij het gebruikelijk is dat dit nieuwe pakket een
samenstelsel is van zowel bestaande als innovatieve compensatoren. Ideeën
voor nieuwe compensatoren kunnen worden geïnspireerd door zowel
persoonlijke ervaring als door aanwezigheid van die ideeën in de
omliggende cultuur. Gewoonlijk heeft een entrepreneur een voorkennis
van het te verwachten succes van zijn of haar nieuwe pakket compensatoren
door eerdere betrokkenheid bij een ‘cult’. Hij moet echter
voorzichtig manoeuvreren met zijn nieuwe product, om de werking van
de markt goed te kunnen analyseren en zijn product aan de bewegingen
van de markt aan te passen.
Het grote verschil tussen de ideeën over ‘profetisch’
leiderschap van Stark en Bainbridge enerzijds en die van Weber en Wallis
anderzijds is gelegen in de intentie van degene die religieus vernieuwend
bezig is. Terwijl bij de laatsten ‘charisma’ bedoeld is
als ofwel een bepaalde kwaliteit van een individu die min of meer toevallig
bij hem of haar terechtkomt (Weber) ofwel een door volgelingen toegeschreven
kwaliteit (Wallis), ligt de nadruk bij Stark en Bainbridge veel meer
op al dan niet bewuste constructie van een geloofssysteem om een bepaald
doel te bereiken (het aanbieden van compensatoren in ruil voor gewenste
beloningen). Deze verschillende opvattingen over de aard en de functie
van religieus leiderschap, heeft consequenties voor de ideeën over
wat er gebeurt als religieuze leiders (of we ze nu charismatici of entrepreneurs
noemen) sterven.
Weber gaat er vanuit dat wanneer de persoonlijke charismadrager wegvalt,
de autoriteitsstructuur zich gaat stabiliseren en routiniseren. De factor
die als beste indicator kan dienen voor de mate waarin dit succesvol
gebeurd, is die van de opvolging. Hoewel er verscheidene manieren zijn
om het charismatische opvolgingsprobleem op te lossen, zal er binnen
de beweging een opvolger moeten worden gevonden, wil de beweging blijven
voortbestaan. De opvolger kan grofweg op twee manieren gevonden worden:
1) door de overdracht van de charismatische kwaliteiten op een ander,
of 2) door een verzakelijking van het charisma-begrip, bijvoorbeeld
door ritualisering of door de nieuwe leider democratisch te kiezen.
Dit kan uitmonden in de bureaucratisering van de beweging, waarbij het
leiderschap meer gekenmerkt wordt door een sfeer van beambten, dan door
een pure leiderschapssituatie, al dan niet met speciale gaven.
Roy Wallis stelt dat de plotselinge dood van een charismatische leider
werkt als een destabiliserende factor in de autoriteitsstructuur van
een beweging. De mate waarin deze destabilisering voorkomt, is afhankelijk
van de voorzorgsmaatregelen die genomen zijn voor de dood van de leider.
Hoewel het geen wet van meden en perzen is, is het waarschijnlijk dat
wanneer de leider een stevige autoriteitsstructuur heeft ontworpen en
ontwikkeld en bovendien een duidelijke opvolger of een heldere procedure
om een opvolger te vinden heeft aangewezen, de beweging binnen een relatief
korte tijd een nieuwe leider zal produceren en snel zal re-stabiliseren.
Het omgekeerde is waar voor bewegingen zonder een heldere autoriteitsstructuur
en zonder een duidelijke opvolger (of slechter nog: meerdere potentiële
opvolgers) of een procedure voor opvolging.
J. Gordon Melton heeft eenzelfde mening ontwikkeld over opvolgingscrises.
Hij stelt dat de dood van een religieuze leider zelden aanleiding is
voor de dood van een religieuze beweging, maar erkent wel dat er na
de dood van een leider er een machtsstrijd kan ontstaan, waarbij diegene(n)
die deze verliezen niet zelden wegbreken van de groep en een aantal
volgelingen meenemen om een rivaliserende organisatie op te zetten.
Maar, zo stelt hij, deze machtsstrijd is niet belangrijker dan andere
onderwerpen die kunnen leiden tot schisma’s. Bovendien geeft Melton
aan dat er tenminste drie factoren zijn die de impact van de dood van
een charismatische leider kunnen verzachten. Ten eerste is het logisch
dat wanneer er voorbereidingen zijn getroffen voor de opvolging voordat
de leider wegvalt, die opvolging min of meer gladjes verloopt. Daarnaast
stelt Melton dat wanneer de aardse bezittingen van de religieuze groep
niet in handen zijn van de leider alleen, maar formeel in de handen
zijn van de beweging als geheel en praktisch in de handen van een (al
dan niet bureaucratische) elite, er minder neiging zal zijn tot het
ontstaan van een machtsstrijd, simpelweg omdat er geen direct geldelijk
gewin uit de leiderschapspositie te halen is. Tenslotte is een belangrijke
dempende factor dat wanneer een religieuze beweging zich ontwikkelt
en groeit in aantal, er zich een ontwikkeling voordoet, waarbij de leider
steeds verder af komt te staan van zijn volgelingen. Er ontstaat een
bureaucratie die werkt als een soort intermediair tussen leider en volgelingen,
die bovendien in het geval van de dood van de leider de theologie van
de leider kan bewaken. Deze second and third echelons of leadership
geven de beweging een zekere mate van stabiliteit waardoor de opvolgingscrisis
verzacht wordt.
De tweede theoretische kwestie die in dit werkstuk aan de orde komt
is de vraag naar de omstandigheden waaronder kerkscheuringen of schisma’s
(ik gebruik de termen synoniem) ontstaan. Als eerste behandel ik de
stellingen die Roy Wallis heeft ontwikkelt in zijn theoretische essay
Propensity to Schism.
Wallis stelt dat het onderzoek naar de vorming van schisma’s zich
teveel heeft beziggehouden met de motivaties van mensen om een schismatische
groepering te stichten of zich daarbij aan te sluiten. Vaak worden deze
motivaties afgeleid van sociale verschillen, die op hun beurt gebaseerd
kunnen zijn op, bijvoorbeeld, sociaal-economisch verschillende subgroepen
binnen de moedergroepering of conflicten tussen personen, waarbij individuele
ambitie en status een grote rol spelen. Andere onderzoekers hebben conflicten
over zaken als ideologie, organisatie of liturgische praktijk at face
value genomen. Volgens Wallis leveren deze beide benaderingswijzen echter
geen verklaringen op: “The fact of social divisions does not provide
any explanation of schism unless these divisions are construed as providing
motivational grounds for breaking away or for remaining loyal to a schismatic
leader.” Wallis probeert vervolgens een theorie te ontwerpen die
stelt dat, wanneer een potentiële leider van een schisma op de
voorgrond treedt, hij een groep volgelingen voor zijn zaak moet proberen
te winnen door een legitieme claim voor zijn leiderschap te presenteren.
Zo dan is de geneigdheid tot schismavorming direct gerelateerd aan de
beschikbaarheid van ofwel alternatieve ofwel dezelfde autoriteitsclaims
als in de moeder-groepering.
Wallis onderscheidt groeperingen naar de mate waarin ze geloven dat
hun weg naar waarheid, redding of utopie de enige ware weg is. Enerzijds
zien we dan uniquely legitimate groepen, die vasthouden aan het idee
dan hun weg de enige juiste is, en anderzijds de pluralistically legitimate
groepen, die, hoewel ze denken dat hun weg de beste is, de legitimiteit
van andere waarheidsclaims niet geheel en al verwerpen. Daarnaast onderscheidt
Wallis drie sociale eenheden die toegang kunnen hebben tot legitimatiemiddelen,
te weten: één enkel persoon, een kleine groep personen
of elite en een grote groep personen. Zo komt hij dan tot een schema
waarin de geneigdheid tot schismavorming gevat kan worden:
Means of Legitimation
Singular Plural
One 1 4
Availability Few (elite) 2 5
Many 3 6
In feite komt dit neer op een continuüm waarin de geneigdheid
tot schismavorming het laagst is in categorie 1 (waarbij slechts één
persoon toegang heeft tot één enkele manier waarop claims
gelegitimeerd kunnen worden) en waarin deze geneigdheid het hoogst is
in categorie 6 (waarbij vele personen toegang hebben tot meerdere manieren
waarop claims gelegitimeerd kunnen worden). Het behoeft nauwelijks betoog
dat de hierboven beschreven situatie van charismatisch leiderschap overeenkomt
met de schematische categorieën 1 en – in minder mate –
4, met andere woorden: naarmate de manier waarop autoriteit gelegitimeerd
kan worden in een groepering meer gecentraliseerd is, des te minder
is men geneigd om schisma’s te vormen.
Stark en Bainbridge aan de andere kant gaan uit van een klassieker idee
waarom schisma’s voorkomen, namelijk dat schisma’s vooral
voorkomen langs lijnen van sociale scheidingen. Daaruit volgt dat schisma’s
het meest voorkomen in groeperingen die duidelijke lijnen van sociale
scheidingen in zich dragen. Belangrijk daarbij is dat diegenen die zich
aansluiten bij een schismatische groepering volgens de theorie van Stark
en Bainbridge geneigd zijn om eerder gedane investeringen in de moedergroepering
te bewaken. Deze investeringen nemen concreet de vorm aan van, bijvoorbeeld,
het ontvangen van gewenste beloningen of het aanhangen van diegenen
die in een eerdere fase de functie van distributeur van beloningen of
compensatoren hebben vervuld. Propositie 130 van de theorie gaat uitdrukkelijk
over machtsconflicten binnen de groep en stelt dat wanneer er grote
verschillen zijn in de mate waarin men verschillende ruilverhoudingen
heeft (vergelijk definities 14 en 15: “Exchange ratio is a person’s
net rewards over costs in an exchange” en “Power is the
degree of control over one’s exchange ratio”) of wanneer
men uitdrukkelijk verschillende beloningen wenst, de geneigdheid tot
schismavorming toeneemt.
De vraag is nu wat Stark en Bainbridge precies bedoelen met sociale
scheidingen. Hun definitie luidt als volgt: “Social cleavages
are divisions of networks across which there are relatively few strong
attachments.” Anders gezegd gaat het om twee of meer groepen binnen
een grotere sociale groep, die relatief weinig met elkaar te maken hebben.
Hoewel deze definitie niets zegt over het ontstaan van deze netwerken
binnen een groepering, kunnen we ons wel voorstellen welke (meerdere)
betekenissen het begrip sociale scheiding concreet kan aannemen. Zo
kunnen er netwerken ontstaan van diegenen die sociaal-economisch hoger
op de ladder staan en zij die lager staan. Ook kunnen we voorstellen
dat er groepen zijn die veel macht hebben en die weinig macht hebben.
Het zou ook nog zo kunnen zijn dat familiebanden een rol spelen, of
ordinaire ruzies, of conflicten over bezit, etcetera, etcetera. Het
komt er dus op neer dat de redenen (of, zo je wilt: motivaties) voor
het vormen van schismatische groeperingen legio zijn. De vraag blijft
echter bestaan welke sociale scheidingen aanleiding zijn voor schismavorming
en welke niet.
De discussie wordt evenmin verhelderd door het feit dat Stark en Bainbridge
hun beeld van processen van schismavorming laten afhangen van hun opvattingen
over kerk, sekte en cult. Daarbij wordt ‘kerk’ gezien als
een religieuze organisatie die een relatief lage spanning heeft met
de sociaal-culturele omgeving. ‘Sekte’ zien zij als een
religieuze organisatie met traditionele geloofsinhoud en met een relatief
hoge spanning met die omgeving. ‘Cult’ is een religieuze
organisatie met innovatieve geloofsinhoud en met een relatief hoge spanning
met de omgeving. De crux hier is dat de discussie van Stark en Bainbridge
gebaseerd is op de veronderstelling dat sekten schisma’s zijn
die uit kerken voortkomen. Hoewel zij erkennen dat cults, gedurende
het proces waarin zij groeien naar de status van kerk, schisma’s
kennen, wordt (bij mijn weten) nergens in hun werk specifiek ingegaan
op de manier waarop dat gaat. Als ik als veronderstelling neem dat dit
op dezelfde wijze gaat als wanner sekten zich losmaken van kerken, dan
word ik geconfronteerd met een probleem. Immers, de groepen die zich
afscheiden van kerken en sekten doen dit om de spanning met de omliggende
sociaal-culturele omgeving te verhogen, omdat daar de relatief schaarse
beloningen die zij wensen te verkrijgen zijn. Als dit waar is en ook
voor cults zou moeten gelden, dan zouden we bij schisma’s vanuit
cults te maken hebben met groeperingen die een nog hogere spanning met
de sociaal-culturele omgeving willen, terwijl ze uit een moedergroep
voortkomen die al een relatief hoge spanning met de sociaal-culturele
omgeving heeft.
Eén oplossing voor dit probleem wordt gegeven in de discussie
van Stark en Bainbridge over church movements. Wanneer er een marginale
groep binnen een sekte bestaat die een lagere spanning met de omgeving
wenst, en wanneer deze groep niet voldoende macht heeft binnen de sekte
om dit doel te realiseren, zal deze marginale groep een church movement
vormen. Deze neiging wordt gereduceerd wanneer leden van deze marginale
groep zonder veel te investeren over kunnen stappen naar een andere
religieuze organisatie met een relatief lage spanning. Hierop kom ik
in de volgende paragraaf terug.
4. Hypothesen.
Eén van de pijlers waarop de rationele keuze theorie van religie
rust is de notie dat mensen op een rationele manier handelen om zoveel
mogelijk beloningen te verkrijgen tegen zo laag mogelijke kosten. Om
dit proces te optimaliseren, zoeken zij dus naar een goede ruilverhouding.
Stark en Bainbridge, zo stelde hun axioma 7, gaan ervan uit dat de omstandigheden
die macht bepalen ongelijk verdeeld zijn. Zij definiëren macht
dan ook als de mate van controle die een individu heeft over zijn of
haar ruilverhouding. Kort gezegd komt dit erop neer dat alle mensen
macht willen en dat zij kosten zullen maken om macht te verkrijgen.
Eén van de manieren waarop macht verkregen kan worden is het
leiderschap van een religieuze organisatie. Binnen een cult doet er
zich een vorm van leiderschap voor, waarbij de macht in de handen is
van een charismatische leider, zoals bedoeld in zowel de zin van Weber
als van Wallis. Volgens Stark en Bainbridge worden cults gesticht door
individuen die verwachten dat zij door deze handelingen een zekere winst
zullen behalen. Door de aard van hun leiderschap hebben zij macht over
de religieuze organisatie en kunnen zij de door hen gewenste beloningen
(welke dit ook zijn) uit ‘hun’ organisatie halen.
Wat nu gebeurt er als de charismatische leider plotseling wegvalt? Als
mensen tegen redelijke kosten macht willen verkrijgen, is het logisch
dat wanneer er een machtspositie vrijkomt, er mensen zullen zijn die,
om het zo te stellen, de vacature willen vullen. Als ik nu vanuit de
ideeën van Stark en Bainbridge over macht naar deze situatie kijk,
wordt al spoedig duidelijk wat er zal gebeuren. Gesteld nu, dat er meerdere
personen binnen de organisatie zijn die de positie van leider willen
aannemen, zullen deze personen met elkaar een strijd aangaan om de macht
te verkrijgen. Weber wees erop dat het charismatische leiderschap moet
worden overgedragen, wil de organisatie kunnen voortbestaan. De overdracht
kan ofwel een overdracht zijn van de charismatisch gelegitimeerde machtspositie
aan een ander ofwel een vorm van institutionalisering of bureaucratisering
van de organisatie. Dit zegt echter niets over de onderliggende motieven
van diegenen die het leiderschap op zich willen nemen. Daarnaast dient
te worden opgemerkt dat, volgens de ideeën van Melton, de hevigheid
van de te verwachten machtsstrijd gereduceerd wordt, wanneer er binnen
de organisatie een procedure bestaat voor de opvolging van de charismatische
leider, hetzij door benoeming van een opvolger door de charismaticus
zelf, hetzij door een procedure aan de hand waarvan een nieuwe leider
of nieuwe leiders verkozen wordt of worden.
Wat betekent dit alles voor de hoofdvraag van dit werkstuk? Toen Joseph
Smith in 1844 stierf in de gevangenis van Carthage, Illinois, liet hij
een organisatie achter die geleid werd volgens de beginselen van het
charismatisch leiderschap. We veronderstellen dat de Kerk van Jezus
Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen een cult was in de zin
van Stark en Bainbridge, d.w.z. met een innovatieve ideologie en een
relatief hoge spanning met de sociaal-culturele omgeving. De organisatie
was bovendien groeiende en er vielen beloningen uit de leiderschapspositie
te halen, zoals (bijvoorbeeld) geldelijk gewin, sociale status of seksuele
contacten. Bovendien waren er meerdere individuen en groepen die ofwel
door directe benoeming ofwel op basis van hun positie in de kerk aanspraak
konden maken op de opvolging van Smith. Smith had immers tijdens zijn
leven meerdere, conflicterende uitspraken gedaan over wie hem zou moeten
opvolgen in het geval van zijn afwezigheid of zijn dood. Daarnaast was
de organisatie van de kerk in 1844 zo, dat een relatief grote groep
mannen een hoge positie had in de sterk hiërarchisch georganiseerde
kerk, waardoor zij met enig recht de opvolging van Smith konden claimen.
Dus, gegeven de aanname dat mensen uit zijn op macht, gegeven het feit
dat er binnen de mormoonse kerk een machtsvacuüm was ontstaan,
gegeven het grote aantal mogelijke opvolgers van Smith en gegeven het
feit dat er geen procedure bestond, waarbij de opvolging van Smith formeel
geregeld was,
Valt het te verwachten dat er in 1844 in Nauvoo, Illinois, binnen de
Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen een machtsstrijd
uitbreekt omtrent de opvolging van Joseph Smith, jr. (Hypothese 1)
Dit brengt me bij een volgende stap. De hoofdvraag van deze scriptie
is immers naar de vorming van schisma’s na de dood van Smith.
Als ik nu aanneem dat er een machtsstrijd was uitgebroken, kan ik dan
naar een mechanisme waardoor uit deze machtsstrijd schismatische groepering
voortkomen?
Ten eerste ga ik er vanuit dat wanneer de strijd om de macht gestreden
is, er een aantal verliezers zullen zijn. De vraag is dan of deze verliezers
hun claim tot leiderschap zullen neerleggen of dat zij zo van hun gelijk
overtuigd zijn dat zij de moederorganisatie zullen verlaten. Uitgaande
van de gedachten van Hirschmann, zullen deze verliezers een kosten-baten
analyse maken op basis waarvan zij besluiten om in de kerk te blijven
of niet. Daarnaast is het mogelijk dat de winnaar van de machtsstrijd
de aanwezigheid van één of meer verliezers als dusdanig
bedreigend ervaart voor zijn nieuwverworven machtspositie, dat hij de
verliezer(s) de toegang tot de organisatie verbiedt en hen (onder welk
voorwendsel dan ook) excommuniceert. Wanneer de verliezers besluiten
of gedwongen worden de kerk te verlaten, zullen zij kosten moeten maken
en om deze kosten terug te verdienen kunnen zij besluiten tot de oprichting
van een rivaliserende organisatie, mits deze stap kansen biedt op het
verwerven van beloningen en mits zij zich op het moment van excommunicatie
of uittreding reeds verzekerd weten van een aanhang die voldoende groot
is om de opzet van een rivaliserende organisatie aantrekkelijk te maken.
Het is waarschijnlijk dat deze verliezers, wanneer zij hun afscheiding
geformeerd hebben, hun handelingen voortdurend zullen blijven legitimeren
met verwijzing naar hun claim op het leiderschap. Als we nu eens specifiek
naar leiderschap kijken en ervan uitgaan dat leiderschap beloningen
oplevert, is het waarschijnlijk dat diegenen die de machtsstrijd verloren
hebben een nieuwe rivaliserende organisatie op zullen zetten, als zij
verwachten dat zij daardoor wél (een relatief groot deel van)
de beloningen kunnen verkrijgen die zij niet hebben verkregen of waartoe
hen de toegang werd ontzegd toen hun claim op het leiderschap van de
moederorganisatie werd geweigerd.
Andere verliezers zullen echter besluiten om nog in de organisatie te
blijven, ofwel omdat zij (nog) onvoldoende aanhang hebben verkregen
om uittreding en het opzetten van een rivaliserende organisatie rendabel
te maken ofwel omdat zij verwachten op termijn de beloningen die zij
wensen alsnog te verkrijgen binnen de moederorganisatie. Deze lieden
zullen dan binnen de moederorganisatie nog steeds proberen om de strijd
te verlengen. Maar, aangezien op een zeker moment de spanningen binnen
de moederorganisatie te hoog zullen oplopen om het voortbestaan van
een deviante leider en zijn volgelingen te rechtvaardigen binnen de
organisatie (anders gezegd: de kosten van een voortdurende machtsstrijd
worden te hoog, zowel voor de leiders van de moederorganisatie als voor
de deviante leider), zal ook de deviante leider, die belust is op macht
en een zekere aanhang heeft weten te werven, uittreden en een eigen,
rivaliserende groep opzetten. Hij zal zijn wegbreken van de kerk niet
meer uitsluitend legitimeren met een beroep op zijn eerdere opvolgingsclaim,
maar zal veeleer theologische of ideologische argumenten aanwenden om
zijn stappen te verantwoorden, aangezien zijn opvolgingsclaim minder
kracht heeft met het verstrijken van de tijd.
Zoals hierboven gesteld is er nog een additionele factor waarmee ik
rekening moet houden: het gedrag van de winnaar(s) van de machtsstrijd.
