
Pelgrimstocht
door Menno Feenstra
Al hetgeen wij tijdens onze aardse proeftijd bereiken, dat bereiken wij door volharding. Zo bereikt een bergbeklimmer de top van een berg alleen door te volharden in de zware tocht omhoog, waarbij hij ook alle gevaren van een dodelijke val moet vermijden, zonder toe te staan dat die de voortzetting van zijn reis belemmeren. Zijn hoogste doel is pas bereikt aan de top van de berg.
Maar ook een paard in een tredmolen volhardt in datgene wat hij doet.(1) Door voortdurend rond te lopen in cirkels volhardt het paard in de uitvoering van de hem opgelegde taak, om de molen draaiende te houden, met als loon zijn dagelijks voer, zonder welke hij de hongerdood zou sterven. Daarmee berust het risico dat het paard loopt, vooral bij zijn baas – en dat geeft het paard een gevoel van veiligheid. Het succes van het paard wordt afgemeten aan het aantal zakken graan dat hij heeft gemalen. Als het paard zich sterk genoeg betoont, dan zal het een zwaardere taak toebedeeld krijgen – het rondtrekken van een grotere molensteen – met als loon méér voer.
Echter, ook de bergbeklimmer is ooit begonnen met bezigheden die niet veel verschilden van die van het paard: Ook de bergbeklimmer heeft moeten werken voor zijn dagelijks onderhoud. Eén van de belangrijke verschillen tussen de bergbeklimmer en het paard is echter, dat de bergbeklimmer al die tijd een hoger doel voor ogen had: Het volstond voor hem niet om alleen maar te werken voor zijn dagelijks onderhoud, want als hij daarmee tevreden zou zijn, dan zou hij nooit de middelen verkrijgen die hij nodig had om zijn reis naar de top van de berg te maken.
De bergbeklimmer meet zijn vorderingen af aan de steeds verder reikende vergezichten die hij ziet tijdens zijn reis naar de top – vergezichten als een panorama op het leven, die hem niet alleen doen genieten van de schoonheid van de schepping, maar die hem zich ook doen bezinnen op het doel van zijn bestaan, en op het perspectief dat de toekomst en de eeuwigheid hem bieden.
Een ander verschil tussen de bergbeklimmer en het paard is, dat het voor het paard volstaat om juist datgene te doen wat hem opgedragen is; niets minder – en ook niet veel meer. Het paard laat anderen beslissen over zijn levensdoel – zich niet beseffend dat, als hij eenmaal te oud is om de tredmolen rond te trekken, keer op keer op keer, dat het paard dan, als het geluk heeft, zijn oude dag mag slijten in een groene wei, tot hij van ouderdom sterft – tevreden over de zeer vele rondjes die hij gelopen heeft in de molen, en de vele tonnen graan die daardoor gemalen zijn. Als het hem tegenzit, dan wil zijn eigenaar niet meer investeren in dit door ouderdom verzwakte dier, en wordt hij geslacht, zodat hij niemand meer tot last is.
Ook de bergbeklimmer weet dat hij eens een dagje ouder zal worden, en dat hij dan niet meer de kracht zal hebben om een berg te beklimmen. Daarom besteedt ook de bergbeklimmer zijn tijd en zijn middelen verstandig, en na de gedane dagelijkse arbeid richt hij zich op de voorbereidingen van zijn reis: Hij gebruikt een aanzienlijk deel van de opbrengst van zijn arbeid om voorbereidselen te treffen. Hij oefent zijn lichaam én zijn geest, zodat hij scherp van verstand zal zijn en lichamelijk sterk, om verstandige besluiten te kunnen nemen op zijn reis, om gevaren te kunnen ontwijken en trotseren, om de zware reis omhoog vol te kunnen houden, en om uiteindelijk zijn einddoel te bereiken.
In ons leven, en ook in onze Evangeliebeleving, staan wij voor de keuze om te zijn zoals de bergbeklimmer of zoals het paard. Wij kunnen ervoor kiezen om anderen te laten beslissen over hoe wij onze tijd besteden; hoe wij het Evangelie interpreteren en naleven; en hoe wij ons leven indelen. De kerk, het functioneren daarvan, het verloop van de vergaderingen, de uitvoering van allerlei programma’s, en datgene wat tot ons komt in diverse lessen en toespraken, spelen daarbij een centrale rol – zoals de molen een centrale rol speelt in het leven van het paard. Wij kunnen zelfs in de illusie gaan verkeren dat wij onze vorderingen af kunnen meten aan de hiërarchische rangorde van de kerkelijke roepingen die ons worden toevertrouwd – of dat nu leraar, Bisschop, Ringpresident, lid van de Raad der Twaalven of zelfs Kerkpresident is – zoals het paard een zwaardere taak toebedeeld krijgt naarmate hij harder trekt.
Als wij echter als de bergbeklimmer zijn in onze Evangeliebeleving, dan bedenken wij met welk doel de kerk gesticht is waarin wij dienen. Niet de kerk zélf, maar dat hogere doel wordt dan ons streven. Wij zijn ons dan bewust van onze vorderingen door onze innerlijke groei, en door goddelijke manifestaties die gewone stervelingen onthouden worden, omdat zij er niet naar streven: Zij achten zichzelf immers onbekwaam om hoge doelen te bereiken zoals openbaringen, visioenen, profetieën en wonderen, en het verschijnen van engelen, en zij dichten die vermogens toe aan degenen die hen leiden – alsof die een andere God zouden hebben dan zijzelf, of alsof God meer om zou zien naar de stervelingen die anderen leiden, dan naar degenen die door hen geleid worden.
