MvG logo www.mvgcontact.org

Een Oproep tot Vernieuwing

Home





MVG vertaalde de onderstaande opmerkelijke toespraak door presidentskandidaat Barack Obama gegeven op 28 juni 2006, waarin hij blijkt geeft van een progressieve visie op geloof en politiek die ons kan aanspreken.

(klik hier voor de oorspronkelijke engelstalige tekst)

Een Oproep tot Vernieuwing

Goedemorgen, ik waardeer de gelegenheid hier te mogen spreken voor de Conferentie: "Een Oproep tot Vernieuwing en het Bouwen aan een Verbond voor een Nieuw Amerika". Ik was in de gelegenheid te lezen in uw 'Verbond voor een Nieuw Amerika' en moet zeggen dat ik daarin heel veel uitstekende richtlijnen en voorstellen aantref om de zorgwekkende toestand van dit land te verbeteren. Ik wil u ook complimenteren met de doordachte presentaties die u tot nu toe gaf over armoede en gerechtigheid in Amerika, en met het 'vuur aan de schenen leggen' aan de voeten van het politieke leiderschap hier in Washington.

Vandaag echter wil ik het gaan hebben over het verband tussen religie en politiek en wellicht wat licht doen schijnen over de vraag hoe we om moeten gaan met de scherp tegenstrijdige argumenten die we de afgelopen jaren hoorden.

Ik doe dat met het oog op het belang van armoede in de Bijbel; we kunnen natuurlijk gedrukte exemplaren van dit 'Verbond voor een Nieuw Amerika' uitreiken, we kunnen ons richten tot de media, en eindeloos uitwijden over godsdienstige oproepen om te werken aan armoedebestrijding en milieuzaken, maar dat zal weinig uithalen als we ons niet heel nadrukkelijk met iets anders bezig houden: het wederzijdse wantrouwen dat er soms bestaat tussen een godsdienstig Amerika en een seculair Amerika.

Een voorbeeld ter illustratie: Sommigen van u weten misschien dat ik ten tijde van de VS Senaatsverkiezingen in 2004 een zekere Alan Keyes als tegenstander had. Alan Keyes is uit het zelfde hout gesneden als Jerry Faldwell en Pat Robertson, die zich eveneens van retoriek bedienen waarin zij progressieven als immoreel en goddeloos betitelen.

En inderdaad, Dhr. Keyes verklaarde tegen het eind van zijn campagne dat "Jezus Christus niet voor Barack Obama zou stemmen". Christus zou niet voor Barack Obama stemmen omdat Barack Obama onchristelijk zou hebben gehandeld.

Jezus Christus zou niet voor Barack Obama stemmen.

Ik werd door een aantal van mijn liberale fans aangeraden deze uitspraak niet al te serieus te nemen, min of meer te negeren zelfs. Volgens hen was Alan Keyes een extremist en kun je zijn uitlatingen niet serieus nemen. Op dat moment had ik een flinke voorsprong in de opiniepeilingen, en dat was dus waarschijnlijk heel wijze raad.

Maar wat zij niet begrepen was, was dat ik hem wel degelijk serieus moest nemen, omdat hij voorgaf namens mijn godsdienst en namens mijn God te spreken. Hij pretendeerde de wijsheid over bepaalde waarheden in pacht te hebben.

Dhr. Obama zegt dat hij een Christen is, en toch is hij voor een levensstijl die door de Bijbel als een 'gruwel' worden aangeduid.

Dhr. Obama zegt dat hij een Christen is, maar hij is voor het vernietigen van onschuldig en onschendbaar leven.

Wat moest ik dus volgens mijn aanhangers zeggen? Hoe zou ik moeten antwoorden? Zou ik moeten zeggen dat een letterlijke uitleg van de Bijbel dwaasheid was? Dat Dhr. Keyes, die Rooms Katholiek is, de leringen van de Paus maar in de wind moest slaan?

Daar voelde ik niet voor, en ik antwoordde met een typisch liberaal antwoord in dergelijke debatten; nl. dat we van een pluralistische samenleving deel uitmaken waarin we onze godsdienstige zienswijzen niet aan een ander kunnen opleggen, dat ik gekozen wilde worden als Senator van de staat Illinois en niet als Voorganger van de staat Illinois.

Maar de nadrukkelijke beschuldiging van Dhr. Keyes dat ik geen Christen zou zijn bleef me bezighouden, terwijl ik me er ook van bewust was dat mijn antwoord onvoldoende uitlegde hoe mijn geloof ten grondslag lag van mijn eigen waarden en overtuigingen.

Niet bepaald een nieuw dillemma; e.e.a. weerspiegelt het bredere debat dat we in dit land hadden gedurende de afgelopen dertig jaar over de rol van godsdienst in de politiek.

Al geruime tijd zeggen politici en opiniepeilers dat er er een politieke scheiding is onstaan in dit land tussen religieuze groeperingen. En inderdaad, de allergrootste politieke partij-kloof onder blanke Amerikanen is niet tussen mannen en vrouwen, maar tussen de inwoners van zgn. 'Rode' staten en "blauwe' staten, tussen hen die regelmatig naar de kerk gaan en degenen die dat niet doen.

Conservatieve leiders maakten maar al te graag van de gelegeheid gebruik om evangelische Christenen voor te houden dat de Democraten hun waarden en hun kerk minachten, tegelijkertijd suggererend aan de rest van het land dat godsdienstig Amerika alleen maar geinterresseerd is in zaken als abortus, homohuwelijk, schoolgebed en intelligent design.

En over het algemeen hebben zijn de Democraten erin getrapt. We vermijden ten eniger male over godsdienstige zaken te spreken, bang om wie dan ook voor het hoofd te stoten, en zeggen dat we, niettegenstaande onze persoonlijk geloofsovertuiging, aan grondwettelijke regels gebonden zijn. Erger nog, er zijn liberalen die af willen van religie in het openbare leven, ze noemen godsdienst intolerant en irreel, de nadruk leggend op een karikatuur van de fanatieke religieuze Amerikaan, of van mening zijnde dat het woord 'christelijk' slaat op de politieke tegenstander en niet op mensen die oprecht geloven.

Een dergelijke ontwijkende strategie is misschien effectief als het om een tegenstander als Alan Keyes gaat, maar op de lange termijn begaan we een fout wanneer we de invloed van het geloof in het leven van mensen niet bevestigen, in het leven van het amerikaanse volk, en volgens mij is het hoog tijd dat we een serieus debat aangaan hoe we het geloof in overeenstemming kunnen brengen met onze moderne, pluralistische democratie.

Als we daartoe bereid zijn, moeten we allereerst begrijpen dat Amerikanen een godsdienstig volk zijn; 90 procent gelooft in God, 70 procent is lid van een institutioneel geloof, 38 procent ziet zichzelf als toegewijde Christenen, en heel wat meer mensen in Amerika geloven in engelen dan in evolutie.

Een dergelijke godsdienstige trend is niet zomaar het resultaat van succesvol 'marketing' door slimme predikers of van de aantrekkingskracht door de populaire mega-kerken. Ze komt tegemoet aan een dieper verlangen, een verlangen dat dieper gaat dan welke zaak of beweging dan ook.

Ogenschijnlijk gaan dagelijks duizenden Amerikanen naar kantoor, brengen ze hun kinderen naar school, naar een zakengesprek of naar een winkelcentrum, proberen zich aan hun dieet te houden, maar realiseren ze zich ook dat ze iets missen. Ze beginnen te beseffen dat hun werkkring, hun bezit, hun ontspanning,
hun drukke leven, onvoldoende is.

Ze verlangen naar een onderliggend doel in hun leven. Ze willen van hun chronische eenzaamheid af, een gevoel dat wordt bevestigd door een recentelijk onderzoek dat aantoont dat Amerikanen minder dan ooit echte vrienden hebben waarop ze kunnen vertrouwen. Ze hebben daarom behoefte aan de verzekering dat er iemand is die om ze geeft, naar ze luistert, dat ze niet zomaar op weg zijn naar het niets.

