
Reisverhaal
Op een afgelegen plek, in een land dat werd geregeerd door strenge wetten, woonde Meneer Klein. Meneer Klein wist dat hij eens, hij wist niet wanneer, op reis zou moeten, zoals iedereen in dat land - een lange reis, waarvan hij niet terug zou keren.
Meneer Klein had geen zin in die reis; hij zag er zelfs erg tegen op. Halfslachtig maakte hij af en toe wat bagage klaar, maar omdat hij immers niet wist wanneer hij zou moeten gaan, stelde hij de reis in gedachten steeds verder uit - hij dacht er het liefst helemáál niet over na.
Meneer Klein is een alleenstaande kunstschilder, die door veel mensen - die schijnen te denken dat hij eigenlijk niets belangrijks te doen heeft, zoals werken - regelmatig lastig wordt gevallen voor allerlei onbetaalde klusjes. Eén van de lastigste mensen is zijn enige buurman, Meneer de Groot, een oude, toch wel vriendelijke man, die Meneer Klein echter nog het vaakst van zijn schilderkunst af houdt.
Meneer de Groot is invalide, en zijn vrouw is ook al op leeftijd. Daardoor heeft Meneer de Groot de hulp van Meneer Klein nogal eens nodig. Hoewel Meneer de Groot het vervelend vindt om zijn buurman zo vaak lastig te moeten vallen, heeft hij toch het vertrouwen dat zijn verzoeken om hulp steeds ingewilligd zullen worden. Als wederdienst schenkt hij aan Meneer Klein de door hemzelf met pijn en moeite verbouwde aardappels uit zijn volkstuintje.
Zoals iedereen zal ook Meneer de Groot eens op reis moeten, weet hij. Maar anders dan Meneer Klein bereidt Meneer de Groot zich wél goed voor op die reis, en heeft hij zijn bagage eigenlijk al prima voor elkaar. Desalniettemin besteedt hij er nog regelmatig aandacht aan. Terwijl Meneer Klein zich af en toe een beetje haast, en dan vooral uit angst om niet op tijd klaar te zijn, is het alsof Meneer de Groot zich voorbereidt op een groot feest, waarvan hij vooral niets wil missen.
Meneer Klein is bezig met een groot schilderij - eigenlijk té groot voor zijn eigen kunnen, denkt hijzelf - waarop hij, met veel oog voor detail, een wondermooie wereld van tuinen en bomen, bossen en landschappen wil schilderen. Het is zijn levenswerk. Alleen, wat hij in zijn hoofd heeft, krijgt hij niet op het doek - zijn handen zijn daarvoor niet vaardig genoeg.
Ook vindt hij van zichzelf dat hij vaker ‘nee’ zou moeten zeggen tegen al die mensen die iets van hem willen. Toch kan hij het niet over zijn hart verkrijgen om dat ook echt te doen. Hij helpt altijd iedereen die daarom vraagt, maar vooral om er maar vanaf te zijn, en dus met tegenzin - omdat hij dan niet kan werken aan zijn schilderij.
Het wil maar niet opschieten met zijn schilderij, want Meneer Klein heeft meer oog voor detail dan voor de grote opzet. Als hij een groot bos wil schilderen, dan besteedt hij érg veel aandacht aan elk afzonderlijk boomblaadje. Omdat hijzelf ook wel merkt dat zijn werk zo niet opschiet, beperkt hij zich tot de blaadjes van één Boom in het bijzonder; ... en een bijzondere Boom, dat werd het, vol met leven van vogels en zonnestralen.
Van de rest van het schilderij tekende hij vaak alleen maar de grote lijnen - de contouren van het bos, en in de verte een berglandschap. Hij had geen idee wanneer hij hieraan zou kunnen beginnen, en daarom, af en toe, als hij weer aan zijn reis dacht, haastte hij zich, om eindelijk toe te kunnen komen aan “het grote werk”.
Aan het gereedmaken van zijn bagage, daaraan dacht hij eigenlijk nauwelijks nog - alsof hij zijn reis uit zou kunnen stellen totdat zijn schilderij eindelijk eens een keer klaar zou zijn. Wat hij niet wist, was dat de mensen uit het dorp zich al afvroegen wie het huis van Meneer Klein zou krijgen, als hij op reis zou gaan, en of Meneer Klein vóór die tijd nog iets aan zijn zwaar verwaarloosde tuin zou gaan doen.