Wanneer de winnaar zijn nieuwe machtspositie inneemt zal hij rekening
moeten houden met de aanwezigheid van verliezers en hun aanhangers.
De winnaar zal in de initiële fase van leiderschap een strategie
moeten ontwikkelen, waarbij hij enerzijds zijn machtsbasis consolideert
en zo mogelijk versterkt en anderzijds het voortbestaan van de groepering
waaraan hij leiding geeft zal moeten garanderen. Wanneer een verliezer
van de machtsstrijd over een relatief grote aanhang kan beschikken en
wanneer de winnaar deze verliezer als een bedreiging voor zijn status
in de organisatie ervaart, kan de nieuwe leider ervoor kiezen de verliezer
zo spoedig mogelijk uit de groep te zetten, bijvoorbeeld door het middel
excommunicatie in te zetten of door de ‘oude’ machtspositie
van de verliezer dusdanig te reduceren dat lidmaatschap van de groepering
niet langer die beloningen biedt die het voorheen voor de verliezer
wel deed. Hiermee verstevigt de nieuwe leider zijn eigen positie en
ontdoet hij de organisatie van elementen die gevaarlijk kunnen zijn
voor de stabiliteit en het voortbestaan ervan.
In andere gevallen, namelijk wanneer de verliezer in kwestie een relatief
geringe aanhang heeft en een niet al te grote bedreiging vormt voor
de nieuwe leider, zal de winnaar van de machtsstrijd proberen deze verliezer
en zijn aanhang binnen boord te houden. De winnaar kan dit bijvoorbeeld
doen door de verliezer een positie binnen de groep aan te bieden, die
hoger was dan de positie die de verliezer voorheen innam. Zo houdt de
winnaar zijn groep tot op zekere hoogte bij elkaar en legt hij elementen
die mogelijk gevaarlijk zijn voor zijn positie (tenminste voor enige
tijd) het zwijgen op. Dit middel is echter slechts een pleister op de
wonde van de machtsstrijd, omdat met deze handelingen niet zozeer de
oorzaak voor de machtsstrijd wordt weggenomen, maar veeleer de gevolgen
zoveel mogelijk worden verzacht. Als de winnaar deze strategie kiest,
blijft er dus onderhuids een voedingsbodem binnen de groep bestaan voor
een machtsstrijd.
Hierbij dient opgemerkt te worden dat machtsstrijd op zichzelf niet
de enige aanleiding is voor de vorming van schismatische groeperingen.
Een schismaticus dient immers een aantal volgelingen aan te trekken,
wil hij succesvol weg kunnen breken van de moederorganisatie. Hierbij
zijn tenminste twee factoren van belang. Allereerst moet er een middel
zijn waarmee de schismaticus zijn beslissing om de moederorganisatie
te verlaten legitimeert. Zoals we in het schema van Roy Wallis hebben
gezien, is de geneigdheid tot schismavorming groter naarmate de legitimatiemiddelen
beschikbaar zijn voor meer dan één persoon. Daarnaast
moeten we er rekening mee houden dat, volgens Stark en Bainbridge, schisma’s
zich voordoen langs lijnen van sociale scheidingen. Deze uitspraak zegt
niets over de leider van een schismatische beweging, maar spreekt veeleer
over het segment van de religieuze organisatie zal moeten aanspreken
om zijn schisma succesvol te laten verlopen. Het ligt in de lijn der
verwachting dat de sociale scheidingen waaraan de schismaticus appelleert
reeds bestaan voordat het schisma zich vormt. Zoals hierboven gesteld,
kunnen deze sociale scheidingen allerlei vormen aannemen. Een andere,
additionele factor die overgang van cult naar schismatische groepering
vergemakkelijkt, is de verwachting dat lidmaatschap van het schisma
grotere beloningen zal opleveren. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat
iemand die in de organisatie van de cult tot de lagere echelons behoorde,
binnen een schismatische groepering snel kan stijgen in de rangen en
zo macht kan verwerven. Kort gezegd: wil een schisma succesvol zijn,
dan dient de leider van de beweging zijn claim voor leiderschap op zo’n
manier te legitimeren, dat hij volgelingen trekt uit bepaalde bestaande
groepen binnen de religieuze moederorganisatie en hen daarbij een grotere
kans biedt op beloningen dan voor die volgelingen binnen de cult bestaat.
Onderliggende gedachte hierbij is dat wanneer een religieuze organisatie
voldoende leden heeft, er sociale subgroepen ontstaan, die verschillende
belangen hebben en relatief onafhankelijke sociale netwerken vormen.
Stark en Bainbridge stellen dat mensen relaties aangaan en onderhouden
met uitwisselingspartners omdat dit hen voordeel oplevert, hetzij voor
de een of de ander, hetzij voor beiden. Omdat beloningen van uitwisselingspartners
met wie men al een langere relatie heeft gemakkelijker te verkrijgen
zijn dan beloningen van nieuwere uitwisselingspartners, ontwikkelen
zich relaties en zo ontstaan - via lijnen van het uitwisselen van beloningen
en kosten – sociale groepen. Dit is dan ook de basis voor de vorming
van conflicterende subgroepen binnen de moedergroepering, waardoor het
wegbreken van de schismatische groepering vergemakkelijkt wordt. Diegenen
dan die een schismaticus volgen, zullen de beloningen en compensatoren
die hun lidmaatschap van een subgroep oplevert, kunnen behouden.
Kijkend naar de specifieke situatie van het mormonendom in 1844, kan
ik stellen dat er legio lieden waren, die na de machtsstrijd als ‘verliezer’
betiteld konden worden. Daarnaast waren er legitimatiemiddelen voorhanden,
die door verliezers aangewend konden worden om de vorming van een schismatische
groepering te legitimeren. Hoewel dit nader uitgewerkt wordt in hoofdstuk
3, wijs ik hier reeds op de vele benoemingen die Smith had gedaan, de
machtsposities van de verliezers en een religieuze cultuur waarin openbaringen
regelmatig voorkwamen. Tenslotte waren er binnen de mormoonse kerk groeperingen
aanwezig die als subgroep gecategoriseerd kunnen worden. Hierbij valt
te denken aan anti-polygamisten, diegenen die geen toegang hadden tot
de religieuze elite rond Joseph Smith en diegenen die na de dood van
Smith niet bereid waren de grote tocht naar het westen te wagen, om
wat voor redenen dan ook.
Gegeven nu dat er verliezers zijn, gegeven de aanname dat mensen macht
willen, gegeven dat deze verliezers een aanhang hebben die voldoende
groot is en gegeven dat zij een min of meer legitieme claim hebben om
het leiderschap van de organisatie te verkrijgen, gegeven de veronderstelling
dat de winnaar van de machtsstrijd zich zo snel mogelijk zal ontdoen
van elementen die zijn positie en de interne samenhang van de organisatie
bedreigen, gegeven de afwezigheid van een procedure voor de opvolging
van Joseph Smith, gegeven de aanwezigheid en toegankelijkheid van legitimatiemiddelen
en gegeven de aanwezigheid van sociale scheidingen,
Valt het te verwachten dat kort na de dood van Joseph Smith, jr. er
binnen de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen
zich schisma’s zullen voordoen, welke gelegitimeerd zullen worden
met een beroep op opvolgingsclaims. (Hypothese 2a)
En vervolgens: Gegeven dat er verliezers zijn, gegeven de aanname dat
mensen macht willen, gegeven dat er verliezers zijn die op het moment
van de dood van de profeet onvoldoende te winnen hebben bij de vorming
van een schismatische organisatie, gegeven de veronderstelling dat de
winnaar van de machtsstrijd verliezers met een geringe aanhang, die
de minste bedreiging vormen voor zijn pas verworven leiderschap, zal
proberen binnen boord te houden, gegeven de afwezigheid van een procedure
voor de opvolging van Joseph Smith, gegeven de aanwezigheid en toegankelijkheid
van legitimatiemiddelen en gegeven de aanwezigheid van sociale scheidingen,
Valt het te verwachten dat er nog geruime tijd na dood van Joseph Smith,
jr. binnen de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste
Dagen zich interne machtsconflicten voordoen, die uiteindelijk zullen
leiden tot de vorming van schismatische groeperingen, welke gelegitimeerd
zullen worden met een beroep op theologische of ideologische argumenten.
(Hypothese 2b)
Een volgende relevante kwestie die ik zal bespreken is de aard die
schisma’s van een cult aannemen. De definitie van Stark en Bainbridge
volgend, zijn leden van cults in constante, relatief hoge spanning met
hun sociaal-culturele omgeving. Juist in deze spanning kunnen zij die
specifieke beloningen en compensatoren aanbieden, die cults aantrekkelijk
maken voor (potentiële) volgelingen/cliënten. Maar wat moet
ik verwachten dat er gebeurt met groepen die zich afscheiden van de
cults? Ik stel me voor dat deze groepen hun spanning met de sociaal-culturele
omgeving op twee verschillende manieren vorm kunnen geven. Enerzijds
is er de mogelijkheid tot spanningsreductie, anderzijds is er de mogelijkheid
tot spanningsverhoging. Eerst zal ik de spanningsreducerende schisma’s
behandelen, vervolgens de spanningsverhogende.
Gegeven het feit dat de spanning met de omgeving al hoog is, verwachten
we dat, wanneer ze zich voordoen, schisma’s van cults over het
algemeen zullen streven naar een lagere spanning met de sociaal-culturele
omgeving. Omdat zij in de cults blijkbaar niet langer de gewenste (mate
van) beloningen van hun lidmaatschap kunnen verkrijgen, sluiten volgelingen
zich aan bij een schismatische groepering. Door de spanningsreductie
verwachten zij beloningen te verkrijgen tegen geringere kosten. Omdat
Stark en Bainbridge in A Theory of Religion niet specifiek ingaan op
schisma’s uit cults, maar wel op spanningsverlagende bewegingen
binnen sekten (die ze church movement noemen), moet ik een nieuwe definitie
inbrengen. Wanneer ze spreken over het relatief zeldzame geval van een
church movement, brengen Stark en Bainbridge propositie 154 ten berde:
“If a substancial (sic) group of marginal members develops within
a sect, who have much to gain from reduced tension but who lack the
power to transform the sect, they will tend to form a schismatic church
movement.” Ik stel voor om propositie 154 omwille van het voorliggende
historische geval als volgt om te vormen: If a substantial group of
marginal members develops within a cult, who have much to gain from
reduced tension but who lack the power to transform the cult, they will
tend to form a schismatic accommodation movement.
Daarnaast is het waarschijnlijk dat wanneer deze accommodation movements
zich vormen, zij dit eveneens doen langs lijnen van sociale scheidingen.
Het idee van sociale scheiding en de daarbij behorende notie dat er
in elke religieuze organisatie sociale netwerken bestaan die relatief
onafhankelijk van elkaar opereren, doen beiden recht aan het idee dat
wanneer mensen zich aansluiten bij schismatische groeperingen ze dit
doen op zo’n manier dat de investeringen die zij hebben gedaan
door hun lidmaatschap van de cult, zoveel mogelijk behouden blijven.
Dit kan op meerdere manieren gebeuren, bijvoorbeeld door het blijven
vasthouden aan specifieke theologie noties binnen de accommodation movements
of het overgaan van hele families of vriendengroepen.
Het behoeft weinig betoog dat de spanning met de sociaal-culturele omgeving
hoog was voor de mormonen in 1844. Al jarenlang leden de mormonen onder
vervolging en tegenwerking van locale en staatsoverheden, hetgeen uiteindelijk
culmineerde in de dood van Joseph Smith, jr. De redenen voor de vervolgingen
waren niet alleen religieus gemotiveerd, maar ook polygamie, de creatie
van een zelfvoorzienend economisch systeem en een eigen wetgeving en
rechtspraak waren voldoende motivatie voor anderen om de mormonen te
vervolgen. Anderzijds was er binnen de kerk ook een duidelijk gevoel
van ‘anders zijn dan de anderen’, waardoor de leden weinig
contact hadden met de omliggende ‘wereld’.
Dus, gegeven dat er zich schisma’s voordoen binnen het mormonendom
in de periode 1844-1860 langs lijnen van sociale scheidingen, gegeven
de veronderstelling dat schisma’s van cults meer te winnen hebben
bij spanningsreductie dan bij spanningsverhoging, gegeven de veronderstelling
dat schismatische groeperingen zoveel mogelijk de voormalige investeringen
proberen te beschermen,
Valt het te verwachten dat, wanneer er zich groepen afscheiden van
de Kerk van de Heiligen van Jezus Christus van de Laatste Dagen na juni
1844, deze groepen het karakter hebben van een accommodation movement,
waarbij ze de investeringen die leden in de Kerk hebben gedaan tot op
zekere hoogte zullen veiligstellen. (Hypothese 3a)
Er moet echter ruimte worden gelaten voor een bijzonder soort schisma’s
– uit – cults. Voor sommige individuen kan de spanning met
de sociaal-culturele omgeving nooit hoog genoeg zijn; zij verwachten
uit een uitermate hoge spanning meer beloningen te halen. Volgens de
theorie van Stark en Bainbridge verwacht ik dat deze individuen voortkomen
uit de laagste echelons van de organisatie in termen van toegang tot
macht en hun sociaal-economische positie. Hierbij moet ik wel opmerken
dat het in het voorliggende historische geval om een kleine groep gaat;
immers, de hoge spanning met de omgeving binnen de mormoonse moederorganisatie
veronderstelt reeds dat de meerderheid van de leden van de kerk ten
opzichte van niet-mormonen relatief laag op de sociale ladder staat.
Als dan schisma’s zich voortdoen vanuit een cult die als impliciet
doel een verhoogde spanning met de sociaal-culturele omgeving hebben,
hebben we te maken met wat Stark en Bainbridge ‘sekten’
zouden noemen. Immers, deze groepering verlaten de moederorganisatie
om hogere spanning te bewerkstelligen, terwijl ze tegelijkertijd binnen
het theologische of ideologische discours van de moederorganisatie blijven.
Wel houd ik er rekening mee dat de term ‘sekte’ door Stark
en Bainbridge gereserveerd wordt voor schismatische groeperingen die
voortkomen uit wat zij ‘kerk’ noemen. Bij gebrek aan een
betere term, echter, houd ik het gebruik van ‘sekte’ aan
voor deze speciale gevallen.
Zo kom ik dan de laatste (deel)hypothese. Gegeven dat er zich schisma’s
voordoen binnen het mormonendom in de periode 1844-1860, gegeven dat
er een marginale groep binnen de Kerk was die verwachtte beloningen
te verkrijgen uit een zeer hoge spanning met de sociaal-culturele omgeving,
gegeven de veronderstelling dat schismatische groeperingen zoveel mogelijk
de voormalige investeringen proberen te beschermen,
Valt het te verwachten dat er zich groepen afscheiden van de Kerk van
Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen, die het karakter
aannemen van een sekte, waarbij ze de investeringen die leden in de
Kerk hebben gedaan tot op zekere hoogte zullen veiligstellen. (Hypothese
3b)
Als ik de hypothesen die in deze paragraaf geformuleerd zijn probeer
schematisch weer te geven, begint het dus met een machtsstrijd. Hieruit
komen verliezers en winnaars voort. De verliezers splitsen zich op in
twee groepen: zij die een schismatische beweging gaan leiden en die
een beroep doen op opvolgingsclaims en zij die binnen de groep blijven
of worden gehouden en die pas later in de tijd een schismatische groepering
zullen gaan vormen die gelegitimeerd wordt op basis van theologische
of ideologische argumenten. Tenslotte kunnen deze schismatische groeperingen
geplaatst worden op een continuüm, waarbij accommodation movement
de ene en sekte de andere pool vormt. Dit levert het volgende schema
op:
MACHTSSTRIJD
WINNAARS VERLIEZERS
BINNEN KERK SCHISMA’S
ACCOMMODATION MOVEMENT SEKTE
HOOFDSTUK 2: EEN HISTORISCHE SCHETS VAN HET MORMONENDOM (1805-1844)
Omgevingsfactoren bij het ontstaan van de Kerk van de Heiligen van
Jezus Christus van de Laatste Dagen.
Het oosten van de nog jonge republiek van de Verenigde Staten onderging
in de eerste drie decennia van de negentiende eeuw een transformatie
op religieus gebied. Verscheidene oude en nieuwe religieuze bewegingen
deden alles wat zij konden om nieuwe aanhangers te werven. In deze periode
deed zich een ware aardverschuiving voor op de Amerikaanse religieuze
kaart. De oudere, veelal met de sociaal-economische elite geassocieerde
religies van New England, zoals de Congregationalisten, Episcopalen
en Presbyterianen, verloren snel terrein ten opzichte van nieuwere bewegingen,
met name de Methodisten en Baptisten. Deze laatste denominatie bediende
zich van een tot dan toe ongebruikt medium voor haar wervingscampagnes,
de revival meeting. Figuren als Lyman Beecher en Charles Finney trokken
rond met een ‘show’ van dans, muziek en ander vertier en
wisten het volk op de frontier aan te spreken met hun preken, die erop
gericht waren het enthousiasme van de bevolking op te wekken en hen
zo tot het geloof te brengen. Bovendien introduceerden de Methodisten
het systeem van de rondtrekkende predikers, die ieder jaar een bepaalde
route reden en zo – vooral aan de frontier - meer mensen bereikten
dan de oudere denominaties hadden gedaan, die hun geestelijken een vaste
plaats lieten behouden. Deze golf van hernieuwd religieus geloof wordt
gewoonlijk in de literatuur aangeduid als de Second Great Awakening.
Finke en Stark gaan er echter van uit dat de notie van de Second Great
Awakening een fictief begrip is. Zij stellen dat het verschijnsel verklaard
kan worden door erop te wijzen dat de revival meetings goed georganiseerde,
vooraf geplande, door religieuze professionals bedachte gebeurtenissen
waren. William McLoughlin daarentegen ziet in de Second Great Awakening
een nieuwe fase in zijn schema van sociale onrust en natuurrampen, die
leiden tot een behoefte aan religieus geloof, hetgeen op zichzelf weer
leidt tot de opkomst van nieuwe, enthousiaste vormen van religie. Hoe
dit ook mag zijn, het religieuze enthousiasme leidde in de staat New
York tot zoveel revivals dat de term ‘Burned-over district’
gewoonlijk voor dit gebied in die tijd wordt gereserveerd.
Het waren echter niet alleen de upstart sects van de Methodisten en
de Baptisten die zich lieten gelden. Gedurende de periode 1800-1830
zag de jonge republiek tevens de opkomst van een aantal kleinere bewegingen,
die zich niet meer bedienden van de klassieke theologie, maar die in
hun geloofsleer innovatief bezig waren. Zo kwamen er een aantal communautaire
groepen zoals de Shakers en de Oneida-beweging zich vestigen in New
York, maar ook de ‘primitieve’ christelijke groeperingen
vonden aanhangers aan de frontier. Met leiders als Alexander Campbell
in New York en Pennsylvania en Barton Stone in Kentucky, wisten deze
groeperingen hun boodschap aan de man te brengen door te claimen dat
de gevestigde religieuze orde van hun tijd een corruptie was van het
ware christendom. Zij propageerden een ‘restauratie’ van
het christendom zoals het voorkwam in de tijd van de apostelen.
Bovendien traden er allerlei millennialistische bewegingen op de voorgrond.
De beroemdste hiervan is misschien wel die van William Miller, die met
zijn volgelingen in 1844 op een berg stond te wachten om door Christus
opgenomen te worden in de hemel. De dag kwam en ging zonder de wederkomst.
Daarnaast was het niet ongebruikelijk dat er zo nu en dan een profeet
opstond, die waarschuwde tegen de gevaren van de tijd en probeerde een
eigen koninkrijk te stichten. Het voorbeeld van de profeet Matthias,
die in zowel de stad als de staat New York optrad, dringt zich hier
op.
De mentaliteit aan de frontier wordt wel geduid als Jacksoniaans republicanisme.
De ideaaltypische man was hardwerkend, zelfvoorzienend, sprong voorzichtig
om met zijn geld, had een eigen stukje grond dat hij zelf bewerkte:
de typische yeoman farmer. Daarnaast was er een golf van democratisering
over het land gekomen, waardoor het individu gedacht werd autonomer
te zijn dan tot dan toe werd aangenomen. Bovendien deed zich een autoriteitscrisis
voor op volksniveau. Zowel de opkomst van de lagere strata van de bevolking
in de publieke sfeer (bijvoorbeeld door kranten en voluntaristische
organisaties) als de ontevredenheid van die strata met de gevestigde
religieuze, politieke en professionele orde, bereidden de weg voor revivals,
millennialisme, profeten, en – uiteindelijk – ook voor de
opkomst van Joseph Smith, jr.
Joseph Smith.
Joseph Smith, jr. werd geboren op 23 december 1805 in Sharon, Vermont,
als de zoon van Joseph Smith en Lucy Mack. Joseph, sr. was afkomstig
uit een congregationele familie die al vijf generaties in Massachusetts
verbleef. De familie Smith had in de loop van de jaren een aardig kapitaal
opgebouwd en had aanzienlijke politieke invloed. Ook de familie van
Lucy Mack was afkomstig uit New England, en ook haar familie stond relatief
hoog op de sociaal-economische ladder. Joseph Smith en Lucy Mack trouwden
in 1796 en probeerden een bestaan op te bouwen in Vermont. Het familiekapitaal
smolt echter als sneeuw voor de zon vanwege een aantal slechte investeringen
en mislukte oogsten. Smith, sr. zag zich gedwongen zijn vrouw en kinderen
in de periode tussen 1803 en 1816 maar liefst zeven keer te verhuizen
op zoek naar werk. ’s Zomers probeerde hij zich te verhuren als
landarbeider en ’s winters gaven hij en zijn vrouw les op frontier-scholen.
