Mormonisme en Literatuur
door Elisabeth Mulder en Fritz Dejonghe
(uit "Horizon", Mei 1982)
In de literatuurgeschiedenis van het mormonisme
zijn mooi afgebakende periodes moeilijk te onderscheiden, omdat de oudste
tendenzen ook nu nog doorlopen - de jubel en troost van onze lofzangen,
de klassieke opbouwende verhalen, de dagboeken en biografieen. Toch
kleuren enkele typische momenten die geschiedenis: de romanveroordeling
van 1850-1880, de verloren generatie van1935-1950, de nieuwe generatie
vanaf 1960. Ten slotte kan het niet oninteressant zijn ook de blinde
rage van de anti-mormoonse literatuur, zoals die ons tachtig jaar lang
geteisterd heeft, onder de loupe te nemen.
Het Getuigenis van Jubel en Troost
"Komt, Heil'gen, komt,
geen werk noch strijd gevreesd,
Maar uw reis blij volbracht.
Schijnt ook de tocht wat zwaar,
Zijt kloek van geest,
Naar uw kruis krijgt gij kracht..."
"Komt, Heil'gen, komt" is onze meest gekende lofzang - de
kenwijs van het mormonisme. Maar op zich vormen die simpele verzen geen
grote literatuur. Hun onschatbare waarde komt van de omstandigheden
waarin ze geschreven werden. De Heiligen waren uit Nauvoo verjaagd,
in het midden van de winter. Door de diepste ellende heen trokken ze
naar Winter Quarters, een verre pleisterplek op de weg naar het westen.
Op de drieenveertigste dag van die wrede tocht, toen velen ontmoedigd
werden, dichtte William Clayton de tekst van de lofzang "Komt,
Heil'gen, komt". Geen enkel lied gaf de pioniers meer moed en troost.
's Avonds werd het op elke kampplaats gezongen. Op de primitieve grafstenen
van hen die onderweg overleden, werd vaak het vers gegrift: "En
sterven wij alvorens daar te zijn..."
De rijke productie aan lofzangen, getuigenissen, pioniersdagboeken
in de eerste vijftig jaar van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen
der Laatste Dagen, kan vergeleken worden met de vroegste geschriften
in de oorspronkelijke kerk. Als strict literaire documenten betekenen
de evangelies en de apostolische brieven niet veel, maar toch verdienen
ze sinds eeuwen de doorgedreven aandacht van talloze geleerden. Uit
die teksten kan men immers de sfeer afleiden, de diepere gronden, de
eerste momenten in de bakermat van een nieuwe beschaving. Op dezelfde
wijze spreken de eerste mormoonse teksten tot ons.
"De morgen daagt, de nacht vliedt henen...", "Huiv'ring
wekt dit woord des Heren...", "Komt,
hoort naar 't luid trompetgeschal..."
De eerste halve eeuw van het mormonisme was sterk gekenmerkt door de
juichkreet van de waarheidsontdekking. Tegelijkertijd roepen de lofzangen
op zich van de wereld af te keren en naar "Zion te vlieden":
"Hoog op der bergen kruin...", "In ons Zion ons zo waard...",
"Zo vast als het Rotsgebergte..." Het epos van de trek naar
het westen, de "vergadering" der Heiligen die tienduizenden
en tienduizenden over zeeen, vlakten en bergen bracht, kon slechts verwezenlijkt
worden door een strijdend geloof, gesteund door hartversterkende lofzangen.
Ook de verhalende dagboeken van dit epos vormen een literatuur, ongekunsteld
van stijl, maar in hun eenvoudige werkelijkheid ontzaglijk van inhoud:
"Om vijf uur opgestaan, het was ijzig. Charles is er in geslaagd
de as bij te werken door er heel de nacht aan te schaven. Willie's koorts
is gezakt, maar de angst nog een kind te verliezen blijft. De ossen
zijn uitgeput, en het is nog maar de vijfendertigste dag onderweg..."
Op zich vormt zo'n kleine echo maar een cel in het stramien. Maar het
zijn de duizende cellen naast elkaar die het hele patroon tekenen, een
patroon van doorzetting in moedeloosheid, van geloof in wanhoop, van
de vestiging van het Rijk Gods uit het niets.
Romans: Gevaarlijk !
De Romanveroordeling van 1850-1880
"Het is verkeerd romans te lezen!" verkondigt in 1850 "The
Contributor", een van de eerste kerkelijke publicaties in de vallei
van het Grote Zoutmeer. "Wie romans leest, onderwerpt de zuiverheid
van zijn geest aan een angstwekkende beproeving, omdat het moeilijk
is het goede van het slechte te onderscheiden...Eenmaal belust op lectuur,
zal de arme ziel verslaafd worden aan de valse geneugten van dit saai
en levenloos tijdverdrijf..." (1).
Die uitspraak, verwonderlijk op het eerste gezicht, past nochtans in
het kader van de tijd. De Engelse en Amerikaanse romans van die periode
stellen over het algemeen een hoop rommel voor - leesvoer voor een paar
centen, melodramatisch tot het uiterste, meestal over liefdesverhoudingen
en overspel, goedkoop van intrige en doorspekt met sensatie. In hun
pionierswereld hebben de Heiligen wat anders te doen dan te dromen over
de heldhaftige charmeur die zijn utverkorene ontvoert uit het huis van
de verraderlijke echtgenoot. Nee; de woestijn die moet geirrigeerd worden,
bemest en beplant, de bouw van een onderdak voor vrouw en kinderen,
de strijd tegen sprinkhanen, ratelslangen, droogte, ziekte en honger
maken het leven zelf tot een dagelijkse roman van onverbiddelijk realisme.
Als er dan nog tijd overschiet om te lezen, grijpt men naar de Heilige
Schrift of naar een boek over landbouw en techniek.
De afzondering van de Heiligen in Utah maakt het daarenboven moeilijk
om reeds de nieuwe namen van de betere literatuur te onderscheiden.
Uit de overvloed aan goedkope schrijvers treden inderdaad enkele figuren
waarvan de namen ons nu nog tot de wereldliteratuur behoren: de gezusters
Bronte en hun majestueuze psychlogische drama's; Sir Walter Scott en
zijn historische romantiek; de boeiende verhalen van Charles Dickens
(Oliver Twist", David Copperfield"), James Fenimore Cooper
("De Laatste van de Mohicanen"), Herman Melville (Moby Dick").
Ondanks de afkeer voor het "saai en levenloos tijdverdrijf"
druppelt deze betere literatuur toch ook binnen in de omsloten wereld
van het mormoonse westen. In 1869 vergemakkelijkt de nieuwe spoorwegverbinding
met Utah de toevoer van boeken (wat een onduldbare luxe was het voorheen
romans mee te sleuren in huifkar of handkar). In hun comfortabeler maatschappij
van de jaren 1870 beginnen de heiligen meer tijd en genoegen te vinden
in het lezen van goed-gekozen, ontspannende romans. Ook de nu oude Brigham
Young verzacht in die jaren zijn standpunt: "Loont het lezen van
romans de moeite? -Wel, ik heb liever dat de mensen romans lezen dan
helemaal niets" (2).
In die soepeler houding wordt ook de sluis geopend voor een eigen literaire
productie in de veilige mormoonse haven.
Maar alvorens die vormen te bekijken, werpen we een blik op de storm
die buiten woedt.
De Blinde Rage van de Anti-Mormoonse Literatuur (1850-1930)
Zelfs nu nog huiveren sommige (oudere) mensen bij het woord "mormonen".
Er rinkelt een belletje - polygamie, een vreemd volkje in het Amerikaanse
westen. Dit is de late erfenis van een "literatuur" die zich
tachtig jaar lang heeft gevoed met grenzeloze fantasiegegevens over
"een secte" in het ontoegankelijke Rotsgebergte.
Hoe is deze literatuur ontstaan? Zoals reeds gemeld kent de negentiende
eeuw een vloed van populaire romans van twijfelachtig alooi. De schrijvers
zoeken vooral naar avontuurlijke gegevens in een exotisch kader, bij
voorkeur met zowel een flinke dosis sensualiteit als een reeks gruwelijke
voorvallen. Het nog onbekende Afrikaanse binnenland begint verhalen
op te leveren van wilde menseneters die koene blanke helden de pot indraaien;
bij de Indianenstammen moeten regelmatig ontvoerde jonge vrouwen bevrijd
worden van de martelpaal; schattenzoekers schuimen de Zuid-Amerikaanse
stromen en wouden af, voortdurend bedreigd door de giftige pijlen van
koppensnellers; in de sensuele harems van het mysterieuze Oosten worden
de eunuchen verschalkt om te kunnen binnendringen in het Ontoelaatbare.
In het onbekende mormonisme, eenzaam teruggetrokken in een grootse
en geheimzinnige wildernis, vinden vele schrijvers een nieuwe en onuitputtelijke
grond voor sensatie verhalen. Het beeld van de Heiligen is immers al
flink besmeurd geworden dor de haat van hen die Joseph Smith en de zijnen
verjoegen van New York naar Missouri en vervolgens naar Illinois. De
moordenaars van Joseph en Hyrum Smith rechtvaardigen hun daad met verhalen
over mormoonse "verdelgers", de zogenaamde Danieten, die 's
nachts eerzame burgers zouden overvallen. En als klap op de vuurpijl
komt er dan nog de leer van het meervoudige huwelijk bij, waarbij het
literaire beeld van de Turkse harems, met al hun geheimzinnigheid en
erotisme, op het mormonisme wordt geent.
Alles werkt blijkbaar samen om vanaf 1850 de grote massa een stroom
goedkope romans en toneelstukken aan te bieden, waarbij de Heiligen
der Laatste Dagen het mikpunt worden van onvoorstelbare verhalen. De
meeste intriges draaien rond de onschuldige jonge vrouw die naar Utah
wordt gelokt om in een polygaam gezin aan de grillen van een barbaarse
echtgenoot te worden overgeleverd, dan ontsnapt met een bende woeste
Danieten op haar spoor om op het nippertje gered te worden door een
heldhaftige, christelijke jongeling.
Sommige Angelsaksische auteurs danken hun later succes aan een eerste
boek met anti-mormoonse inhoud. Arthur Conan Doyle creeert zijn Sherlock
Holmes in "A Study in Scarlet", waar de detective een groep
mormoonse bandieten moet overwinnen. Mark Twain wordt beroemd met "Roughing
it", een boek met een belangrijke mormoonse episode. Theodore Winthrop
en Zane Grey, twee Amerikaanse romanciers die ook nu nog hoog aangeschreven
staan, verwierven bekendheid door anti-mormoonse romans. En voor wie
iets meer afweet van literatuur, zijn volgende namen zeker veelbetekenend:
Harriet Beecher Stowe, Artemus Ward, Joaquin Miller, Robert Buchanan
- allen op een bepaald ogenblik delend in de anti-mormoonse schrijfrage.
Maar geen een had ooit echte Heiligen der Laatste Dagen gezien.
Ook vele populaire schrijvers in ons eigen Europa ontsnappen niet aan
deze anti-mormoonse sensatiemode. Reeds in 1846 verschijnt van de hand
van Amalie Schoppe de Duitse roman "Der Prophet", een bij
de haren gesleurde avonturenroman waarbij Joseph Smith in feite een
vroegere Adelbert Braun is, die met zijn imperialistisch leger dictator
over Amerika tracht te worden; hij wordt daarin tegengewerkt door de
moedige held, Arnold, eveneens Duitser, die Joseph Smith dodelijk verwondt;
maar dan de natuurlijke zoon van Adelert blijkt te zijn. Karl May, de
beroemde auteur van Indianen-avonturen rond Winnetou, maar die zelf
nooit in Amerika was geweest, geeft eveneens toe aan de anti-mormoonse
mode en laat zijn helden regelmatig een paar mormoonse bandieten uitschakelen.
De Franse populaire auteurs, verlekkerd op "chroniques scandaleuses",
blijven niet achter. Reeds in 1859 publiceert Paul Duplessis een enorme,
vijfdelige roman, "Les Mormons", rond de klassieke intrige
van de ontvoerde meisjes en hun bevrijding uit de klauwen van de Danieten.
De fantasie maakt hier Brigham Young tot de stroman van de onzichtbare
leider van het mormonisme, ene Hiram-Harris, een hypnotische griezel
(3).
Zo sterk wordt de mormoonse legende in Frankrijk dat zelfs tot in de
twintigste eeuw grote schrijvers aan de mode meedoen. In 1917 voert
de dichter en romancier Guillaume Apolinnaire de fantasma's rond het
mormonisme tot een hoogtepunt met een roman waarin de Heiligen der Laatste
Dagen zich blaffend en gierend als tollende hoepels voortbewegen in
apocalyptische processies ("La femme assise"). As orgelpunt
verschijnt dan in 1921 "Le lac sale" van Pierre Benoit, een
van de grootste Franse succesauteurs. Het verhaal draait om een protestantse
dominee die door slinkse middelen leider van het mormoonse rijk wordt
en gewetenloos de polygamie onderhoudt (4).
Door heel deze "literatuur" heen loopt een sterke immorele
krachtlijn: het publiek kan immers over sexuele uitspattingen en gruwels
lezen onder het mom van zogenaamde verontwaardiging. de anti-mormoonse
boeken zijn eigenlijk de toelaatbare pornografie van de tijd. Ze doen
denken aan de dame die voortdurend "hoe verschrikkelijk!"
roept, terwijl ze met verlangende ogen naar een onkuis tafereel blijft
kijken. Alles bij elkaar vertelt die litaratuur ons heel wat over het
soort mensen die deze boeken schrijven en lezen, maar helemaal niets
over de realiteit van het mormonisme.
De buitenstaanders die de mormoonse gemeenschap werkelijk kennen, klagen
vanaf het begin het leugenachtige van die literatuur aan. De reizigers
die Salt Lake City aandoen in de tweede helft van de negentiende eeuw,
getuigen voortdurend van de schoonheid van de stad en streek, van het
hoog moreel peil van de Heiligen, van hun uitmuntende sociale en economische
prestaties. Zij beschuldigen de populaire literatuur van schandalige
feitenvervalsing en zij publiceren talrijke loftuigingen ten voordele
van de mormoonse gemeenschap. Maar geen van die stemmen is bij machte
de vloedgolf anti-mormoonse literatuur tegen de houden.
In feite zal het tot de jaren 1930 duren voor de realiteit van het
mormonisme de negatieve legende kan aantasten. de uitzendingen van het
Mormoons Tabernakel Koor, het voorbeeldig welzijnszorgprogramma in de
Grote Depressie, het groeiend internationaal zendingswerk verbeteren
gestadig het imago van de Kerk van Jezus Christus va de Heiligen der
Laatste Dagen.
Toch weegt de erfenis van de anti-mormoonse literatuur nog tot op heden
door. Als men bijvoorbeeld bedenkt dat in 1960 een "ernstig"
wetenschapsmens de dolzinnige roman van Guillaume Apolinnaire als bron
voor een studie over het mormonisme gebruikt, dan begrijpt men hoe vooroordelen
in stand worden gehouden (5). Anderzijds leidt de erfenis soms ook tot
complexen bij kerkleden zelf: dit uit zich in een overdreven triomfalisme
om toch maar te bewijzen dat de oude imago's onjuist zijn, of in een
verlegenheid over de polygame episode die het liefst doodgezwegen wordt,
of in defensieve overreacties bij de minste kritische opmerking.
Honderd Jaar Mormoonse Gemeenschapsliteratuur
In de jaren 1870 beginnen de Heiligen langzaam in te zien dat boeiende
verhalen een grote kracht hebben. Als de anti-mormoonse literatuur zo'n
slechte invloed kan uitstralen, waarom dan geen pro-mormoonse literatuur
schrijven? Er ontstaat een mode om geloofversterkende ervaringen in
verhaalvorm te publiceren - de geschiedenis van de eigen bekering, de
avonturen van het vroege pioniersleven, de lotgevallen in het zendingswerk.
Van deze geromanceerde ervaringen naar denkbeeldige gebeurtenissen is
het maar een kleine stap.
Vanaf 1880 zien we dan ook een plotse bloei van korte verhalen en romans,
geschreven door Heiligen der Laatste Dagen, voor heiligen der Laatste
Dagen, over Heiligen der Laatste Dagen. Die produktie noemt men gewoonlijk
de mormoonse gemeenschapsliteratuur. Zij vertoont alle kenmerken van
de zogenaamde "helden- en hartjeslectuur": simplistisch, moraliserend,
sentimenteel en steeds met een goed einde.
Ongetwijfeld beantwoordde deze literatuur aan een grote behoefte. De
jonge generatie kerkleden van na 1880 groeide op in een nieuwe omgeving:
zij waren geen echte bekeerlingen, zij waren niet gehard door de uitdagingen
van het pioniersleven, zij hadden Joseph Smith nooit gekend en voor
hen hoorde Brigham Young, gestorven in 1877, reeds tot een historisch
verleden. Ook zagen zij de losse leefgewoontes van niet-kerkleden die
zich steeds talrijker in het westen kwamen vestigen. De verleiding om
het besloten provincialisme op te geven woelde bij de jeugd - en daarmee
ook de verzwakking van het geloof. De oudere generatie gooide zich met
volle overtuiging in de srtijd om de jeugd van Zion te beveiligen en
te sterken: Het lied "Trouw aan 't geloof dat onz' ouders beleden..."
dateert uit die periode. Een van de middelen in die strijd werd de gemeenschapsliteratuur.
In 1888 doet Orson F. Whitney, zelf dichter en romancier, in het kerkelijke
tijdschrift "The Contributor" een krachtige oproep om "een
zuivere en grootse literatuur" te scheppen, "een literatuur
over de waarden van het evangelie, die Zion zal helpen vestigen".
En Whitney maakt deze grandiose, doch nog steeds onvervulde belofte:
"Wij Heiligen der Laatste Dagen zullen ooit Miltons en Shakespeares
van onszelf hebben... Wij zullen een literatuur opbouwen die tot de
hemel zal reiken, ook al liggen de funderingen nu nog diep in de grond"
(6).
Tegen het einde van de eeuw is de oproep al heinde en verre beantwoord:
tientallen mormoonse auteurs publiceren hun verhalen in de kerkelijke
magazines van die tijd - The Juvenile Instructor, The Contributor, Women's
Exponent, The Monthly Utah Magazine, The Improvement Era, en andere.
De verhalen handelen over bekering, over zachte en volmaakte liefdes,
over moedige Heiligen in avontuurlijke belevenissen.
Een typisch voorbeeld van deze auteurs is Josephine Spencer. Uit haar
vele verhalen kiezen we er een - "Beproeving des harten".
De jonge held van het verhaal, Hart Richfield, is verliefd op Millie
Hurst. Maar door een reeks misverstanden komt hij in conflict met Millie's
vader die hem verdere omgang met zijn dochter verbiedt. Diep bedroeft
verlaat Hart zijn geboortestreek in Utah om in het oosten van de Verenigde
Staten ta gaan studeren. Daar wordt hij losgeweekt van het geloof en
begint zich onledig te houden met politieke ideeen om de wereld te veranderen.
In Utah volgt Millie een gelijkaardig pad: ook zij verwaarloost de kerk
en wordt opstandig. Maar dan komt het keerpunt: de vader van Millie
ziet in dat hij verkeerd gehandeld heeft. Na de nodige belevenissen
vindt Hart zijn geliefde terug en zegt: "Ik heb ontdekt dat het
mormonisme zoveel beter is dan alle politieke oplossingen." En
Millie beaamt het met de slotboodschap: "Ik zou nergens anders
willen trouwen dan in de tempel - voor wat ook ter wereld." Waarop
de geliefden hand in hand het verhaal uit en de tempel binnenstappen.
Op dit simplistische stramien verschijnen er honderden verhalen - het
ene al eens beter dan het andere. Tot de bekendste schrijver horen Susa
Young Gates, een dochter van Brigham Young, en Nephi Anderson, een zoon
van Noorse emigranten. Gezien in het licht van de tijd, bevatten hun
boeken goed opgebouwde verhalen, met een aanvaardbare karakterisering
van de personages en een behoorlijke stijl. Centraal in deze boeken
blijft steeds de moraliserende toon: allereerst zijn zij immers geschreven
om de jeugd op te voeden.. De auteurs laten zelden een kans voorbijgaan
om vermaningen in te lassen en de waarheid te illustreren.
Ook in de twintigste eeuw wordt de gemeenschapsliteratuur vlijtig voortgezet.
De kerkelijke tijdschriften blijven honderdduizenden lezers aanspreken
met korte verhalen over Heiligen wier geloof bergen verzet, over redding
van stervende kinderen, over hulp aan arme oudjes, over stormen die
men wonderbaarlijk overleeft.
In 1971 worden de kerkelijke tijdschriften gereorganiseerd onder een
centraal beheer dat thans drie standaardtijdschriften voor de hele kerk
uitgeeft: "The Ensign" voor volwassenen, "The New Era"
voor tieners en en "The Friend" voor kinderen. Voor de niet-Engelstalige
leden maakt het beheer uit deze drie officieele tijdschriften een kleine
tekstenkeuze, die vertaald wordt in een lokaal kerkelijk tijdschrift
- bij ons "De Ster". Naast de toespraken van algemene autoriteiten
en naast algemeen vormende artikelen, worden er ook enkele korte verhalen
aangeboden in de traditie van de gemeenschapsliteratuur. Soms wordt
het kader wat gemoderniseerd (met een vreemde voorkeur voor kerkleden
in oorlogssituaties, 1940-1945, Korea, Vietnam) en soms breekt een iets
vrolijker stijl door. Maar de thema's en de grondgedachten zijn meestal
dezelfde.
Men moet deze mormoonse gemeenschapsliteratuur echter wijs beoordelen.
Het zou arrogant zijn die hele produktie nu met enkele vlugge opmerkingen
af te doen. Het is waar dat gemeenschapsliteratuur simplistisch, sentimenteel
en overmoraliserend is, maar ze vervulde een historische functie en
voorziet ook nu nog in een zekere behoefte. In een tijd van afbrokkelend
mormoons monopolie eind vorige eeuw in Utah hielp ze de kerkleden zich
te identificeren met een gemeenschap. Ze boeide en ontroerde een publiek
dat door zijn levensomstandigheden weinig geletterd was en droeg aldus
bij tot zijn opvoeding. Ze gaf, beter misschien dan preken en zondagschoollessen,
een vracht morele en evangelische principes mee.
En ook nu werpt de gemeenschapsliteratuur nog een zekere baat af. Onder
de vele bekeerlingen tellen we vaak mensen die nog maar op de drempel
staan van hun mogelijke ontplooing. het herstelde evangelie is voor
hen nog zo nieuw en broos. Dan kan deze literatuur een zachte haven
zijn om de jonge gevoelens in te koesteren. Leden zonder leeservaring
beleven genoegen aan de simpele verhalen en ook jonge tieners kunnen
deze literatuur makkelijk aan.
Toch vertoont de gemeenschapsliteratuur, waneer ze als enige lectuur
wordt aangeboden, een aantal zwakheden.
- Vooreerst kan de flauwe en zoetige ontroering, door heel wat van deze
verhalen opgewekt, een surrogaat worden voor authentieke geestesbeleving.
Goedkope aandoenlijkheid als middel om het getuigenis te beleven, komt
dan dicht bij zelfbedrog.
- Ten tweede gaat de gemeenschapsliteratuur thans aan de behoeften van
een groot aantal kerkleden vorbij. Vele oudere tieners en volwassenen
kampen met moeilijkheden die geen echo meer vinden in simpele vertellingen.
Eenzaamheid, zedelijke reinheid, eigen getuigenis, onrecht in de wereld,
ontwikkelingssamenwerking, een zending vervullen, maatschappelijk onrecht,
generatieconflict, enz. zijn thema's die men niet met sentimentele pennetrekken
kan paaien. Hier moet een andere literatuur, rijper, meer genuanceerd,
soms dramatischer en soms ook vrolijker, de helpende uitdrukking zijn.
- In de derde plaats zijn sommige verhalen van de gemeenschapsliteratuur
in wezen niet erg mormoons. Overgenomen uit het liefdadig paternalisme
van een negentiendeeuwse bourgeoisie, hebben zij weinig binding met
het strijdend geloof van de tempelbouwers in Kirtland, Nauvoo of Salt
Lake. Het stereotype verhaal van de verworpen sukkelaar, verkleumend
in een bouwvallige hut, maar in leven gehouden door wat afgemeten liefdadigheid,
staat eigenlijk in tegenspraak met de principes van de mormoonse welzijnszorg,
die zowel een grondige aanpak als respect voor de menselijke waardigheid
vooropsteld.
- Ten slotte faalt de gemeenschapsliteratuur in de esthetische taakstelling.
William Mulder, hoogleraar Engelse literatuur, stelt het als volgt:
"Wat een echte mormoonse literatuur tegenhoudt is het feit dat
onze leden geen literaire opvoeding krijgen. Volwassen geesten, die
zouden kunnen groeien, worden door onze gemeenschapsliteratuur gestopt
op een laag niveau. Zij worden nooit in opwekkend contact gebracht met
en rijpe literatuur, die velen in de mormoonse gemeenschap reeds lang
hadden moeten produceren" (7).
Men zal in deze woorden geen verwijt lezen. Het is de vaststelling
van een historische, uit omstandigheden gegroeide situatie; het is vooral
de uitnodiging om vernieuwend en gistend aan een eigentijdse mormoonse
literatuur te werken. Dit gistend proces gegon eigenlijk reeds rond
1930 en kent tot nog toe twee grote momenten - een eerder negatieve
met de verloren generatie van 1935-1950, en een eerder positieve met
de nieuwe generatie van 1960 tot op heden.
De Verloren Generatie (1935-1950)
Dat de gemeenschapsliteratuur na enkele decennia begon te falen in
haar greep op een onrustige jeugd, blijkt wel uit de beweiging van de
jaren 1935-1950. De Grote Depressie van de jaren ervoor heeft het vertrouwen
in de Amerikaanse droom zwaar geschokt. In een wereld gegrepen door
oorlogsvoorbereiding, door wetenschap in dienst van de machthebbers,
door lossere levensstijlen die de massamedia verbreiden, vechten enkele
onvoldane kerkleden met hun plaats in de mormoonse maatschappij: Wat
is de betekenis van hun pioniersverleden? Moet men trots of beschaamd
zijn uit een meervoudig gezin te stammen? Kan men ontsnappen aan het
keurslijf van de opvoeding? Ligt het werkelijke leven niet voorbij het
rotsgebergte? Zulke vragen dompelen deze onrustige denkers in een crisis
die zij via de literatuur proberen uit te vechten. Net zoals de grote
Amerikaanse schrijvers van de Jazz-periode, een F. Scott Fitzgerald
of een Ernest Hemmingway, ondergaan deze mormoonse schrijvers de "culturele
inzinking van de verloren generatie", zoals professor Edward A.
Geary het heeft ontleed (8).
Deze auteurs voelen zich als ontheemden die de oude emoties van hun
kinderjaren moeten bezweren. De meesten van hun boeken zullen mormoonse
lezers storen, omdat deze auteurs vaak uiting geven aan hun persoonlijk
onbehagen met leven en leer in de kerk. Zij zien de mormoonse gemeenschap
van hun tijd als een impasse, een provinciaal gedoe in vergelijking
met de uitdaging van de grote steden, maar tegelijkertijd kunnen zij
moeilijk zonder de vertrouwde ijzeren roede van hun jeugd. Voor gevormde
lezers zijn hun romans dan ook de identiteitscrisis die een gelovige,
van kindsaf opgegroeid in de kerk, kan doormaken.
Tot de bekendste auteurs van de verloren generatie behoren Virginia
Sorensen, Maurine Whipple en Vardis Fisher. Elk op hun manier trachten
zij een episch overzicht van de mormoonse geschiedenis te brengen door
drie generaties te onderscheiden sinds de stichting van de kerk. De
eerste generatie is voor hen een groep vreemde zeloten, in de ban van
Joseph Smith en Brigham Young, maar met een heroische toewijding. De
tweede generatie zijn de kinderen van die eerste pioniers, de bevolking
van het mormoonse westen in de laatste decennia van de negentiende euw,
achteruitgeschoven in hun afzondering, zonder de heilige vonk van hun
ouders. De derde generatie, geboren na 1900, en waartoe deze schrijvers
zichzelf beschouwen, is dan eindelijk de verlichte groep die zich emancipeert
van het verleden en het hele mormonisme stervend achterlaat.
Op die nogal paternalistische wijze trachten het handjevol auteurs
van de verloren generatie af te rekenen met hun godsdienstige erfenis.
Het dringt niet tot hen door dat zij slechts een minieme fractie van
de mormoonse gemeenschap uitmaken, noch dat er een vierde generatie
zou komen, die even intellectueel met hen zou afrekenen. En zo gebeurt
het: nu, dertig jaar later, waarbij het aantal leden vervijfvoudigd
is en de kerkbloei onverminderd doorgaat, blijken die enkele auteurs
het mormonisme erg misbegrepen te hebben.
Maar toch heeft de verloren generatie, ook al week zij af van het rechte
pad, een betekenisvolle rol gespeeld in de literatuurgeschiedenis van
het mormonisme. Voor het eerst werd literatuur gebruikt om diep in de
crisissituaties te graven en om greep te krijgen op zichzelf. Daarmee
kwam de mormoonse literatuur in het zog van de grote christelijke romanciers
van de twintigste eeuw en bereidde zij de weg voor de nieuwe generatie.
De Nieuwe Generatie 1960 tot op heden
Een tweede groep betere schrijvers treedt aan na 1960. Zij bogen op
andere ervaringen, andere perspectieven. Als jonge volwassenen maakten
zij de tweede wereldoorlog en zijn naweeen mee; zij doorliepen de groei
naar de kritische jaren zestig; zij waren op zending in ontwikkelingsgebieden;
zij zijn belezen en werken aan hun schrijverstalent. In tegenstelling
tot de verloren generatie heben zij het evangelie in werking gezien
in de wereld. Deze auteurs bouwen op een getuigenis van de herstelde
waarheid. Als Heiligen der Laatste Dagen zonder complexen ten overstaan
van de buitenwereld hebben zij de rijpheid bereikt bewust hun geloof
te kunnen ontleden en aandacht te schenken aan het wel en wee van het
dagelijks kerkleven.
In het begin bekijkt de kerkleiding hun productie met een zekere achterdocht:
de soms onorthodoxe personages, het realistisch aanpakken van crisissituaties,
de soms humoristische kijk op kerkelijke aspecten, de meer literaire
stijl - dit alles was nieuw, en paste niet in de traditie van de gemeenschapsliteratuur.
Men was er zo aan gewend de literatuur in te delen in duidelijke pro-
of anti-mormoonse literatuur, dat men de nieuwe generatie niet onmiddelijk
kon thuisbrengen. Daarom zagen de laatste twintig jaar een aantal belangrijke
onafhankelijke tijdschriften het licht waarin deze auteurs konden publiceren
- Dialogue, BYU Studies, Exponent II, Sunstone, The New Messenger and
Advocate, This People. Ook enkele onafhankelijke uitgeverijen verzorgden
de publicatie van de nieuwe romans, dichtbundels en toneelstukken. Het
succes was overweldigend. In 1976 werd de "Association for Mormon
Letters" gesticht, die de verspreiding van deze nieuwe literatuur
behartigt en ook voldoende kritisch bestudeert om tot verbetering te
verplichten.
Langzaamaan kreeg de nieuwe generatie krediet en werd zijn waarde en
positieve invloed erkend. De laatste paar jaar beginnen de officiele
kerkelijke tijdschriften, The Ensign en The New Era, een aantal bladzijden
te openen voor het oeuvre van de nieuwe generatie. Dit werkt dan weer
bevruchtend op sommige auteurs van de gemeenschapsliteratuur, die de
kwaliteit van hun werk leren optrekken. De stap om deze nieuwe literatuur
ook in de niet-Engelstalige officiele kerkelijke tijdschriften te brengen
(De Ster) is nog niet gezet, maar zal hopelijk volgen onder invloed
van een gelijkaardige evolutie als in Amerika. Een onafhankelijk tijdschrift
als Horizon kan daartoe zeker een belangrijke rol vervullen.
Poezie
Voorbij is de tijd der stijve, cliches-beladen rijmen uit de protestantse
traditie. Net zoals in het proza zijn de hedendaagse mormoonse auteurs
ontgroeid aan het overmoraliseren en het zich triomfalistisch afzetten
tegen de niet-mormoonse wereld. De dichters concentreren zich op de
menselijke betekenis van hun geloof, op het nauwer vatten van elk heilig
moment, op het verwonderd ontdekken van de schepping in een existentieel
heelal. de mormoonse poezie bevindt zich in een krachtige staat en het
is ook hier dat niet-Amerikaanse kerkleden mee naar voren treden. De
laatste paar jaar beginnen de officiele kerkelijke tijdschriften, in
navolging van de onafhankelijke tijdschriften, het werk van deze dichters
op te nemen. ook hier zal "De Ster" deze evolutie hopelijk
volgen.
Weer beperken we ons tot enkele voorbeelden (de vertaling van de vreemdtalige
gedichten is van de hand van J.P.Oukjema).
Emma Lou Thayne publiceerde verschillende bundels. Daar ze meestal
lange evocaties van het kerkleven schrijft, is een kort stukje zoals
het volgende eerder zeldzaam in haar oeuvre:
Hereticus
Verdraag
mijn zoeken
mijn onzekere stem:
U deelt
in het verwijt;
U bent het
die mij keuze gaf
Met Carol Lynn Pearson maakten de Horizon-lezers reeds kennis in een
vorig nummer. Werklustig, zowel vrolijk als dramatisch, teder en krachtig,
verdient Carol Lynn Pearson het onze bekendste dichteres te zijn. In
het gedicht "Schuld" vertaald zij de moeilijke grens tussen
toch-nog-mens-zijn en volmaaktheid:
Schuld
God, zonden als gieren heb ik niet
die over mijn hemel hangen,
de lucht in grijze veren klieven
en vallen op hun prooi.
't Zijn enkel kleine zonden, God,
die in mij wazig wonen,
en saai als vliegen keer op keer
door mijn stil bidden ruisen.
Maar ook van eigen bodem, in ons Nederlandstalig gebied, verdienen
enkele mormoonse dichters de weg naar publicatie. Van de hand van de
Vlaamse schrijfster Renee Pasture verscheen aldus de bundel "Dwangbuis",
een hartstochtelijke verwoording van bevrijding en liefde in het licht
van het herstelde evangelie. Het motto van de bundel luidt: "Het
is een lange weg alvorens een Mormoon een Heilige der Laatste Dagen
is". Renee Pasture had voor haar bekering reeds twee romans, drie
gedichtenbundels en een kinderboek gepubliceerd; ze trok zich terug
uit de literaire wereld, maar vond door haar toetreding tot de mormoonse
kerk haar oorspronkelijke intensiteit in een nieuw licht terug. Het
volgende gedicht, niet-getiteld, geeft uiting aan die tocht uit de dwangbuis
naar bevrijding:
Datgene wat met wier
en kalk en klei
in levenszee
alle bewegingen verzwaart
en groeit en kleeft
op mij
als ratten op en zeedierschaal
en mij belet
Gij weet het, Heer
hoe het gebeiteld en gewenteld
en geroest is op mijn huid
geef mij het puntig mes
en de hardheid om in pijn
te slaan
tot het bevrijden toe
want ik wil niet
tot steen verstard
op rotsige bodem
ondergaan
maar leven in Uw licht
boven de kilte stijgen
in de schuimkrans der golven
bewegen
waarin Uw adem
alle zuurstof legt
Men mag een verdere ontwikkeling in deze nieuwe mormoonse poezie verwachten.
De dichters snijden uiteraard ook andere thema's aan dan die van bekering
en geloofsbeleving, zodat alle poetische elementen van het levensgamma
aan bod komen.
Korte verhalen
Het korte verhaal kent sinds 1960 een grote bloei. Om niet te vervallen
in een lange opsomming van namen en titels, bespreken we slechts twee
auteurs - allebei stafleden van het departement Engelse literatuur aan
de Brigham Young Universiteit, namelijk Douglas H. Thayer en Bela Petsco.
Zij behoren tot de besten van onze schrijvers en verdienden in 1981
een bespreking in The Ensign (9).
Een verzameling korte verhalen van Douglas H. Thayer verscheen gebundeld
onder de titel "Under the Cottonwoods". wat we het best weergeven
als "In de schaduw van de katoenbomen". Dit beeld is het motief
van een der verhalen: Paul, een sucesvolle tandarts, keert voor familiebezoek
terug naar zijn geboortestad Provo - de plaats van innige jeugdherinneringen
in een besloten wereld. Centraal in deze herinnering stroomt de Provo-rivier,
omzoomd met katoenbomen, waar de jongens vroeger in stille inhammen
naakt zwommen. Aan de oever van de rivier mijmert Paul over de zin van
zijn leven, want ondanks zijn volmaakte carriere in kerk en wereld,
blijft hij met een leegte kampen:
"Paul bukte zich om een droog takje op te rapen. Hij begon er
kleine stukjes van af te breken en wierp ze in het water. Hij was eenzaam
geworden. Het was makkelijker niet te veel vrienden te hebben, makkelijker
om zo te geloven in zijn volmaaktheid. Hij had eigenlijk nooit gepraat
met zijn klasgenoten, zijn makkers in het leger, zijn collega-zendelingen;
hij liet hen niet toe een deel van zijn leven te worden. Zelfs met Beth,
ook al hield hij van haar, was het moeilijk praten, was het moeilijk
te zeggen wat er in hem omging, wat hij werkelijk voelde. Hij wilde
haar niet kwetsen, hij wilde niet minder zijn in haar ogen. Zij mocht
niet denken dat hij niet beantwoordde aan haar gedachten, haar
hoop, haar verbeelding. Hij deed zijn uiterste best te zijn zoals
zij het wilde of zoals hij dacht dat zij het wilde. Soms had hij het
gevoel een acteur te zijn die zijn rol spelen moest."
Douglas H. Thayer dwingt tot bezinning, tot het opnieuw scherp stellen
van ons doen en laten, tot het zuiveren van geweten en getuigenis. In
elk verhaal doet hij dit door een Heilige der Laatste Dagen te beschrijven
in een moment van zijn dagelijkse leven, met rijk gebruik van flitsen
naar het verleden. In elk leven treedt dan een storing op: Thayer schetst
in een reeks trekken het beeld van een mens-in-beleving. De zintuigen
naar buiten en de lichamelijke gevoelens naar binnen zijn voortdurend
verweven met de psychische ervaring.
In het verhaal "Greg" volgt Thayer de gedachtengang van een
18-jarige jongen die een meisje zwanger heeft gemaakt. Elke beweging
van het geweten gaat er gepaard met een beweging van het lichaam. Die
innige verwevenheid van stof en geest leidt zelfs tot een psychische
verwarring bij het personage: Greg probeert de geest te zuiveren door
zich herhaaldelijk te wassen en schone kleren aan te trekken. De handen
zijn voortdurend beladen met betekenis: Als getuigen van de overtreding
worden de handen verborgen, vooral bij het inzegenen van het avondmaal;
pijnlijk hebben ze mee geholpen het broertje van Greg tot diaken te
ordenen; Greg spant ze tot vuisten tegen de muur van zijn slaapkamer;
hij wil ze gebruiken om het zomerhuisje, plaats van de overtreding,
te rammen; hij wordt door zijn handen verbonden met zij vader en grootvader;
hij houdt ze in het zonlicht in een poging tot zuivering; uiteindelijk
kan hij zijn handen weer toevertrouwen aan zijn vader - het moment waarop
hij kan bekennen.
"Greg" toont niet alleen de verwoesting door de zedelijke
overtredig veroorzaakt (waardoor het verhaal ook beantwoordt aan de
morele eis van de gemeenschapsliteratuur), maar het reikt vooral dieper
in de vraagstelling: Is het bekeringsproces van de jongen grondig of
oppervlakkig? Denkt hij alleen aan zichzelf in praktische termen of
ook aan de morele dimensies en aan de gevolgen voor het meisje? Ervaart
hij de impact van zijn godsdienstige opvoeding op de juiste wijze? Ten
slotte is het open-einde typisch voor vele korte verhalen: de lezer
blijft met een honger zitten en wordt uigenodigd zelf de rol door te
denken.
Een welkome uitzondering op de vele in de kerk geboren Utah-schrijvers
is Bela Petsco, een bekeerling van Hongaarse afkomst. In zijn verhalenbundel
"Nothing very important and other stories" (1979) volgt Bela
Petsco in kleine tableaus de lotgevallen van een zendeling die niet
past in de stereotype verschijning van de Utah-elders. Mihaly Agyar
is zelf een bekeerling, opgegroeid in een traditioneel Hongaars milieu,
warmer in de omgang, kunstzinnig en kritisch. In sommige verhalen treedt
hij maar heel zijdelings op, maar zijn discrete aanwezigheid is steeds
geladen met iets onuitsprekelijks elektrisch. Als zendeling is hij duidelijk
succesvol, maar hij botst al eens tegen de koele Amerikaanse "efficiency".
De meeste verhalen van Petsco zijn parels in het genre van het korte
verhaal - kleine impresionistische stukjes, die de essentiele momenten
van een zending trachten vast te leggen.
In het verhaal "Black fog" ("Zwarte mist") beleven
we aldus een vrij typisch voorval in het zendingswerk - een gesprek
met een negatief ingestelde persoon. Daaromheen wentelen andere klassieke
elementen - de spanning van het aankloppen aan de deur, de relatie-opbouw
met de onderzoeker, de eerste inbreng van de junior-collega, de aanvalsstrategie
en arrogantie van de tegenstander, de waardige beheersing van de zendelingen.
De kracht van Bela Petsco ligt in zijn ongekunstelde, zeer sobere stijl.
Alleen met het minimum wordt de sfeer geschetst. Soms krijgen bepaalde
details sterk de aandacht - details die op het eerste gezicht geen groot
belang hebben -, terwijl andere, schijnbaar vitale zaken, met een pennetrek
worden afgedaan. De klop op de deur is zo'n detail, waaruit de geestelijke
instelling van Elder Agyar blijkt en waarbij het thema van het verhaal
onmiddelijk centraal komt te staan. Maar de kern zelf, namelijk de haatvolle
houding van de tegenstander en diens woordenvloed, worden in een bondige
zin omschreven en besloten. Typerend is weer de verwevenheid van stof
en geest, trouwens een doctrinaal punt van het evangelie: vanaf het
eertse moment, bij het aankloppen, beleeft de materie de geestelijke
dimensie van het gebeuren. De zwarte mist, uiting van een satanische
aanwezigheid, beheerst het voorval, maar weer zeer sober, zonder mysterieuze
of spectaculaire effecten. Het angstaanjagende ervan wordt volkomen
ontkracht door de rustige, schijnbaar naieve beheersing van Elder Agyar.
Maar precies uit die rust spreekt een enorme geestelijke intensiteit.
In dit zoeken naar essenties, in dit scheppen van bezinningsmomenten
rond eenvoudige gebeurtenissen, kan het mormoonse korte verhaal nog
heel wat ontginnen.
De roman
De ontwikkeling van de roman blijft onzeker. In de loop der zestig
en zevintig hebben enkele losse romanciers, die men niet onmiddelijk
onder een noemer kan samenbrengen, een aantal vrij boeiende romans geproduceerd,
vaak in een historische kader. Om toch maar even wat namen te strooien:
In "A Daughter of Zion" brengt Rodello Hunter een persoonlijke
memoires-roman; in "The Earthkeepers" vertelt Marilyn McMeen
Brow de stichting van Provo; Glena Wood ontleedt in "The Jawbone
of an Ass" de spanningen van een vrouw getrokken tussen enerzijds
haar artistieke en emotionele behoeften en anderzijds haar geloof; "Surely
the Night" van Claire Noall vertelt het leven van een mormoonse
vrouw die het tot arts brengt, maar daardoor haar gezin ontwricht. Andere
goede romanciers zijn Gordon Allred ("Valley of Tomorrow"),
Emma Lou Thayne ("{Never Past the Gate"), Jonreed Lauritzen
("The Everlasting Fire") en Herbert Harker ("Turn again
home").
De laatste jaren valt echter een bloei van betere romans voor de jeugd
op te merken. Alhoewel gericht naar een heel breed publiek, bouwen die
romans toch voldoende op echte problemen, op kritische bezinning of
op ontwapende humor, waardoor ze ontsnappen aan de euvelen van de gemeenschapsliteratuur.
Blaine M. Yorgason was een der eersten die met zo'n roman, "Charlie's
Monument", bij de uitgevers aanklopte: eenentwintig uitgevers weigerden,
de tweeentwintigste riskeerde het - en binnen enkele jaren werden er
van "Charlie's Monument" vele honderdduizenden exemplaren
verkocht - evenveel als een bestseller op de wereldmarkt.
Van dezelfde succesauteur verscheen in 1979 "The Windwalker"
die ondertussen reeds werd verfilmd. het is het verhaal van een oude
blinde indiaan die, terwijl hij op de dood wacht, praat met de Grote
God en nog enkele aangrijpende gebeurtenissen meemaakt. "The Windwalker"
is een zeer kunstvolle verwoording van het oud-worden en het waardig
sterven.
In een losser, tragico-humoristische genre, scoorde "Charly"
van Jack Weyland hoge toppen. Het is geen grote literatuur, maar het
brengt een frisse bevestiging van het mormoonse leven in een vlot verhaal.
Jack Weyland heeft het oppervlakkige handig weten in te binden in een
dramatisch kader, aangezien de hoofdpersoon uiteindelijk sterft. Ook
schreef hij reeds een vervolgroman op "Charly", nameljk "Sam".
Een eveneens vlotte jeugdauteur is Susan Evans McCloud, die met haar
talrijke, meestal historisch gesitueerde romans, een flinke populariteit
geniet. In dezelfde trend breekt Dean Hughes door met romans die de
dramatische Missouri-periode van de kerk vertellen door de ogen van
een mormoonse jongen. Qua levendigheid en stijl zijn deze romans te
vergelijken met de warme jongensverhalen zoals "Tom Sawyer"
of "Huckleberry Finn".
Toneel
De ruimtebeperking van dit artikel belet ons diep in te gaan op de
liefdevolle relatie van de mormoonse gemeenschap met het toneel. Van
bij de aanvang, en in tegenstelling met heel wat christelijke bewegingen
uit die periode, heeft de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der
Laatste Dagen het toneel sterk aangemoedigd. Joseph Smith stichtte de
"Nauvoo Dramatic Company" en Brigham Young liet het in het
Amerika beroemde "Salt Lake Theater" bouwen. Praktisch elk
kerkgebouw, waar ook ter wereld, is uitgerust met een toneel voor "de
opbouw en het vermaak der Heiligen". Uiteraard heeft de gemeenschapsliteratuur
haar stempel gedrukt op de lokale toneelproductie, maar men kan niet
ontkennen dat de ontelbare stukken, gespeeld door jonge en oude amateurs,
een uiterst belangrijke sociale functie vervuld hebben en nog vervullen
in het smeden van de gemeenschap. De roadshow-traditie, die zich de
laatste jaren, althans in de grotere ringen, ontpopt heeft tot groots
opgevatte musicals, blijft een vitaal onderdeel van het mormoonse leven.
Tot de meest succesvolle musicals horen "Promised Valley"
(Beloofde vallei), waarvan elke zomer honderduizenden toeristen genieten
in Salt Lake City, "Saturday's Warrior" (Zaterdagstrijder),
"Brigham", "My Turn on Earth" (mijn beurt op aarde),
"The Order is Love" (Het bevel is liefde). Men zal in deze
traditie ook de kerkelijke "pageants" (historisch spektakel)
niet vergeten - bij de heuvel Cumorah in de staat New York en bij de
Manti tempel in Utah.
Maar onder de nieuwe generatie zoeken enkele dramaturgen ook naar inhouden
en vormen die verder reiken dan eenvoudige plots en glinsterende finales.
Het gemeenschapstoneel en de roadshow-traditie zijn waardevol voor makkelijke
ontspanning en ontroering, maar wanneer ze als enige vorm worden aangeboden
drukken ze op acteurs en publiek stereotype beelden zonder werkelijk
begrip van het menselijke gemoed. Authentiek toneel immers, in de grote
literaire traditie, is het drama dat aangrijpt en zuivert. Het is vooral
aan de Brigham Young Universiteit, in de faculteit voor dramatische
kunst, dat de beweging voor rijper mormoons toneel bloesemt. Het jaarlijks
"Mormon Arts Festival" ziet de creatie van betekenisvolle
stukken, soms zwaar lyrisch in de epiek van een Clinton F. Larson ("The
Mantle of the Prophet", "Coriantumr", "Moroni"),
soms diep psychologisch in het gezinsdramatiek van een Thomas F. Rogers.
Samen zoeken en werken
Het evangelie van Jezus Christus is een evangelie van vooruitgang.
De herstelling van de waarheid in deze laatste dagen verkondigt met
klem die oproep tot constante verbetering. Ook in de kunst verwacht
de Heer een inzet en een strijd om beter, veel beter te presteren. In
de woorden van President Kimball: "Wij zijn trots op de artistieke
erfenis die de kerk ons van bij het prille begin heeft overgedragen,
maar de volle inhoud van het mormonisme werd nog nooit geschreven, noch
geschilderd, noch gebeeldhouwd. Wij wachten op geinspireerde harten
en vaardige vingers die zich alsnog moeten bekendmaken" (10).
President Kimball stelt duidelijk dat er nog grote ruimte is voor artistieke
verbetering. Het probleem is inderdaad dat sommige kerkleden de huidige
mormoonse kunstproduktie prachtig vinden omdat ze nu eenmaal mormoons
is. Ook beschouwen somigen kritiek op die productie als kritiek op de
kerk. Niets is minder waar: weliswaar met respect voor het verleden
en het heden, is kunst bij uitstek vatbaar voor vernieuwing en verbetering.
Hoe zal dan de mormoonse literatuur evolueren? Authentieke mormoonse
literatuur zal steeds opbouwend moeten blijven, in de zin dat zij de
mens aanzet tot het goede. Het evangelie verkondigt immers vreugde,
ons geloof ademt zekerheid, onze hoop richt zich op een goddelijke toekomst.
Het is dus onvermijdelijk dat mormoonse auteurs de zoektocht naar vreugde,
zekerheid en goddelijke toekomst als een gouden leidraad zullen blijven
stellen. Maar dat betekent niet dat de zoektocht simplistisch, sentimenteel
en overmoraliserend hoeft te zijn. De schrijvers van de nieuwe generatie
wijzen reeds de weg naar een literatuur die dichter bij het leven staat,
een literatuur over Heiligen der Laatste Dagen, zoals alle mensen belast
met normale en soms netelige problemen. Dank zij het evangelie kan men
die problemen leren overwinnen of verdragen, maar de goede afloop is
niet altijd automatisch verzekerd. Doch steeds kan de lezer uit de lectuur
iets diep menselijks verwerken, zonder dat de morele les voortdurend
expliciet wordt gesteld. Sterke literatuur is subtiel en origineel.
In al dit voorgaande hebben we opzettelijk de vraag vermeden hoe "mormoonse
literatuur" te definieren is.Op het eerste gezicht is mormoonse
literatuur, fictie geschreven door Heiligen der Laatste Dagen in verband
met het herstelde evangelie. Maar sluit zo'n definitie dan niet de kerkleden
uit die wel schrijven maar niet over mormoonse thema's? En sluiten we
dan ook niet buitenstaanders uit, zoals Nobelprijswinnaar Haldor Laxness
of de Fransman Marc Chadourne, die de mormoonse geschiedenis als belangrijke
inspiratiebron gebruiken? (11). We geloven dat het te vroeg is om de
grenzen van de "mormoonse literatuur" door een nauwe definitie
vast te leggen. De tijd moet uitwijzen in welke richtingen onze mensen
hun talenten zullen gebruiken. Een theoretische benadering baart enkel
steriele debatten. de toekomst van de mormoonse literatuur ligt immers
nog wijd open.
voetnoten:
(1) Geciteerd door Richard H.Cracroft, "Seeking
the Good, the Pure, the Elevating: a Short History of Mormon fiction,
part 1", The Ensign (June 1981), p.57.
(2) Ibid., p 58.
(3) Wilfried Decoo, "The Image of Mormonism in French Literature,
part I", BYU Studies, XIV, 2 (Winter 1974), pp. 157-175.
(4) Wilfried Decoo, Idem, part II", BYU Studies, XVI, 2 (Winter
1976), pp. 265-276.
(5) Charles Brutsch, Les Mormons ou Saints des derniers jours, Collection
Connaissance des Sectes (Neuchatel: Eds. Delachaux et Niestle, 1960)
(6) Orson F. