Michael Beute op zending
Overhemden
door Bill Alder - vertaald en bewerkt door Cori Rinkema
Na twee jaar zending mag de laatste week een zoete echo worden - souvenirs in koffers duwen, vrienden bezoeken, zich laten verwennen tussen wederzijdse beloften van véél te schrijven. Maar net voor die week begon, lagen er twee brieven van president Osborne in de bus: Elder Verhees werd overgeplaatst naar Brussel en ik mocht een lakonisch bericht verwerken: "Beste Elder Smart, ik stuur u nog een gloednieuwe collega. Hij komt net van het opleidingscentrum. Heel enthousiast. Heeft hulp nodig. Ik reken op u."
De dag daarop pakte Elder Verhees zijn koffer. Hij had eigenlijk ook van mijn laatste week willen genieten - er stonden zes afscheidsdiners in ons afsprakenboekje.
President Osborne belde: hij had net mijn nieuwe collega op de trein naar Kortrijk gezet, en hij had mij speciaal uitgekozen omdat deze "speciale jongen" de voorbeeldige opleiding nodig had van een ervaren elder.
Ik zag me de afscheidsdiners al afbellen.
"Deze elder is de best voorbereide die ik ooit gezien heb," voegde president Osborne er aan toe. "Alleen heeft hij één gebrek. Leer hem wat nederigheid."
De trein van Elder Verhees vertrok twintig minuten voor mijn nieuwe collega aankwam. Ik wachtte dus alleen in de snackbar, mij nog vlug troostend met gevulde koek en appelsap. Twee minuten te vroeg reed de trein uit Antwerpen binnen. Ik repte mij naar het perron en kon mij de scene al inbeelden: de deuren gaan open, mensen dringen zich naar buiten en pas enige minuten later zou een kleine bedeesde zendeling te voorschijn komen.
Maar de trein stond nog maar net stil of een stevig gebouwde elder stapte als eerste uit, inspecteerde de mensen op het perron zoals een generaal zijn troepen en liep recht op mij af. Hij schudde mijn hand en stelde zich voor als Elder Sterling A. Ryan. Dan keurde hij me van top tot teen en sprak de hoop uit dat mijn pak er niet meer zo onverzorgd zou uitzien in de toekomst.
Onze week samen in Kortrijk vloog voorbij met weinig verandering in Elder Ryan's houding. Elke avond kwamen we uitgeput thuis. Eén ding was zeker: wat president Osborne zei over Elder Ryan's voorbereiding, was niet gelogen. Hij kende reeds alle discussies uit het hoofd, hij kon alles woordelijk opzeggen en hij had geen problemen met schriftuurteksten. Maar toch liep alles mis.
De mensen in Vlaanderen houden van hun land. Bijna elke persoon die we ontmoetten, vroeg ons wat wij van hun land dachten. Ik hield van Vlaanderen, net zoveel als van mijn eigen thuis. Elder Ryan haatte het. Zijn antwoorden luidden, alsof hij ze mét de discussie van buiten had geleerd: "Het is hier koud en wij houden niet van de regen," of "Indien dit Californie was, zou ik allang verhuisd zijn."
Ik herhaalde hem keer op keer dat hij de mensen en het land moest liefhebben, of hij zou geen levende ziel dopen. Maar die stap kon hij niet zetten. Toen hij besloot op zending te gaan, was Spanje zijn doel. Hij huilde toen hij naar Belgie werd geroepen. Zijn besluit stond vast, hij zou dit land voor altijd haten.
De laatste dag samen moest het gebeuren, anders faalde ik in de opdracht. Daar ik de volgende ochtend vrij vroeg moest vertrekken vond Elder Ryan het goed dat we eerst naar de wasserij zouden fietsen om dan in de namiddag langs de deuren te gaan. In de wasserij las hij de Wall Street Journal.
Het centrifugeren stopte en Elder Ryan begon de overhemden uit elkaar te halen. Hij selecteerde er twee: één van hem en één van mij. Naast zijn nieuw, wit overhemd, was het mijne grauw en slordig. Mijn overhemd was bijna zo goed als versleten en hier en daar zaten er lichte vlekken in. Elder Ryan keek me koel aan: "Heb jij dan geen zelfrespect, Elder? Hoe kan je in zoiets langs de deuren gaan? Hoe heb je dit zo vuil gekregen? Indien mijn overhemden maar half zo vuil waren, zou ik ze verbranden."
Een golf lichte weemoed stroomde langs me heen. Het was waar, mijn overhemden waren versleten, maar ze droegen in vage vlekken en dichtgenaaide scheurtjes herinneringen aan voorbije heilige momenten.
De roze vlek boven het zakje: dat gebeurde op de Keyserlei in Antwerpen, bij McDonalds. Het was een dinsdagmiddag toen ik samen met een opeengepakte groep hongerigen centimeter voor centimeter naar hamburgers en appelflappen schoof. De man voor mij bestelde zes cheeseburgers. Toen hij zich omdraaide, raakte één van zijn cheeseburgers, druipend van de ketchup, mijn overhemd. De man verontschuldigde zich met aandrang en bood aan het hemd te vergoeden. Even later zaten mijn collega en ik met hem en zijn gezin te praten. We kregen een afspraak en het is dankzij deze roze vlek dat je hem thans broeder Van Steen noemt, en zijn vrouw is jeugdwerkpresidente.