In 1816 verhuisde Smith naar de staat New York en vestigden zich in
de buurt van Palmyra. Hoewel het de familie lukte om in 1818 een stuk
land te kopen, leefden ze nog steeds in armoede, vooral omdat de beste
grond toen al vergeven was aan eerdere settlers.
Hoewel Palmyra meerdere religieuze groeperingen kende, werd Smith, sr.
nooit lid van een van hen, omdat hij (net als veel van zijn tijdgenoten)
primitivistische ideeën had, dat wil zeggen dat hij geloofde dat
de christelijke denominaties in zijn tijd ofwel lege omhulsels waren
ofwel de vijanden van ware kennis en dat de ware kerk opnieuw hersteld
zou moeten worden. Lucy en twee van haar zoons werden korte tijd presbyteriaans.
Toch konden de Smiths zich nooit vinden in een van de bestaande kerken.
Niettemin waren ze zeer religieus: iedere dag werd er gebeden en uit
de Bijbel gelezen. Bovendien, zo schijnt D. Michael Quinn te hebben
aangetoond, hielden vader en zoon Joseph Smith zich bezig met volksmagie.
Van Smith, jr. staat inmiddels onomstotelijk vast dat hij wichelroedes
en ‘ziener-stenen’ gebruikte om schatten te vinden.
In deze omgeving van religieus enthousiasme en frontier-armoede groeide
de jonge Joseph op. Hoewel hij op jonge leeftijd interesse had getoond
in religieus geloof en dan vooral in het methodisme, werd hij nooit
lid van een kerk. In de war geraakt door de vele religieuze opties die
voor hem openstonden, vroeg hij in 1820 in een gebed aan God vroeg bij
welke kerk hij zich moest aansluiten. In een visioen zag Joseph toen
zowel God als Jezus, en Smith zei hierover: “I was answered that
I must join none of them, for they were all wrong, and the personage
who addressed me said that all their creeds were an abomination in his
sight.” Enkele jaren later, in 1823, werd Smith ’s nachts
drie keer bezocht door een engel, die zichzelf Moroni noemde. Deze deelde
Smith mee dat God hem had uitverkoren om belangrijk werk te doen en
dat er twee gouden platen bestonden die samen het ware evangelie bevatten.
Het duurde nog tot 1827 voordat Joseph Smith de platen vond in een heuvel
genaamd Cumorah, vlakbij Palmyra. Samen met zijn vrouw Emma vertrok
hij vervolgens naar Pennsylvania, waar hij onderdak vond bij Martin
Harris. Samen met Oliver Cowdery, een bekeerling die fungeerde als Smiths
secretaris, vertaalde Smith de gouden platen en in 1830 verscheen dan
eindelijk het Boek van Mormon.
De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen, 1830
– 1839.
Op 6 april 1830 werd in het huis van Peter Whitmer in Fayette, New
York de ‘Church of Christ’ opgericht, in het bijzijn van
Joseph Smith, jr., Samuel Smith, Oliver Cowdery, Peter Whitmer en David
Whitmer. Joseph Smith en Cowdery, die elkaar een jaar eerder na een
visioen gedoopt hadden tot priester in de Aaronische orde, werden de
ouderlingen van de kerk. Later werd de kerk omgedoopt tot ‘Church
of Latter-day Saints’ en tenslotte, in 1838, werd de naam ‘Church
of Jesus Christ of Latter-day Saints’.
Eén van de noties in het Boek van Mormon is dat de indianen de
afstammelingen zijn van een zoon van Lehi, een Israëliet die in
600 voor Christus de oceaan overstak en in Amerika terecht kwam. Deze
indianen, hoewel ze zich van God hadden afgekeerd en daarvoor gestraft
waren met een donkere huid, moesten volgens de vroege mormoonse leer
tot het ware geloof worden gebracht en daarom gaf Joseph Smith in het
najaar van 1830 opdracht tot een missie naar de indianen. Op hun tocht
ontmoetten de vier missionarissen in Kirtland, Ohio de predikant Sidney
Rigdon. Rigdon, die zich recent met zijn gemeente had afgesplitst van
de door Alexander Campbell geleide Disciples of Christ, bekeerde zich
tot het mormonendom en nam ongeveer honderd van zijn volgelingen met
zich mee. Overigens werd Rigdon in 1833 lid van de First Presidency,
het leidende orgaan van de kerk dat bestond uit de president (Smith)
en twee counselors (Cowdery en Rigdon). Toen Smith en de overige mormonen
vanuit New York op zoek gingen naar een plaats om zich te vestigen,
waren ze al snel van mening dat Kirtland de juiste plek was. Kirtland
zou tot aan 1837 de centrale plaats zijn van de jonge kerk. De kerk
groeide in deze periode nog niet zo snel als later het geval zou zijn.
Stark rapporteert dat er na de oprichting van de kerk met zes leden
er in september 1830 62 leden waren. Na de bekering van Rigdon kwam
dit aantal op meer dan honderd. In de zomer van 1835 telde de kerk zo’n
tweeduizend leden.
In 1832 richtten de Mormonen een tweede centrum op, in Independence
in Jackson County, Missouri, alwaar volgens een openbaring van Joseph
Smith het nieuwe koninkrijk van God, Zion, gestalte zou krijgen. Rond
deze tijd begonnen ook de eerste pesterijen en vervolgingen. In maart
1832 werden Smith en Rigdon terwijl ze lagen te slapen aangevallen door
een bende woedende mannen die de twee besmeurden met teer. Beiden overleefden
het incident, maar de toon was daarmee wel gezet. Maar waarin lag de
reden voor de vervolgingen?
Arrington en Bitton geven een aantal redenen voor het feit dat de Mormonen
blijkbaar zoveel vijandigheid aantrokken. Allereerst was het de perceptie
van sommigen dat de theologische noties van de Mormonen de traditionele
waarden in gevaar bracht. Beschuldigingen van on-Amerikaans denken waren
in het republikeins denkende Amerika voldoende reden voor burgers om
erop los te slaan. Bovendien werden specifiek mormoonse ideeën
zoals de imminente wederkomst van Christus en voortdurende openbaring
opgevat als bedreigingen voor de gevestigde religieuze orde. Ten tweede
werden de Mormonen in Missouri beschuldigd van het opruien van de indianen.
Ook werden de Mormonen ervan verdacht asiel te hebben verleend aan weggelopen
slaven. De grootste problemen echter deden zich voor op andere gebieden.
In zowel Ohio als Missouri en later Illinois werden de Mormonen door
zakenlieden gezien als een bedreiging voor de locale economie. Dit is
niet onlogisch aangezien Smith in 1831 in Ohio de United Order of Enoch
had ingesteld, een economisch systeem waarbij bezit gemeenschappelijk
werd gemaakt en onder beheer van de top van de kerk werd gesteld. Daarbij
kwam nog, dat de Mormonen grote stukken land opkochten en die onder
leden verdeelden. Naast een economische bedreiging, vormden de Mormonen
ook een politieke bedreiging. Omdat alle Mormonen bij verkiezingen allemaal
hetzelfde stemden, waren ze in bepaalde gebieden een machtsfactor geworden,
die verkiezingen kon maken en breken. Een volgend facet waardoor de
Mormonen als bedreigend werden ervaren is een religieus facet. De oudere
denominaties hadden grote problemen met hun kerken in het westen. Er
waren weinig leden en bekeringen vonden nauwelijks plaats. En plotseling
verscheen daar bijna uit het niets een grote groep leden van een nieuwe
kerk, die groeide als kool, goed georganiseerd was en vol enthousiasme
aan de toekomst werkte. Tenslotte werden de Mormonen beschuldigd van
diverse misdaden, zoals diefstal, chantage en zelfs moord.
Ondanks de problemen met niet-mormonen lukte het de volgelingen van
Smith om in 1836 de tempel in Kirtland af te bouwen. Een tempel in het
mormonendom is dé centrale liturgische plaats, waar gedoopt word
en huwelijken worden gesloten middels voor buitenstaanders geheime rituelen.
In november van dat jaar hadden de mormonen in Kirtland een bank opgezet,
de Kirtland Safe Society anti-Banking Company. Toen deze begin 1837
op de fles ging en de mormoonse leiders een schuld hadden van $150.000
bij niet-mormonen, zagen zij zich genoodzaakt te vertrekken uit Kirtland.
Ook in Independence, Missouri ging het mis voor de mormonen. Ook in
deze stad in Jackson County probeerde Smith een United Order op te zetten.
De niet-mormoonse inwoners van Missouri vreesden de macht van de kerk,
die in Independence al op zo’n 1200 leden kon rekenenen. Toen
het geweld uitbrak, adviseerde Smith zijn volgelingen slechts passief
verzet te gebruiken. Hoewel de gouverneur de mormonen steunde, werd
de grootste groep mormonen in november 1833 de stad uitgedreven. Voor
Smith en de zijnen was dit een geweldige tegenslag, immers: in Independence
zouden de heiligen zich verzamelen en leven in het nieuwe Jeruzalem.
De mormonen uit Independence vertrokken naar het noorden van Missouri,
eerst naar Clay County en later Ray County, waar ze een groot stuk land
verwierven.
Na Kirtland en na Independence moesten de mormonen opnieuw beginnen.
Van de overheid in Missouri kregen ze toestemming om Caldwell County
te organiseren. Het hoofdkwartier van de county én van de kerk
kwam terecht in Far West, Missouri. De stad groeide snel, enerzijds
door de komst van mormonen uit Kirtland en anderzijds door de instroom
van bekeerlingen uit Engeland. Maar ook hier was er sprake van anti-mormoonse
sentimenten. De mormonen, door schade en schande wijs geworden, hadden
inmiddels zelf een geheim leger ingesteld. In augustus 1838 ging het
mis en er braken schermutselingen uit. De gouverneur reageerde furieus
en zond de militie erop af. Het resultaat was een moordpartij bij Haun’s
Mill. En wederom wisten de mormonen dat ze zich moesten verplaatsen.
De volgende halte zou liggen in Nauvoo, Illinois.
De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen, 1839-1844.
In de winter van 1838-1839 trokken de duizenden mormonen over de Mississippi
richting Quincy, Illinois en omgeving. De profeet Joseph Smith zat nog
in de gevangenis in Missouri vanwege een beschuldiging van verraad.
Nalatigheid en misschien sympathie van de gevangenisbewaarders leidden
ertoe dat Smith in de lente kon ontsnappen en niet veel later voegde
hij zich bij zijn volgelingen. De nog jonge staat Illinois was dunbevolkt
en de weinige settlers die er woonden ontvingen de mormonen met open
armen. Na de aankoop van een groot stuk land stichtte Smith weer een
nieuwe stad, aan de boorden van de Mississippi, genaamd Nauvoo, wat
volgens de profeet Hebreeuws was voor ‘mooie rustplaats’.
Hij noemde Nauvoo het nieuwe Jeruzalem, Zion, de plaats waar de heiligen
in de laatste dagen zouden samenkomen. In de jaren 1839 en 1840 hadden
de heiligen veel te lijden onder het natte land en het slechte weer.
Ziekten als malaria, tyfus en dysenterie kostten velen het leven, waaronder
de vader en een broer van de profeet. Niettemin kregen de mormonen het
voor elkaar een bloeiende stad te stichten. Arrington en Bitton schrijven
dat er naast de bouw van een grote tempel ook een hotel was en houtzagerijen,
een bloemfabriek, een gereedschapsfabriek, een metaalgieterij en een
porseleinfabriek.
Ook getalsmatig ging het de kerk voor de wind. Stark stelt dat het aantal
inwoners van Nauvoo begin 1839 rond de vijfduizend lag. In 1844, zo
schatten Arrington en Bitton, was de bevolking verdubbeld tot tienduizend,
waarmee Nauvoo de op een na grootste stad van Illinois was geworden,
na Chicago. De verklaring voor de groei van het inwoneraantal is tweeledig.
Enerzijds wisten de mormonen een groot aantal Amerikanen te bekeren
en naar Nauvoo te laten komen. Anderzijds begint rond 1839 de immigratie
goed op gang te komen. Reeds in 1837 waren er al mormoonse missionarissen
naar Engeland gestuurd en zij bekeerden daar 1.400 mensen. Een intensievere
missie, met mormoonse grootheden als Brigham Young, Heber C. Kimball
en Parley Pratt, vertrok in 1839 en vond een gewillig oor aan de westkust
van Engeland, met name bij voormalige methodisten in Liverpool en Manchester
en omgeving. Aangezien het voor de mormoonse theologie noodzakelijk
was voor de heiligen om zich te verzamelen in Zion, werd de bekeerlingen
verzocht om naar Nauvoo te trekken. Volgens Ostling en Ostling waren
er in het midden van 1844 reeds 5.000 Britse mormonen naar Nauvoo geëmigreerd.
Arrington en Bitton stellen dat er in 1841 meerdere duizenden mormonen
waren in Groot-Brittannië. Bovendien hadden zich in de periode
1830-1844 volgens hen zo’n 35.000 mensen zich aangesloten bij
de kerk.
Met de tegenstand van de New York-, Ohio- en Missouri-perioden in het
achterhoofd, vroegen de mormonen een charter aan voor de stad Nauvoo.
In december 1840 verkregen ze dit document, dat in feite betekende dat
Nauvoo en omgeving een mormoonse stadstaat konden worden. De stadsraad
kreeg de macht om de stad te besturen en bovendien werden de leden van
die raad aangesteld als rechters. Daarnaast kreeg Nauvoo ook haar eigen
leger, het Nauvoo Legion, waarvan Smith luitenant-generaal werd. Ook
werd er een universiteit opgericht, maar volgens O’Dea vroeg dit
teveel van de economische en intellectuele mogelijkheden van de stad.
Een ander opvallend kenmerk van het bestuur van Nauvoo was dat alle
hogere functies die normaal tot de publieke sector behoorden, allemaal
werden bezet door autoriteiten van de kerk, de president (Joseph Smith,
de counselors (Sidney Rigdon en William Law) en leden van het Quorum
van de Twaalf. De scheiding tussen kerk en staat, zoals geponeerd in
de grondwet van de Verenigde Staten, werd door de mormonen zo goed als
opgeheven, hoewel religieuze minderheden getolereerd werden.
In Nauvoo deden zich in de kringen rond de profeet een aantal ontwikkelingen
voor, die de toekomst van de kerk voor altijd zouden tekenen. Hoewel
er al eerder, in Missouri, geruchten waren geweest dat de top van de
mormoonse hiërarchie zich bezig zou houden met polygamie, kwamen
deze praktijken in Nauvoo pas duidelijk naar voren. Dit is opvallend
laat, gezien het feit dat Smith reeds in 1831 in Jackson County, Missouri
groen licht gaf voor het huwen van Indiaanse vrouwen. Gedurende meer
dan tien jaar ontkende Smith publiekelijk dat polygamie de wens van
God was. In de directe kring rondom zijn persoon echter was het niet
ongebruikelijk dat de mannen er vrouwen bij namen. Dit gebeurde met
medeweten en toestemming van Smith, die polygamie later “the most
holy and important doctrine ever revealed to man on earth” noemde.
De polygamische praktijken in de kerk werden gerechtvaardigd door een
veranderend concept van het huwelijk. In antwoord op een vraag van zijn
broer aangaande de staat van verlossing van zijn overleden eerste vrouw,
introduceerde Smith in 1843 het idee van een ‘hemels huwelijk’.
Hij bedoelde daarmee dat een man en een vrouw aan elkaar verbonden konden
worden, niet alleen voor de tijd op aarde, maar ook voor de eeuwigheid.
Zo zouden man en vrouw ook na dit leven in het hemelse koninkrijk samen
kunnen zijn. Bovendien veranderde het beeld van de verlossing. Smith
openbaarde dat diegenen die onder de nieuwe wet van de polygamie kwamen
te leven, de heersers zouden zijn in de hemel. Verbonden zijn aan iemand
uit de top van hiërarchie (zelfs in een polygamisch huwelijk) werd
zo voor vrouwen een ‘sure ticket to heaven’.
Binnen de groep van mormoonse leiders bleek het onderwerp polygamie
een onderwerp te zijn dat tweespalt bracht. Verscheidene prominente
mormonen ontkenden de praktijken simpelweg; anderen deden hun best om
ze te verbergen. Anderen echter geloofden in het goddelijke gebod en
participeerden in de nieuwe praktijk.
Terwijl polygamie zich binnen het mormonendom zelf afspeelde, groeide
de weerstand van de niet-mormonen in Illinois tegen de mormonen. Geruchten
over polygamie deden de ronde, mede door een aantal artikelen van John
C. Bennett (die later in deze scriptie nog aan bod komt) en door het
verschijnen van de Nauvoo Expositor, de krant van anti-polygamistische
mormonen. Met name de Expositor was een doorn in het oog van Joseph
Smith en in juni 1844 werd de drukpers op zijn bevel vernietigd en alle
exemplaren van de krant in brand gestoken. Deze actie wekte de toorn
van gouverneur Ford van Illinois, die Smith beval zich onmiddellijk
over te leveren aan de wereldlijke autoriteiten. Hoewel Smith enige
tijd speelde met het idee om te ontsnappen, leverde hij zichzelf uiteindelijk
uit. Hij werd gevangen gezet in de gevangenis van Carthage, Illinois
samen met zijn broer Hyrum en de apostelen John Taylor en Willard Richards.
In de middaguren van 27 juni 1844, terwijl de vier zaten te praten,
werd de gevangenis bestormd door een groep van ongeveer 150 mannen,
die hun gezichten zwart hadden gemaakt. Onder hen bevonden zich leden
van de militie van Warsaw, Illinois. Ze stormden de trap op en toen
ze deur niet konden openen, vuurden ze erdoor en doodden Hyrum Smith.
Joseph Smith beantwoordde het vuur, maar wilde uiteindelijk –
gezien de hachelijke toestand – uit het raam springen. In het
raam staand werd hij twee maal van achteren geraakt en een maal van
voren. De profeet stierf, 38 jaar oud.
De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen , 1844-1860.
Na de dood van de profeet en oprichter van de kerk werd na een interne
machtsstrijd, waarop we in het volgende hoofdstuk uitgebreid zullen
terugkomen, het leiderschap van de kerk overgenomen door het Quorum
van de Twaalf Apostelen, met Brigham Young aan het hoofd. De belangrijkste
aandachtspunten van het beleid van Young in Nauvoo waren de voortzetting
van het missionaire werk in het oosten van de V.S., het voltooien van
de bouw van de tempel in Nauvoo en het verstevigen van de interne structuur
van de kerk. Maar al snel begonnen de vervolgingen weer: in de herfst
van 1844 werden enkele huizen van mormonen geplunderd en in januari
1845 werd het charter van Nauvoo ingetrokken. In het najaar van 1845
was het de mormoonse leiders duidelijk geworden dat ze Nauvoo zouden
moeten verlaten.
Joseph Smith had in de laatste jaren van zijn leven al opdracht gegeven
tot het onderzoeken van mogelijke nieuwe vestigingsplaatsen voor zijn
volgelingen. Zo was James Strang naar Voree, Wisconsin gestuurd om daar
een settlement op te zetten en Lyman Wight onderzocht de mogelijkheden
in Texas. Andere mogelijke vestigingsplaatsen waren Oregon en California.
De mormoonse leiders besloten uiteindelijk tot een massale verhuizing
van de gelovigen naar de Salt Lake Valley, vanwege de geografische afstand
tot de Amerikaanse overheden en vanwege de relatieve onaantrekkelijkheid
van het gebied voor andere settlers. In de winter van 1846 trokken de
eerste mormonen over de bevroren Mississippi en in de maand juni van
dat jaar waren zo’n 16.000 mormonen onderweg naar het westen.
Langs de route, die later de ‘Mormon Trail’ genoemd zou
worden, richtten de mormonen verschillende steden op, die dienden als
rustplaats voor de reizigers, zoals Sugar Creek, Iowa en Winter Quarters.
De tocht vorderde langzaam: pas op 7 april 1847 vertrok het eerste contingent
mormonen uit Iowa in de richting van het Salt Lake. Op 24 juli bereikte
Brigham Young de vallei en wees deze plaats aan als de juiste. Vanaf
dat moment druppelden de mormonen groepsgewijs binnen, na een lange
en moeizame reis. Niet alleen uit het Midwesten, maar ook van overzees
(vanaf 1852) kwamen mormonen naar Salt Lake City, velen met financiële
hulp van het door de kerk opgezette ‘Perpetual Emigration Fund’.
In 1850 werd het territorium ‘Deseret’ opgericht (naar een
woord uit het boek van Mormon dat ‘honingbij’ betekent)
en Brigham Young werd aangesteld als gouverneur.
De periode van 1850 tot 1860 kenmerkte zich door pogingen van het nieuwe
mormoonse leiderschap om zoveel mogelijk van de heiligen te verzamelen
in de regio rond het Zoutmeer. Vele duizenden maakten de zware reis
westwaarts en, als ze de tocht overleefden, vestigden zich in en om
Salt Lake City. Een minderheid bleef echter achter in het Midwesten,
hetzij omdat ze niet langer het leiderschap van het Quorum van de Twaalf
accepteerden, hetzij omdat ze om pragmatische redenen, zoals geldgebrek,
ziekte en ouderdom, niet in staat waren om de tocht te volbrengen.
