MvG logo www.mvgcontact.org

Renee Pasture

Home




Renee Graven-Pasture

Van de hand van de Vlaamse schrijfster Renee Graven-Pasture verscheen de bundel "Dwangbuis", een hartstochtelijke verwoording van bevrijding en liefde in het licht van het herstelde evangelie. Het motto van de bundel luidt: "Het is een lange weg alvorens een Mormoon een Heilige der Laatste Dagen is". Renee Pasture had voor haar bekering reeds twee romans, drie gedichtenbundels en een kinderboek gepubliceerd; ze trok zich terug uit de literaire wereld, maar vond door haar toetreding tot de mormoonse kerk haar oorspronkelijke intensiteit in een nieuw licht terug. Het volgende gedicht, niet-getiteld, geeft uiting aan die tocht uit de dwangbuis naar bevrijding:

Datgene wat met wier
en kalk en klei
in levenszee
alle bewegingen verzwaart
en groeit en kleeft
op mij
als ratten op en zeedierschaal
en mij belet

Gij weet het, Heer
hoe het gebeiteld en gewenteld
en geroest is op mijn huid
geef mij het puntig mes
en de hardheid om in pijn
te slaan
tot het bevrijden toe

want ik wil niet
tot steen verstard
op rotsige bodem
ondergaan
maar leven in Uw licht
boven de kilte stijgen
in de schuimkrans der golven
bewegen
waarin Uw adem
alle zuurstof legt

 

DA CAPO - 'n kort verhaal door Renee Graven-Pasture


noot van MVG redaktie-lid Robert Poort:


Da Capo
is een Italiaanse aanduiding in het muziekschrift voor: opnieuw beginnen!
Renee Grave-Pasture kent de schipperswereld en haar korte verhaal 'Da Capo' speelt zich dan ook af op en nabij de binnenwateren.
'Water' en 'opnieuw beginnen' zijn vertrouwde begrippen voor ons als heiligen der laatste dagen, begrippen die letterlijk en figuurlijk aan de basis liggen van ons lidmaatschap van de kerk en ons getuigenis van het herstelde evangelie.

De schipperswereld is daarnaast ook een prachtig thema uit de Lage Landen.
Wie kent niet de vaarten waar binnenschepen zich door de mist een weg banen? Het geronk van de motoren, de levendigheid rond een sluis, de deining in het kanaal, het spreekt ons aan. De wereld van de binnenvaart symboliseert treffend ons aards bestaan: we zijn altijd op weg naar een bestemming, altijd op weg naar een volgende aanlegplaats, dolend als het ware over de wateren, turend door de soms dikke mist, op zoek naar de haven.
Binnenvaartschepen spreken tot de verbeelding: het binnenschip is 'n duidelijke identiteit, men heeft niet alleen vracht aan boord maar ook vrouw en kinderen, hond en kat, vlak onder de stuurhut bevindt zich immers de woning van het schippersgezin!
Ook uw redakteur is bekend met de binnenvaart, als douane-ambtenaar in Lobith (1980) maakte hij grondig kennis met de schipperswereld en onmoette er de schippers en hun gezinnen. In de kleine stuurhut of in de knusse woning mocht hij naar heel wat verhalen luisteren en "Da Capo" zou er een van kunnen zijn. Ook in de geschiedenis van de kerk wordt de binnenvaart meerdere malen genoemd: dus de volgende keer dat u een binnenschip ziet, laat uw gedachten maar eens gaan over de betekenis van de schipperswereld voor het mormonisme in onze gewesten, en Renee Pasture brengt ons in de stemming met: "Da Capo"!

Anne (Wiegers van der Woude) werd op 12 Juli 1812 geboren te Franeker, als een van elf kinderen van Wieger Pieters van der Woude en Catharina Gerrits. Als jongen voer hij met zijn vader over zee, en leerde verscheidene vreemde talen, waaronder Engels. Later zou hij kapitein zijn op z'n eigen schip; z'n grafsteen vermeldt: "Capt. A.W.Vanderwood." (Anne Wiegers van der Woude - Janet Sjaarda Sheeres)

In 1816 staat een fris en rond man, scherp van verstand, aan het roer van zijn beurtscheepje dat over de Zuid-Hollandse binnenwateren turf en steenkolen vervoert. Schipper Stoffel Muller is een idealist, diep bewogen door de ellende van het kleine volk en diep ontgoocheld door de kilte van de gevestigde kerken tegenover de wanhoop der verworpenen. Hij grijpt naar de pen en schrijft gloeiende zinnen over sociale rechtvaardigheid. (De Nieuwlichters en de roep naar Zion)

Toen de nieuwe zendingspresident arriveerde (1884), vond hij slechts achtenzeventig leden, verspreid over geheel Nederland. Dit aantal werd gevormd door zestien gezinnen. Zes van hen waren schippers. Omdat hij hun waarde als zendelingen aanvoelde, zond Peter J. Lammers hen uit om te bekeren: "Ik heb zes schippersgezinnen. Zij hebben kleine schepen en gaan van plaats tot plaats, tezelfder tijd het evangelie met zich dragende. Zij zijn als schapen temidden van de wolven." (De Kerk van 1872-1940)

commentaar van Jaap Wenzel:
"Da Capo" betekent "herbeginnen". Het is de diepe boodschap van dit verhaal uit de schipperswereld. Schipper Gerrit en zijn vrouw (de ik-figuur van het verhaal) varen met de Gernee 2. Hun oude spits, de Gernee 1, hebben zij in huurkoop aangeboden. Rond dit schip draait het eigenlijke verhaal in een drievoudig herbeginnen - eerst Joris, dan Eric en tenslotte Arrie - om er iets van te maken.

Eric is echter de spilfiguur waar het drama zich aan vastknoopt. In hem tekent de schrijfster de ellende van de sukkelaar die had kunnen slagen. Op hem projecteert ze de verleidingen - bezit, drank, meisjes - die hem kraken. Over hem klinkt de vraag "O God toch, waar zijn de maaiers? De redders? " En het is om hem dat de schrijfster, als enige, bekommerd blijft.

Renee Graven-Pasture hanteert een eenvoudige verteltrant en men voelt dat zij uit eigen ervaring schrijft: zij kent de schipperswereld en wil ervan getuigen. In het licht van het evangelie is "Da Capo" een noodkreet, soms bitter en hulpeloos, maar steeds liefdevol.

DA CAPO
door Renee Graven-Pasture

't Was zonnig weer voor november. Het zand naast de dijk was zo mul dat ik er met mijn voeten in wegzonk. 't Was hard sleuren aan mijn boodschappenkarretje. Het kanaal glinsterde. De schepen lagen er als een kudde logge dieren. Ook ons schip lag er,
de Gernee 2. Ik hoorde door de open deur van de stuurhut de kwade stem van mijn man. "Wat heb je weer allemaal gekocht?"
Hij kwam me niet tegemoet om me over de loopplank te helpen. Ik volgde zijn blik. Hij keek naar de Gernee 1en even naar het schip dat ernaast lag, de Sarina. Joris, de eigenaar van de Sarina, had onze Gernee 1 in huurkoop en had Eric als zetschipper op zijn oude bak gezet.

Toen ik binnenkwam trommelde mijn man op het stuurwiel. Hij leunde erop en bleef maar naar de twee schepen kijken.
"Jullie kunnen me gestolen worden, maar ik zet die luiaard van een Joris van mijn schip. Ik ben geen liefdadigheidsinstelling!"

De lange staking had mijn man zenuwachtig gemaakt. Over de banen raasden de zware vrachtwagens voorbij met zand en grind van de grote schepen van het Albertkanaal.
"Ze komen hier ons werk uit de Kempen afpikken! Dat hebben ze ermee gewonnen met hun staking!" Hij duwde mij de post onder de neus.
"Kijk, wat een rente te betalen! De banken innen maar, alsof het waterdruppels zijn!"

Ik begon voorzichtig de koopwaar uit te stallen. 't Zonlicht deed de warme kleuren glanzen. Ons hondje rekte zijn pootjes en stond rechtop te kijken, maar Gerrit stuurde hem naar buiten.
"Ga maar naar het lege ruim kijken. 't Zal wel gaan verminderen met die boodschappen."
Ik wou juist afdalen naar de roef om de koopwaar weg te bergen. Hij keek naar beneden waar de rode vloerbedekking warm oplichtte in een bundel zonnestralen die door de ramen vielen. Het koper van antiek glansde tegen de houten lambrizering. Ik stond even te treuren.
"Je hebt een prachtige woning, Gernee!" zeiden de schippers, doch Gerrit wuifde het weg.
"We hadden onze spits nooit in huurkoop moeten geven. Dan zaten we nu warmpjes binnen. Dan konden ze voor mijn part de hele winter staken!"
Weer was er die kwade blik naar mij alsof ik alle schuld droeg. Zijn gezicht zat vol groeven. Hij had zich weer eens niet geschoren. Zijn handen zaten vol teer. Ik was weer boven gekomen en keek naar zijn handen. Zo had hij ook aan de Gernee 1 gewerkt toen hij deze een paar jaren geleden gekocht had. Hij had ermee op de werf gelegen. Trimvullingen werden aangebracht, een dieperf, pompinstallaties. Het vlak werd voor 90% vernieuwd.
"Er staan maar twee oude platen meer in. En wat doet die Joris? Het vertikken! De verfborstel laten verharden, aan de kant liggen. Maar ik waarschuw je: ik blijf geen brieven schrijven om hem aan te manen te betalen. Hij gaat eraf, basta!"

Ik keek ook naar de Gernee 1. Het schip werd grijs en grauw. Ergens had Joris toch wat rode verf aangebracht. het stak af als nieuwe pannen op een oud huis. Toen ik daar zo stond te dromen voer Gerrit weer tegen me uit.
"Onze spits was niet goed genoeg, he?"
Ik riep hem toe:
"En wat was dat dan op de Gernee 1? Vijf passen links en vijf passen rechts. Ik kon niet eens uitwijken als jij me grijpen wou!"
Gerrit vervolgde niet alleen zijn trommelen op het stuurwiel, hij begon ook met zijn voeten te schuiven en tussen zijn tanden te sissen.
"Hij gaat eraf!"

Naast de Gernee 1 lag de Sarina, het eerste schip van Joris.
"Als Joris van onze Gernee moet, waar moet hij dan naartoe?" vroeg ik aarzelend.
"Zijn dat MIJN zaken? Trouwens hij heeft nog een schip, zijn Sarina."
"Ja, een sloopschip!"
"Het vaart nog."
"O ja!"
Ik kon er niet om lachen. Het was een roestige bak, zinkensklaar.
"'t Schijnt dat het er niet zo slecht is als het eruit ziet."
"Maar de motor!"
"O die houdt het al lang vol. Trouwens Eric vaart er wel mee. Ik wou dat kapitein Joris zo goed voer als Eric. Die jongen doet minstens een reis per week."
"Ja..."

Ik zag die Eric voor mij: een klein, nerveus kereltje met grote donkere snor en vinnige ogen. Hij was jong, erg jong nog, niet eens dertig. Ik wist dat zijn eigen schip, een Kempenaar, op de Blauwe Kei lag te roesten met kapotte roeren. De machinekamer stond open. Op de deur was een gevleugeld paard geschilderd. Maar de motor bewoog niet meer. Buiten klotste het water tegen de wanden die bruin en groen gewiorden waren van roest en mosgroei. Bij elke windstoot maakte de deur een klagend piepend geluid. Afgewaaide takken en varens lagen in de gangboorden te rotten.

Ik had Eric niet gekend toen hij met dat schip voer. Wel had ik over hem horen vertellen. Hij had in zijn glorietijd - toen zijn schip nog glansde van nieuwe verf en kleuren - een auto gekocht van een half miljoen frank. Toen kon hij zijn schip niet meer afbetalen, want hij was veel weg met zijn wagen. Zo bleef hij vaak op gezellige plaatsen hangen en zat zijn vrouw vele nachten alleen op zijn schip met huntwee kinderen. Ze werd nors en zwijgzaam. Eric rechtte zijn trotse kop en overschreeuwde haar treurnis.
"Zeurmeid! Wat heb ik aan jou? Niets dan ruzie en een zure smoel!"

Onder de schippers werd er verteld dat Eric de dochters van de Aula had leren kennen. "Hoertjes" zeiden sommigen. Ze deden alle drie hun plechtige communie op dezelfde dag en hadden alle drie hun "verloofde" mee naar de kerk gebracht. De oudste van die mannen was dertig jaar. Hun schip was die dag overspannen met vlaggen en wimpels. Nu, die meisjes waren slank en mooi en speels. Meer dan een getrouwde schipper verloor er het Noorden bij. Ik had ze ook al bezig gezien als een stel spelende tieners vol schijnbare onschuld. Ook had ik ze eens gezien naast Eric, in zijn mooie wagen. Ze kwamen uit Antwerpen, nog half in feestroes.

Maar die Eric had geen geluk. Hij kon het leven niet aan. Waarom liet hij zijn vrouw zo vaak alleen om op stap te gaan? Hij had een mooie Kempenaar. Er was werk. Zouden die meisjes van de Aula dan toch zijn hart zo ontwricht hebben?