Ik spreek enigzins uit eigen ervaring. Ik groeide niet bepaald op in een gelovig gezin, in tegenstelling tot velen anderen in mijn gehoor. Mijn vader, die naar Kenya vertrok toen ik nog maar net twee jaar was, was Moslim van geboorte maar werd atheist op latere leeftijd. Mijn moeder, wiens ouders inaktieve Baptisten en Methodisten waren, was waarschijnlijk een van de meest geestelijk ingestelde en liefste mensen die ik ooit heb ontmoet, maar ze groeide op met een gezond gevoel voor kritiek t.o.v. institutioneel geloven. En als resultaat, ik ook.

Pas na mijn universitaire studie, toen ik naar Chicago ging om te gaan werken als maatschappelijk werker voor een aantal kerkgemeenschappen, begon ik over mijn eigen geestelijk dilemma na te denken.

Ik werkte samen met kerken, en de Christenen waarmee ik in aanraking kwam herkenden zichzelf in mij. Ze merkten dat ik hun Boek kende en dat ik me met hun waarden kon vereenzelvigen, hun kerkliederen zong. Maar ze merkten dat een deel van me afstandelijk bleef, een waarnemer in hun midden.

Na verloop van tijd merkte ook ik dat ik iets miste; dat die afstandelijkheid en eenzaamheid niet verdwijnen zouden zonder een geloofsuiting, zonder deel uit te maken van een geloofsgemeenschap.

Ik zou me met dat lot kunnen hebben verzoenen, ware het niet dat ik in aanraking kwam met bepaalde aspecten van de historische 'zwarte' kerk. Tijdens mijn tijd in Chicago voelde ik dat ik meer wilde dan voor de kerk te werken, ik wilde er deel van uitmaken.

De kracht van de afrikaans-amerikaanse religieuze traditie om sociale verandering te bewerkstelligen heeft me altijd al aangesproken, een kracht met name gemanifesteerd door een aantal leiders in mijn gehoor vandaag. Vanuit haar historisch besef begrijpt de 'zwarte' kerk als geen ander wat de bijbelse oproep inhoudt om de hongerigen te voeden en de naakten te kleden en machten en overheden te bevragen. En in haar historische worsteling voor vrijheid en mensenrechten begon ik geloof te zien als meer dan een geruststelling of als een overwinnen over de dood, maar als een aktieve en gevoelsmatige kracht. Als een bron van hoop.

Juist vanuit haar intieme relatie tot het lijden - een geloof gegrond op strijd - is het dat de kerk me verder inzicht verschafte, een inzicht dat ik vandaag belangrijk vind om te benadrukken.

Geloven houdt niet in dat je geen twijfels hebt.

We gaan allereerst naar de kerk omdat we in de wereld staan, niet erbuiten. We aanvaarden Christus omdat we behoefte hebben aan vergeving, omdat we mensen zijn met behoefte aan iemand aan onze zijde op onze moeizame tocht.

Het was vanuit dat hernieuwd besef dat ik op 'n dag uiteindelijk door het middenpad van de Trinity United Church aan 95th Street in Chicago-zuid kon lopen en m'n christelijk geloof kon bevestigen. Het was 'n keuze, geen goddelijke manifestatie. Ik bezweek niet in de kerk of zo. De vragen die me bezighielden verdwenen niet bij toverslag. Maar toen ik knielde onder dat kruis in Chicago-zuid, voelde ik dat Gods geest me riep. Ik gaf me over aan Zijn wil, en wijdde me toe om Zijn waarheid te gaan ontdekken.

Het is een levenspad dat door miljoenen en miljoenen Amerikanen gedeeld wordt - door Evangelischen, Katholieken, Protestanten, Joden en Moslims; sommigenvanaf hun geboorte, voor anderen als een keerpunt in hun leven. Dit is niet iets dat los staat van hun geloof en waarden. Het is juist iets dat tot hun geloof en waarden inspireert.

Als we echt van mens tot mens willen spreken, over onze hoopvolle verwachtingen en waarden, op een manier die gelovigen aanspreekt, dan kunnen we het ons als progressieven niet veroorloven het godsdienstige deel van de samenleving links te laten liggen.