De Amerikaanse overheid liet de mormonen echter niet met rust. Bang
voor een mormoonse theocratische staat aan de rand van het grondgebied
van de natie en bezorgd dat de mormonen de economische voortgang van
de V.S. zouden belemmeren, begonnen republikeinen met een campagne die
president James Buchanan moest overreden om de twin relics of barbarism
(te weten: slavernij en polygamie) in het territorium Deseret uit te
roeien. Brigham Young reageerde toen hij hoorde van de in aantocht zijnde
federale troepen door het merendeel van de mormonen tijdelijk weg te
halen uit Salt Lake City. Het leger nam in 1857 de stad en omgeving
in en zorgde ervoor dat een niet-mormoonse gouverneur zijn plaats kon
innemen. Kort daarna kwamen Young en zijn volgelingen weer terug in
de stad. In 1859 verlieten de meeste troepen Deseret weer om te vechten
in de Burgeroorlog en er brak een relatief rustige periode aan voor
de mormonen.
De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen (1830-1860):
theologische ontwikkelingen, hiërarchische structuur en typering
als cult.
Theologie (1830-1844).
De leer van de mormoonse kerk in de eerste dertig jaar van haar bestaan
was gebaseerd op een viertal ‘heilige’ boeken. Allereerst
was er natuurlijk het Boek van Mormon, de vertaling van de gouden platen
die Joseph Smith in 1827 gevonden had bij de berg Cumorah nabij Palmyra,
New York. Voorts hielden de mormonen vast aan het gebruik van de Bijbel
en wel in de vertaling van Joseph Smith zelf. Daarnaast waren er nog
twee mormoonse werken, de Doctrine and Covenants en de Pearl of Great
Price. De eerste van die twee bevatte de openbaringen zoals die gedaan
werden aan Joseph Smith en (later) enkele van zijn opvolgers. Nog steeds
is Doctrine and Covenants een boek dat altijd ‘onaf’ is,
omdat mormoonse leiders geloven in voortdurende openbaring, dat willen
zeggen: het is altijd mogelijk dat er openbaringen toe worden gevoegd
aan D&C. De Pearl of Great Price is een verzameling van verschillende
stukken van de hand van Smith, die de status van ‘schrift’
hebben verworven onder de mormonen. In de Pearl of Great Price is onder
andere het Boek van Abraham opgenomen: Smiths vertaling, voor het eerst
gepubliceerd in 1842, van vier Egyptische papyrusrollen die hij in 1833
gekocht had van ene Michael Chandler.
Hoewel er vele wetenschappers zijn die hebben aangetoond in hoeverre
het belangrijkste Mormoonse geschrift, het Boek van Mormon, het resultaat
is van de bewerking van bestaand materiaal en dat het boek goed aansloot
bij de Zeitgeist in de V.S. rond 1830, is het op deze plaats interessanter
om kort te kijken naar enkele theologische noties die zich vanaf de
oprichting van de kerk in 1830 tot aan de dood van de profeet in 1844
ontwikkelden tot een theologisch systeem. Het Boek van Mormon is in
eerste instantie het verhaal van de Hebreeuwse stam van Lehi, een afstammeling
van Jozef, die in oudtestamentische tijden naar het Amerikaanse continent
vertrok. De zonen van Lehi raakten met elkaar in conflict en er ontstonden
twee groepen, de Nephieten, oftewel de afstammelingen van de goede zoon
van Lehi, en de Lamanieten, de afstammelingen van Lehi’s slechte
zoon, die door God gestraft werden voor hun afvalligheid met een donkere
huidskleur. De mormonen zien zichzelf als de afstammelingen van de Nephieten.
Volgens O’Dea is het centrale thema van het boek van Mormon een
combinatie van het laat-calvinistische idee dat het leiden van een ethisch
correct leven leidt tot voorspoed in de wereld én de oproep tot
nederigheid en boetedoening zoals die gevonden kon worden in het ‘enthousiaste’
christendom van de Second Great Awakening. Het gaat daarbij om een cyclische
beweging waarin de mens gevangen zit. De mens is in wezen deugdzaam
en doet het goede en verzamelt zo met Gods hulp rijkdom. Dit leidt tot
hoogmoed, arrogantie, zonde en ongelijkheid, waarna de mens zich genoodzaakt
weet boete te doen en spiritueel weer op het rechte pad te komen. Vervolgens
wordt de mens weer deugdzaam en rechtvaardig en begint de cyclus van
voren af aan, totdat God uiteindelijk ingrijpt en het einde der tijden
inzet. Niettemin is Het Boek van Mormon sterk arminiaans van inslag:
God zal de mens oordelen naar zijn werken. Hij is bij machte om de genade
van God te verdienen op basis van zijn activiteit in de wereld.
Maar daarmee is niet alles gezegd over het mormoonse mensbeeld. De mormoonse
theologie gaat ervan uit dat mensen een drievoudige aard hebben. Eerst
is daar ‘eeuwigdurende intelligentie’; een niet-fysieke
staat van zijn die al van eeuwigheid bestaat en die niet door God geschapen
is. De mens is dus in essentie onafhankelijk van God in deze staat.
Vervolgens worden mensen voorzien van een ‘spirit body’,
dat wordt gegeven door een Hemelse Vader en Moeder. In deze periode
leeft de mens gedurende enige tijd in een staat van preëxistentie
in een niet-fysiek lichaam. Met de geboorte komt de mens dan te wonen
in ‘fysiek lichaam’, dat gegeven is door twee wereldse ouders.
Het doel van fysiek lichaam is de mens sterfelijk te maken, zodat hij
kan leren wat hij moet doen om goddelijkheid te bereiken en gelijk te
worden aan de hemelse ouders. Deze notie is opvallend, omdat ze de belofte
aan de mens inhoudt, dat deze goddelijk of godgelijk kan worden. Dit
is de belangrijkste fase in een mensenleven, omdat hier de mens moet
kiezen tussen goed en kwaad en zo een plek moet zien veilig te stellen
in het hiernamaals. Mormonen zien het aardse bestaan dan ook niet als
een tranendal, maar als een plaats waarin de mens de kans heeft zijn
zaligheid te verdienen, zonder dwang van God of mensen.
De rol van Jezus in de mormoonse theologie niets meer en niets minder
dan een soteriologische. Mormonen geloofden dat Jezus aan het kruis
gestorven was om de mensheid van de zonde en de dood te verlossen. Maar
om van het werk van Jezus en het daaruit voortvloeiende heil voor allen
te kunnen profiteren moet de mens boete doen en goede werken verrichten.
Pas dan worden het fysieke en het spirituele lichaam weer herenigd en
zal de mens als god en met God leven.
Niet alleen de hereniging met God is van belang voor de mormoonse mens.
Ook het veiligstellen van een verblijf in de hemel met geliefden is
een doel. Dit is dan ook de theologische rechtvaardiging voor de polygamie;
het idee was dat, wanneer mensen ‘sealed together’ waren,
zij in de hemelse toestand ook getrouwd zouden zijn. Daarom huwden mormoonse
mannen meerdere vrouwen en stelde zo voor beiden een gelukkig hemels
leven veilig.
De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen was
in de vroegste periode een restaurationistische beweging. Het doel was
om de primitieve, vroegste christelijke kerk opnieuw op te richten,
om zo te voldoen aan Gods geboden. Dit streven is niet alleen terug
te vinden in de hiërarchische structuur van de kerk, maar ook de
sterk collectivitische inslag. Meerdere malen heeft Smith geprobeerd
om een min of meer communistisch systeem op te zetten, waarbij iedereen
zijn of haar kapitaal aan de lokale kerkelijke autoriteiten schonk en
waaruit eenieder gevoed, gehuisvest en gekleed werd.
Een andere theologische trend binnen de kerk (de term ‘laatste
dagen’ zegt het al) was een millennialistisch wereldbeeld. Reeds
in het eerste visioen dat Joseph Smith ontving is dit motief al duidelijk:
de door Smith te stichten gemeenschap zou regeren in het duizendjarige
rijk Gods. Van Beek onderscheidt vijf specifieke mormoonse kenmerken
aan het millennialistische motief. Ten eerste draait het om Amerika
als plaats waar God de gelovigen zal laten verzamelen en waar de wederkomst
zal plaatsvinden. Voorts is het mormoonse millennialisme verbonden met
de notie dat de heiligen Gods Rijk moeten voorbereiden door een theocratisch
bestuurd gebied in te richten. Bovendien moeten op die plek vanuit alle
hoeken van de aarde de heiligen zich verzamelen, om zo de straffen van
God aan de aarde te kunnen ontlopen. Tevens moet dit koninkrijk ingericht
worden volgens de regels van de United Order, het communautaire samenleven,
zoals hierboven besproken is.
Tenslotte, en tegelijk het meest in het oog springende, is de rol die
de polygamie speelde in het mormoonse millennialisme. Van Beek schrijft:
“In de cruciale openbaring … was het celestiale huwelijk,
impliciet het ‘meervoudige huwelijk’, een voorwaarde voor
verhoging in het koninkrijk. … [Het] ‘nieuw en eeuwigdurend
huwelijksverbond’ werd gezien als een vervulling van een oude
profetie, als deel van de ‘herstelling van alle dingen’
en als een noodzakelijke voorbereiding op de komst van Christus.”
Het is moeilijk vast te stellen wanneer de theologische rechtvaardiging
voor meervoudige huwelijken begonnen is. Volgens W.W. Phelps, die in
1861 een aantal brieven uit 1831 publiceerde, had de profeet toen al
geopenbaard dat mormoonse mannen in de toekomst Lamanitische vrouwen
tot zich zouden moeten nemen, naar het voorbeeld van Abraham en Jacob.
Reeds in 1835 is er dan al sprake van ‘hemelse huwelijken’,
maar het zou tot 1841 duren voordat Smith de eerste polygamistische
huwelijksceremonie zou uitvoeren. De profeet zelf huwde toen Louisa
Beaman.
De Mormoonse Hiërarchie (1830-1860).
De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen is gedurende
haar hele geschiedenis sterk hiërarchisch georganiseerd geweest
en werd gekenmerkt door een manier van besturen die ‘top-down’
genoemd kan worden. Bovendien was er aan de top van de hiërarchie
ruimte voor een redelijk groot aantal mannen om in korte tijd een relatief
hoge positie te bereiken.
Hoewel Joseph Smith vanaf 1830 al leider was van de mormoonse beweging,
ging hij pas in 1832 over tot het organiseren van een hiërarchische
structuur. In dat jaar benoemde hij zichzelf tot president van de kerk
en stelde een eerste en een tweede counselor aan, respectievelijk Jesse
Gausse en Sidney Rigdon. Gedrieën vormden zij de eerste First Presidency
van de Kerk.
In 1835 breidde Smith de hiërarchie uit middels de oprichting van
het Quorum van de Twaalf Apostelen, dat in rangorde direct onder de
First Presidency staat. De eerste taak van het Quorum, dat vanaf de
oprichting onder leiding stond van Brigham Young, was het verhuizen
van de heiligen van Missouri naar het gebied rond Quincy, Illinois.
Voorts hielden de leden van het Quorum van de Twaalf zich bezig met
het interne beleid en functioneerden ze als missionarissen in het oosten
van de V.S. Na 1844 namen de Twaalf de macht van de kerk over en organiseerden
de exodus naar wat later Utah zou worden. Daarnaast werd onder de leiding
van Brigham Young de overzeese missie serieus aangepakt; met name in
Engeland en Scandinavië functioneerden leden van het Quorum als
missionarissen voor de kerk, waarbij ze nieuwe bekeerlingen veelvuldig
probeerden te bewegen naar Amerika te emigreren. Gezamenlijk vormden
de First Presidency en het Quorum van de Twaalf Apostelen het dagelijks
bestuur van de Kerk. Voor beide organen gold dat wanneer iemand geroepen
wordt tot het ambt, dit een aanstelling voor het leven is. Inmiddels
is het zo dat een nieuwe president gekozen wordt door de twaalf apostelen,
waarbij het gebruikelijk is dat het langstzittende lid van het Quorum
de enige kandidaat is.
Onder het Quorum van de Twaalf Apostelen stonden een aantal regionale
besturen. Deze hadden weinig tot geen invloed op de top van de hiërarchie
maar functioneerden min of meer als doorgeefluik voor bevelen en verordeningen.
Daarnaast waren ze verantwoordelijk voor de dagelijkse leiding van (bijvoorbeeld)
een gemeente, een groep van gemeenten of een regio. Gewoonlijk bestonden
deze besturen uit drie personen, te weten een voorzitter en twee raadslieden,
naar het voorbeeld van de First Presidency.
Tenslotte vond in maart 1844 te Nauvoo de oprichting plaats van de Council
of Fifty. Hoewel de precieze aanleiding voor de oprichting van de Council
onduidelijk is, kreeg deze groep mannen, die allen persoonlijk geroepen
werden door Joseph Smith, de taak om te functioneren als schaduwregering
van Nauvoo en de theocratie te bewaren. Dit is merkwaardig, omdat Nauvoo
reeds een theocratisch bestuurde stadstaat was: alle lokale autoriteiten
van enig gewicht waren hooggeplaatste mormonen. Bovendien is de importantie
van de Council of Fifty beperkt. Na de dood van Smith en gedurende de
jaren dat Young aan de macht was heeft de Council of Fifty geen beslissingsmacht
gehad. Daarnaast vergaderden de leden van de raad slechts zelden. Niettemin
was het lidmaatschap van de council een prestigieus middel om status
te verwerven in de kerk. Dat dit later nog een rol zal spelen bij onze
schisma’s zullen we zien in hoofdstuk 3.
De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen (1830-1860)
als cult.
In hoofdstuk 1 hebben we aangenomen dat de mormoonse kerk in de periode
1830-1860 als cult kan worden betiteld. Volgens de definitie van Stark
en Bainbridge moet een religieuze groepering aan twee kenmerken voldoen
om als cult te kunnen worden aangemerkt: innovatieve theologie en hoge
spanning met de omliggende sociaal-culturele wereld.
Wat de theologie betreft zal uit het voorafgaande, en met name paragraaf
2.6.a., duidelijk zijn geworden dat de mormoonse theologie als innovatief
kan worden bestempeld. Hoewel de mormoonse leer op punten uitdrukkelijk
christelijk geïnspireerd is, zijn er voldoende aanwijzingen voor
innovatie, bijvoorbeeld in het mensbeeld, de relatie van de mens tot
God, de rituelen en het specifiek mormoonse millennialisme, dat de weg
heeft voorbereid voor de zo beroemd geworden polygamie.
Het is hierbij van belang steeds in het hoofd te houden dat de mormoonse
theologie bij definitie onaf is. Juist door het profetische ambt van
de leider van de kerk en de daaruit voortvloeiende voortdurende openbaringen,
wordt de theologie steeds gewijzigd.
Als we dan ten tweede kijken naar de spanning van de mormoonse beweging
met de sociaal-culturele omgeving, is het gemakkelijk vast te stellen
dat deze over het algemeen genomen hoog was. De vele verhuizingen in
de periode 1830-1860 vanwege de vervolgingen zijn uiteraard al aanwijzingen,
maar ook in de toenemende weerstand van de wereldlijke autoriteiten
tegen de polygamistische praktijken zien we een teken. Bovendien leidde
de innovatieve theologie ook tot ideologische botsingen met de gevestigde
én de opkomende kerken aan de Amerikaanse frontier.
Samenvattend kunnen we dan ook stellen dat de Kerk van Jezus Christus
van de Heiligen van de Laatste Dagen in de periode 1830-1860 dan ook
als cult kan worden omschreven.
HOOFDSTUK 3: OPVOLGINGCRISIS, MACHTSSTRIJD EN SCHISMAVORMING.
Kandidaten voor de opvolging.
De totaal onverwachte dood van Joseph Smith, jr., profeet en president
van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen,
was volgens Stephen Shields “the single most divisive issue the
Latter Day Saint Church has ever dealt with.” Smith had nooit
een duidelijke opvolger aangewezen. Feitelijk had hij er meerdere aangewezen.
Ostling en Ostling geven een lijst van dertien mogelijke opvolgers.
De eerste twee daarvan, Oliver Cowdery en David Whitmer, beiden Mormonen
van het eerste uur, waren beide geëxcommuniceerd in 1838. Cowdery
was de secretaris geweest van Smith bij het vertalen van het boek van
Mormon, tweede ouderling (na Smith) van 1830 tot 1834 en assistent-president
van de kerk van 1834 tot 1838. In 1838 werd hij door Smith geëxcommuniceerd
wegens het laten versloffen van zijn taken en financiële malversaties.
David Whitmer, die evenals Cowdery getuige was geweest van de gouden
platen van het boek van Mormon, werd datzelfde jaar op (voor mij) onbekende
gronden geëxcommuniceerd. Volgens Thomas O’Dea was het Sidney
Rigdon die achter deze excommunicaties zat.
Joseph Smith had ook zijn broer Hyrum op een zeker moment als opvolger
aangewezen, maar deze werd tegelijk met zijn broer gedood in Carthage,
Illinois. Hyrum was patriarch van de kerk toen hij stierf en zijn broer
Samuel volgde hem op. Hoewel Samuel Smith dus ook een claim had op de
stoel van Joseph, stierf hij binnen enkele weken na de dood van zijn
beide broers. Een andere, door Joseph Smith, jr. aangewezen, potentiële
opvolger was Joseph Smith III. De voorgestelde patrilineale opvolging
werd echter bemoeilijkt door het feit dat ‘young Joseph’,
zoals hij genoemd werd, bij het overlijden van zijn vader slechts elf
jaar oud was. Bovendien was zijn moeder (Emma Smith) reeds enkele jaren
een tegenstander van het door haar man gevoerde en door een groot deel
van de mormoonse leiders gesteunde beleid, met name ten aanzien van
de polygamie. Tenslotte had Joseph nog gewezen op David Hyrum Smith,
die toen Joseph stierf overigens nog niet geboren was. Deze David Hyrum
was de enige zoon, die als zodanig erkend was door de mormonen, nadat
Emma aan Joseph verbonden voor ‘tijd en eeuwigheid’.
Daarnaast waren er nog andere mogelijke opvolgers. Degene die (zonder
specifiek te zijn aangewezen door Joseph) formeel de meeste aanspraak
had op de troon van de profeet was Sidney Rigdon. Hij was het enige
nog overgebleven lid van de First Presidency, omdat eerste counselor
William Law recentelijk geëxcommuniceerd was wegens overspel. Law,
een fel tegenstander van polygamie, was later de belangrijkste figuur
in de groep die de Nauvoo Expositor opzette. Rigdon was enige jaren
voor de dood van de profeet met Smith in conflict geraakt, toen de laatste
probeerde Rigdons zestien jaar oude dochter Nancy te veroveren en met
haar te huwen. De lucht was echter al voor Smiths dood geklaard, getuige
het feit dat Rigdon de running-mate van Smith was toen deze zich kandidaat
stelde voor het presidentschap van de Verenigde Staten.
Ook William Smith claimde de opvolging van zijn broer. Met de dood van
zijn drie broers Joseph, Hyrum en Samuel was hij de volgende in lijn
om patriarch van de kerk te worden. Maar ook William Marks, die president
van de Hoge Raad en administrator van de kerk in Nauvoo was, claimde
het leiderschap. Marks had Emma Smith achter zich. Vervolgens was daar
Lyman Wight, die op basis van zijn leeftijd de hoogste positie had in
de geheime Council of Fifty. De Council of Fifty had Smith benoemd tot
“Koning, Priester en Heerser over Israël op Aarde.”
Vervolgens waren er nog twee mannen, die claimden dat zij in het geheim
door Joseph Smith persoonlijk waren geroepen om de kerk te leiden, te
weten Alpheus Cutler en James Jesse Strang. Cutler was een lid van de
Council of Fifty. Strang, die pas begin 1844 door Smith gedoopt was,
claimde zowel een visioen te hebben gehad op 27 juni 1844 waarin Smith
hem benoemde tot zijn opvolger, als een brief te hebben ontvangen die
van Smith afkomstig moest zijn, waar Smith zou schrijven dat Strang
hem moest opvolgen. Deze brief overigens bleek later een vervalsing.
En tenslotte was daar het Quorum van de Twaalf, na de First Presidency
het hoogste orgaan binnen de kerk. Deze groep, sinds de oprichting geleid
door Brigham Young, had het voordeel dat zij zeer gerespecteerd waren
bij de rank-and-file mormonen. Bovendien bleek Young een uitstekend
leider te zijn en hadden de Twaalf een formele, collectieve autoriteit
die slechts door Sidney Rigdon betwist kon worden.
Uitkomsten van de crisis.
De voornaamste strijd om het leiderschap van de heiligen ging dan ook
tussen Rigdon en het Quorum van de Twaalf. De apostelen die niet in
Nauvoo waren, spoedden zich naar het nieuwe Jeruzalem. Brigham Young
kwam vanuit Boston, Massachusetts, Parley Pratt en zijn broer William
uit Utica, New York, Sidney Rigdon uit Pittsburgh, Pennsylvania en Orson
Pratt, Orson Hyde en Wilford Woodruff uit Albany, New York. Rigdon won
de race naar Nauvoo; hij kwam aan op 3 augustus. Hij organiseerde een
kerkelijke conferentie voor 6 augustus, maar deze werd door omstandigheden
uitgesteld tot de achtste. In de avond van 6 augustus arriveerden Brigham
Young en de zijnen te Nauvoo.
Op de conferentie van 8 augustus stelde Rigdon dat niemand de plaats
van Joseph Smith kon innemen, maar dat hij, als enig overgebleven counselor,
‘guardian’ van de kerk zou moeten zijn. Hij sprak de kerkleden,
staande vanaf een wagen, gedurende anderhalf uur toe. Na Rigdon kreeg
Brigham Young het woord en hij zei tot de verzamelde heiligen:
“Attention all!! … For the first time in my life, for the
first time in your lives, for the first time in the Kingdom of God in
the nineteenth century, without a Prophet at our head, do I step forth
to act in my calling in connection with the Quorum of the Twelve, as
Apostles of Jesus Christ unto this generation – Apostles whom
God has called by revelation through the Prophet Joseph, who are ordained
and anointed to bear off the keys of the kingdom of God in all the world.”