Het werd herfst, en op een kwade dag, terwijl het regende en stormde, nét toen Meneer Klein dacht tijd te zullen hebben voor zijn schilderij, kwam Meneer de Groot. De wind had de dakpannen van het dak van Meneer de Groot geblazen; de regen stroomde daardoor naar binnen; en Mevrouw de Groot was ziek geworden.
Wilde Meneer Klein misschien even naar het dorp fietsen, om de dokter te laten komen? En had Meneer Klein misschien wat materialen om het dak voorlopig dicht te maken - bijvoorbeeld wat canvas, en wat hout? Meneer de Groot keek naar het grote, onvoltooide schilderij van Meneer Klein.
“Ik ga de dokter wel halen”, zei Meneer Klein met grote tegenzin tegen zijn buurman, “... en onderweg ga ik ook wel langs een bouwbedrijf, om je dak te laten repareren. Ik heb geen materialen om je dak dicht te maken.” Met een kwade blik keek hij zijn buurman aan, en toen, bezorgd, naar zijn schilderij.
Door weer en wind ging Meneer Klein, op zijn fiets, naar het dorp, naar de dokter, en naar een aannemer. Onderweg ergerde hij zich aan zichzelf, dat hij weer eens geen “nee” had durven zeggen tegen Meneer de Groot. Ook maakte hij zich zorgen over zijn schilderij, en hoe hij dat ooit af zou kunnen krijgen.
De dokter had geen haast om Meneer de Groot te helpen, en bij de aannemer kon Meneer Klein alleen maar een briefje achterlaten.
Toen Meneer Klein thuiskwam, zag hij dat er ook bij hém dakpannen van het dak gewaaid waren, en dat de regen naar binnen stroomde. Meneer Klein werd ook zelf ziek. In zijn bed lag hij, ijlend van de koorts, te dromen over hoe hij zijn schilderij zou voltooien.
De regen en de wind hielden niet op; de aannemer kwam niet, en in het huis van Meneer Klein werd het steeds vochtiger - evenals in het huis van Meneer en Mevrouw de Groot. Na een paar dagen kwam een inspecteur van Woningtoezicht kijken naar de toestand van de meer afgelegen huizen. Het bleek dat er in het dorp een overstroming was geweest, en dat alle aannemers daaraan hun handen meer dan vol hadden.
De inspecteur vroeg waarom er in de huizen van Meneer Klein en van Meneer en Mevrouw de Groot niet méér gedaan was om de schade te beperken. Meneer de Groot was immers invalide, en kon het niet zelf doen, dus had Meneer Klein wel een handje uit mogen steken, vond de inspecteur.
“Maar ik ben geen dakdekker”, wierp Meneer Klein tegen,
“en ik ben ziek, en ik heb ook geen bouwmateriaal”.
“U had de schade moeten beperken, want dat is de wet”, stelde de inspecteur.
“Maar hóe dan, zonder materiaal?” vroeg Meneer Klein, beschuldigend.
“Er is hier bouwmateriaal genoeg: hout, canvas, watervaste verf”;
de inspecteur wees daarbij naar het schilderij van Meneer Klein.
“Mijn schilderij!” riep Meneer Klein uit.
“Huizen gaan vóór schilderijen”, zei de inspecteur koud, “dat is de wet”.
De zieke Meneer Klein voelde zich licht worden in zijn hoofd, en even werd alles zwart voor zijn ogen.
Wéér was er een klop op de nog openstaande deur, en een lange, magere, bleke, geheel in het zwart geklede man stapte ongevraagd binnen. Met een priemende blik keek hij Meneer Klein aan, en zei met een ijzige, bevelende stem:
“Kom! ...”
“Wie bent u?” vroeg Meneer Klein.
“Ik ben uw chauffeur” antwoordde de man.
Meneer Klein keek hem ontzet aan.
“Het is tijd voor uw reis. We moeten meteen gaan” beval hij.