Als we niet willen praten over wat het betekent een goed Christen, Moslim of Jood te zijn; wanneer we religie op een negatieve manier benaderen door te bepalen waar en wanneer ze niet aan de orde is, i.p.v. een positieve benadering van hoe ze ons leert over onze verplichtingen jegens elkander; wanneer we religieuze media en bijeenkomsten mijden omdat we denken dat we er niet welkom zijn, dan zullen anderen die leegte opvullen, anderen met een tunnel-visie op geloof, of zij die op cynische wijze religie voor politieke doeleinden misbruiken.

Met andere woorden, als we geen hand reiken naar evangelische Christenen en andere godsdienstige Amerikanen en onze zienswijze met hen delen, dan zullen de Jerry Faldwells, de Pat Robertsons, en de Alan Keyeses, hun invloed doen blijven gelden.

Het onbehagen van sommige progressieven over religieuze uitingen is een van de onderliggende redenen geweest waardoor zij niet in staat waren om vraagstukken op effectieve wijze in morele bewoordingen onder de aandacht te brengen. Het is een probleem dat deels rhetorisch is - als we geen godsdienstige taal willen bezigen, gaan we daarbij voorbij aan de taal en de beeldspraak waarin miljoenen Amerikanen persoonlijke moraliteit en sociale rechtvaardigheid begrijpen en verstaan.

De befaamde toespraak ter gelegenheid van de aanstelling van president Lincoln voor zijn tweede ambtstermijn zou ondenkbaar zijn zonder zijn verwijzing naar "het oordeel des Heren". En de toespraak van Martin Luther King is niet los te zien van zijn aanduiding over "al Gods kinderen". Het oproepen van een hogere macht inspireerde tot wat voorheen als onmogelijk werd gehouden, zorgde er voor dat het land een gezamelijk doel ging omhelzen.

Onze onmacht om als progressieven het morele fundament van de natie aan te spreken is echter niet alleen eeen rhetorisch probleem. Onze terughoudendheid om 'prekend' over te komen zou ook wel eens reden kunnen zijn dat we de rol onderschatten die waarden en cultuur spelen t.o.v. sommige van onze meest urgente sociale problemen.

Immers, zaken als armoede en racisme, niet-verzekerden en werkelozen, zijn niet zomaar technische vraagstukken als onderdeel van een volmaakt tien-punten plan. Ze liggen verankerd in zowel maatschappelijke onverschilligheid als individuele hardvochtigheid - in de menselijke onvolmaaktheid.

De oplossing van dergelijke problemen vereist een andere overheidsbeleid, maar daarnaast ook 'n verandering naar hart en ziel. Ik geloof in het weren van wapens uit onze binnensteden, en dat onze leiders de moed moeten kunnen opbrengen dat in 't gezicht van de 'lobby' voor wapenfabrikanten te durven zeggen - maar ik geloof ook dat wanneer een straat gangster in het wilde weg in een menigte vuurt omdat hij zich op de een of andere manier tekort gedaan voelt, dat we daarmee een moreel probleem aankaarten. Het betreft een jonge man met een gat in zijn hart - een gat dat de overheid alleen niet kan dichten.

Ik geloof in strikte toepassing van anti-discriminatie wetgeving. Maar ik geloof ook dat een gewetensvolle, eerlijke en multiculturele houding van de kant van bedrijfsleiders meer resultaat oplevert dan een battalion advocaten. We hebben trouwens minder advocaten dan zij ter beschikking.

Ik geloof dat we meer belastinggelden moeten besteden aan onderwijs voor kinderen uit lage-inkomensgezinnen. Ik geloof absoluut, om met Marian Wright Edelman te spreken, dat we als rijkste land ter wereld onze middellen moeten prioritariseren. Ik geloof dat dat we ze voorlichting moeten geven over voorbehoedsmiddelen om ongewenste zwangerschappen en abortus te voorkomen, en er voor te zorgen dat ieder kind zich geliefd en verzorgd weet.

Tegelijkertijd zegt m'n Bijbel me dat wanneer we een kind op de juiste manier opvoeden, hij of zij op latere leeftijd zich daarvan niet zal afkeren. Daarom geloof ik dat geloof en leiding eigenwaarde in een jonge vrouw kan versterken, en verantwoordelijkheid ook bij een jonge man; een mate van eerbied onder jonge mensen voor seksuele intimiteit.

Ik geloof niet dat iedere progressieve persoon opeens religieus getinte taal moet gaan bezigen, dat kan gevaarlijk zijn. Niets is zo doorzichtig dan onoprechte geloofsuitingen. Sommige politici klappen mee op de maat van het koor, soms ook uit de maat ... Daar is geen behoefte aan.

Trouwens, omdat ik vind dat religieuze mensen geen monopolie hebben op moraliteit, zie ik liever een moreel en ethisch persoon die tegelijkertijd niet-kerkelijk is, zichzelf verklaren op basis van moraliteit en ethiek zonder zich als iemand anders voor te doen. Dat is echt niet nodig; niemand hoeft zich ergens achter te verschuilen.

Wat ik voorstel is: niet-kerkelijke mensen hebben het bij het verkeerde eind als zij gelovigen vragen hun religie achterwege te laten in het openbare leven. Frederick Douglas, Abraham Lincoln, Williams Jennings Bryant, Dorothy Day, en Martin Luther King - en de meeste grote hervormers in de amerikaanse geschiedenis - werden niet alleen gedreven door geloof, maar gebruikten ook regelmatig godsdienstige taal om hun argumenten kracht bij te zetten. Om dus te stellen dat mannen en vrouwen geen 'persoonlijke moraliteit' in hun politieke debatten ten toon zouden moeten spreiden, is absurd in de praktijk. Onze wetgeving is per definitie een code voor moraliteit, die grotendeels ontstond binnen de joods-christelijke traditie.

En verder, als we als progressieven een aantal van dergelijke vooroordelen achterwege laten, zouden we oog kunnen gaan krijgen voor gezamelijke waarden die onze godsdienstige en seculaire omgeving delen als het gaat over de morele en inhoudelijke richting die ons land inslaat. We zouden tot de ontdekking komen dat opoffering t.b.v. de komende generatie, de noodzaak aan anderen en niet alleen aan onszelf te denken, weerklank vindt in geloofsgemeenschappen door het gehele land. we zouden ook tot de ontdekking kunnen komen dat we toenadering kunnen bewerkstelligen t.o.v. de evangelische gemeenschap en daarmee miljoenen godsdienstige Amerikanen kunnen betrekken in het overkoepelende doel van amerikaanse vernieuwing.

We zien al verandering om ons heen. Voorgangers, sommige van m'n vrienden zoals Rick Warren en T.D. Jakes wenden hun enorm grote invloed aan om AIDS aan te kaarten, kwijtschelding van schulden in de derde wereld, en de volkerenmoord in darfur bespreekbaar te maken. Religieuze denkers en aktivisten zoals onze goede vrienden Jim Wallis en Tony campolo benadrukken de Bijbelse oproep om de armen bij te staan als een oproep om Christenen te mobiliseren tegen bezuinigingsvoorstellen die sociale programmas treffen en ongelijkheid in de hand werken.

We moeten trouwens ook de andacht vestigen op de situatie rond de onroerend goed belasting; en daar hebben we Christenen, Joden en Moslims voor nodig op Capitol Hill. Het gaat om een onroerend goed belastingverlaging die resulteert in een voorgestelde bezuiniging van biljoenen op sociale zorgprogrammas die uiteindelijk terrecht komt in de zakken van een handvol mensen die dat echt niet nodig hebben en die daar niet eens om gevraagd hebben; zoiets laat toch zien dat moraliteit aan de orde moet komen in het politieke debat.

Overal in het land zijn afzonderlijke kerken waar u en ik deel van uitmaken, kinder en bejaardenopvang aan het organiseren, voormalige delinquenten aan het helpen opnieuw te beginnen, onze golfkust te herbouwen na de ramp met de orkaan Katrina.

De vraag is dus: hoe geven we gestalte aan de nog in de kinderschoenen staande samenwerkingsverbanden tussen godsdienstige en niet-kerkelijke mensen van goede wil? Er zal heel wat meer voor komen kijken dan dat we tot nu toe hebben bereikt. De spanning en het wantrouwen aan weerszijde van de godsdienstige kloof moeten worden besproken. En van beide kanten moeten vaste afspraken worden gemaakt om samen te kunnen gaan werken.