Verschillende getuigen, waaronder de latere president van de kerk Wilford
Woodruff, zeiden later dat ze in Brigham Young trekken van hun overleden
profeet Joseph zagen en hoorden. Na ook andere leden van het Quorum
van de Twaalf gehoord te hebben, stemde de overgrote meerderheid van
de gelovigen in Nauvoo voor het leiderschap van het Quorum en dus in
feite voor Brigham Young.
Met Young aan het roer voltooiden de Nauvoo-mormonen in rap tempo hun
tempel. Maar ook in Illinois werd het de mormonen te moeilijk gemaakt
door de niet-mormonen. De heiligen hadden te lijden onder brandstichting,
moord, en verkrachtingen en op 1 oktober 1845 kwam het Quorum van de
Twaalf met een door gouverneur Ford gezonden commissie overeen dat de
mormonen de volgende lente uit Illinois zouden vertrekken. Reeds in
februari vertrekken de eerste heiligen westwaarts. Via Winter Quarters
(vlakbij wat nu Omaha, Nebraska is) trokken ze in het voorjaar van 1847
verder naar het westen, naar het grote zoutmeer. Daar streken ze neer
en stichtten Salt Lake City. Er was echter een grote groep achtergebleven
in Illinois. Hoewel Arrington stelt dat alle mormonen uit de Missouri
Valley naar Utah waren vertrokken, lijkt dit onwaarschijnlijk, omdat
de verscheidene mormoonse schismatische groepen voornamelijk hun aanhang
zouden halen uit de in het Midwesten achtergebleven heiligen.
De schismatische groeperingen.
Sidney Rigdons Church of Christ.
Sidney Rigdon werd al vroeg in de geschiedenis van de Kerk van Jezus
Christus van de Heiligen van de Laatste dagen bekeerd. Rigdon was van
1819 tot 1824 baptistisch predikant geweest en sloot zich in 1826 aan
bij de restaurationistische beweging van Alexander Campbell en Walter
Scott en vestigde zich te Bainbridge, Ohio. Na een conflict over het
opzetten van een communautair economisch systeem binnen de groepering
brak Rigdon in augustus 1830 met Campbell. In oktober van dat jaar kwam
Parley Pratt, een mormoonse missionaris die als taak had om zoveel mogelijk
Indianen te bekeren, in Ohio en gaf Rigdon een kopie van het Boek van
Mormon. Na twee weken van studie kwam Rigdon tot de conclusie dat dit
boek niet geschreven kon zijn door een ongeletterde boerenzoon en hij
bekeerde zich tot het mormonendom. Reeds spoedig kon Rigdon zich rekenen
tot de mormoonse elite rond de profeet Joseph Smith. Meerdere malen
gingen zij samen op preaching missions in de staten New York en Ohio.
Toen in januari 1831 besloten werd dat de gelovigen zich moesten verzamelen
in Kirtland, Ohio, op voorstel van Oliver Cowdery, ‘secretaris’
van Joseph bij de vertaling van de gouden platen, was Rigdon aanwezig.
Toen Joseph Smith in 1832 voor de eerste maal de First Presidency benoemde,
het hoogste orgaan binnen de Kerk, werd Sidney Rigdon benoemd tot Second
Counselor en daarmee na Joseph Smith (President) en Jesse Gause (First
Counselor) de derde man in de mormoonse hiërarchie. De ambities
van Sidney Rigdon werden al snel duidelijk: in juli 1832 ontving hij
een openbaring, waarin gesteld werd dat hij de macht over de kerk zou
moeten krijgen. Smith reageerde door Rigdon alle kerkelijke privileges
te ontzeggen (de mormoonse term is: disfellowshipping), maar Rigdon
werd twee weken later weer in genade aangenomen. Later dat jaar zou
Smith min of meer aan de wensen van Rigdon voldoen: hij ontving een
openbaring waarin gesteld werd dat Rigdon bij afwezigheid van de profeet
als guardian of the church zou moeten fungeren, waarmee de kou op dat
moment uit de lucht was.
Gedurende de hele geschiedenis van de mormoonse kerk tot aan 1844 verbleef
Rigdon in de hoogste rangen van de mormoonse hiërarchie en hield
hij zich op in de kringen rond Joseph Smith, hoewel hun relatie het
ene moment vriendelijk was, maar het andere moment leek Rigdon zich
bewust buiten de elite te plaatsen. Zo was Rigdon in het najaar van
1843 vertrokken naar Pittsburgh, Pennsylvania, na een poging van Smith
om Rigdon geëxcommuniceerd te krijgen. Maar in het voorjaar van
1844, toen Joseph Smith een gooi deed naar het presidentschap van de
Verenigde Staten, koos hij Rigdon als zijn kandidaat vice-president.
Maar de relatie tussen Rigdon en Smith was eerder al in moeilijk vaarwater
gekomen toen Smith in 1842 probeerde Nancy, een dochter van Rigdon,
tot zijn vrouw te nemen. De familie Rigdon, die al eerder vermoedens
had van de polygame praktijken van Smith, en Nancy zelf, die niets van
Smith moest hebben en hem een leugenaar noemde, weigerde Nancy uit te
huwelijken aan de profeet. Na een publieke rel in Nauvoo werd van Rigdon
en andere prominente mormonen zoals Orson Pratt en George Robinson gevraagd
om te getuigen van Smiths “high moral character”. Zij weigerden,
hetgeen Smith ertoe bracht om de contacten met de familie Rigdon te
verbreken. Pas in februari 1843 nam Smith het initiatief tot een verzoening
en de Rigdons, die uitdrukking gaven aan hun wens ‘gered te willen
worden’, werden weer in genade aangenomen.
Toen in juli 1844 de profeet werd vermoord in de gevangenis van Carthage,
Illinois, was Rigdon van mening dat Smith gestraft door God was voor
zijn polygamie. Rigdon schreef: “If Joseph sinned, which he did,
the Lord has cut him off from his stewardship … he contracted
a whoring spirit and … the Lord smote him for this thing.”
De notie dat Joseph Smith een profeet was, die van het rechte pad was
afgeweken is overigens ook één van de noties die aanleiding
gaf tot de vorming van de Gereorganiseerde Kerk.
Zoals in paragraaf 3.1 is aangegeven, bevonden verscheidene leden van
het Quorum van de Twaalf Apostelen zich op verschillende plaatsen in
de Verenigde Staten op missies. Sidney Rigdon bevond zich dus in Pittsburgh,
Brigham Young was in Massachusetts en drie andere leden van het Quorum,
Orson Pratt, Orson Hyde en Wilford Woodruff waren in Albany, New York.
Alle mannen met machtsposities in de Kerk vertrokken na het nieuws van
de dood van Joseph zo snel mogelijk naar Nauvoo, Illinois. Sidney Rigdon
kwam aan op 3 augustus en vroeg aan William Marks, de president van
de stake en dus de hoogste man in de lokale mormoonse hiërarchie
om een vergadering te beleggen voor de avond van 6 augustus, waarin
Rigdon het volk zou vragen om hem aan te nemen als nieuwe leider van
de Kerk. Om onduidelijke redenen echter werd de vergadering uitgesteld
tot 8 augustus en in de avond van 6 of de morgen van 7 augustus kwamen
Brigham Young en de overige apostelen aan uit het oosten. In het bovenstaande
hebben we gezien wat de uitkomst van de publieke vergadering van 8 augustus
1844 was: Young verkreeg, als leider van het Quorum, de macht over de
heiligen. Misschien was het vanuit piëteit met de overleden profeet,
misschien vanwege millennialistische verwachtingen over een eventuele
terugkeer van Joseph Smith of zelfs de wederkomst van Christus, maar
het zou nog tot 1872 duren voordat Young door de leden van de kerk sustained
werd als “Prophet, Seer and Revelator” van de kerk, dezelfde
titels die Joseph zich eerder had toegeëigend.
Voor Rigdon liep het dus minder goed af. In het najaar van 1844 probeerde
hij nog enkele malen om meer mormonen te mobiliseren voor zijn zaak
en zo de macht te grijpen. Met name Brigham Young zag het werk van Rigdon
met lede ogen aan. Op 1 september 1844 sprak Rigdon een vergadering
toe om volgelingen te werven. Young schreef de volgende dag is zijn
dagboek het volgende: “His [Rigdon] discourse was complicated
and somewhat scattered. He said he had all things shown to him from
this time … but he did not tell what the saints should do to save
themselves.” Enkele dagen later werd Rigdon door het Quorum van
de Twaalf Apostelen geëxcommuniceerd. Als reden werd aan de verzamelde
gelovigen opgegeven dat Rigdon weigerde de autoriteit van de Twaalf
te respecteren.
Rigdon besloot daarop Nauvoo te verlaten en vestigde zich met ongeveer
honderd volgelingen te Pittsburgh, de stad waar hij voor 1830 predikant
was in de Campbellite church. Vrijwel direct vormde hij de Church of
Christ (waarin hij op 6 april 1845 tot president werd benoemd), die
volgens Rigdon de ware herstelling was van de kerk die Joseph had gevormd
en die onder leiding van Young en de overige apostelen niet langer een
legitieme kerk was, maar een aberratie van het mormoonse geloof. Hij
pleitte er dan ook voor om de kerk te reorganiseren volgens de principes
die golden tijdens de Kirtland-periode. Bovendien refereerde Rigdon
bij de legitimering voor zijn schisma aan de openbaring die Smith in
1832 had gekregen over Rigdons status als ‘guardian’ van
de kerk. De naam van Rigdons nieuwe kerk was overigens niet toevallig
gekozen: in de jaren dertig had de mormoonse kerk enige tijd Church
of Christ geheten. In zekere zin hebben we dus bij Rigdons schisma te
maken van een restaurationistische beweging vanuit een restaurationistische
kerk.
De groep bleef dan ook, voor zover bekend, mormoons van karakter. Wel
braken de Rigdonieten met de polygamistische praktijken van hun oude
moederkerk. Van Rigdon zelf was al sinds 1842 bekend dat de polygamie
van vele mormoonse leiders hem tegen de borst stuitten. In de jaar werd,
zo hebben we gezien, zijn dochter Nancy door Smith benaderd om zijn
zoveelste vrouw te worden. De weigering van de hele familie Rigdon om
mee te werken is een aanwijzing voor hun anti-polygamistische houding.
Verder is de weigering van Rigdon om datzelfde jaar een brief te ondertekenen
die gepubliceerd zou worden in de mormoonse krant The Wasp om het hogere
morele karakter van de profeet Smith te verdedigen, een vingerwijzing.
Rigdon vond veel van zijn eerste rekruten onder de verspreide anti-polygamisten
die hoog in de mormoonse hiërarchie stonden. Zo volgden onder andere
William McLellin (oud-apostel) , Oliver Olney, en Austin Cowles (lid
van het bestuur van de Nauvoo Stake) Rigdon in zijn reorganisatie. Later
zou het oud-lid van de First Presidency, William Law, ook een anti-polygamist,
de groep van Rigdon ondersteunen.
Een andere rekruteringsbasis voor Rigdons restauratie was de geografische
verspreiding van de gelovigen. Pittsburgh en omstreken kende enige mormonen
in de omgeving die niet georganiseerd waren in stakes en dus niet onder
strakke leiding van de kerkelijke autoriteiten stonden. Ook hier vond
Rigdon een gewillig oor.
De kerk was overigens geen lang leven beschoren. Reeds in 1847 viel
de groep, toen gevestigd in Greencastle, Pennsylvania, uiteen. Dit deed
Rigdon besluiten om te stoppen met zijn activiteiten als religieus leider
en hij trok zich terug in Friendship, New York. Enkele resterende groeperingen
in Iowa en Pennsylvania, die voortkwamen uit Rigdons Church of Christ,
bleven Rigdon tot zijn dood in 1876 erkennen als leider.
James Jesse Strang.
James Jesse Strang (geboren in 1813 te Scipio, New York) was een nieuwkomer
in de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen.
Na eerdere carrières als schoolmeester en politicus, was hij
advocaat geworden en op advies van zijn beste vriend migreerde hij in
1835 naar Burlington in Racine County, Wisconsin. Daar ontmoette hij
Aaron en Moses Smith, beiden mormoon (en overigens geen familie van
de profeet Joseph Smith). Ook waren er in Burlington en omgeving verschillende
mormoonse families te vinden, die het land bewerkten om graan te leveren
aan de mormonen in Nauvoo, dat 200 mijl zuidelijker lag. In januari
1844 sprak Lyman Wight de verzamelde heiligen van Burlington toe en
Strang, die daarbij aanwezig was, bekeerde zich tot het mormonendom.
Een maand later reisde hij naar Nauvoo, waar hij in gesprek kwam met
Joseph Smith. De laatste, onder de indruk van de intellectuele kwaliteiten
van Strang, doopte hem in de nog onafgemaakte tempel in Nauvoo. Bovendien
benoemde hij hem tot Elder of the Church. Strang stelde Smith voor om
de spanningen in Illinois te ontlopen door naar Wisconsin te komen,
dat nog relatief dunbevolkt was en waar de macht van de Amerikaanse
overheden niet zo groot was. Smith stuurde Strang vervolgens terug naar
Wisconsin met de opdracht om data te verzamelen over de plaats waar
hij de mormonen wilde vestigen. Strang gehoorzaamde en op 24 mei 1844
stuurde hij een brief naar Smith in Nauvoo. Het antwoord zou nooit meer
komen. Of toch wel?
Op de dag dat Joseph Smith vermoord werd in Carthage, Illinois ontving
James Jesse Strang naar eigen zeggen een visioen, waarin een engel van
God aan hem verscheen. Volgens Riegel gebeurde toen het volgende:
“The angel of the Lord saluted Strang and told him to “fear
God and be strengthened and obey him, for great is the work which he
hath required at thy hand.” The angel then “stretched forth
his hand unto him and touched his head, and put oil upon him,”
which signified that Strang was set above his fellows, that he was to
be the fountain of truth, the ruler of his people, the breaker of the
rod of the oppressor, the refuge for the poor and needy, and, in brief,
the supreme ruler of the Saints on earth. … Elsewhere the celestial
beings mourned; in Racine County they were filled with joy and hope,
and heralded a new ruler with selahs and hosannas.”
Op 9 juli 1844 ontving Strang een brief van Joseph Smith, gedateerd
19 juni, waarin de profeet stelde dat het werk van Strang in Wisconsin
‘van God’ is. Joseph maakte melding van een visioen, waarin
God meegedeeld had dat de heiligen hun nieuwe Zion zouden vinden in
Wisconsin en wel in de counties Racine en Walworth. De twee visioenen
van God, de ene aan Strang zelf, de andere aan Joseph Smith, stelden
Strang dus voor een dubbele taak: zowel de leider zijn van de heiligen
op aarde als de gelovigen verhuizen naar Wisconsin.
Op 5 augustus, toen de race naar Nauvoo in volle gang was, vond er een
vergadering plaats van een aantal Elders of the Church in Florence,
Michigan. Strang toonde daar de brief die hij van Smith had gehad; vreemd
genoeg zei hij niets over de openbaring van 27 juli. Twee prominente
ouderlingen beschuldigden Strang ervan de brief vervalst te hebben,
maar stelden tegelijkertijd dat wie Strangs claims geloofde zich bij
hem mocht aansluiten. Niettemin besloten de ouderlingen in Michigan
om één van hen naar Nauvoo te sturen om onderzoek te doen
naar de authenticiteit van de brief. Volgens het archief van het postkantoor
was er in juni geen enkele brief vanuit Nauvoo naar Wisconsin gestuurd.
Enkele van Strangs volgelingen echter kwamen na onderzoek tot de conclusie
dat de Twaalf Apostelen druk doende waren om bewijzen van de brief en
dus van Strangs missie om de heiligen naar Wisconsin te brengen, te
vernietigen.
Brigham Young, zich duidelijk bewust van het gevaar dat Strang voor
zijn positie kon vormen, initieerde al op 26 augustus 1844 de excommunicatie
van Strang en diens tweede man Aaron Smith. Hij gaf als reden op dat
zij valselijk claimden een rapportage van een openbaring aan Smith te
hebben ontvangen en de inhoud hiervan onder de heiligen te hebben verspreid.
Daarmee zouden zij de gelovigen op het verkeerde pad hebben gebracht,
namelijk noordwaarts, naar Wisconsin Territory. Enkele weken later zou
Young zeggen: “This wonderful spirit of revelation has fallen
on a great many. … The devil seems to have set a good many hooks
and baited them very nice, that some may be sure to catch.”
Strang, die zelf niet in Nauvoo was toen hij werd geëxcommuniceerd,
liet het er niet bij zitten en vertelde de verzamelde heiligen van Walworth
County over zijn visioenen, in het bijzonder het visioen van 27 juli,
waarin Strang de goddelijke opdracht had gekregen om de heiligen te
leiden. Vrijwel onmiddellijk ontving Strang een volgende openbaring,
waarin hij een goddelijke stad zag, die hij volgens goddelijke opdracht
moest bouwen. Hij noemde de stad ‘Voree’, hetgeen volgens
hem ‘tuin van vrede’ betekende. Een ander visioen vertelde
Strang dat hij het principe van ‘tithing’ (een tiende deel
van de inkomsten van de gelovigen moet aan de kerk worden gegeven) moest
instellen. Enige maanden later vertelde God aan Strang dat hij platen
met ancient records zou ontvangen, die hij met dezelfde bril die Smith
had gebruikt om in Palmyra, NY zijn gouden platen te kunnen lezen, moest
ontcijferen en vertalen.
Uiteraard dringt de vergelijking tussen Smith en Strang zich onmiddellijk
op: visioenen die het leiderschap goddelijk bevestigen, antieke platen
die vertaald moeten worden, het economische principe van de tienden,
het stichten van het nieuwe Zion op goddelijk bevel; het zijn allemaal
aanwijzingen dat Strangs leiderschap gemodelleerd was op het voorbeeld
van Joseph Smith.
Strang probeerde mensen voor zijn groep te winnen door individuen te
bepraten. Pas toen Brigham Young en de zijnen besloten tot de tocht
westwaarts, achtte Strang de tijd rijp om op grote schaal leden te gaan
werven. Hij publiceerde the Voree Herald, een krant die verspreidt werd
onder de heiligen in Nauvoo. Daarin beweerden Strang en zijn volgelingen
dat de tocht naar het Grote Zoutmeer een heilloze onderneming was en
dat Strang een goddelijke opdracht had om de heiligen te leiden en hen
te vestigen in het noordelijke Wisconsin. Onder sommige gelovigen viel
deze boodschap goed: velen vreesden de zware tocht, waren niet bereid
huis en haard op te geven voor een onzeker avontuur en bovendien waren
er heiligen die van mening waren dat het leiderschap van Young en de
rest van het Quorum van de Twaalf Apostelen slechts een tijdelijke regeling
was. Zij waren immers niet direct door God aangesteld. Vanaf de lente
van 1846 begonnen de eerste Strangites Voree binnen te druppelen. Onder
hen bevonden zich mormonen die prominente posities in hadden genomen
in de kerk in Nauvoo, zoals Apostel John E. Page, William Smith (broer
van Joseph Smith, jr. en Chief Patriarch of the Church) en William E.
Marks, de president van de gemeente in Nauvoo. Riegel beschrijft de
volgelingen van Strang zo: “It was a motley crowd, some were sober
fathers of families or earnest religionists seeking peace and virtue,
but, unfortunately for Strang, many were disgruntled officials, and
adventurers.”
In Voree probeert Strang een theocratische maatschappij op te zetten.
De absolute macht lag daarbij in zijn handen, maar het economische systeem
dat hij probeerde te implementeren was, weer naar het voorbeeld van
Smith, communautair van aard, dat wil zeggen een zo veel mogelijk zelfvoorzienend
systeem, waarbij alle surplus in de handen van de leiders van de kerk
kwam. Tevens probeerde Strang zijn volgelingen een strikte morele code
op te leggen: geen alcohol, geen vlees, een verbod op het spuwen van
tabak in de kerk en een strenge seksuele ethiek, waarbij op overtredingen
zware straffen stonden.
Dat Strang de centrale figuur was in deze groep blijkt wel uit de titels
die hij kreeg op de formele oprichtingsvergadering van de Voree Kerk:
Strang werd President van de Kerk, Profeet, Ziener, Openbaarder en Vertaler.
In het eerste bestuur van de kerk worden onder andere opgenomen William
Marks, John E. Page, Jason W. Briggs en Zenos Gurley (die later nog
aan bod zullen komen) en Strangs oude vrienden Aaron en Moses Smith.
De problemen voor de nog jonge kerk begonnen echter al snel: mormonen
die loyaal waren gebleven aan Brigham Young en de overige Twaalf Apostelen
schreven polemische stukken in de lokale kranten. Daarnaast probeerden
de overheden in Wisconsin de totstandkoming van een theocratische bestuurde
stadstaat tegen te gaan: de les van Nauvoo was wel degelijk getrokken.
Bovendien was het leiderschap van de kerk van Strang verdeeld. Vele
leiders hadden prominente posities ingenomen in de moederkerk in Nauvoo
en probeerden hun status weer terug te krijgen of zelfs te verbeteren
in de nieuwe groep. Daarnaast werd de interne structuur van de kerk
verder ondermijnd door figuren als John C. Bennett. Deze dokter had
abortussen uitgevoerd in Nauvoo op enkele ‘bijvrouwen’ van
Joseph Smith en was later geëxcommuniceerd toen hij probeerde Nancy
Rigdon, de dochter van Sidney en één van de door Smith
begeerde vrouwen, te huwen toen Smith precies hetzelfde probeerde. Bennett
kreeg vrijwel onmiddellijk toen hij in Voree aankwam een prominente
positie aangeboden, maar probeerde zijn macht te vergroten door onrust
te stoken onder de volgelingen. Alle problemen, zowel intern als van
buitenaf, deden Strang besluiten om in 1847 zijn volgelingen te evacueren
naar de onherbergzame Beaver Islands in Lake Michigan.