In het Boek van Mormon wordt het volk van Jacob, de jongere broer van de eerste Nephi, beschreven als pelgrims, wiens leven als een droom voorbij gaat:
Jacob 7:26: de tijd [is] met ons vervloden en ook ons leven is voorbijgegaan alsof het een droom voor ons was, want wij zijn een eenzaam en ernstig volk, zwervers,
Zo zijn wij allen pelgrims; en op onze pelgrimstocht kunnen de weg die wij reeds gegaan zijn wij niet meer veranderen, maar wél de weg die nog vóór ons ligt. Sommige van die wegen zullen ons naar omhoog voeren, over steeds smallere, moeilijker, en daardoor onbekende wegen – wegen waarop wij moeten volharden in onze overwinningen op obstakels – zoals donkere nachten van duisternis; de sterfelijke sluiers van twijfel; vergeefse hoop en ongeloof; aardse zorgen en het verlangen om te vertrouwen op de arm des vlezes.
Dit zijn wegen waarop wij dergelijke en andere, onbekende maar niet zelden grote, reële gevaren moeten trotseren; wegen waarop wij, doordat wij met onszelf geconfronteerd worden, ook onszelf leren kennen. Maar wegen ook, waarop wij een Gids kunnen ontmoeten - een Gids echter, Die Zich nooit zal begeven in het rumoer van de mensenmassa’s in het aardse dal; een Gids Die wij daarom alleen individueel kunnen ontmoeten in deze hogere sferen – mits wij daar geraken door onze grote, doelgerichte inspanningen.
Deze Gids zal ons naar steeds grotere hoogten voeren, waardoor wij steeds grotere diepten beneden ons laten – en waardoor wij ons ook steeds bewuster worden van het voortdurend aanwezige, dreigende gevaar van een verpletterende val. Op deze opwaartse weg worden wij ons evenwel steeds bewuster van de hoge mate waarin wij afhankelijk zijn van onze Gids – maar ook van de hoge mate waarin wij ons op Hem kunnen verlaten, mits wij Zijn aanwijzingen niet alleen opvolgen maar vooral ook verstaan.
Aldus bekend geraakt met onze eigen zwakheden en beperkingen, maar ook met het geduld, het begrip en de vergevingsgezindheid van onze Gids, leren ook wij begrip te hebben, en naastenliefde te voelen voor onze medemensen – voor onze zeer weinige medereizigers, maar ook voor degenen die nog achter blijven in dat dal daar beneden – degenen die erop vertrouwden dat zij zouden kunnen leven in geleend licht, waarvan zij wellicht dachten dat het werd gereflecteerd door hen van wie zij slechts aannamen dat zij hen zouden leiden naar grotere hoogten – zonder dat zij daarvoor echter zélf de individuele offers brachten die daarvoor nodig zijn – totdat, wellicht door bittere ondervinding en desillusie, ook hen de ogen open gaan.
Voortgaand op de wegen die deze Gids ons wijst, kunnen wij uiteindelijk worden geleid tot boven de wolken van aardse zorgen, en tot vergezichten met een eeuwig perspectief, waarnaar wij gaandeweg steeds meer zijn gaan verlangen. Zo worden wij dan als de bergbeklimmer, en bewandelen wij de weg die tot God leidt.
Wij kunnen er echter ook voor kiezen om ons te voegen bij de grote massa op de brede weg van het veel betreden pad, met vér voor ons, vér buiten ons zicht, verborgen achter vele brede ruggen van anderen die ons voorgaan, iemand achterna die zegt de beste, onfeilbare weg te kennen – maar van wiens levenswandel wij weinig of niets weten, anders dan wat ons daarover door anderen is verteld.
Zo kiezen wij er dan voor om voort te gaan in blind vertrouwen, zoals het paard dat slechts zijn baas gehoorzaamt, erop vertrouwend dat die wel weet wat het beste voor hem is. Maar het paard kent zijn baas niet, noch heeft hij weet van de toekomst die hem wacht. In elk geval is hij daarop niet voorbereid, want hij heeft nooit geleerd om voor zichzelf te handelen. Daarom zal het paard ook nooit de vergezichten zien van de bergbeklimmer. Een paard verlangt daar ook niet naar, want zijn geestelijke vermogens zijn zeer beperkt.
Van de Kinderen van het Licht wordt echter verwacht dat zij licht van duisternis kunnen onderscheiden, evenals dat zij de klamme kilte van het donkere dal kunnen onderscheiden van de eeuwige hoogten van de bergtoppen. Kinderen van het Licht nemen geen schijnzekerheden voor absolute waarheid aan, maar zij onderzoeken alle dingen en zij behouden daarvan alleen het goede (zie 1 Tessalonicenzen 5:21).
Kinderen van het Licht spannen al hun krachten in om hun geloof te verrijken met deugdzaamheid; hun deugdzaamheid met kennis; hun kennis met zelfbeheersing; hun zelfbeheersing met volharding; hun volharding met vroomheid; hun vroomheid met liefde voor allen. Als zij deze eigenschappen in overvloed bezitten, dan is hun kennis van onze Heer Jezus Christus niet nutteloos maar vruchtbaar. Zij spannen zich daarom des te meer in om hun roeping en uitverkiezing waar te maken, waardoor zij nooit ten val komen, maar
waardoor zij zullen komen tot onze Heer en redder Jezus Christus (zie 2 Petrus 1:5-11).
(1) Een tredmolen is een molen die door spierkracht van mensen of dieren in beweging wordt gebracht. Een tredmolen kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor het malen van graan, waarbij een molensteen voortdurend word rondgetrokken.