Nu ik een aantal zaken heb onderkend waar progressieve leiders mee aan de slag moeten, wil ik het ook hebben over zaken die conservatieve leiders aangaan; een aantal waarheden die zij moeten onderkennen.

Om te beginnen moeten zij de kritische rol gaan begrijpen die de scheiding van kerk en staat heeft gespeeld bij het in stand houden van onze democratie en de krachtige ontwikkeling van ons geloofsleven. Men wil nog wel eens vergeten dat tijdens de totstandkoming van de Verenigde Staten het niet de atheisten of de liberalen waren die grondwettelijke vrijheid verdedigden, maar vervolgde minderheden; het waren Baptisten zoals John Leland die niet wilden dat de gevestigde kerken hun wil oplegden aan degenen die het veld introkken en de Bijbel met de slaven deelden. Het waren degenen waaruit later de evangelischen uit voortkwamen die het meest uitgesproken waren tegen verstrengeling van overheid en religie, omdat zij wilden voorkomen dat een staatskerk hen zou verhinderen hun geloof gewetensvol uit te oefenen.

En verder, gezien de toenemende geschakeerdheid van de amerikaanse bevolking, is het gevaar van verzuiling groter dan ooit. We zijn, hoe dan ook, niet langer uitsluitend een christelijk land; we zijn ook een joods land, een land van Moslims, Boeddisten, Hindu's, en een land van niet-gelovigen.

Maar zelfs als we alleen maar Christenen om ons heen hadden, als we iedere niet-Christen uit de Verenigde Staten van Amerika zouden verbannen, wat voor soort Christendom zouden we dan onderwijzen op de scholen? Zouden we voelen voor James Dobson, of meer voor Al Sharpton? Welke schriftteksten zouden ten grondslag liggen aan ons overheidsbeleid? Zouden we voelen voor het boek Leviticus, dat suggereert dat slavernij aanvaardbaar is en dat het eten van schelpdieren een gruwel is? Of denken we meer aan Deuteronomium dat voorstelt uw kind maar te stenigen als het afdwaalt van het geloof? Of hanteren we uitsluitend de Bergrede - een schriftgedeeelte dat dermate radicaal is dat ons Ministerie van Defensie het waarschijnlijk niet zou overleven. Voordat we dus al te gekke zaken bedenken, is het zaak dat we onze Bijbels weer eens ter hand nemen, iets dat mensen steeds minder doen tegenwoordig.

Dit brengt me op een tweede punt. Democratie vereist dat godsdienstig gemotiveerde mensen hun aandachtspunten gaan vertalen in universele i.p.v. specifiek-religieuze waarden. Ze vereist dat wetsvoorstellen beargumenteerd en beredeneerd worden. Ik zou om godsdienstige redenen tegen abortus kunnen zijn, maar als ik abortus bij de wet wil verbieden, kan ik niet volstaan te wijzen op de leringen van mijn kerk of eenvoudigweg Gods wil aanhalen. Ik zal moeten uitleggen waarom abortus bepaalde principes geweld aandoet in de ogen van mensen van uiteenlopende religies, met inbegrip van de mensen zonder enige religie.

Het navolgende ligt moeilijk bij degenen die, zoals veel evangelische mensen, in de onfeilbaarheid van de Bijbel geloven. Maar in een pluralistische democratie hebben we geen keus. Politiek valt of staat met onze overtuigingskracht t.o.v. gezamelijke doelstellingen op basis van een gezamelijk realiteitsbesef. Het houdt de mogelijkheid tot compromis in, de kunst om te bereiken wat tot de mogelijkheden behoort. Op een fundamenteel niveau biedt religie geen mogelijkheden tot compromis. Het is dan de kunst om te bereiken wat onmogelijk lijkt. Als God heeft gesproken, dan wordt van de volgelingen verwacht dat ze zich aan Gods voorschriften houden, ongeacht de gevolgen. Ons leven naar dergelijke onweerlegbare grondbeginselen in te richten is misschien heel verheven, maar om er politiek handelen op te baseren is een gevaarlijke onderneming. Voor degenen die daaraan mochten twijfelen, is hier een voorbeeld:

We kennen allemaal het verhaal van Abraham en Izaak. Abraham wordt door God bevolen zijn enige zoon te offeren, en zonder mankeren neemt hij Izaak naar de bergtop, bindt hem op een altaar, heft het mes op, bereid om naar Gods wil te handelen.

Het eind van het verhaal is natuurlijk dat God een engel stuurt om op het laatste moment tussenbeiden te komen, en Abraham doorstaat de toets van toewijding.

Tegelijkertijd is het zo dat wanneer we bij het verlaten van de kerk Abraham op het dak van een gebouw zijn mes zagen verheffen, we toch minimaal de politie zouden bellen en zouden aannemen dat de sociale dienst en de kinderbescherming Izaak bij Abraham weg zouden halen. We handelen op die wijze omdat we niet horen wat Abraham hoort, niet zien wat hij ziet, hoe echt zijn ervaringen ook mogen zijn. Het beste wat we dus kunnen doen is uitgaan van de omstandigheden die we allemaal kunnen zien, allemaal kunnen horen, hetzij algemene wetten, hetzij ons gezond verstand.

Tenslotte, een verzoening tussen religie en democratisch pluralisme vereist een gevoel voor verhoudingen.

Dit geldt voor beide partijen.

Zelfs degenen die vinden dat de Bijbel onfeilbaar is maken onderscheid tussen schriftuurlijke voorschriften, begrijpend dat delen daaruit - bijv. de Tien Geboden of het aannemen van de goddelijkheid van Christus, de kern vormen van het christelijk geloof, terwijl anderen e.e.a. meer relateren aan een specifieke cultuur en aanpassing aan het hedentendaagse leven.

Het amerikaanse volk kan dit gevoelsmatig aanvoelen, daarom doet de meerderheid van Katholieken aan geboorteregeling en daarom zijn sommigen die tegen het homohuwelijk zijn niet voor een grondwettelijke regeling om haar te verbieden. Religieuze leiders hoeven die wijsheid niet te volgen in het leiden van hun kudde, maar zouden de wijsheid daarvan in hun politiek handelen in moeten zien.

Gevoel voor verhoudingen is ook belangrijk t.o.v. de raakvlakken tussen kerk en staat. Niet iedere uiting van God in het openbaar is een aantasting van die scheidingsmuur - het gaat daarbij om de context. Het valt te betwijfelen of kinderen die de 'Pledge of Allegiance' op school reciteren zich onderdrukt of gehersenspoeld voelen bij het uitspreken van de woorden "onder God." Dat was bij mij in ieder geval niet zo. Vrijwillig gebed onder groepen scholieren op schoollokaties zou toch geen probleem moeten zijn, evenmin als politiek praatgroepen onder republikijnse of democratische schooljongeren een probleem hoeft te zijn. En we zouden ons ook heel goed kerkelijke initiatieven moeten kunnen voorstellen om wetsovertreders en verslaafden te rehabiliteren, als een unieke mogelijkheid om aan probleemgebieden te werken.

Er is voor ons allemaal dus werk aan de winkel. Ik ben hoopvol gestemd dat we de kloof van vooroordeel kunnen dichten die er in een dergelijk debat nu eenmaal aanwezig is. Ik weet zeker dat miljoenen Amerikanen er net zo over denken. Ongeacht onze godsdienstigheid of onze on-godsdienstigheid, de meeste mensen zijn het beu dat mensen elkaar met geloof om de oren slaan. Ze hebben geen behoefte aan het misbruik van geloof om elkaar te betuttelen of uiteen te drijven. Ze hebben genoeg van overdreven preken, want uiteindelijk ervaren ze het geloof heel anders in hun eigen leven.

Tenslotte wil ik eindigen met nog een ervaring die ik tijdens mijn verkiezingscampagne opdeed. een paar dagen nadat ik kandidaat werd gesteld voor de democratische senaatspositie, ontving ik een email van een arts aan de Medische Universiteit van Chicago:

"Gefeliciteerd met uw overtuigende en inspirerende verkiezingsoverwinning. Ik heb voor u gestemd, en wil u laten weten dat ik wellicht ook tijdens de algemene verkiezingen voor u zal stemmen. Maar er is iets dat me bezighoudt, iets dat me ervan zou kunnen weerhouden om voor u te stemmen."

De arts omschreef zichzelf als een nogal 'totalitair' Christen, wiens geloofsovertuiging leidde tot krachtige oppositie tegen abortus en het homohuwelijk, alhoewel hij moest toegeven dat zijn geloofsovertuiging hem ook vraagtekens liet plaatsen bij de afgoderij van de vrije markteconomie en het voor de hand liggende militairisme op de republikijnse partijagenda.

Het bleek dat de dokter niet zozeer bezwaar maakte tegen mijn standpunt aangaande abortus, maar dat hij moeite had met een passage op mijn website die mijn verkiezingscampagne had bedacht om te suggereren dat ik oppositie zou voeren tegen de "rechtse denkbeelden die de vrouw het keuzerecht wilde ontnemen." En de dokter vervolgde:

"Ik bemerk een sterk ontwikkeld gevoel voor rechtvaardigheid aan uw kant ... en dat u een verstandig mens bent die redelijkheid hoog in het vaandel voert ... ongeacht uw inzichten, als u echt gelooft dat degenen die tegen abortus zijn allemaal perverse ideologen zijn die niets liever willen dan de vrouw te doen lijden, dan bent u volgens mij niet eerlijk bezig ... we weten allemaal dat we in een tijdperk leven met legio mogelijkheden om goed of kwaad te veroorzaken, een tijdperk waarin we soms moeite hebben om een gemeenschappelijke politiek te voeren op basis van pluriformitiet, waarin we ons afvragen met welk recht we besluiten nemen die ook anderen aangaan ... ik vraag u niet dat u zich tegen abortus uitspreekt, maar slechts dat u de kwestie in eerlijke bewoordingen ter discussie stelt."

Eerlijke bewoordingen.

Ik nam dus eens een kijkje op m'n website en vond er de beledigende zinsneden. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat mijn stafpersoneel gewoon standaard politieke taal had gebruikt om mijn voorkeur voor 'keuzevrijheid' te onderstrepen ten tijde van de voorverkiezingen in de democratische partij, waar sommige van mijn rivalen beweerden dat ik 'Roe versus Wade' niet zou verdedigen.

De brief van de dokter nog eens doorlezend, voelde ik me toch enigzins beschaamd. Mensen als hij zijn op zoek naar een diepere en meer inhoudelijke dialoog over de betekenis van religie in dit land. Ze zullen misschien niet van mening veranderen, maar ze zijn bereid naar anderen te luisteren en van anderen te leren indien e.e.a. in eerlijke bewoordingen plaatsvindt door degenen die begrijpen hoezeer God de centrale en allesomvattende plaats inneemt in het leven van zoveel mensen, en die weigeren om geloof als elk ander politiek onderwerp te beschouwen om elkaar de loef af te steken.

Ik besloot de dokter terug te schrijven, en ik bedankte hem voor zijn advies. De volgende dag circuleerde ik een email onder mijn stafpersoneel en veranderde de passages op mijn website in duidelijke maar onmiskenbare bewoordingen aangaande mijn positie over keuzevrijheid voor de vrouw. En die avond, voor het slapen gaan, zei ik m'n eigen gebed - een gebed om uit te mogen gaan van de eerlijke overtuiging van anderen, zoals de dokter aan de dag had gelegd.
Het gebed dat ik die avond zei voor het slapen gaan, is een gebed dat volgens mij leeft in het hart van heel veel Amerikanen. Een gevoel van hoop dat we met elkaar kunnen samenleven op een manier die een brug slaat tussen persoonlijke overtuiging en het algemeen belang. Een dergelijk gebed is alleszins de moeite waard om te worden uitgesproken, een uitnodiging tot een gesprek dat alleszins de moeite waard zal blijken voor de komende maanden en jaren in dit land. Dank u wel.