Meneer Klein begreep met een schok dat de tijd voor zijn reis was gekomen, nú, plotseling, terwijl hij er al lang niet meer aan gedacht had.
“Maar mijn bagage; ik heb mijn bagage nog niet klaar!” antwoordde Meneer Klein onthutst.
“U heeft tijd genoeg gehad voor uw bagage. Uw tijd is om. We moeten nú gaan!” hield de man in het zwart genadeloos vol.
Met een verschrikte blik naar de inspecteur, en een laatste blik op zijn schilderij, zijn levenswerk, zó onvoltooid, zó onvolmaakt, volgde Meneer Klein, vrijwel zonder bagage, de man in het zwart.
De man in het zwart was zwijgzaam, plichtmatig, en de reis was kil. Meneer Klein voelde zich zieker dan ooit. Toen reed hij een donkere tunnel in.
Meneer Klein kwam bij op een schemerdonkere plek, waar hij werd opgewacht door onvriendelijke, zwijgzame en strenge mensen, die hem meteen op strenge toon vroegen waarom hij zo weinig bagage bij zich had. Met zo weinig bagage zou hij niet ver komen, en dus werd hij aan het werk gezet - ziek of niet ziek - om de vereiste bagage alsnog te verdienen, zij het, dat die nu van mindere kwaliteit zou zijn dan als hij die zélf had meegenomen.
Het werk was zwaar, afmattend, onbevredigend, en er leek wel nooit een eind aan te komen. Eeuwen leken voorbij te gaan, en hij werd zich steeds minder bewust van het verstrijken van de tijd.
Tijdens de gelegenheden om te rusten maakte hij zichzelf aanvankelijk verwijten:
“Ik had bij Meneer de Groot langs moeten gaan toen de storm net opstak,” dacht hij bij zichzelf; “de eerste losse pannen had ik nog vrij eenvoudig vast kunnen zetten. Dan had ik niet door de regen naar het dorp hoeven te fietsen, en was ik niet ziek geworden, en had ik meer tijd gehad.”
Maar na verloop van tijd was hij vergeten waarvóór hij dan wel meer tijd nodig had gehad; aan zijn onvoltooide schilderij dacht hij allang niet meer.
Er kwam een moment waarop Meneer Klein toch zijn bagage verdiend had, en daarmee voorzien, werd hij door andere beambten voorgeleid.
“Nu de zaak van Meneer Klein”, zei een Eerste Stem - het was een Stem met groot gezag.
“Wat valt er over hem te zeggen?”, zei een Tweede Stem; een stem van hoop, maar ook van weemoed.
De Eerste Stem bracht naar voren dat Meneer Klein zich niet op zijn reis had voorbereid, terwijl hij daartoe toch alleszins de middelen had gehad. De door hem betoonde diensten had hij meestal met tegenzin gedaan; het waren louter plichtplegingen geweest, die hij alleen maar als “onderbrekingen” had beschouwd.
De Tweede Stem wees erop dat Meneer Klein nooit een wederdienst had verlangd. Vooral zijn laatste fietstocht was écht een offer voor hem geweest, met verregaande consequenties.
Meneer Klein verbaasde zich erover, dat die Twee Stemmen ergens iets bekends hadden, van láng geleden. En hoe vriendelijk die Tweede Stem ook was; vooral het gegeven dat hij niet meer wist van Wie die Stem was, beangstigde hem.
Meneer Klein hoorde hoe deze Twee Stemmen over hem spraken; er wás gerechtigheid, maar ook genade. Toen kwam de Tweede Stem met het besluit over wat er met Meneer Klein zou gaan gebeuren.
Het klonk Meneer Klein als een uitnodiging voor een koningsmaal, en hij voelde zich overweldigd, maar ook beschaamd: Het was alsof hij publiekelijk rijkelijk werd beloond, terwijl iedereen wist dat hij die beloning eigenlijk niet had verdiend.
Meneer Klein werd weer op reis gestuurd; een aangename reis dit keer, door een zonovergoten landschap. Naarmate de reis vorderde, kwam het landschap hem steeds bekender voor - hij begon steeds meer details te herkennen, en kreeg zelfs het merkwaardige gevoel, dat hij de schepper van dit landschap was!
Plotseling hield Meneer Klein staande, en met stomheid geslagen keek hij naar de Boom waarvoor hij stond. Die Boom herkende hij; het was zijn Boom; de Boom van zijn schilderij, waarbij hij zóveel aandacht had besteed aan elk blaadje en aan elk detail. Maar er was ook een groot verschil: Deze Boom was wél voltooid.
Nú herkende hij ook het landschap om hem heen; het was het landschap van zijn schilderij - niet precies zoals hij het geschilderd had, maar zoals hij het had willen schilderen - of zich had voorgesteld - of was begonnen te bedenken - of misschien bedacht zou hebben, als hij er de tijd voor had gehad.
Het landschap, zijn landschap, strekte zich uit, verder en verder; er leek geen einde aan te komen. Tijd had hij nu genoeg, om alles te bewonderen, en toch nog nieuwe dingen te bedenken en toe te voegen; en niemand viel hem nu nog lastig, want zoals er ook in zijn schilderij niemand was, was hij ook hier helemaal alleen!
Inmiddels was de man in het zwart al lang weer terug van zijn reis met Meneer Klein, en het was tijd geworden om Meneer de Groot te laten beginnen aan zijn lange reis.
Na het vertrek van zijn buurman, Meneer Klein, had Meneer de Groot al zo’n voorgevoel gehad dat ook hij aan de lang verwachte Reis zou mogen beginnen. En alhoewel droevig om het afscheid van zijn vrouw - die inmiddels alweer was genezen - werd de man in het zwart toch vriendelijk door hem ontvangen. De man in het zwart, vaak gehaast en slecht gehumeurd, was dit keer toch blij verrast dat Meneer de Groot hem al scheen te verwachten, en dat hij ook klaar was, om meteen te vertrekken, zonder zeuren.
Anders dan de reis van Meneer Klein, was de Reis voor Meneer de Groot toch wel aangenaam - zelfs verwachtingsvol. De ontvangst bij zijn aankomst was erg vriendelijk, en Meneer de Groot verheugde zich er bijzonder over, weer mensen te ontmoeten die hij allang niet meer gezien had. Zijn bagage was dik voor elkaar; hij had alles wat hij nodig had, en zelfs in overvloed, om te delen met zijn oude bekenden en verwanten.
Ook Meneer de Groot moest echter verder met zijn reis, en ook hij werd voorgeleid. Dit nu was voor Meneer de Groot het Grote Gebeuren, waar hij zo lang en zo vol verlangen naar uit had gezien, en waar hij zich zijn leven lang ook zo naarstig op had voorbereid.
Meneer de Groot hoorde niet alleen maar de Twee Stemmen, maar hij herkende ze ook meteen, en hij zag de Personen van wie die Stemmen waren. Hun Stemmen waren hem vertrouwd, en hen kennende, moest hij ze wel zeer liefhebben - en die liefde was wederzijds. Van alle blijde ontmoetingen die hij reeds had gehad op zijn Reis, was dit toch verreweg de gelukkigste.
Terwijl de man in het zwart al weer terug was van zijn reis met Meneer de Groot, en op zoek naar een nieuwe reisgenoot, werd Meneer de Groot op zijn verdere Reis ook niet meer alleen gelaten: De Man met de Tweede Stem, gekleed als een Herder, was zijn Reisgenoot en zijn Gids.
De Reis voerde door goed verzorgde en vruchtbare tuinen, weelderig, overvloedig, zelfs om van weg te geven; langs Bomen des Levens, gevoed door Bronnen van Levend Water, steeds verder opwaarts, door zacht glooiende berglandschappen onder een warme zon, met groene weiden, en onder een uitspansel dat steeds groter leek te worden, naar verre horizonten, en naar plaatsen, tijden en vergezichten, die alleen bekend zijn aan diegenen, die daar zijn geweest.
Alleen deze Herder kan ook ú daar brengen; met Hem als Reisgenoot zullen er wegen geopend worden, plaatsen bezocht, ervaringen opgedaan en mensen gekend, zoals wij die niet kunnen vermoeden.
(Geïnspireerd door J.R.R. Tolkien, “Leaf by Niggle”, London 1964)