Eric werd van zijn schip gezet. Banken kennen geen medelijden. Wie zijn schulden niet kan betalen moet de kant op. Het schip werd verzegeld en aan de ketting gelegd. Weer konden de schippers langs hun marifoon gekscheren en praatjes vertellen. Dat waren de nieuwtjes van de dag. Een ander groot nieuws bracht wel ontsteltenis. De Aula was gezonken te Panheel. Moeder en een dochter van zeventien waren verdronken. De vader en een van de meisjes hadden zich weten te redden. Zo vertelde men: 't Schip was een zeef. Het kon enkel drijvend gehouden worden als er voor en midden en achter gepompt werd. 't Water spoot overal boven het dek. Maar de schipper laadde en loste en niemand bekommerde zich er om hoeveel pompen er geplaatst dienden te worden. De Aula voer en er werd schijnbaar voldoende geld verdiend om nog op stap te gaan. Die nacht waren ze ook zeer vrolijk terug gekomen. Het schip lag half geladen bij de baggermolen. Het grind lag vochtig opgestapeld in de ruimen. Daaromheen lag donker het zeer diepe water van het grindmeer. De pompen zoemden en deden zilveren waterstralen wegspuiten in het maanlicht. 's Nachts hoorde de schipper van ernaast een vreselijk gekraak. De touwen braken door. Sputterend en met opspattend schuim zonk de Aula de diepte in. De schipper wist zich te redden en ook een van zijn dochters die zich door een raam has weten te wringen. Ze lag weken met scherfwonden in het ziekenhuis. De vader was een wrak, zwijgend, met ongekamde haren en starende blik.

Eric was er kapot van. Hij begon naast zijn bier ook Valium te gebruiken. Wij zagen hem varen met de Sarina, met wilde ogen en wit gezicht. Hij stak zijn hand naar mijn man op en vertelde hem eens dat hij zich alleen recht hield met valium en bier.
"En eet je niet?"
"Neen."
Er werd ook gezegd dat zijn vrouw er vandoor was gegaan.
Ik zat aan al die dingen te denken.
"Als Joris van de Gernee 1 af moet, zal hij zelf wel met zijn Sarina willen varen.
Wat gaat Eric dan doen?"
Ik vroeg het weifelend.
Mijn man hield op met trommelen.
"Och... Eric vindt wel wat."

Er waren weken voorbij gegan. De staking was voorbij, doch het was winter en er was geen werk. We lagen op de Blauwe Kei gemeerd. Alles glansde van sneeuw en ijs. Daartussen lagen de bossen van Lommel met hun mooie sparren en witte mutsen. Eric lag er ook met de Sarina.

We hadden nog geen echt besluit genomen wat de Gernee 1 betrof, doch toen we vernamen dat Joris de spits, onze spits bij een makelaar te koop aangeboden had, alvorens het zijn eigendom was, was mijn man niet meer te houden.
"Ik laat mijn schip nog liever slopen dan dat ik zo de gek met mij laat houden!"
Joris werd op de hoogte gebracht.
"Ja maar Eric? Je kunt Eric toch niet op straat zetten? Dat doet men niet met een hond," zei hij.
"Eric kan in jouw plaats op de Gernee 1 komen," zei mijn man.
Joris stond spraakloos en vertrok meteen.

Mijn man ging weg om de zaak verder af te handelen. Ik bleef op het schip en keek door het raam naar buiten. En toen zag ik ineens Eric, zijn vrouw en hun tweejarig zoontje tussen hen in, beide handjes opgestoken naar zijn ouders. Ze liepen naar een cafe. Ik keek hen na. Het zonlicht viel over hun hoofden en tekende hun schaduw in de sneeuw: twee grote mensen en een klein kind dat in de kroeg tussen hen op de bank gezet zou worden tot in late en kleine uurtjes.

Ik liet de gordijnen los en wreef over mijn voorhoofd. Wat had ik toch al die jaren al niet gezien aan ellende en nu dit weer! Ik had zoveel mensen ten onder zien gaan door drinken en onbeheerst leven. Er waren altijd veel meer mensen om sukkelaars in hun ondergang
te slepen dan mensen om hen eruit te halen. En het ging zo gemakkelijk om ten on der te gaan. De worm knaagde reeds in het kind. Wat zou uit deze tweejarige groeien?

Ik keek treurig naar het water waar geen schip bewoog. Het kanaal kon dichtvriezen zonder opengescheurd te worden. De vogels zaten aan de kant en bewogen niet. Ook ik stond roerloos, zelfs mijn wimpers of ogen bewogen niet. Ik zag ze nog gaan, alle drie: Eric, zijn vrouw en hun tweejarig zoontje. Buiten vroor het vijftien graden. Er was geen werk. Kerstmis naderde. Ik bad:
"God , geef ons raad en help de sukkelaars."

Toen mijn man thuis kwam, had hij een gek verhaal.
"De vrouw van Eric is vannacht in 't water gevallen."
"Neen!"
"Toch! En ze is in haar natte kleding terug naar de kroeg gelopen."
En toen dacht ik dat er misschien geen vuur op hun schip geweest was en... nu ja, de kroeg geeft ergens geborgenheid. Waar klitten de sukkelaars bijeen? In mijn hoofd dreunde altijd maar 'En wit staan de velden en bloeiend de oogst.' O God toch, waar zijn de maaiers?
De redders?

Ik zag hoe Eric zojuist wegging. Hij had het jongetje bij zich. Het was glad aan dek. Hij schoof aarzelend vooruit. Het kindje klemde zich aan hem vast. Ik vergat de deur van de stuurhut dicht te doen. Het tochtte en ik voelde het niet. Toen sloeg ik mijn armen open alsof ik heel de aarde wilde omvatten. Het meest zat het me dwars dat er zo weinig te helpen viel. Waar was de macht op aarde?

Ik sloot de deur en ging me warmen bij de kachel. Mijn handen streelden het fluitketeltje dat stond te zoemen. De warmte van het kacheltje scheen mij te doordringen, maar toen ik het losliet en naar buiten keek zag ik het vriesweer en de vele schepen roerloos op het kanaal. Ik wist dat er geen werk was, dat Eric dronk, dat de mensen ons waarschuwden om hem niet als huurkoper op de Genee 1 te laten. Maar ik wist ook dat ons besluit reeds genomen was. Daar ging Eric. Hij droeg het jongetje over de gladde wegen. Ik bad voor hem.
"God, help de sukkelaars, want deze zijn er het meest."

Ze kwamen met hun drieen binnen. Ik hielp de vrouw en het jongetje de trap af. Mijn man begroette hen opgewekt.
"Dag, Eric jongen, kom er maar in!"
Ze waren bedeesd. Joris was met zwierigheid en veel praat op ons schip gekomen. Deze mensen durfden nauwelijks te spreken. Ze durfden ook nauwelijks plaats te nemen als ik hen het bankstel aanwees. Ik bracht warme drank en wat versnaperingen. Ze namen er slechts schuchter van. Toen begon Eric te praten en vroeg of hij met de Gernee 1 mocht varen.
"We hebben uitgerekend dat het mogelijk is."
"Je hebt flink gevaren met de Sarina. We willen je wel een nieuwe kans geven."

De huurkoop werd vlug besloten. Mijn man nam Eric mee om de papieren in orde te laten maken. Ik bleef alleen achter met de vrouw. Ze droeg geen kousen en was zeer dun gekleed. Ze begon met Eric te verdedigen.
"We hebben geen bier meer aan boord. En sedert ik bij hem terug ben neemt hij ook geen valium meer."
"Ja... Je bent bij hem weggeweest..."
Ik vroeg me af hoe ik deze vrouw moest benaderen. Toen dacht ik aan het verhaal dat mijn man vertelde.
"Bent u... echt in het water gevallen?"
"O ja... het was vreselijk. Ik ben van de dijk gegleden en viel onder het schip dat daar lag."
Ze zag bleek en keek treurig uit haar ogen. Ik moest bijna elk woord uit haar trekken want ze was niet erg mededeelzaam. Toch kwam ze stilaan los.
"Eric heeft me eruit gehaald. Je kunt niet begrijpen wat er allemaal in je hoofd omgaat als je daar onder een schip ligt. Ik worstelde om boven te geraken en de kant te vinden. Eric zei dat het lang geduurd heeft alvorens ik boven kwam. Ik... dankte God."
"Geloof je dan in God?"
"O, ik ben geen kwezel, maar ik weet wel dat er 'iets bestaat'. Ik heb God gedankt dat we ons zoontje niet bij ons hadden. Die zou zeker verdronken geweest zijn."
Toen staarde ze.
"Ik wil nooit meer drinken. Daar komt niets dan onheil uit voort."
"Hoe ben je ertoe gekomen om te drinken. Jij dronk vroeger toch niet?"
"Neen, ik heb vroeger nooit gedronken, maar Eric ... Na wat er allemaal gebeurd was durfde ik hem niet meer alleen te laten weggaan en ging dus mee."
Ze zweeg en wou veel niet uitspreken. Ik probeerde haar op te monteren, maar ze bleef staren. Wel vertelde ze me ineens, zonder dat ik er naar vroeg, over haar huwelijk.
"Ik ben bij hem weggegaan omdat ik het niet meer kon uithouden... Maar toch ben ik bij hem teruggekomen. Waarom?... 't Moet wel zijn dat ik van hem hou, anders zou ik toch niet terug gekomen zijn?"

Ik hoorde lawaai buiten. Ons hondje blafte. Mijn man en Eric kwamen terug. Ze hadden het contract al bij zich. Eric en zijn vrouw konden metteen op het schip.
"Morgen verhuizen we en wanneer dat gedaan is beginnen we te varen!"
"Als er werk is," zei mijn man.
"O maar als onze bevrachter geen werk heeft, zoek ik wel iets langs de beurs!"

Ze vertrekken opgewekt en vol plannen. Buiten viel een mollige sneeuw. De duisternis van de hemel was niet meer te zien. De gangboorden waren reeds ingesneeuwd. Eric en zijn vrouw liepen als op wollen tapijten. Ik keek hun voetsporen na en wuifde.
"Veel geluk!"
Toen ik binnenkwam begon ik de kerstversieringen uit de doos te halen. Het Kerstkindeke lag in watten. Ik haalde het er voorzichtig uit en veegde er met een vinger zachtjes over. Ik liep ermee naar het raam en zette het eventjes in de sneeuw.
"Kijk, de aarde. Het is koud, net zoals toen jij gekomen bent. In de schriften staat dat je niet gekomen bent voor de gezonden, maar voor de zieken. Er zijn zoveel zieken, Jezus. En er komen er altijd maar meer bij."

Ik zette het stalletje op de schoorsteen bij het vuur. Ik haalde andere kerstversieringen voor de stuurhut. Even bleef ik staan met de glinsterende guirlandes in mijn handen. Buiten was Eric reeds begonnen met verhuizen. Hij had van Gerrit de sleutels gekregen. Hij lachte en wuifde. Ik lachte ook en wuifde terug.

Januari bleef koud. Nergens dook er werk op. De betoncentrales bleven dicht. De resultaten van de staking deden zich in slechte zin gevoelen. Dat de schippers gestaakt hadden toen er werk was en de grote bazen hen nodig hadden, werd hen niet vergeven. Nu wilden de grote bazen ook geen hand uitsteken om de schippers aan werk te helpen. Alles lag ingedommeld en ingesneeuwd. Slechts af en toe werden er enkele schepen bevracht. Zo konden wij eindelijk naar Arendonk varen. Ook Eric kon een reis bemachtigen. Toen we aan 't lossen waren, voeren ze ons voorbij. Eric blies de hoorn.
"t 'Valt best mee hoor, dat schip," riep hij langs de marifoon.
De reis was echter naar Sint Lenaerts en dat was een gevaarlijk gat voor de schippers.
"Er zijn daar teveel cafe's," zeiden de mensen. "Het is er te plezierig!"
Als er werk geweest was, zou Eric direct terug gevaren zijn. Helaas, er was geen werk.

En toen begon de ellende opnieuw voor Eric: cafebezoek, geldverteer, ruzie met zijn vrouw.
Wij vertrokken met ons schip terug naar het grindgat, maar Eric bleef in de plezierige buurt wachten op zijn volgende reis. Toen die volgende reis er was, had hij geen interesse meer. Zijn vrouw had hem opnieuw verlaten. Overal zat hij met zware schulden en hij probeerde het voor ons te verdoezelen. Hij vroeg aan mijn man uitstel voor betalen. Zo mocht hij zijn eerste betaling eind februari doen. Toen die tijd verstreken was, was Eric's vrouw nog niet teruggekomen. Hij reisde weer en en had een jonge helper meegebracht. We lagen op de Kei toen hij er aan kwam. We hadden besloten, gezien de crisistijd, om Eric niet maandelijks, maar per reis te laten betalen. We wilden het nog eens met hem bespreken.

De twee Gernee's lagen aan elkaar gemeerd. Eric kwam bij ons in de stuurhut. Hij was nog magerder en grauwer geworden. Zijn grote snor scheen haast te zwaar voor zijn tengere gestalte. Hij sprak vlug, strompelde over zijn woorden en wou te veel ineens zeggen. Hij gebruikte hoogdravende zinnen en beschimpte zijn vrouw.
"Nu is ze zelf weg! Nu is het MIJN beurt!" zei hij aggressief. "Maar ik heb een advokaat genomen!"

Zijn lederen jasje flodderde om zijn te dunne schouders. Toen hij zijn hand ophief om een sigaret naar zijn mond te brengen, beefde deze zo dat ze voor zijn mond bleef trillen zonder dat hij ze tussen zijn lippen kreeg. Toen hij ons verliet, blies hij grote rookwolken uit. Hij deed de motor met fel lawaai starten zodat het water onder het roer fel opspoot. Mijn man zei niet veel. We vreesden voor Eric nu zijn vrouw er niet meer was. Toch zag hij er kranig uit. Toen hij ons voorbij voer gooide hij de deur van de stuurhut open om te wuiven en ons zijn opgewektheid te laten zien. In kleine gele letters stond op de kop van het schip "Da Capo'. Hij had die naam erop geschilderd toen hij ons een nieuwe naam voor het schip vroeg. Ik had hem uitgelegd dat Da Capo betekende: van voor af aan beginnen, dus herbeginnen. Het werd voortaan langs de marifoon geroepen" "Da Capo!" Aan bruggen en sluizen werd het doorgegeven.

Da Capo had opgewekt moeten klinken. Maar er hing iets bedrukt over de naam. Toen mijn man na de reis bij de bevrachter ging kijken of Eric zijn aandeel betaald had, bleek zijn advokaat beslag gelegd te hebben op het geld van de reis.
"Het eerste geld dat de jongen verdiend. Net nu hij opnieuw wil beginnen!"
Ik zat vol bitsige woorden. Mijn man trachtte het zakelijk uit te leggen.
"Nu ja, die advocaat moet ook betaald worden."
"Kon hij ook niet wat geduld hebben!" Ik kon mijn bitterheid niet kwijt en liep boos naar buiten.

De Da Capo lag leeg te Sint Lenaerts. De roef en de machinekamer waren gesloten. Eric was verdwenen. In de gangboorden lagen het vuil en het zand van die eerste reis. Niemand kon ons vertellen waar Eric was. Toen we naderden werd er onder de schippers over Eric gezwegen. De marifoons werden niet aangeroerd. Mijn man begon zich weer op te winden en trommelde opnieuw op het stuurwiel. Na enkele weken reden we zelf naar Sint Lenaerts. De Da Capo lag er aan de kant. roest was zichtbaar op dek en den. Gerrit klom aan boord en probeerde ergens binnen te komen. Maar deuren en ramen waren afgegrendeld. Nergens bewoog wat. Ik zat in de wagen en keek hoe mijn man over de gangboorden liep. Het water klotste tegen de verroeste wanden. Vuil schuim van voorbijvarende schepen bleef er aan hangen. Mijn man sprong van het schip en kwam naar me toe door het lange gras van de dijk. Hij sloeg zijn armen op.
"Waar zit die ellendeling?"

Navraag in de buurt of in cafe's hielp niet. Niemand wist wat of wou kwijt wat hij wist.Wel werd er langs de marifoons weer gegekscheerd.
"Eric heeft een plaats aangevraagd als nachtwaker!"
"Eric is nu taxichauffeur in Antwerpen!"
Maar 't bleef bij gissen en spotten. Eric was en bleef spoorloos.

Na twe weken wachten kon mijn man het niet meer uithouden en ging terug naar Sint Lenaerts. Ja, het schip lag er nog, wat verder aan de kant. Iemand moest het weggehaald hebben van de loshaven. Wie? Het lag nu aan de andere kant van de brug, uit de weg en meer uit het zicht. Hetzelfde zand en hetzelfde vuil lagen nog op het dek, wel was er nu meer roest. Mijn man liep nu vlugger rond het schip dan de eerste keer. Vervolgens stapte hij naar de baas van de betoncentrale waar Eric gelost had, of deze soms wat meer wist. Dit bleek niet. Mijn man stapte naar het gezellige hoekcafe waar Eric vaak kwam. De hopen zand en grind van de betoncentrale lagen in het licht van de ondergaande zon. Ze blonken vochtig en verdampten lichtjes. Ook de Da Capo lag in het licht van de ondergaande zon. De versgeschilderde letters hadden een zachte gloed alsof ze spreken wilden.
"We gaan naar de rijkswacht," zei mijn man toen hij terug kwam. "Ik laat mijn schip niet kapot gaan!"

Toen Gerrit de volgende dag naar onze bevrachter ging, gaf deze ons de sleutels van de Da Capo. Eric had ze gebracht zonder ergens uitleg over te geven. Hij was meteen verdwenen. Waar naartoe? Niemand wist het.

En toen kwam Arrie. Arrie was een jonge, stevige schipper uit Amsterdam. Bij had met een blond, rasecht schipperinnetje uit de Limburg kennis gemaakt en voer nu met een duizendtoner over het Albertkanal.
"Ze hebben ons met die duizendtonner verleid," zei Arrie. "Mooie woning, groot als een huis, badkamer, drie slaapkamers, een salon als een danszaal! Er werden ons mooie beloftes gedaan. Maar wat gebeurde er? We zaten in handen van de makelaar-bevrachter en mochten zelf nooit iets beslissen, zelfs de herstellingen werden door hem geregeld en alle afbetalingen. Hij zorgde ervoor dat we nooit genoeg verdienden om het schip af te betalen. Kijk maar wat we verdienden met onze reizen!"
Hij gooide verschillende afrekeningen op de tafel.
"Kijk hier: zestien gulden voor een reis naar Lier, en hier, twintig gulden! En reizen waar geen gulden van overbleef. Wat die man ons toch aangedaan heeft! We verdienden door dag en nacht te varen niet eens driehonderd gulden per week en dat met een duizendtonner!"

Arrie had helblauwe ogen en gitzwart haar. Hij sloeg zijn armen wanhopig in de lucht.
"Wat kregen wij een spijt dat we onze spits verkocht hadden! Maar nu koop ik jullie spits, Da Capo! Ja, dat doen we beslist!"
Hij werd overmoedig.
"We halen hem meteen, kan dat?"
We gaven hem de sleutels. Mijn man kende Arrie en zijn vrouwtje van vroeger. Met hun spits zaten ze toen ook in de Kempen voor zand en grind. De bevrachter had nooit enige last met hen gehad, dus... Mijn man begon te lachen en zich in de handen te wrijven.
"Vrouwtje, nu krijgen we een goede schipper!"

Twee dagen later lag de Da Capo reeds in Wessem in Nederland waar ook de duizendtoner van Arrie lag.
"Jullie schip is honderd percent meegevallen," riep Arrie. Hij was al aan 't sjouwen en verhuizen, van het ene schip naar het andere. Met spijt moest Arrie een deel van zijn meubelen verkopen. Ze konden op de Da Capo niet staan. Maar Arrie had reeds plannen om de woning van het schip te laten vergroten.

Onze nieuwe huurkopers werkten hard. Een paar dagen later voeren ze ons in de Kempen voorbij. Het schip was niet meer te herkennen. Ze hadden de roef helemaal afgestoken en in 't wit gezet. Ook aan de kop van het schip werd reeds gewerkt. Mijn man was vrolijk. Hij nodigde Arrie bij ons uit. Hij kwam met zijn vrouwtje en hun twee schelmse kinderen, de trap af. Arrie had zoveel plannen dat hij niet kon gaan zitten.
"En we plaatsen mooie tegeltjes en de douchecel," zei hij.
"En daar bouwen we een salon en dat wordt onze keuken," zei Margriet.
"Wat zal het hier dan fijn zijn. Ik heb vannacht voor de eerste keer lekker geslapen. Op ons andere schip kon ik niet meer slapen. Ik lag de hele nacht wakker van de zorgen."
"O, wat die man ons toch heeft aangedaan!" viel Arrie zijn vrouw bij.
Niemand hoefde ons te zeggen dat ze blij waren met hun Da Capo. Ze werkten hard en betaalden regelmatig. Margriet liep als een heerseres door de gangboorden. Arrie riep met een stem als een klok telkens als hij ons zag.
"GERRIT !!!"
"ARRIE !!!"
Mijn man riep even luid terug. Ik volgde met een lach de vriendschap die onder beide schippers was ontstaan.

Wat later meerden we in het panheel. De Da Capo lag onder een zwaarbewolkte hemel in het grindgat. 't Was koninginnedag en de volgende dag 1 mei. We konden niet laden en hadden onze schepen aan elkaar vastgemeerd. Mijn man sprong opgewekt bij Arrie in het ruim, toen hij deze bezig zag met het olieen. Samen werkten ze aan het ruim. Margriet stak haar hoofd boven de den en riep hem toe:
"Komen jullie naar binnen! De koffie staat klaar!"
Er werd gedronken en wat gegeten en veel gepraat. Buiten was het guur weer. Er was een wind komen opsteken. De roeren maakten veel lawaai. Alles scheen te bewegen. Margriet ging onder de kachel aansteken.
"Wat is het toch koud vandaag."
In de achteronder zag ik weldra de flikkering van het vuur. Ik dacht eraan hoe we hier zelf gewoond en geleefd hadden. Ook dacht ik eraan dat deze kachel nog van Eric was. Die had hier ook gewoond en geleefd. Waarom was hij zijn eigen spullen niet komen halen? In de gloed die opvonkte zag ik weer zijn gezicht met de grote snor.
"Waar ben je nu, Eric? En heb je nu werk gevonden?"
Niemand kon ons antwoord geven. Er werd ook niet meer over gespot.

Arrie legde de meetbrief op tafel
"Da Capo gaan we veranderen. Het wordt nu Adma."
Ik droomde even. Ja, er was niet veel nodig om de naam van een schip te veranderen. Maar nu stond het er nog op: 'Da Capo'. Er zou een rode lijn door getrokken worden. In sierlijke letters zou dan 'Adma' geschreven worden.

Iedereen was blij, iedereen was vrolijk over de nieuwe doop. Ik bleef echter naar beneden staren waar Eric's kachel brandde met een warme, rode gloed. De warmte steeg naar boven en dat deed iedereen goed.
"Waar zou Eric nu zijn?"

Niemand antwoordde, want niemand wist het.

 

 

 

 

 

 

 

 

Zowel het niet-getiteld gedicht als 'Da Capo' van de hand van Renee Grave-Pasture, werden ontleend aan 'Horizon, tijdschrift over de mormoonse gemeenschap'.