Het scheurtje aan de linkermouw, onhandig dichtgenaaid: het beeld van broeder Doms in Hasselt schoot weer door mijn hoofd. Meneer Doms had heel wat problemen met het Woord van Wijsheid toen we hem leerden kennen. Ik daagde hem uit: hij rookte zoveel dat hij nooit een worstelpartijtje tegen een klein, mager mannetje als ik zou halen. "Nonsens," spotte hij. Tien minuten later, en met een scheur in mijn mouw, had hij me tegen de vloer. Maar het had hem verrassend veel moeite gekost. Hij is nu raadgever in het gemeentepresidium.
Geen enkel waspoeder had alle zweet en tranen uit het overhemd kunnen knagen. de grauwe kleur was de neerslag van ontelbare uren, geregen aan het meest kostbare stuk van mijn leven. Ik probeerde het Elder Ryan duidelijk te maken. Hij antwoordde: "Ervaringen draag je in je hart mee, niet in vuile was."
In de namiddag gingen we er op uit om mensen te vinden, mijn laatste maal. In een arbeiderswijk bonden we onze fietsen aan een boom. We drukten op de eerste bel en wellicht voor de honderdduizendste maal vormde mijn mond het onoverwonnen Amerikaans accent: "Wai zain zendelingen van de Kerk van Jezus Christus van de Hailigen der Laatste Dagen..." Geen interesse. Mijn man is niet thuis. Ik ga net weg. We hebben jullie al gehad. Zeker weer voor geld. Nee, dank u, misschien een andere keer.
Naarmate de namiddag vorderde bereikten we een nog oudere buurt. Aan dit huis was het Elder Ryan's beurt om ons voor te stellen. Een kromgebogen mannetje verscheen in het portaal. "Dag meneer," begon Elder Ryan. "Wij zijn mormoonse zendelingen en..."
"O, kom erin, kom erin," straalde plots de lach van het mannetje. We schoten wakker uit onze deurensleur. De leefruimte van de oude man was klein en armzalig. Binnen handbereik van een verweerde zetel stonden een koelkast, een provisiekast, een tafel en twee stoelen. In de schemer van de hoeken hing stofrag. De man zei ons te gaan zitten en haalde uit de koelkast chocolademelk. Toen hij de glazen voorzichtig vulde en ons aanbood, merkte ik dat hij blind was.
Elder Ryan kuchtte om met het kennismakingsgesprek te beginnen. De oude was hem voor: "Wel, jullie hebben me dan toch gevonden. Ik wist dat ze broeder Clemaerts niet vergeten waren. Maar na die verhuizing uit Leuven heeft het toch lang geduurd." "Ja, er was een probleem met het doorsturen van het lidmaatschapbewijs. En hoe gaat het nu met u, broeder Clemaerts?" Ik moest inspringen, want Elder Ryan's mond was opengevallen als een geblokkeerde bandopnemer. Na twee jaar zending leer je echter het onverwachte te behandelen als een kameleon. Het was duidelijk dat we deze broeder de ontgoocheling konden besparen dat niemand hem eigenlijk zocht.
Hij vertelde breedvoerig en gelukkig over getuigenis en doop, kort en klagend over ogen en pensioen. Plots dacht hij aan iets, stak zijn hand onder het zetelkussen en trok er een verkreukte omslag uit. "Geef me je hand." Hij richtte zich tot Elder Ryan die werktuigelijk reageerde. Broeder Clemaerts sloot de omslag zorgvuldig in Elder Ryan's hand. "Het is niet veel, maar geef het zondag aan de gemeentepresident. Het is mijn tiende. Met mijn ogen geraak ik zelf niet bij de kerk."
Zoals steeds moest ik even vechten tegen de neiging armere mensen hun tiende te laten behouden. Maar ik had geleerd dat het in zulke omstandigheden niet om geld ging, maar om de vreugde te kunnen offeren en geven. De penning van de weduwe, die de Heiland zo diep waardeerde.
"Ja, jongens, ik ben toch gezegend hoor.'t Is hier rustig en echt tekort heb ik nooit gehad." Elder Ryan staarde in zijn glas chocolademelk in de éne hand en naar de omslag in de andere. Er was iets aan het losweken in hem Hij boog zich naar broeder Clemaerts en gaf de omslag terug. "Wel, we komen u zondag halen. Dan kunt u uw tiende persoonlijk aan de gemeentepresident geven."
Broeder Clemaert's glazen blik scheen even op te lichten. Hij knikte blij. Daarbij wilde hij Elder Ryan even dankbaar aanraken, gaf hem een klopje op de arm, waardoor wat chocolademelk op Elder Ryan's mouw droop. "Ja," ging Elder Ryan voort, "ik zal er zelf op toezien dat u elke zondag door iemand gehaald wordt. Mijn collega gaat morgen terug naar Amerika, ziet u."
Inderdaad, het werk was voor mij afgesloten.
Later, toen we onze fietsen losmaakten, zag ik Elder Ryan even over de chocoladevlek strelen. Zijn mondhoek trilde.
"Overhemden" werd overgenomen uit:
Horizon, tijdschrift over de mormoonse gemeenschap