
Adrian Hekking (8jr.)
Lente 1942
noot van de MVG redaktie:
Na de Tweede Wereldoorlog emigreerde Adrian
Hekking als kind met zijn ouders naar de Verenigde Staten, en zowel
zijn taalgebruik als spelling van de Nederlandse taal zijn daar getuige
van. Dit aangrijpende relaas werd door Adrian Hekking zelf in het Nederlands
vertaald uit zijn oorspronkelijke
Engelstalige werk, en er is weinig aanleiding om zijn ervaringen
in gangbaar Nederlands en volgens correcte spelling aan te passen, e.e.a.
draagt juist bij aan de tijdgeest van de jaren '40-'45.
Adrian Hekking heeft met 'Heiligen onder Nazi-terreur' op belangrijke
wijze bijgedragen aan de geschiedschrijving van de 'Heiligen der Lage
Landen'.
Alle waardering en respect voor de indrukwekkende wijze waarop broeder
Hekking zijn vaderland in zijn moederstaal indachtig is met dit unieke
document!
Heiligen
onder Nazi-terreur
Nederland 1940-1945
door Adrian Hekking
Dit schrijven is een beknopte vertaling van een boekje door mij in het
engels
geschreven ter herinnering van de nederlandse Heiligen der Laatste Dagen
gedurend het tijdperk 1940-1945, de duitse bezetting. Die uitgave had
vooral in’t
oog de engelslezenden en degene die niet veel wisten van de vreeselijke
toestanden
waarin Nederlanders en trouwen leden van de Kerk zich vonden.
Deze huidige uitgave bevat dus minder beschrijven en diskussie van nederlandse
geschiedenis, de duitse bezetting en andere aspecten die ik noodzakelijk
achtte
voor de engelslezende persoon. Mij dunkt dat Nederlanders een genoegende
kennes hebben van de Hongerwinter, de verradelijke invasie en de bezetting
door
de Duitsers, en hun bijna onbegrensde roof van nederlandsen mensen en
goederen
die zij naar hun Heimath stuurden.
Mijn Vader, moeder en ik woonden in Rotterdam waar mijn vader gemeente
president was. Indertijd waren er geen wijken nog ringen georganizeerd
in Europa
and andere werelddelen alhoewel die al lang in het westen van de V.S.
bestonden.
De geschiedenissen en taferelen die ik beschrijf zijn soms niet complimentaire
jegens een handjevol leden die niet korrect handelden. Daarom noem ik
alleen
maar namen van kerkleden die iets opbouwend, opmerkelijk of bijzonders
gedaan
hebben in het werk van de Heer. Ik noem wel enige leden van mijn familie
die
getuigen waren van de gebeurtenissen die wij tezamen ervaart hebben.
Ik bied
mijn verontschuldiging aan allen die wellicht denken dat iemand met
verdiensten
overgeslagen is.
Wat ik hier schrijf is hoofdzakelijk gebaseerd op mijn eigen ervaring
in Rotterdam
en in omliggende steden en gemeenten. Ik was een enigst kind en mijn
ouders
namen mij mee naar vergaderingen in Rotterdam zowel als Gouda, den Haag,
Schiedam, Amsterdam, Utrecht en Groningen. Wij gingen tezamen overal
heen en
ik zat in een hoekje of een andere onopmerkelijke plaats. Maar, kleinen
kopjes
hebben groten ooren! De konversaties tussen lokale `en zendings` amtenaren
en
amtenaaressen wekte in mij een grote interesse. Ik wist wie niet de
geboden
onderhield, wie met NSBers synpathizeerde, en wat geschiedde in het
noordoosten
van Nederland waar leden voor de duitse militaire installaties het bouwden.
Men
verveelde zich niet by het vijfjaar ongewenst bezoek van de Duitser!.
Daartoe
bestond ook he feit dat mijn vader “niet op zijn mond gevallen”
was Hij uitte zijn
mening aan Jan en alleman. Zulk gedrag werdt niet door de Duitsers geduld.
Niet
alleen de aangeklaagde maar ook leden van families werden regelrecht
gearresteerd, Vaders van gezinnen verdweenden menig maal. Onze Drie
Musketieren mentaliteid richte zich op om ten minste zo vlug als mogelijk
te weten
wat er met een van ons gebeurde door het optreden van de Nazies. Zo
had men
weleens een kans de vermiste persoon op te sporen om mischien een enkele
rijs
naar Duitsland vermeiden. Als Papa alleen op voet ging, rilden mijn
moeder en ik
met“vrees en beving”.