Deze nieuwe exodus was rond 1849 voltooid en op het hoogtepunt van de
beweging waren er zo’n 3000 gelovigen gevestigd op de Beaver Islands.
Daar liet Strang zich al spoedig tot Koning van Beaver Island kronen
en profeteerde hij dat polygamie goddelijk bevel is. Dat is opvallend,
omdat Strang eerder de polygamistische praktijken van Young en andere
leiders van de moederkerk sterk had afgekeurd. Strang huwde in de eerste
helft van de jaren ’50 meerdere vrouwen, zoals ook leden van zijn
kerkelijke elite deden. Het zou slecht aflopen voor Strang: in 1856
werd hij vermoord Alexander Wentworth, één van zijn volgelingen.
De kerk leefde nog enkele jaren voort, maar viel uiteindelijk uiteen
door een voortdurende interne machtsstrijd. Volgens Arrington en Bitton
waren er in 1977 nog slechts 3 gemeenten van de kerk over, met zo’n
40 leden.
Lyman Wight.
Over de schismatische groepering die werd geleid door Lyman Wight is
- in vergelijking met andere groepen – weinig gepubliceerd. Bovendien
zijn de monografieën en artikelen die wel verschenen, niet of nauwelijks
voorhanden in Nederland. De informatie die ik hier weergeef is dan ook
schetsmatig, maar biedt (naar mijn mening) voldoende aanknopingspunten
voor een analyse.
Lyman Wight (geboren 9 mei 1796 in Fairfield, New York) was één
van de vroegste bekeerlingen tot het mormonendom. Reeds in 1830 sloot
hij zich in Kirtland, Ohio aan bij de nieuwe kerk van Joseph Smith,
samen met zijn geloofsgenoot in de Campbellite Church, Sidney Rigdon.
Al spoedig werd hij benoemd tot ouderling en hogepriester. De militaire
ervaring van Wight kwam Smith goed van pas. Zo was Wight één
van de leiders van Zion’s Camp, het mormoonse legertje dat de
heiligen in Missouri moest beschermen. Ook was Wight kolonel in de militie
van Far West, Missouri. Na de stichting van Nauvoo werd Lyman Wight
geroepen tot twee belangrijke taken. Ten eerste had hij zitting in de
commissie die het geld bijeen moest brengen voor de bouw van de tempel
in Nauvoo en ten tweede werd hij in 1841 benoemd tot lid van het Quorum
van de Twaalf Apostelen.
In de winter van 1843-1844 leidde Wight in opdracht van Joseph Smith
een expeditie om hout te halen in Wisconsin Territory. Op die expeditie
zou hij zijn latere collega-schismaticus James Jesse Strang bekeren
tot de Kerk. Gedurende die winter en het voorjaar van 1844 correspondeerde
Wight regelmatig met Joseph Smith over het opzetten van een kolonie
in Texas, dat destijds nog een onafhankelijk land was.
Toen de profeet stierf was Wight op een missie in New England. Na zijn
terugkeer in Nauvoo, claimde hij dat hij de mormonen weg moest leiden
uit Illinois en wel naar Texas. Hij beweerde dat hij was aangesteld
door de profeet om deze heilige missie te vervullen. Om zijn claim kracht
bij te zetten wees Wight, naast de aanstelling door Joseph, op het feit
dat hij apostel van de kerk was. Wat minder mensen geweten zullen hebben,
maar wat zeker bekend was binnen de mormoonse elite, was de hoge status
van Wight in de Council of Fifty. Op basis van anciënniteit was
hij in die groep de meest invloedrijke persoon.
Het kwam uiteindelijk tot een breuk tussen Wight en de leiders van de
kerk. In 1847 vestigde Wight zich met zo’n 200 volgelingen in
de buurt van Austin, Texas. Daarna stichtte Wight een stadje, Zodiak
geheten, waarin de Wightites een economisch systeem opzetten dat sterk
leek op de eerdere mormoonse Orde van Enoch. Toen in 1848 de dam bij
Zodiak doorbrak en de nieuwe vestiging wegspoelde, verhuisden Wight
en de zijnen achtereenvolgens naar Hamilton’s Creek, Medina River
en in 1854 naar Mountain Valley.
In 1848 werd Wight door het leiderschap van de Utah-kerk officieel geëxcommuniceerd.
Hij schreef een pamflet dat werd rondgedeeld in Salt Lake City, waarin
Wight de autoriteit van het Quorum van de Twaalf Apostelen betwistte.
Wat de theologische ideeën van Wight betreft is er eveneens weinig
bekend. We weten dat hij vasthield aan de polygamistische praktijken
en de tempelrituelen. Tevens was hij één van diegenen
die vonden dat Young Joseph (i.e. Joseph Smith III, de zoon van de profeet)
het leiderschap van de heiligen op zich zou moeten nemen. Hij heeft
zich echter nooit aangesloten bij de Gereorganiseerde Kerk.
Wight stierf in centraal Texas in 1858, terwijl hij probeerde zijn volgelingen
te verzamelen voor een nieuwe relocatie, noordwaarts in Missouri. Dit
zou een aanwijzing kunnen zijn dat Wight sterk hechtte aan de theologische
betekenis van Independence, Missouri, waar volgens de profeet Smith
de wederkomst zou plaatsvinden en waar de heiligen zich moesten verzamelen
als de tijd daar was. Na de dood van Wight hield de groep vrijwel onmiddellijk
op te bestaan.
D. Alpheus Cutler.
Alpheus Cutler (geboren op 29 februari 1784 in Plainsfield, New Hampshire)
werd al in 1833 in Kirtland, Ohio gedoopt in de Kerk van Jezus Christus.
Gedurende de hele vroege geschiedenis trok Cutler met de heiligen door
het Amerikaanse westen, van Kirtland, via Missouri naar Nauvoo, Illinois.
In Ray County in Missouri was hij één van de mormonen
die de eerste steen legde voor de tempel in Far West. In Nauvoo werd
Cutler benoemd in de commissie die verantwoordelijk was voor de bouw
van de nieuwe tempel aldaar. In juli 1843 was hij één
van de leden van de kring rond de profeet die aanwezig was toen Smith
eindelijk de profetie openbaar maakte over het hemelse huwelijk, waarmee
de theologische legitimering gegeven was voor de al bestaande polygamistische
praktijk. Jorgensen suggereert dat de Cutlers eveneens deelnamen aan
deze praktijk. Tevens was Cutler het zevende lid in de hiërarchie
van het geheime Quorum of the Anointed en was hij benoemd in de Council
of Fifty. Bovendien was hij door Smith aangesteld om de missie aan de
Lamanieten te overzien.
Toen de mormoonse profeet in juli 1844 vermoord werd, steunde Cutler
het leiderschap van de twaalf apostelen onder Brigham Young. Gedurende
de exodus van de bulk van de mormonen naar wat later Utah zou worden,
verdeelde Cutler zijn tijd en aandacht tussen twee zaken. Hij gaf gehoor
aan de oproep van Young om een doorgangspost op te zetten en stichtte
Winter Quarters. Daarnaast bleef hij volharden in zijn missie aan de
indianen: in zuidwest Iowa, bij Silver Creek zette hij een missiepost
op. De missie aan de indianen was niet alleen theologisch van belang,
maar ook strategisch. Brigham Young en Alpheus Cutler overlegden in
het voorjaar van 1847 te Winter Quarters over de importantie van het
vormen van een alliantie met de indianen. Ze meenden dat vriendschappelijke
banden met de inheemse bevolking in het geval van een aanval van Amerikaanse
troepen op de heiligen en route voordelig konden zijn. Young echter
zag dit als een allerlaatste redmiddel, terwijl Cutler van mening was
dat zo’n overeenkomst van permanente aard moest zijn. Dit meningsverschil
zou uiteindelijk cruciaal blijken in de relatie tussen Young en Cutler.
Gedurende de winter van 1847-1848 was Cutler president van de High Council
in Winter Quarters en tevens verantwoordelijk voor de dagelijkse gang
van zaken in het kamp. Toen Winter Quarters in het voorjaar van 1848
verlaten werd trok Cutler naar zijn familie en vrienden die zich in
de missiepost in Silver Creek bevonden. Gedurende de volgende drie jaren
zouden Cutler en andere missionarissen regelmatig heen en weer reizen
tussen het stadje en het Indiaans Territorium. In datzelfde voorjaar
trok de apostel Orson Hyde op verzoek van Young langs de mormonen die
nabij de Missouri-rivier woonden. Hij trof daar groepen mormonen aan
die zich niets aantrokken van het bevel van Young om westwaarts te trekken.
Tot die groepen behoorden ook Alpheus Cutler en de zijnen. Bij een zitting
van de mormoonse hoge raad in Kanesville, Iowa in het najaar van 1848
kwam het tot een confrontatie tussen enkele prominente Brighamieten
en Father Cutler – zoals hij inmiddels genoemd werd – en
zijn rechterhand, bisschop Luman H. Calkins. Cutler en Calkins hielden
de hoge raad voor dat de missie aan de indianen voortgezet moest worden,
terwijl Hyde de groep van Cutler zo snel mogelijk naar Grote Zoutmeer
wilde verhuizen. De onduidelijke richtlijnen van Joseph Smith en de
even onduidelijke status van de Council of Fifty maakten dat de discussie
als snel een kwestie werd van wie de macht had over de ander: een lid
van het Quorum van de Twaalf Apostelen of een lid van de Council of
Fifty. Tegelijkertijd speelde het conflict op theologisch niveau: waar
Cutler veelal vasthield aan een mystieke vorm van mormonisme en de missie
aan de indianen op een hoog plan stelde, wilde het Quorum, vertegenwoordigd
door Hyde, de nadruk leggen op de vergadering van de heiligen in de
nieuwe theocratisch bestuurde stad Salt Lake City en omgeving.
Later in het najaar van 1848 trotseerden andere vertegenwoordigers van
de groep rond Cutler de strenge winter en presenteerden hun zaak nogmaals
voor de hoge raad in Kanesville. Ook zij stelden dat de missie aan de
indianen primair een zaak was van de Council of Fifty en dat de hoge
raad daar feitelijk geen jurisdictie over had. In december 1848 werd
er een compromis gesloten door de Cutlerieten en Hyde. De hoge raad
zou zich niet langer bemoeien met Cutlers missie aan de indianen en
Cutler en de zijnen zouden de hoge raad respecteren, valse beschuldigingen
aan het adres van de raad terugnemen en rectificaties publiceren in
de lokale krant.
De kou was daarmee echter niet uit de lucht. Op 6 april 1849 kwam de
hoge raad weer bijeen om de zaak Cutler te bekijken. Orson Hyde rapporteerde
aan het hoofdkwartier in Salt Lake City dat onder de mormonen die in
het stroomgebied van de Missouri verbleven de bereidheid om naar het
westen te trekken nihil was. Dit idee werd volgens Hyde gevoed door
de verwachting dat de indianen zouden worden opgenomen in het nieuwe
Zion, dat volgens veel Missouri-mormonen zou worden gesticht in Jackson
County, Missouri, zoals de profeet had gezegd. Voorts leefden er millennialistische
verwachtingen onder deze groepen: zij verwachtten de wederkomst van
Christus. Daarnaast bleef Cutler, die tot de hoogstgeplaatste en meest
invloedrijke mormonen in dat gebied behoorde, volhouden dat de mormonen
de indianen nodig hadden als verdediging tegen de Amerikaanse overheid.
Het betoog van Hyde leidde ertoe dat Cutlers tweede man, Calkins, geëxcommuniceerd
werd en dat de missie van Cutler, hangende verder onderzoek, opgeschort
werd.
Brigham Young reageerde op de ontwikkelingen in Kanesville met een brief
aan Cutler, waarin hij de ‘Oude Vos’ vroeg om te verhuizen
naar Salt Lake City. Young bood Cutler een stuk land en een huis aan
en verzekerde hem dat vele oude vrienden hem zouden verwelkomen, mocht
hij de tocht westwaarts wagen. Maar in het voorjaar van 1850 besloot
de conferentie te Kanesville dat als Cutler niet de bereidheid toonde
om naar het westen te verhuizen, hij geëxcommuniceerd moest worden.
Dat najaar toonde Brigham Young zich onverschillig over de dreigende
kerkscheuring en mede door zijn gebrek aan handelend optreden kwam de
weg open voor de Kanesville-conferentie om Cutler (samen met Calkins
en andere mormonen uit Silver Creek) te excommuniceren. Dat gebeurde
dan ook in april 1851.
In het najaar van 1851 verlieten Father Cutler en zijn volgelingen de
missie aan de indianen en verzamelden zich in Silver Creek. Daar kwam
Cutler in conflict met wereldlijke overheden over zijn polygame vrouwen
en hij besloot daarop te scheiden van al zijn vrouwen, behalve zijn
eerste echtgenote. Met het verdwijnen van de indiaanse missie had Cutler
de ruimte om zijn volgelingen te verplaatsen en hij stichtte het stadje
Manti, in Iowa. In 1852 woonden daar zo’n veertig families. In
september 1853 richten Cutler en de zijnen de Church of Jesus Christ
(Cutlerite) op en Cutler begon vanaf dat moment zijn volgelingen opnieuw
te dopen, opdat zij volwaardig lid zouden worden van de nieuwe kerk.
Volgens Cutler was het zijn taak om de nieuwe leider te worden van de
mormonen. Hij baseerde die notie op tenminste twee ‘bewijzen’.
Ten eerste, zo claimde hij, was hij door Joseph Smith aangesteld om
zitting te nemen in een speciaal en geheim quorum met zeven leden, dat
alle macht zou hebben over de heiligen en over het koninkrijk. Dat Cutler
wachtte tot 1853 met het stichten van zijn eigen kerk, had te maken
met het idee dat Cutler, die zevende was in de hiërarchie van het
geheime quorum, moest wachten op de dood van de eerste zes voordat hij
zijn leiderschapspositie mocht innemen. Het tweede bewijs was een teken
dat Smith en Cutler zouden hebben afgesproken over het moment waarop
Cutler de leiding moest nemen. In de zomer van 1853 zag Cutler het teken
in de hemel: twee halve manen die met de ruggen tegen elkaar stonden.
De status van Joseph Smith in de Church of Jesus Christ (Cutlerite)
was die van de eerste profeet. Niettemin, zo stelde Cutler, was het
martelaarschap van Smith een teken van God dat Hij de mormoonse kerk
afwees. Volgens Cutler moest de kerk gereorganiseerd worden en teruggebracht
tot een staat waarin de kerk God welgevallig was. Cutler appelleerde
hierbij aan de vroege geschiedenis van de mormoonse kerk, en het is
dan ook niet vreemd dat hij van plan was om zich met zijn volgelingen
te vestigen in Independence, Missouri, de stad die Joseph Smith had
aangewezen als de plaats van het nieuwe Zion. De Cutlerieten waren dus
sterk millennialistisch/adventistisch en restaurationistisch (d.w.z.
de restauratie van de mormoonse kerk tot de fase voor de Nauvoo-periode).
Een andere aanwijzing van het restaurationisme van de nieuwe kerk was
de herinstelling van de Order of Enoch, het communautaire economische
systeem dat eerder was uitgeprobeerd door Joseph Smith. Tegelijkertijd
was de Cutleritische kerk veel mystieker van inslag dan de Utah-kerk.
Cutler onderwees zijn volgelingen in de uitgebreide tempelrituelen,
die hij als lid van het Quorum of the Anointed geleerd had van Smith.
Eén belangrijke mormoonse notie en het daarmee gepaard gaande
ritueel werd, zoals gezegd, door Cutler afgewezen: het hemelse huwelijk
en de daaraan gekoppelde polygamie. Als heilige geschriften namen de
Cutlerieten de Bijbel, het Boek van Mormon, de Doctrine and Covenants
en, geheel in lijn met het republicanisme van de tijd, de grondwet van
de Verenigde Staten.
Cutler stelde een dubbele autoriteitsstructuur in. In de eerste plaats
was er het koninkrijk van de verzamelde heiligen dat geregeerd moest
worden door een president met twee raadslieden. Daarnaast was er de
aardse kerk die bestuurd werd door een andere president, weer met twee
raadslieden. Deze overzagen het reilen en zeilen van de wereldlijke
zaken van de kerk en zaten de vergaderingen voor. Hoewel de machtsgebieden
tussen hemelse en wereldse zaken dus gescheiden werden, behield de Cutleritische
kerk een machtsstructuur die leek op die van de Utah-kerk met een president,
twee counselors, een hoge raad en halfjaarlijkse conferenties. Een quorum
van de Twaalf Apostelen en bisschoppen werden echter niet ingesteld.
Cutler leidde zijn kerk tot aan zijn dood in 1864. Zijn volgelingen
stichtten verschillende stadjes in Iowa en Kansas. Na Cutlers dood migreerden
de meeste van zijn volgelingen noordwaarts naar Minnesota, waar de kerk
al snel desintegreerde. Tien jaar geleden waren er nog 30 actieve Cutlerieten,
drie in Minnesota en de rest in Independence, Missouri.
E. De Gereorganiseerde Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van
de Laatste Dagen.
Verreweg de meest invloedrijke schismatische groepering die ooit uit
de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen is voortgekomen,
is de Georganiseerde Kerk (vaak afgekort tot RLDS, van Reorganized Church
of Jezus Christ of Latterday Saints). Momenteel heeft de kerk, die zich
in april 2001 omdoopte tot Community of Christ, zo’n 250.000 leden
wereldwijd en haar hoofdkwartier bevindt zich in Independence, Missouri,
de stad waar volgens de profetieën van Smith Christus zal terugkeren
op aarde.
Na de dood van de profeet en de terugkeer van de Twaalf Apostelen naar
Nauvoo, maakte Brigham Young volgens Arrington een cruciale tactische
fout: hij bezocht Emma Smith niet, die zojuist weduwe was geworden.
Young had het blijkbaar te druk met het onderdrukken van de claims van
Sidney Rigdon en James Strang en met het veiligstellen van het leiderschap
van de Twaalf over de heiligen. Ook in de weken daarna bracht Young
geen enkel bezoek aan Emma, de weduwe van de profeet en de moeder van
vijf van zijn kinderen. Een andere reden daarvoor zou kunnen zijn dat
Emma en enkele vrienden een bericht hadden gestuurd naar Joseph en Hyrum
Smith, die op een zeker moment gevlucht waren over de Mississippi om
vervolging te ontlopen. In dat bericht had Emma geschreven dat de kust
in Nauvoo veilig was en dat de broers gerust terug konden keren. Young,
die van dit bericht pas hoorde na zijn terugkeer in Nauvoo, was van
mening dat dit advies onjuist was geweest en destructieve gevolgen had
gehad voor de profeet en zijn kerk.
Gedurende de korte maar hevig strijd om de macht over de heiligen in
augustus 1844 steunde Emma zowel Sidney Rigdon als William Marks, de
president van de Nauvoo Stake, hetgeen de relatie tussen Young en Emma
Smith ook geen goed deed. Bovendien meende zij dat polygamie nooit een
goddelijk bevel kon zijn; een positie die zij reeds tijdens het leven
van haar man had ingenomen. Ook kwamen Young en Emma Smith in conflict
over de materiële nalatenschap van de profeet. Joseph Smiths privé-bezittingen
waren zodanig vermengd met kerkbezit dat het nagenoeg onmogelijk was
om een duidelijke scheiding aan te brengen. Pas na lange onderhandelingen
kwamen Brigham Young en Emma Smith tot een verdeling van goederen. Maar
Emma was er inmiddels van overtuigd geraakt dat Young haar probeerde
te bedriegen, terwijl Young van mening was dat Emma de zeggenschap kreeg
over goederen die waren betaald of gemaakt door kerkleden. Het zou nooit
meer goed komen tussen de nieuwe president en de weduwe van de profeet.
Het begin van de Gereorganiseerde Kerk ligt vreemd genoeg in Wisconsin.
Daar was Jason W. Briggs, een vroege volgeling van James Jesse Strang,
ervan overtuigd geraakt dat noch het leiderschap van Young, noch de
steeds extremer wordende ideeën van Strang de ware kerk vertegenwoordigden.
Gedurende korte tijd sloten hij en de mormonen wiens branch hij leidde
zich aan bij de beweging van William Smith, een broer van de profeet,
die het leiderschap van de heiligen claimde op basis van zijn bloedverwantschap
met Joseph. In november 1851 kreeg Briggs, samen met enkele vrienden,
in een gebed aan God de boodschap dat het young Joseph was die de kerk
moest leiden. Young Joseph, zoals gezegd, was Joseph Smith III, zoon
van de profeet en Emma Hale Smith, geboren in 1833. Er zat een zekere
logica in de keuze van young Joseph als leider van de kerk. Toen Joseph
III zes jaar was, werd hij door zijn vader bevestigd als zijn opvolger
in een geheim ritueel. Later zou de profeet young Joseph nog meerdere
malen voordragen in publieke preken. Ook had hij zijn zoon nog bevestigd
in 1844 in een geheime vergadering van de Council of Fifty. Brigham
Young schijnt overigens bereid te zijn geweest om Joseph Smith III het
leiderschap van de kerk te verlenen, op voorwaarde dat hij de principes
van de Brighamieten zou accepteren. Het probleem hiermee was dat toen
de profeet vermoord werd, zijn zoon/opvolger slechts elf jaar was. Er
zou dus een vorm van regentschap opgezet moeten worden wilde young Joseph
in naam president van de kerk worden. De enige kandidaat voor dit regentschap,
Emma Hale Smith, kon zich, zoals we hebben gezien, niet verenigen met
de polygamistische praktijken van het Quorum van de Twaalf Apostelen.
Young Joseph reageerde niet direct op de oproep van de prominente mormoonse
leiders, die achter waren gebleven in het Midwesten. Niettemin besloten
oud-Strangieten als Jason Briggs en Zenos Gurley tot de oprichting van
een, wat Arrington en Bitton noemen, “young Joseph movement”.
Deze werd op 6 april 1853 geformaliseerd met de stichting van de New
Organization of the Church of Jesus Christ of Latter Day Saints, die
later de Reorganized Church of Jesus Christ of Latter Day Saints zou
worden. Omdat young Joseph de roep tot leiderschap nog niet accepteerde,
werd Jason Briggs, als hoofd van het gereorganiseerde Quorum van de
Twaalf Apostelen, tijdelijk president, met Zenos H. Gurley, sr. en Henry
H. Deam als raadslieden.
Pas in april 1860 kon Briggs zijn ambt neerleggen, want in die maand
accepteerde Joseph Smith III het presidentschap van de Gereorganiseerde
Kerk. Spoedig volgden zijn moeder en andere leden van de familie Smith
in zijn voetsporen en ook zij sloten zich aan bij de gereorganiseerden.
Bovendien was de benoeming van young Joseph tot president voor vele
mormonen die in andere facties zaten of die wel waren achter gebleven
in het Midwesten maar niet tevreden waren met het leiderschap van Brigham
Young en de Twaalf Apostelen, reden om lid te worden van de kerk van
young Joseph. In zijn eerste speech voor de conferentie waarin hij tot
president benoemd werd, maakte Joseph III al snel duidelijk waar hij
stond in het conflict over de rechtvaardigheid van de polygamistische
praktijken van het leiderschap van de Utah-kerk. De positie van zijn
moeder echoënd stelde hij dat polygamie een abominatie was in de
ogen van God. Bovendien had Joseph Smith volgens zijn zoon nooit meerdere
vrouwen gehad. Dit was ook de officiële mening van Emma Smith,
hoewel zij ongetwijfeld kennis heeft gehad van de veelwijverij van haar
man. Een ander beleidspunt van young Joseph was dat de opvolging van
presidenten in de kerk geregeld moest worden via patrilineale successie,
dus van vader op zoon. Hierbij zou elk nieuwe zoon/president/profeet
de macht hebben om openbaringen te ontvangen en de inhoud daarvan door
te spelen naar de heiligen.
De theologie van de Gereorganiseerde Kerk in de vroegste periode kan
worden omschreven als restaurationistisch, maar wel in een bijzondere
vorm. De gereorganiseerden predikten een geloofsleer die wel specifiek
mormoons was, maar die de ontwikkelingen in theologie in Nauvoo niet
meenam. Het ging dus om een herstel van de mormoonse geloofsleer zoals
die werd geïmplementeerd in de periodes in Ohio en Missouri. De
theologische ideeën van Smith over hemelse huwelijken, polygamie,
het dopen van de doden, spirituele genealogie, de jongste tempelrituelen,
het bestaan van meerdere goden, de mogelijkheid dat mensen godgelijk
kunnen worden en het antropomorfe godsbeeld, werden door de Gereorganiseerde
Kerk afgewezen. Tegelijkertijd hechtten de gereorganiseerden een sterk
belang aan de importantie van de stad Independence als plaats van de
wederkomst van Christus.
Zoals gezegd was de rekruteringsbasis van de Gereorganiseerde Kerk vooral
onder mormonen die weigerden naar Utah te trekken, die weigerden het
leiderschap van Brigham Young te accepteren of die niet langer heil
zagen in het volgen van allerlei andere schismatici. Een van de aantrekkelijkste
factoren voor de groei van de kerk was het idee dat de zoon van de profeet
het charismatisch ambt op zich zou nemen. Bovendien was de antipolygamistische
houding van de nieuwe kerk ongetwijfeld voor veel teleurgestelde mormonen
een pullfactor.
HOOFDSTUK 4 CONCLUSIES EN DISCUSSIE.
Inleiding.
In dit laatste hoofdstuk kijk ik terug op het historische deel, dat
gepresenteerd werd in de hoofdstukken 2 en 3, in het licht van de hypothesen
die ik in hoofdstuk 1, paragraaf 4 geformuleerd heb. Om te zien of de
historische gebeurtenissen liepen zoals ik verwachtte is het nodig om
de gebeurtenissen in de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van
Laatste Dagen nog kort te interpreteren, overigens zonder nieuw historisch
materiaal in te brengen. Omwille van de helderheid zal ik steeds naar
één hypothese tegelijk kijken, daarbij aangeven in hoeverre
deze stand houdt en in hoeverre er nog verdere discussie nodig is. In
de derde en laatste paragraaf van dit hoofdstuk zal ik nog enkele opmerkingen
maken over sterke en zwakke punten van deze scriptie en de studie van
de mormonen in het algemeen.
Conclusies.
Hypothese 1 luidde als volgt: “Het valt te verwachten dat er
in 1844 in Nauvoo, Illinois, binnen de Kerk van Jezus Christus van de
Heiligen van de Laatste Dagen een machtsstrijd uitbreekt omtrent de
opvolging van Joseph Smith, jr.” De omgevingsfactoren daarbij
waren: de aanname dat mensen macht willen, het feit dat er binnen de
mormoonse kerk in 1844 een machtsvacuüm was ontstaan, het feit
dat er vele mogelijke opvolgers waren en het feit dat er geen procedure
binnen de kerk was, waarmee de opvolging van de profeet geregeld was.
Om met de omgevingsfactoren te beginnen, heb ik in hoofdstuk 1, paragraaf
4 aangetoond dat het binnen het rationele keuze raamwerk aannemelijk
is ervan uit te gaan dat mensen inderdaad streven naar macht en wel
omdat dit hun ruilpositie verbetert. Voorts is het duidelijk dat er
met de dood van de profeet een machtsvacuüm was ontstaan in de
kerk. Hieraan lagen de feiten van de vele mogelijke opvolgers (hoofdstuk
3, paragraaf 1) en van de afwezigheid van een opvolgingsprocedure ten
grondslag.
Dat de machtsstrijd inderdaad uitbrak is af te lezen aan de gebeurtenissen
in augustus 1844, toen Brigham Young ten faveure van Sidney Rigdon bevestigd
werd als president van de Kerk. Daarnaast speelde de spoedige excommunicatie
van niet alleen Rigdon, maar ook James J. Strang. Strang probeerde overduidelijk
de macht van de kerk over te nemen en werd daarvoor gestraft door de
nieuwe leiders met uitzetting. Ook de ruzieachtige sfeer tussen Young
en de weduwe van de profeet, Emma Smith, en haar ondersteuning van de
kandidaten Rigdon en William Marks duiden op een machtsstrijd in volle
gang.
In de gevallen van Alpheus Cutler en Lyman Wight is het minder duidelijk
dat er een machtsstrijd gewoed heeft. Niettemin toont hun latere wegbreken
van de kerk aan dat er wel degelijk dissatisfactie was met de manier
waarop de Twaalf Apostelen de heiligen bestuurden én dat er bij
hen een zekere ambitie tot leiderschap aanwezig was. Hoewel van Lyman
Wight te weinig bekend is om harde conclusies te trekken, kan het zo
zijn dat Cutler gewacht heeft met het bekendmaken van zijn leiderschapsclaim
tot hij de tijd daar achtte. Bovendien heeft Brigham Young tot bijna
10 jaar na de dood van de profeet geprobeerd Cutler binnen boord te
houden. Wat ik verwachtte, gebeurde dus: op die tijd en die plaats brak
er in de mormoonse kerk een machtsstrijd uit.
Hypothese 2a luidde zo: “Het valt te verwachten dat er kort na
de dood van Joseph Smith, jr. in de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen
van de Laatste Dagen zich schisma’s zullen voordoen, welke gelegitimeerd
zullen worden met een beroep op opvolgingsclaims.” Omgevingsfactoren
daarbij waren: de aanname dat mensen macht willen, de veronderstelling
dat er na een machtsstrijd winaars en verliezers zullen zijn, waarbij
de winnaar zich zo snel mogelijk van de voor hem gevaarlijke elementen
zou willen ontdoen, het feit dat er geen opvolgingsprocedure was voor
de vacature van de profeet, de aanname dat er legitimatiemiddelen aanwezig
waren en de aanname dat er sociale scheidingen waren.
Aan een aantal voorwaarden is al bij de bovenstaande behandeling van
hypothese 1 aandacht besteed: de machtsfactor en het feit dat er geen
opvolgingsprocedure was. Dat er na de machtsstrijd een winnaar was werd
duidelijk in hoofdstuk 3: Brigham Young nam als leider van het Quorum
van de Twaalf Apostelen de positie van Smith min of meer over. Ook waren
er duidelijke verliezers: Sidney Rigdon, James Jesse Strang en de directe
familie van de profeet. Dat Brigham Young zich zo snel mogelijk ontdeed
van zijn naaste concurrenten werd duidelijk in de paragraaf 3.3: Rigdon,
Strang en ook Wight werden snel geëxcommuniceerd. Het feit dat
deze drie mannen in relatief hoge mate gevaarlijk waren bleek in diezelfde
paragraaf, waarin ik aandacht besteedde aan de machtspositie die de
verliezers innamen op het moment van de dood van de profeet. Eerder
in het derde hoofdstuk stelde ik al dat het legitimatiemiddel ‘opvolging
door speciale opdracht van de profeet’ ruimschoots voorhanden
was. Immers, Smith had meerder opvolgers aangewezen. Wat de sociale
scheidingen betreft liggen de zaken minder helder. Hoewel er naar mijn
mening wel degelijk dergelijke scheidingen bestonden, bleek het moeilijk
deze aan te tonen. Voor een verdere opmerking hierover zie onder, paragraaf
4.3.
Rigdon had uiteraard zijn machtspositie als laatst overgebleven lid
van de First Presidency, zijn daarop gebaseerde opvolgingsclaim en de
steun van de familie van de overleden profeet. Voor Strang lag de legitimering
in een opdracht van Smith om de mogelijkheden voor een vestiging in
Wisconsin te onderzoeken, in het visioen dat hij ontving en in de (gefingeerde)
brief. Maar vooral was hij een ambitieuze religieuze zoeker, die zijn
kans schoon zag toen de mormoonse beweging leiderloos werd. De claim
van Lyman Wight was, net als die van Strang, gebaseerd op een speciale
opdracht van de profeet, namelijk om de heiligen naar Texas te leiden.
Toen zijn claim tot leiderschap werd genegeerd door de nieuwe leiders,
besloot hij zich af te scheiden. Kortom, hypothese 2a houdt in de gevallen
van Rigdon, Strang en Wight.
Deelhypothese 2b luidde aldus: “Het valt te verwachten dat er
nog geruime tijd na de dood van Joseph Smith, jr. binnen de Kerk van
Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen zich interne machtsconflicten
voordoen, die uiteindelijk zullen leiden tot de vorming van schismatische
groeperingen, welke gelegitimeerd zullen worden met een beroep op theologische
of ideologische argumenten”. De voorwaarden daarbij waren hetzelfde
als bij hypothese 2a, behalve deze twee: de verwachting dat er verliezers
zijn die te weinig te winnen zouden hebben bij de vorming van een eigen
schismatische groepering direct na de dood van de profeet en de verwachting
dat de winnaars van de machtsstrijd deze minst gevaarlijke elementen
zo lang mogelijk binnen de groep zou proberen te houden.
Wat het laatste betreft heb ik in de gevallen van Alpheus Cutler en
in mindere mate de familie van de profeet aangetoond dat Young en het
Quorum moeite hebben gedaan om hen binnen boord te houden. Dat Cutler
en de Smiths weinig te winnen hadden bij een snelle schismavorming is
minder duidelijk geworden. Het lijkt er echter op, dat Cutler zijn schisma
heeft uitgesteld totdat hij een groep rond zijn persoon had gevormd
die voldoende sterk genoeg was om op eigen benen te staan. Voorts had
Cutler veel te verliezen in termen van macht: zijn hoge positie in de
mormoonse hiërarchie maakte dat de risico’s van wegbreken
op een vroeg moment hoger waren dan in eerste instantie zijn loyaliteit
aan Young te tonen en later pas weg te breken. Blijkbaar had ook de
familie van Joseph Smith weinig te winnen bij een snelle schismavorming.
Hun aanhang werd pas zichtbaar op het moment dat het merendeel van de
aanhangers van Young en het Quorum al onderweg was naar Utah en toen
enkele vroege volgelingen van andere schismatici hun eigen gedachten
begonnen te ontwikkelen over de opvolging van de profeet.
Niettemin is het duidelijk dat deelhypothese 2b opgaat voor de groep
rond Alpheus Cutler. Hoewel we geen bewijs hebben voor een directe aanval
van Cutler op de positie van Young en het Quorum van de Twaalf Apostelen,
is het duidelijk dat het conflict dat leidt tot het wegbreken van de
Cutlerieten speelt op tenminste twee niveaus. Enerzijds gaat het om
een machtsconflict, namelijk de vraag wie in de Kerk autoriteit had
over de ander. Specifiek ging het dan om de rollen van (leden van) het
Quorum van de Twaalf Apostelen en (leden van) de Council of Fifty, waarbij
Cutler, als lid van de laatste, zijn autoriteit liet gelden en zich
met zijn volgelingen afsplitste. Anderzijds wil ik het als bewezen beschouwen
dat Cutler zijn schisma legitimeerde met een beroep op theologische
argumenten. Hij stelde dat zijn missie bij de indianen in het licht
van de mormoonse theologie belangrijker was dan zijn verhuizing naar
Salt Lake City, die immers geïnitieerd was door het Quorum, een
orgaan dat niet goddelijk gelegitimeerd was om de leiding van de kerk
op zich te nemen. Bovendien stond Cutler een meer mystieke mormoonse
theologie voor dan de Utah-kerk.
Een ander, apart geval is de Gereorganiseerde Kerk. De familie van Joseph
Smith, en dan met name zijn weduwe Emma, had haar stem duidelijk laten
horen in de machtsstrijd die zich in Nauvoo voltrok in augustus 1844.
De Smiths steunden Rigdon en William Marks in deze fase van de strijd.
Hoewel het duidelijk was dat de familie van de dode profeet zich niet
kon verenigen met het leiderschap van de winnaars van de machtsstrijd
organiseerden zij niet zelf een eigen schismatische groepering. Pas
toen enkele voormalige volgelingen van James Jesse Strang zich in de
vroege jaren ’50 begonnen te roeren werd de belangstelling van
de familie Smith gewekt. Niettemin is het duidelijk dat de familie Smith
een langdurige interne machtsstrijd heeft gevoerd met de leiding van
de Utah-kerk. De direct legitimering voor de vorming van de Gereorganiseerde
Kerk zat hem in het argument van de patrilineale successie, d.w.z. dat
de macht in handen moest komen van Joseph Smith III. Op het eerste gezicht
lijkt dit een opvolgingsclaim en dus zouden we de gereorganiseerden
moeten scharen onder hypothese 2a. Echter, de factor tijd zou ons ertoe
moeten leiden de RLDS-kerk bij hypothese 2b onder te brengen. Mijn oplossing
voor dit probleem ligt in een verschil in de opvolgingsclaims die de
gereorganiseerden hadden en die leiders van schisma’s zoals Rigdon,
Wight en Strang hadden. De opvolgingsclaim van de leiders van de Gereorganiseerde
Kerk was, naast het historische argument dat Joseph Smith zijn zoon
meerdere malen had aangewezen als zijn opvolger, een theologisch geïnspireerd
argument. Het restaurationistische karakter van de Gereorganiseerde
Kerk, dat wil zeggen de herstelling van het mormonendom van de Ohio-
en Missouri perioden, zou vervolmaakt worden wanneer de zoon van de
profeet het ambt van zijn vader zou overnemen. Op deze wijze geredeneerd
kunnen we dus vaststellen dat ook de Gereorganiseerde Kerk binnen de
verwachting van deelhypothese 2b valt. Kort samengevat: de groepen rond
Cutler en Young Joseph voldoen aan het verwachte, zoals geformuleerd
in hypothese 2b.
Tenslotte volgen de twee hypothesen die in paragraaf 1.4 geformuleerd
werden over de aard die de mormoonse schisma’s in de voorliggende
historische omstandigheden hebben aangenomen. In deelhypothese 3b stond
het volgende: “Het valt te verwachten dat, wanneer er zich groepen
afscheiden van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste
Dagen na juni 1844, deze groepen het karakter hebben van een accommodation
movement, waarbij ze de investeringen die leden in de Kerk hebben gedaan
tot op zekere hoogte zullen veiligstellen.” Met dat laatste bedoelde
ik zaken als het behouden van mormoonse geloofsideeën of het blijven
vasthouden van familie- en vriendschapsbanden. De voorwaarden voor deze
hypothese waren tweeledig: enerzijds moest er voldaan zijn aan de voorwaarde
dat er zich schisma’s hadden voorgedaan in de Kerk tussen 1844-1860.
Dit is aangetoond in hoofdstuk 3. Anderzijds waren er bij deze deelhypothese
nog twee voorwaarden te zien, die theoretisch van aard waren, namelijk
over spanning met de omliggende wereld en het beschermen van investeringen
van deelnemers aan schisma’s. Aangezien deze twee voorwaarden
theoretische deducties waren, hoeven zij op deze plaats niet verder
behandeld te worden.
Alle vijf schisma’s die ik in paragraaf 3.3 heb behandeld hebben
een mormoonse theologie vastgehouden, hoewel vaak in een andere vorm
als de Utah-kerk. Zo legde de groep rond Alpheus Cutler meer de nadruk
op de mystieke kant van het mormoonse geloof, terwijl de Gereorganiseerde
Kerk juist een restauratie voorstond van een vroegere vorm van mormoonse
theologie. Ook Strang hield vast aan een mormoons stramien, zozeer zelfs
dat hij in veel opzichten op zijn voorganger ging lijken. Zoals ik verwachtte
hield ook Sidney Rigdon vast aan een mormoons geloofsgoed, hoewel hij
de polygamie overboord zette. Van Lyman Wight is bekend dat hij vasthield
aan polygamie en tempelrituelen en dat hij probeerde om zijn volgelingen
te verplaatsten naar Independence, Missouri.
De (naar mijn mening) belangrijkste indicator van het terugbrengen van
de spanning met de sociaal-culturele omgeving is de factor polygamie.
Niet alleen was dit voor de buitenwacht waarschijnlijk de meest aanstootgevende
van de mormoonse praktijken, ook binnen de mormoonse kerk leverde dit,
zoals ik heb aangetoond, aanzienlijke spanningen op. Het mag dan ook
geen verbazing wekken dat de groepen rond Sidney Rigdon en Alpheus Cutler,
hoewel de laatste pas in een vergevorderd stadium van zijn schismavorming
er afstand van deed, de polygamie terzijde legden. Ook de Gereorganiseerde
Kerk nam afstand van de polygamie en de nieuwe leider van die kerk,
Joseph Smith III, beweerde zelfs dat zijn vader nooit meerdere vrouwen
had gehuwd.
Een andere aanwijzing dat de gereorganiseerden een accommodation movement
vormden is hun weigering om de meer innovatieve elementen van de mormoonse
theologie die in de Nauvoo-periode ontstonden over te nemen in hun nieuwe
kerk. Door de theologie van de Ohio- en Missouri-perioden als uitgangspunt
te nemen, maakten zij in feite een stap terug in de richting van de
religieuze mainstream van het toenmalige Amerika.
Kortom, de verwachtingen die ik formuleerde in deelhypothese 3a bleken
bewaarheid te worden voor de groepen rond Rigdon en Cutler en de RLDS-kerk.
Hypothese 3b luidde als volgt: “Het valt te verwachten dat er
zich groepen afscheiden van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen
van de Laatste Dagen, die het karakter aannemen van een sekte, waarbij
ze de investeringen die leden in de Kerk hebben gedaan tot op zekere
hoogte zullen veiligstellen.” Voorwaarden hierbij waren ten eerste
het feit dat er zich schisma’s voordeden in de Kerk in de periode
1844-1860, hetgeen inmiddels uitputtend aangetoond is, en de veronderstelling
dat schismatische groeperingen zoveel mogelijk de eerdere investeringen
van de volgers van schismatici proberen vast te houden. Een derde voorwaarde,
de aanwezigheid van een marginale groep binnen de Kerk die veel beloningen
verwachtte te krijgen uit een hoge spanning met de omgeving, kan pas
op deze plaats duidelijk worden gemaakt.
De deelhypothese 3b geldt zeker voor de groep rond James Jesse Strang.
Hoewel Strang aanvankelijk zijn groepering in de richting van een accommodation
movement stuurde, waarbij de meest aanstootgevende elementen uit de
mormoonse theologie werden verwijderd, kreeg zijn kerk langzamerhand
een steeds extremer karakter. Zo herintroduceerde hij de polygamische
praktijken, een communautair economisch systeem en een tamelijk rigide
ethiek. De toenemende spanning met de omgeving deed Strang uiteindelijk
besluiten om zijn groep te verhuizen naar de Beaver Islands in Lake
Michigan, waar hij zich tot koning liet kronen. Ook de gewelddadige
dood van Strang is een aanwijzing in de richting dat hij een sekte had
gecreëerd. Tenslotte roep ik op deze plaats de opmerking van Riegel
in herinnering over de compositie van de groep rond Strang: een stel
zeer vrome families, aangevuld met opportunisten als John C. Bennett.
Moeilijker ligt het bij de groep rondom Lyman Wight. Hoewel ook hij
vasthield aan de polygamie en de tempelrituelen, hetgeen we kunnen beschouwen
als aanwijzingen in de richting van hypothese 3b, is het tegelijkertijd
zo, dat Wight vanaf het begin zijn groep leidde in Texas. Deze nog onafhankelijke
staat was in die tijd relatief dunbevolkt en hieruit kunnen we afleiden
dat de spanning met de sociaal-culturele omgeving relatief laag was.
Bovendien moeten we ons er rekenschap van geven dat de gegevens over
Wight en zijn groep dusdanig schaars zijn, dat we geen harde conclusies
kunnen trekken over het karakter dat deze schismatische groepering aannam.
Met andere woorden: de verwachting die ik formuleerde in hypothese 3b
gaat op voor het geval van James J. Strang, terwijl de groepering rond
Lyman Wight onvoldoende beschreven is om daarover definitieve conclusies
te trekken.
Vervolgens komen we dan toe aan de beantwoording van de hoofdvraag
van deze scriptie: de verklaringsvraag naar de vorming en de aard van
de schisma’s in de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van
de Laatste Dagen in de periode 1844-1860.
Uiteraard zijn hierbij de omgevingsvariabelen van groot belang. Ik heb
laten zien dat de kerk, die ik in paragraaf 2.6.c. getypeerd heb als
een cult volgens de definitie van Stark en Bainbridge, geleid werd volgens
de principes van het charismatisch leiderschap. De plotselinge dood
van de profeet Joseph Smith, jr. had een aantal belangrijke gevolgen.
Eén daarvan was een verstoring van de stabiliteit in de autoriteitsstructuur
van de mormoonse hiërarchie. Een ander gevolg was dat, bij afwezigheid
van een duidelijk aangewezen opvolger of een heldere opvolgingsprocedure,
er een machtsvacuüm was ontstaan. Als ik daarnaast in ogenschouw
neem dat er vele mannen relatief hoge machtsposities bekleedden in de
kerk en dat enkelen van hen ambitieus genoeg waren om de opengevallen
positie als president en profeet in te nemen, is de factor ‘machtsstrijd’
verklaard. Dat deze machtsstrijd ook daadwerkelijk uitbrak, heb ik aangetoond
in hoofdstuk 3.
Echter, machtsstrijd alleen levert nog geen schisma’s op. De volgende
stappen, zoals geformuleerd in hypothesen 2a en 2b, zijn die van een
uitkomst van de machtsstrijd naar vorming van kerkscheuringen. Zoals
ik heb aangetoond in de hoofdstuk 3 waren er vele verliezers in de strijd
om het leiderschap van de beweging. De meest bedreigende van de verliezers
onder de troonpretendenten, Sidney Rigdon, James Jesse Strang en iets
later Lyman Wight, werden al spoedig door Young en het Quorum van de
Twaalf Apostelen geëxcommuniceerd en vormden hun eigen mormoonse
kerk, daarbij een beroep doend op opvolgingsclaims, die bij gebrek aan
een duidelijk aangewezen opvolger of een procedure daarvoor, in grote
getale voorhanden waren.
Hoewel het minder helder is, ligt de verklaring voor de latere schisma’s,
de Gereorganiseerde Kerk en de groep rond Alpheus Cutler, eveneens in
de interne machtsconflicten. Deze echter speelden over een langere tijd
en de leiders van de moederkerk hadden er belang bij om deze groepen
zo lang mogelijk binnenboord te houden.
Wat de aard van de schisma’s betreft kunnen we eveneens kort zijn.
Ik heb in paragraaf 1.4 voorgesteld om de aard van de mormoonse schisma’s
in de periode 1844-1860 tussen twee ideaaltypische groepen te benoemen,
te weten accommodation movement en sekte. In het bovenstaande heb ik
aangetoond dat drie van de vijf groepen het karakter van een accommodation
movement hadden aangenomen en dat zeker één van de twee
anderen het karakter van een sekte kreeg. Voor alle groeperingen geldt
dat ze de investeringen van hun rekruten in de ‘oude’ kerk
tot op zekere hoogte veiligstelden, door vast te houden aan een bepaalde
vorm van mormoonse theologie. Bovendien werden nieuwe bekeerlingen veelal
in familie- of vriendschapgroepen geworven.
Kort gezegd: de vorming en de aard van de schisma’s in de Kerk
van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen kunnen we verklaren
door een, eerst hevige en vervolgens sluimerende, machtsstrijd, die
over een langere periode tot diverse schismatische groeperingen leidde,
welke zich op verschillende wijzen positioneerden ten opzichte van de
omliggende sociaal-culturele wereld, waarbij ten allen tijde de investeringen
van de leden in de moederkerk tot op zekere hoogte veilig werden gesteld.
Tenslotte wil ik nog opmerken dat het hierboven geformuleerde antwoord
op de hoofdvraag van deze scriptie voldoet aan wat ik verwachtte en
schematisch heb geponeerd aan het eind van paragraaf 1.4.
Discussie
In de inleiding en hoofdstuk 1 heb ik diverse malen gesproken over
de aanwezigheid van sociale scheidingen. In het onderzoek bleek dat
het bestaan van deze sociale scheidingen moeilijk aan te tonen was.
Dit is vooral te wijten aan een gebrek aan historisch-sociologisch onderzoek
naar de sociale compositie van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen
van de Laatste Dagen en van de groeperingen die hieruit voortkwamen
in de periode 1844-1860.
Niettemin zijn er wel degelijk aanwijzingen te vinden met betrekking
tot de sociale scheidingen. Zo is het aantoonbaar dat het verzet tegen
de polygame praktijken een scheuring veroorzaakte binnen de mormoonse
elite en de rank-and-file gelovigen, waarbij de pro-polygamisten binnen
de Kerk bleven, omdat deze onder leiding van Brigham Young aan de praktijk
bleef vasthouden, terwijl anti-polygamisten zich konden aansluiten bij
protestbewegingen die schisma’s werden. Een andere vorm van sociale
scheiding kan gevonden worden op het geografische vlak. Toen het merendeel
van de mormonen zich gevestigd had in wat later Utah zou worden, waren
er nog groepen mormonen achtergebleven in het oosten en Midwesten van
de Verenigde Staten. De geografische afstand tot de mormoonse leiders
kan gezorgd hebben voor een (op zijn minst) mentale breuk van de ‘achterblijvers’
met de bulk van de geloofsgenoten. Ook een wat banalere, maar daarom
niet minder belangrijke, vorm van onderscheidingen tussen groepen kan
gezien worden als sociale scheiding. Familie- en vriendschapsrelaties
bleken een factor te zijn om zich al dan niet aan te sluiten bij een
schismatische groepering, of lid te blijven van de ‘grote’
mormoonse kerk. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de families Rigdon
en Smith en de groep van zo’n veertig families die loyaal bleven
aan Alpheus Cutler.
Afgezien van de problemen met het concept ‘sociale scheiding’,
ben ik van mening dat deze scriptie de studie naar het ontstaan van
de mormoonse sekten in een nieuw daglicht heeft gesteld. Daarmee bedoel
ik dat ik niet alleen een beschrijving en interpretatie heb gegeven
van deze sekten (traditioneel de werkwijze van de (godsdienst)historicus),
maar tevens heb geprobeerd deze te verklaren met behulp van een theoretisch
model. De meerwaarde van deze scriptie is dus niet zozeer gelegen in
het historisch onderzoek, maar vooral in de toepassing van de rationele
keuze theorie in de vorm van Stark en Bainbridge op het historische
geval. Met deze theorie als leidraad ben ik gekomen tot een verklaring
van historische gebeurtenissen en daarin ligt mijns inziens de kracht
van al het bovenstaande.
Een ander probleem, dat ik ook al genoemd heb in mijn inleiding, ligt
op het gebied van het literatuuronderzoek. Door de afwezigheid van voor
het onderwerp belangrijke literatuur in Nederland is de informatie over
de schismatische groeperingen hier en daar wat te schetsmatig. Desalniettemin
zijn er naar mijn mening voldoende aanwijzingen en bewijzen om de hypothesen
grotendeels te bevestigen en de hoofdvraag van dit werkstuk te beantwoorden.
Aan de andere kant moet ik bekennen dat ik voor het onderzoek voor deze
scriptie zeer geprofiteerd zou kunnen hebben van een langdurig verblijf
in de Verenigde Staten en toegang tot diverse archieven, bijvoorbeeld
die van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen
in Salt Lake City en Provo, Utah, die van de Community of Christ, in
Independence, Missouri, en verschillende stads- en countyarchieven in
Wisconsin, Texas, Iowa en Ohio. Het lijkt me evident dat er nog veel
werk moet gebeuren willen de schisma’s in de mormoonse kerk in
de periode 1844-1860 afdoende beschreven en verklaard zijn. Niettemin
hoop ik met deze scriptie hiertoe een aanzet te hebben gegeven, die
navolging zal krijgen.
Deze laatste opmerking geldt ook in een groter verband. Mormon studies,
zoals de bestudering van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen
van de Laatste Dagen in de Verenigde Staten heet, bestaat in Nederland
niet of nauwelijks. Bij mijn weten zijn slechts twee Nederlandse onderzoekers
in het laatste decennium bezig geweest met de mormonen, dr. Wouter van
Beek (zie de bibliografie hieronder) en dr. Henri Gooren (die in 1998
gepromoveerd is op een onderzoek naar de rol van de kerk in Latijns
Amerika). Dit zijn er mijns inziens te weinig en wel om twee redenen.
Ten eerste, de opmerkingen van Rodney Stark dat we getuige (kunnen)
zijn van de opkomst van een nieuwe wereldreligie indachtig, verdient
de studie van het mormonendom meer aandacht. Er ligt een unieke kans
om de opkomst van een nieuwe, belangrijke speler op de internationale
geloofsmarkt te onderzoeken en de Nederlandse godsdienstwetenschap en
–sociologie hebben deze kans tot nu toe laten liggen. Met name
de significante groei van de kerk in Latijns-Amerika en in Azië
verdient beschrijving en verklaring. De merkwaardige positie van de
mormoonse theologie, met aan de ene kant een gecultiveerd zelfbeeld
van een religie die in essentie Amerikaans is en een sterke nadruk legt
op de rol die de Verenigde Staten speelt in de eschatologie en aan de
andere kant de aspiratie van de kerk om een internationale kerk te zijn,
verdient nader onderzoek. Hierbij moet aandacht besteed worden aan de
aantrekkingskracht die de kerk heeft voor zowel Amerikanen als West-Europeanen,
Aziaten en Zuid-Amerikanen. Anders gezegd moet de vraag gesteld worden
naar de positionering van het religieuze produkt ‘mormonendom’
in de internationale religieuze markt. Ook de beschrijving en verklaring
van meer recente mormoonse schismatische groeperingen verdient hierbij
de aandacht. Dat de rationele keuze theorie van religie in de vorm zoals
die wordt voorgestaan door Rodney Stark, William Bainbridge en anderen,
een uitstekend uitgangspunt biedt voor een dergelijk onderzoek behoeft
hopelijk, gezien het bovenstaande, geen verder betoog.
Een tweede reden om de aandacht te vestigen op Mormon Studies is het
gebrek aan wetenschappelijk onderzoek naar de geschiedenis, het heden
én de toekomst van de mormoonse kerk in Nederland. Hoewel er
al vanaf 1862 mormoonse missionarissen in Nederland aanwezig zijn (de
uit Franeker afkomstige en in Liverpool bekeerde A. van der Woude was
de eerste, samen met een onbekende Duitser die het Boek van Mormon in
het Nederlands vertaalde), is er (bij mijn weten) nog nooit een uitgebreide
godsdienstsociologische studie gedaan naar de geschiedenis van de Kerk
van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen in Nederland.
Bovendien zijn de aanwijzingen voor de positie van de kerk op de Nederlandse
geloofsmarkt conflicterend. Aan de ene kant is er onlangs een nieuwe
tempel geopend in Zoetermeer en worden er nog steeds missionarissen
naar Nederland gezonden, maar aan de andere kant lijkt het erop dat
de groei van de kerk in Nederland zijn momentum heeft verloren. Nog
afgezien van enkele resten van de Gereorganiseerde Kerk, bijvoorbeeld
in Rotterdam, Leeuwarden en Zwaagwesteinde, zijn er verschillende redelijk
grote gemeenten in Nederland, maar de rek lijkt er bij deze groep grotendeels
uit. De vragen die Nederlandse godsdienstwetenschappers en –sociologen
zich zouden moeten stellen zijn dan ook: Hoe staat het met het mormonendom
in Nederland? Hoe kunnen we het veronderstelde gebrek aan groei verklaren,
zeker gezien het relatief grote succes van de mormonen in Scandinavië,
Groot-Brittannië en Duitsland? Welke voorspellingen kunnen we doen
over de toekomst van de mormoonse kerk in Nederland? Zal ze uitsterven,
zal haar positie in de Nederlandse geloofsmarkt gelijk blijven of kunnen
we een nieuwe groei verwachten? Ook hierbij zou het rationele keuze
paradigma een theoretische en empirische leidraad kunnen zijn.
BIBLIOGRAFIE
Ahlstrom, Sidney, A Religious History of the American People, Garden
City 1975.
Allen, James B., Ronald W. Walker & David J. Whittaker, Studies
in Mormon History, 1830-1997: An Indexed Bibliography, Urbana &
Chicago 2000.
Arrington, Leonard J., Brigham Young: American Moses, New York 1985.
Arrington, Leonard J. & Bitton, Davis, The Mormon Experience: A
History of the Latter-day Saints, New York 1979.
Baer, Hans A., Recreating Utopia in the Desert: A Sectarian Challenge
to Modern Mormonism, Albany 1988: IX-42.
Bainbridge, William S., The Sociology of Religious Movements, New York
& London 1997.
Bednarowski, Mary Farrell, New Religions and the Theological Imagination
in America, Bloomington & Indianapolis 1989.
Beek, Wouter E.A. van, “Chiliasme als identiteit: De Heiligen
en hun allerLaatste Dagen”, in: Lammert Gosse Jansma en Durk Hak
(red.), Maar nog is het einde niet: Chiliastische stromingen en bewegingen
bij het aanbreken van een millennium, Amsterdam z.j.:117-137.
Beek, Wouter E.A. van, Pathways of Fundamentalisation: The Peculiar
Case of Mormonism, ongepubliceerd artikel.
Berger, Peter L., Het Hemels Baldakijn, Utrecht 1969.
Bitton, Davis, Historical Dictionary on Mormonism, Lanham, Maryland
& London 2000.
Bloch, Ruth, Visionary Republic: Millennial Themes in American Thought,
1756-1800, Cambridge 1985.
Brooke, James, “Utah Struggles with a Revival of Polygamy”,
New York Times, Aug. 23, 1998, section 1: 12.
Brooke, John L., The Refiner’s Fire: The Making of Mormon Cosmology,
1644-1844, Cambridge 1994.
Bushman, Richard L., Joseph Smith and the Beginnings of Mormonism,
Urbana 1984.
Butler, Jon, Awash in a Sea of Faith: Christianizing the American People,
1550-1865, Cambridge 1990.
Finke, Roger and Rodney Stark, The Churching of America, 1776-1990:
Winners and Losers in Our Religious Economy, New Brunswick 1992.
Foster, Lawrence, “James J. Strang: The Prophet Who Failed”,
in: Church History, Vol.50, no. 2 (1981): 182-192.
Furniss, Norman F., The Mormon Conflict, 1850-1859, New Haven 1960.
Giddens, Anthony, Capitalism and Modern Social Theory: An Analysis
of the Writings of Marx, Durkheim and Max Weber, Cambridge 1996.
Hark, Durk H., “Rational Choice Theory”, in: William H.
Swatos (ed.), Encyclopedia of Religion and Society, Walnut Creek 1998:
402-403.
Hak, Durk H., Stagnatie in de Nederlandse Godsdienstwetenschap 1920-1980:
De bijdrage van Gerardus van der Leeuw, Fokke Sierksma en Theo P. van
Baaren aan de godsdienstwetenschap, Amsterdam 1994: 1-9, 193-208.
Hall, Timothy D., Contested Boundaries: Itinerancy and the Reshaping
of the Colonial American Religious World, Durham 1994.
Hatch, Nathan O., The Democratization of American Christianity, New
Haven & London 1989.
Hirschmann, Albert O., Exit, Voice, and Loyalty: Responses to Decline
in Firms, Organizations, and States, Cambridge 1970.
Jorgensen, Danny L., “Building the Kingdom of God: Alpheus Cutler
and the Second Mormon Mission to the Indians, 1846-1853”, in:
Kansas History 15 (Autumn 1992): 192-209.
Jorgensen, Danny L., “Conflict in the Camps of Israel, The 1853
Cutlerite Schism”, in: Journal of Mormon History Vol.21 (spring
1995): 25-64.
Jorgensen, Danny L., “Cutlers Camp at the Big Grove on Silver
Creek: A Mormon Settlement in Iowa, 1847-1853”, in: The Nauvoo
Journal, Vol.9, no.2 (fall 1997): 39-51.
Jorgensen, Danny L., “The Cutlerites of Southwestern Iowa: A
Latter-day Saint Schism and its Role in the Early Settlement of Iowa”,
in: The Annals of Iowa 58 (spring 1999): 131-161
Jorgensen, Danny L., “The Fiery Darts of the Adversary: An Interpretation
of Early Cutlerism”, in: John Whitmer Historical Association Journal,
Vol.10 (1990): 67-83.
Kranenborg, R. (red.), Religieuze Bewegingen in Nederland 16: De Kerk
van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen – Summit
Lighthouse, Amsterdam 1988: 7-81.
Leone, Mark P., The Roots of Modern Mormonism, Cambridge & London
1979.
Marang, Gerardus Pieter, De Zwijndrechtse Nieuwlichters, Utrecht 1980.
Mauss, A., The Angel and the Beehive: The Mormon Struggle with Assimilation,
Chicago 1994.
McLoughlin, William, Revivals, Awakenings and Reform: An Essay on Religion
and Social Change in America, 1607-1977, Chicago 1978.
Melton, J. Gordon, “Introduction”, in: Timothy Miller (ed.),
When Prophets Die: The Postcharismatic Faith of New Religious Movements,
Albany 1991: 1-12.
Melton, J. Gordon, The Encyclopedia of American Religions, Volume 2,
Wilmington 1978: 1-21.
Mullen, Robert, The Mormons, London 1967.
Musolf, Gil Richard, Structure and Agency in Everyday Life: An Introduction
to Social Psychology, New York 1998.
Noll, Mark A., A History of Christianity in the United States and Canada,
Grand Rapids 1992.
O’Dea, Thomas F., The Mormons, Chicago & London 1957.
Ostling, Richard N. & Ostling, Joan K., Mormon America: The Power
and the Promise, New York 1999.
Quinn, D Michael, On Being a Mormon Historian, http://www.xmission.com/~country/reason/mormhist.hmt,
9 april 2002
Quinn, D. Michael, The Mormon Hierarchy: Extensions of Power, Salt
Lake City 1997.
Riegel, O.W., Crown of Glory: The Life of James J. Strang, Moses of
the Mormons, New Haven 1935.
Roof, Wade Clark en William McKinney, American Mainline Religion: Its
Changing Shape and Future, New Brunswick & London 1987.
Shields, Steven L., “The Latter Day Saint Churches”, in:
Timothy Miller (ed.), America’s Alternative Religions, Albany
1995: 47-59.
Shields, Steven L., “The Latter Day Saints Movement: A Study
in Survival”, in: Timothy Miller (ed.), When Prophets Die: The
Postcharismatic Faith of New Religious Movements, Albany 1991: 59-77.
Stark, Rodney en William Sims Bainbridge, A Theory of Religion, New
Brunswick 1987.
Stark, Rodney, “A Theory of Revelations”, in: Journal for
the Scientific Study of Religion, Vol.38, no.2 (1999): 287-308.
Stark, Rodney, “Bringing Theory Back in”, in: Lawrence
A. Young (ed.), Rational Choice Theory and Religion: Summary and Assessment,
New York & London 1997: 1-23.
Stark, Rodney, “Modernization and Mormon Growth: The Secularization
Thesis Revisited”, in: Marie Cornwall, Tim B. Heaton & Lawrence
A. Young (eds.), Contemporary Mormonism: Social Science Perspectives,
Urbana & Chicago 1994 :13-23.
Stark, Rodney en William Sims Bainbridge, The Future of Religion: Secularization,
Revival and Cult Formation, Berkeley, Los Angeles & London 1985.
Stark, Rodney, “The Rise of a New World Faith”, in: Review
of Religious Research, Vol.26, No.1 (September 1984): 18-27.
Van Wagoner, Richard S., Mormon Polygamy: A History, Salt Lake City
1989.
Wallis, Roy, “The Social Construction of Charisma”, in:
Social Compass, XXIX/1 (1982): 25-39.
Wallis, Roy, Salvation and Protest: Studies of Social and Religious
Movements, London 1979.
Wallis, Roy en Steve Bruce, Sociological Theory, Religion, and Collective
Action, Belfast 1986.
Warner R. Stephen, “Work in Progress toward a New Paradigm for
the Sociological Study of Religion in the United States”, in:
American Journal of Sociology 98 (1993): 1044-1093.
Weber, Max, Soziologie, Universalgeschichtliche Analysen, Politik,
Stuttgart 1973.
Wilentz, Sean & Paul E. Johnson, The Kingdom of Matthias, New York
1994.
Winn, Kenneth H., Exiles in a Land of Liberty: Mormons in America,
1830-1846, Chapel Hill & London 1989.