Mijn vader was een verver die haast altijd arbeidsloos was gedurend
de
ekonomische Wereldkrisis die in ongeveer 1930 begon. Op een dag ontmoette
hij
toen op de straat onze zendingspresident, T. Edgar Lyon, die hem vroeg
of hij ons
gebouw in de Sint-Jan-Straat
zou willen verven. Hij nam natuurllijk dit voorstel
zonder aarzel aan want ook bij ons was Schraalhans keukenmeester.
Daarna had hij de gelegenheid te werken aan de constructie van het kerkgebouw
op de Bas-Jungerius-Straat te Rotterdam-Zuid. Het gebouw was niet een
zaaltje
maar een echte mormoonse kerk zoals men in dertijd in Utah zag. Men
ziet dus
dat toen al het Welvaartsplan van de Kerk zich ook in aktie uitrekte
naar
Nederland om leden zelfstandig te maken. Het bouwen van een kerk in
Overmaas
was wel een vraagstuk voor sommige leden want het lidmaatschap dat zich
in het
noorden vargaarde was wel twee keer zo groot als dat in het zuiden.
Het duurde
niet lang tot men de hand van God in deze beslissing zou zien!
Het Eerste Presidentschap en de Apostelen beseften heel goed dat een
oorlogIn
Europa uit zou breken. In October van 1939 riepen zij alle amerikaanse
zendelingen en hun president terug naar de V.S. Een zendingsbestuur
van lokale
broeders en zuster werdt terzijde gesteld als volgends:
1. Jacob Schipaanboord, interim president; A.D. Jongkees, 1ste
Raadgever; Pieter Vlam, 2de Raadgever; Jacob Schipaanboord Jr., sekretaris.
2. ZHV: G Zippro, presidente;
F Kemker, secretaresse.
3. Jonge Mannen OOV, Johan W Rozenmond, president.
4. Jonge Vrouwen OOV, Agnes Alkema
5. Jeugdwerk: P.C. Belt-Nykiel; C. Romeyn-Kwawegen:
Emma Oehlke.
6. Genealogie: G Riebeek, Jantje Copier; G Diender.
Deze waren de trouwe en stoutmoedigen werkers van de wijngaard des Heeren
in
Nederlands. Helaas waren Broeders Jongkees en Vlam officieren van de
Nederlandse Marine. Zij werden na Nederlands nederlaag eerst geinterneerd
en
later menig maal in Krijggevangingschap gesteld. Dit was natuurlijk
een grote slag
voor de zendingspresident interim. Daar Broeder Schipaanboord niet hogepriester,
en hoogstwaarscheinlijk niet, gedoteerd in de temple was, vermoed ik
dat hij de titel
van Acting President droeg welke ik als President Interim of voorloping
heb
vertaald.
Het vertrek van amerikaanse zendelingen was ook een groot verlies, voorall
in de
kleineren gemeenten. Daar waren zij de presidenten, huisbezoekers, zendelingen,
enzv.
Een ouderling heefd het gezag om in en over een gemeente te presideren.
Daar er
geen wijken nog ringen in’t land waren, was het amt van hoge priester
niet
noodzakelijk in eenheiden van de kerk in Nederland. Aaronische priesterschap
dragers werden verhoogd tot het Melchizedekse Priesterschap omdat zij
nodig
waren als presidenten Teruggekomen zendlingen die hun roeping in Nederland
ontvangden waren ook een bron van ouderlingen. Volwassen mannen, sommige
in
hun vijftigste en zestigste jaren, waren gemachtigt te dopen, onderwijzen,
prediken,
het avondmaal bedienen, enzv.
In tegendeel, werden in Amerika jonge mannen tot diakenen, leraren en
priesters
verordineerd. Ik denk dat deze praktijk niet in Nederland werdt uitgeoefend
voor
kulturelen redenen.
Zo ver als ik weet was er maar een hoge priester (een persoon die in
Utah
verodineerd werdt) in de ganse zending.. Deze persoon achte zich als
meer gezag
hebbend dan de interim en stelde zich in oppositie tegen de huidege
wettelijke
zendingspresident. Ten slotte werdt hij afgesneden maar werdt na de
oorlog in ere
hersteld omdat ouderlingen geen hoge priester afsneiden kunnen en omdat
hij door
de duitse bezetting verhinderd was zich bij het eerste presidentschap
te beroepen.
Daar was weinig twijfel dat de Duitsers ons land aanvallen zou. Dit
gebeurde 10
Mei 1940. Op 14 Mei werdt Rotterdams binnenstad plat gebombardeerd..
Ons
gebouw in de Sint-Jan-Straat werdt vernietigd. He was wel oud en in
de
achterbuurt maar daarintegen beschikte het een tamelijk grote vergaderingzaal,
genoeg klassen en een doopfont. Een groter dan levensgroot schilderij
van Joseph
Smith en de engel Moroni pronkte aan een van de wanden. Mijn opa, een
de
raadgevers van de gemeente Rotterdam-Noord, bezocht de huishoudens van
de
leden en met grote vreugde konstateerde hij dat alle nog in’t
leven waren,
Na twee of drie weken, toen alles min of meer geregeld was, hielden
wij kerk in
een zaal van een patriotische vereniging “Vaderland Getrouw”
genaamd Er waren
ook drie kamertjes die men voor klassen gebruikten. Het was bijna onmogelijk
een
programma van Zondagschool, ZHV, OOV, Jeugdwerk, Koor en diverse andere
aktiviteiten te volgen. Met de grote verwoesting der stad en met de
roekeloze
wijze waarmee de Duitsers alles wat nog overbleef voor hun gebruik voorderden
werdt het duidelijk klaar dat een ander mogelijkheid gevonden moest
worden. Na
het bombardement en tot het einde van de engelse bombardementen die
duurde
totdat de Slag voor Brittanje eindigde, vluchten verscheidenen gezinnen
naar
elders. Als deze leden vernaamden dat hun huis woonbaar was en dat alles
in
Rotterdam weer een beetje beter ging keerden zij weer. Elektriciteit,
het trammetje,
spoorwegen, enzv waren aanwezig..
Met het terugkeeren van transportatie werdt het mogelijk dat ook de
leden van
Rotterdam-Noord zich konden vergaderen in het vier-jaren oud gebouw
in in’t
zuiden. De twee gemeenten werden verenigt en mijn vader werd de nieuwe
gemeentepresident van de Rotterdamse Gemeente.
Maar allles bleeft niet geur en kleur in Nederland. De Duitsers organizeerde
hun
Arbeitsdienst. Dit bedoelde dat iedere arbeidloze zich melden moest
bij deze
instantie. Men kon geen werkaanbod weigeren. Het maakte geen verschil
of het
aanbod in Nederland of in’t buitenland was. Tenvolge liep het
aantal mannen die als
werkers in Duitsland verbleven langzaam maar zeker op. Het gevolg daarvan
was
een verlies van priesterschapdragers. Enige leden hadden zich eigenlijk
niet voor
het evangelie maar wel voor de nu afwezende amerikaanse zendlingen bij
de kerk
aangesloten en waren niet langer aktief in de Kerk.
De bezetting was natuurlijk zeer onaangenaam voor meesten Nederlanders.
Wie will
nota bene dat vreemdelingen volk en land beheersen? Maar de stemming
van de
bevolkering was nogal matig. Algemene ontevredenheid in alle opzichten
heersten
nog niet. Relletjes of demonstraties waren sporadisch, Voedsel en kleding
van
nederlandse afkomst, alhoewel geransioneerd, waren in redelijke mate
verkrijgbaar.
Leden die het Woord van Wijsheid onderhielden hadden een bijzonder voordeel.
Mensen die tabak, koffie, tee en sterke drank gebruikten ruilden heel
graag hun
voedsel en kleding bonnetjes voor zulke waren. Ook kregen tabak, tee,
en koffie
minder werkelijke waarde omdat zij surrogaat werden. Daar deze waren
meer kostten
dan voedsel, hadden de gelovigen ook meer geld over en konden dus voedsel
en zelfs
ook kleding “op de bon” of bij de zwarte handel kopen. Daar
was aardig veel geld in
omloop. Lonen waren goed.
Maar de bezetter had verschrikkelijke plannen voor Nederland. Een ketting
van
gruwel ontstond en begon met de NSB gevolgd door de W.A.(Weer Afdeling),
Hulppolitie, Gruene Polizei, Feldgendarmerie, Gestapo en Sicherheitsdienst.
Moderne
dienders van Hermandad, de broederschap van de Spanse Inquisitie.
Joden waren haar eerste en belangrijkste doel. De vervolging en vernieteging
van
Joden was natuurlijk anathema voor alle Christenen en vooral bij Mormonen
wiens
leer zo sterk gebonden is met het Huis van Israel. Daar waren NSB leden.
Sommige waren doodgewoon, andere fanatiek. Andere leden waren
kollaborateurs. Helaas hoorde ik niet van zulke personen die met het
begin van
Jodenvervolging hun pad veranderden.
De Duitsers verklaarden Joden als ondermensen. Zij moesten een gele
ster op hun
borst dragen. Een ieder die met Joden vriend waren kregen moeilijkheden
met de
overheid. De situatie werdt zo erg en elendig dat menige hen totaal
schuuwden.
Tog waren er mensen die voor Abrahams kinderen zorgden, vochten, en
voor hen
de arbeid staakten. Helaas waren er mensen, zelfs in de kerk die hun
landgenoten
verraadden, Jood of Niet-Jood..
Mijn vader en een broeder Rossaert, beide wonend in Rotterdam-Zuid,
waren na
zangoor repetitie op de tram en opweg naar huis. Niet ver van hen zaten
twee
heren in gesprek. Hun praten werdt luider en luider en zij begonnen
te mopperen
om de NSB-ers en de Duitsers. Ongeveer vijf minuten later stapten twee
andere
personen in de tram. Zij waren in burger kleding maar men kon zien dat
zij iets met
de politie te doen hadden. Een van de twee heren beschuldige opeens
de andere
van opstand tegen nationaal socialisme. Daar volgde diskussie en verhoor
op de
tram. Een agent vroeg aan mijn vader of hij mopperen tegen het nationaal
socialisme had gehoord.
Zijn antwoord was “neen, ik heb niets gehoord”.
Plotseling sprong de aangeklaagde op en zei:
“Hij liegt, ik heb het wel gezegd en hij heeft het moeten horen.”
Mijn vader antwoorde:
“Dan bent u in tegenspraak met uw eigen woorden. Eerst beweerde
u eerst dat u
helemaal niets van opstand gezegd nog opgehitst had. Nu beleid u dat
u alles hebt
gezegt waarvan u aangeklaagd wordt”
Zijn antwoord was:
“U bent onder arrest”.
Het was onmiddelijk klaar dat hij het doel van een foef was. Om ongeveer
10 uur ‘s
avonds werden mijn vader en Cor Rossaert van de tram genomen. Haast
onmiddelijk daarna verscheen een overvalwagen die hun naar het politie
station van
Charlois bracht. De hele zaak was volgends plan en een laffe provokatie
van
huichelarij en bedrog. Om twaalf uur werdt de wacht gewisseld. Een agent
kwam
in hun cel in lijdde de twee gevangene door de achterdeur naar buiten.
Gode zij
dank waren er nog ware nederlanders. Mijn vader kwam pas om twee uur
in de
morgen thuis. Zij moest lopen. De trammen gingen niet na middernacht.
Nadat de Japanezen op 7 December 1941 Pearl Harbor aanvielen verklaarde
Hitler
de Oorlog tegen de Vereenigde Staten. President Schipaanboord vertelde
mijn
vader dat hij wenste dat wij naar de kerk in’t Zuiden verhuisden.
Het gebouw vond
zich 80 procent van de tijd leeg, was het ijgendom van een organizatie
uit een
vijandelijk land en stond dus ten prooi voor wat ook de Duitsers ermee
wilden
doen. Het had alreeds een keuken en twee klaslokalen werden een woonkamer
waarin ik op een divan slaapte. Mijn ouders hadden in het andere lokaal
hun
slaapkamer. Een tramhalte en noodzakelijke waren dichtbij. De snelle
trammen
waren schoon en hadden geschikten verbindingen. De noodzakelijke transportatie
van voorige gemeente-zuid werdt niet veranderd. Die van de noord mensen
was
ook goed geschikt alhoewel zij langer duurden daar voor menigen een
“overstapje”
nodig was.
Een klein aantal leden woonden buiten de stad. Een gezin woonde in de
buurt van
Terbregge. Een andere familie woonde in Smitshoek. Een echtpaar uit
Schiebroek
reed op een tandum gevolgd door hun vijf kinderen of hun eigen fietsen.
Een oude
man uit het Westen die door suikerziekte beide benen had verloren reed
op een
driewielig vaartuig wiens ketting diende als stuur zowel als beweegkracht.
Hij
moest de ketting zijn twee handen draaien om voort te gaan. De leden
die in het
Westen woonden kregen het grootste nadeel omdat ze eerst in oostelijke
richting
moesten reizen, dan over de Maasbruggen heen, en dan weer op ongeveer
de zelfde
afstand als die van de eerste etappe in een westerlijke richting naar
de kerk.
.
De Zondags vergaderings uren waren toen anders dan heden. In de morgen
begon
het met priesterschap vergadering om 8:00 en eindigdn om 9:00 uur. Zondagschool
ging van 10:00 to 11:30 uur. Avondmaals vergadering was van 6:00 to
7:30 uur.
De Sabbat was meer een geestelijke dan lichamelijke dag van rust. ZHV
was
Dinsdagmiddag, jeugdwerk woensdagmiddag, OOV Woensdagavond, en Zangkoor
repetitie Dondersdagavond. Deze muzikanten waren de trots van Rotterdam.
Zij
vertoonden hun kunst niet alleen in onze gemeente maar ook in de gemeenten
van
Arnhem, Utrecht en den Haag.
Kerkdiensten hadden toen weinig konkurentie. Luisteren naar en het bezit
van een
radio was verboden. Televisie bestond nog niet. Dus, het bijwonen van
vergaderingen en andere aktivitijten gingen omhoog. Mensen klopten aan
de deur
om na het evangelie te vragen. Meer en meer bekeerlingen kwamen tot
de Kerk.
De vergaderingszaal had voraan het podium met zittingen voor bestuur,
sprekers,
zangkoor, enzv. Achteraan was een tooneel. Tussen de twee in het midden
van de
zaal liep een serie van harmonicadeuren. Deze deuren werden weggeruimd
omdat
het aantal bijwoners zo hoog steeg dat ook het tooneel voor zitplaatsen
nodig was.
Bij het stijgen van de vreedheid des vijands, stijgde ook de aktiviteiten
van de Kerk.
Menige leden leefden alleen maar voor de Kerk.
Trots de vijandschap tussen Nederland en Naziisme trachtten wij als
Christenen op
te treden tegen duitse militairen leden die soms de kerk bezoekten.
Soms lieten wij
hen zelfs spreken. Er waren leden die duits spraken en als tolk dienden.
Ik nog
twee ervan. Een was in de Kriegsmarine, de andere, in de Wehrmacht.
De matroos
was fanatiek en sprak over het euvel van het communisme. De andere was
een
doodgewone nederige soldaat die in tegendeel sprak van het evangelie
en Gods
liefde. De zelfde liefde heerste ook na de oorlog toen onze leden een
paar jaren lang
aardappelen en haring naar hongerige en armzalige Duitsers stuurden
of zij leden
van de Kerk waren of niet.
.
De liefde was niet altijd aanwezend, zelfs niet in de Rotterdamse gemeente.
Tegenwoordig heeft haast iedere persoon een cel. Gedurend de bezetting
was het
aantal telefoon apparaten in Nederland heel gering. Alleen die “op
stand” woonden
zulke gerieven. Andere lui gingen vaak op de bonne fooi op bezoek. Ook
stuurde
men een briefje of postkaart om een afspraak te maken of om een boodschap
te
brengen, enzv. Kinderen werden vaak gebruikt als boodschappers.
Op een Zondag morgen een zoon van een niet-aktief NSB gezin in zijn
Hitlerjeugd
pakje met een dolk uitgerust wilde de vergaderingszaal intreden om zijn
grootvader
een boodschap van de jongen’s ouders te leveren. Zondagschool
was al begonnen.
De nogal oude aaronische priesterschap drager bij de deur wilde hem
niet inlaten
omdat hij gewapend was. Na een korte, maar hete, diskussie werdt de
gemeente
president van het podium geropen om met de jongen te spreken. Deze zei
dat de
jongen in zijn uniform in de zaal kon gaan maar verzocht dat de knaap
zijn dolk in
het gemeentekantoor opsluiten liet. Dit wilde de kleine soldaat niet
doen alhoewel
hij erop attent gemaakt werdt dat duitsen militairen dit verzoek vereerden.
The jonge held liep kwaad weg en ging naar huis terug om zijn ouders
te vertellen
dat hij was verhinderd de zaal in te gaan en konde dus niet zijn opa
de boodschap
leveren. Zijn moeder was woedend en klaagde president Hekking aan bij
de
Sicherheitsdienst. Het duurde niet lang voordat Broeder Hekking op het
matje
geroepen werdt. Onder het verhoor dat volgde werdt hij streng en brutaal
behandeld.
Daarna werdt hij verteld om naar huis te gaan en dat hij wel weer terug
zou moeten
komen omdat zij de aanklager en andere getuigen ook nog wilden spreken.
Het
eerste en twede gehoor gingen om de beschuldeging dat president Hekking
zonder
ja of boe ingang tot de zaal verweigerd had. De verhoren waren half
in’t duits en
half in’t nederlands. Mijn vader hoorde iedere keer het zelvde
liedje: “Haben Zie
dass nicht gesagt?”
Met het derde verhoor kwam een nieuwe ondervrager die waarscheinlijk
verfijnd
en van hogere rang was. Hij behandelde meer respekt en groter intellekt..
Hij vroeg
hoe de kerk georganizeerd was en of de gevangene prediker was. Deze
vraag
werdt geloof ik gesteld om te bepalen of hij een bona fide “voorganger
der
Mormonen Kerk” was. Deze titel was opgeschreven in zijn Ausweiss
in het vakje
voor beroep.
Omdat hij met andere geestelijke in Overmaas lid was van een organizatie
ter hulpe
van lieden die huizeloos waren, psychologische en materiele steun nodig
hadden, en
voedsel verzorgen voor degene die speciale dieeten hadden. Men moet
rekening
nemen dat vele mannen niet thuis waren omdat zij in Duitsland werkten
of
onderduikers waren. Onder de invloed van diverse geestelijke genemigde
de
burgelijke stand een verandering in zijn ausweis van “verver”
naar voorganger.
De bevrager wilde ook weten of er tegen he nationaal socialisme gepredikt
werd,
hoe de kerkdienst verliep, en wat wij geloofden. In de loop van de conversatie
leerde hij dat President Hekking niet de enigste persoon was die predikte
en dat er
zelfs Duitsers ook het woord voerden. Hij vroeg onmiddelijke namen en
militaire
“Feldpostnummer” en zei: “Kommen Sie zurueck in zwei
wochen.”
Toen de twee weken op waren en mijn vader zich meldde werdt hij gegroet
met
een: “Guten Tag Herr Hekking, allees ist gut,. Sie koennen gehen,
Auf
Wiedersehen”.
Men vraagt zich nu nog: “wat had zich laten gebeuren als hij als
verver en niet als
voorganger beschouwd werdt?”.
Het eeuwenlang idee dat een kerk een toevlucht was, telde niet meer.
De Duitsers
zoekten al meer en meer op mannen naar Duitsland en ook naar plaatsen
waar de
Atlantik Wall werdt aangelegd te sturen. In huizen, kerken en andere
gebouwen,
zelfs ook op het trottoir werden mannen gezocht in immer groter getallen.
De houding van Duitser werd nog erger onsympathiek en koesterde fel
hun Arische
en antichristelijke gevoelens. Terzelfdemate verslechte zich de houding
van
nederlandse geestlijke vis-a-vis de Duitsers en nationaal socialisme.
Toen ons klein tehuis in de kerk voor’t eerst doorzocht werdt
zei mijn
grootmoeder, die op visite was, aan mijn vader om in een van de lege
stoelen van
de slaapkamer te zitten. Daarna trok ze alle lakens, kussens, dekens
en de bedsprei
van’t bed en hing ze over hem en de stoel. Hij werdt niet ontdekt.
De Duitsers vreesden besmettelijke ziekten ter grote mate. Ik had er
drie van:
diphterie, mazelen en rondvonk. Onze dokte bevestigde dit in een briefje
dat wij
trouw de Duitsers lieten zien als ze naar binnen wilden. Bij het zien
en lezen van dit
dokument gingen zij snel en in paniek voort.
Het was al speruur toen mijn neef Rinus die thuis bij zijn ouders onderduikte
aan de
deur klopte. Wij konden hem de ingang niet weigeren alhoewel wij onszelf
en de
Kerk geriskeerden . Zijn buurt werd van huis to huis onderzocht maar
hij was in
staat on naar ons huis te sluipen. We hadden geen andere keuse hem voor
deze eene
nacht binnen te laten.
Om ongeveer tien uur hoorden wij een luide slag, meer lawaai en het
breken van
glas vanboven waar de vergaderzaal was. Het regende an de wind begon
te waaien
en de deuren, die scharnieren hadden met veren, gingen heen en weer.
Wij dachten
dat ergens in het gebouw Duitsers een inval hadden gemaakt. Maar wij
waren
bereid. Mijn vader met een ploertedooier, mijn moeder, neef, en ik stonden
in een rij
in de gang achter een schommnlende deur om ons te verdedigen. Wij zouden
de
moffen weleens laten leren. De eigenlijke oorzaak van onze konsternatie
was een
raam. Deze was groot, zeer zwaar en uit metaal, en werdt de vorige middag
geopend om het te wassen. Bij het dichtmaken was de grendel niet geheel
in haar
plaats gesteld. De straffe wind smeet het raam tot de grond.
In de zomer van 1944 begon president Hekking te vermageren. Het was
het begin
van de totale duitse roof van voedsel, textiel, trammen, industrie machinen,
en van
alles dat los en veilig was. Het werdt zo erg dat wij brood met zaagsel
gemengd
aten. Zuivel was er niet meer. Vlees kon alleen op zwart verkregen worden.
Omdat er haast geen fruit of andere dingen met vitaminen disponibel
was, kreeg hij
fijt in zijn vingers. Vele andere lui kregen schavius en hongeroedeem.
Hij zou nog
eenmaal door de Nazis gevangen worden!
Op November 10, 1944, werdt de bevolkering van Rotterdam-Zuid wakker
gemaakt
en bevolen: “Alle mannen van veertien tot veertig jarige leeftijd
en hoger moeten
zich onmiddelijk voor de deur verzamelen. Alle andere moeten binnen
blijven. Zij
die niet gehoorzamen in gevonden worden gefusileerd.”
De Duitse houding ging op hun oeroude traditie van “Sippenhaft”
terug. Dit
bedoelde de volledige arrestatie en hoogstwaarshijnlijke ontvoering
van het
overblijfsel van een gezin naar een koncentratie kamp. De president
van
achtendertig jaar gehoorzaamde om de vernieteging van de kerk en vervolging
van
haar leden te vermeiden. Die vroege en koude morgen ven terreurzal zal
ik nooit
vergeten. Mijn ome Roel verkreeg het zelfde lot de volgende morgen in
het
Noorden van de stad.
De groep waarin President Hekking was vaarde in Rijnaken naar Amsterdam
waar
ze het Ijsselmeer oversteekten onder het doorlopend beschieten door
geallieerden
vliegtuigen. Daarna volgde een treinreis naar Duitsland. Op de eerste
Zondag van
hun tocht werdt er op de zeer volle bekrompen boot gevraagd of er een
dominee
aanwezig was. De bannelingen uit onze buurt riepen: “ Wij hebben
hier een dominee
van de Mormoonse kerk”. In deze tijd was Psalm 42, “ ‘tHijgend
Hert der Jagt
Ontkomen” nog in ons nederlands zangboek Dit konden haast allen
zingen want ons
stadswijk was zwaar Protestant.. Toen predikte hij en de tekst was uit
Psalm “27 “
1. De HEER is mijn licht, mijn behoud, wie zou ik vrezen?
Bij de HEER is mijn leven veilig, voor wie zou ik bang zen?
2 Kwaadwilligen kwamen op mij af om mij levend te verslinden,
mijn vijanden belaagden mij, maar ze struikelden, ze vielen.
3 Al trok een leger tegen mij op, mijn hart zou onbevreesd zen,
al woedde er een oorlog tegen mij, nog zou ik mij veilig weten.
Mijn vader werdt nogal vlug een dapper mens geacht. Hun dunk van hem
werdt nog
groter nadat hij en een zeventienjarige man die Karel heette in Drente
uit de trein
sprongen. Na drie weken was hij weer thuis na een trek door Drente,
over de Ijssel
bij Zwolle en waden door het Ijsselmeer tot de omgeving van Baarn waar
Karel een
oom had en ze wat eten en rusten konnen. Direkt na zijn thuiskomst liet
hij de
geboortedatum van zen Aussweiss vervalsen zodat het anno 1900 bleek.
Na de oorlog kwamen aardig veel mannen die met mijn vader in de boot
waren langs
de deur om met hem te spreken en te bedanken voor de lijding en inspiratie
die hij
getoond had.
Ik geloof dat zen grootst belang was het lidmaatschap van de gemeente
want er
waren haast geen priesterschap meer. Zijn raadgevers waren er niet meer.
Een was
in Duitsland. De andere had zich verstopt daar hij bij de Algemene spoorwegen-
staking meedeet. De Hongerwinter was nu in volle toer. Ik denk niet
dat het hier
nodig die te beschrijven en verhaal niets ervan wat niet de kerk aanraakte.
Onze jeugd die in ons stadwijk woonden werden ‘s middags in het
Klubhuis de
Arend gevoed dank ze de dominee organizatie. Deze geestlijke hadden
hoge idealen
en lieten hun eigen kinderen daar niet eten omdat ze vreesden dat er
dan niet genoeg
zou zen om de andere kinderen te voeden. Onfortuinlijk werdt ik ook
als een
dominees kind beschouwt.
De leden die in’t Noorden van Nederland werkten stuurden on twee
vrachtautos met
aardappelen geladen. Iedereen kreeg zijn portie en daarop ook een kerstmis
maaltijd
van stampot van aardappelen, spinazie en wat vet. Dit feestje kam goed
tepas en
was een noodzakelijke morele en geestelijke steun voor onze zwoegenden
leden die
zij nooit zouden vergeten want de Hongerwinter zou nog erger worden
dan zij ooit
verwachtten..
Vele leden begonnen te leidden van schavius, honger oedeem en ziekten
zoals TBC.
Ze ware zo zwak dat ze niet naar de kerk konden gaan. De trammen gingen
niet
meer. Fietsen werden door de Duitsers gevorderd.
Het was niet veilig om op de straten te lopen omdat de Duitse Gruene
Polizei,
Feldgendarmerie en andere schurken in hun vaartuigen razend daardoor
redenein de
bevolking beschoot. De mannen die nog overbleven werden overvallen en
als
gijzelaars verklaard om later doodgeschoten te worden.
De situatie was zo verschrikkelijk dat mijn vader zich verpligtigd voelde
om niet
alleen in de Bas-Jungeriusstraat maar ook in het Noorden in het “Vaderland
Getrouw” vergaderingen te houdenbaar huis. Hij moest dan vroeg
opstaan en
keerde laat terug,
Wij deden mee met de gaarkeuken en kregen iedere middag behalve zondags
ons
kleine portie van wat wij toen muizensoep noemden. Voor een ieder was
er thuis
ook een sneetje brood die wij ‘s avond vlak voor het naarbedgaan
nuttigden.
Een broeder die eigenlijk niet zeer aktief was kwam laat in de middag
langs om
broeder Hekking te spreken. Hij klaagde steen en been over de honger
en de ideem
en vroeg of er wat te eten was. Mijn moeder en ik hadden al ons eigen
sneetje
gegeten en er was dus een sneetje over dat voor vader bestemd was. De
broeder
smeekte en dringde zo dat hij mijn medelijdende moeder hem het brood
gaf. Toen
miin vader thuis kwan en de broodtrommel zonder brood ontdekte zag hij
uit of
iemand him een flnke klap in’t gezicht had gegeven.
Met schaarse elektrisiteit, gas, kolen en olie was er haast geen licht
en warmte.
Kaarsjes werden wel eens te koop. Ze waren in het schemeruur, dat gewoonlijk
op
de zelfde tijd als de vergadering verscheen, nodig om her avondmaals
gebed te lezen.
Daaardoor kwam het gerucht dat in Nederland kaarsjes op de avondmaals
tafel
brand werden als een noodzakelijk deel van het sacrament. Dit is wel
een beetje ver
gezocht vooral als men weet dat meeste Mormonen van Protestante afkomst
waren
en niets van “poppenkast” wilden hebben..
Potten, pannen, glazen en kommen waren bij de meeste mensen en ook in
de kerk
erg versleten. Voor de oorlog waren de avondmaals glaasjes uit glas
gemaakt maar
waren niet langer disponibel. Wij werden gedwongen om twee maal het
water laten
bedienen zonder voor de tweede maal de glaasjes te wassen in heet water
en zeep.
Dit was natuurlijk zeer onhygienisch, Eindelijk vonden wij een tinsmit
met tine die
voor on de nodige tinnen glaasjes maakte. Het bedienen van het brood
werdt ook
problematisch. Leden hadden zulk grote honger dat ze verlijd werden
meer dan een
stukje brood te nemen.
De duitse bezetting was wel een leermeester voor de nederlandse leden
van de kerk.
In deze bange en verschrikkelijke tijd konden ze niet meer op zendelingen
uit
Amerika rekenen, Ze moesten vief jaren land hun eigen handen uit de
mouw steken.
Leden leerden mensende kunst van leiderschap en de beginselen en begronding
van
het Evangelie. Ze steunden en hielpen elkaar. Ze zorgden en keken uit
voor hun
medebroeders en zusters. Ze waren verzonken in het Evangelie. Ze wijdden
hun tijd
aan de kerk De woorden van Charles Dickens gelden ook voor hen: “It
was the best
of times; it was the worst of times.”
Lees ook: Heiligen
in de Tweede Wereldoorlog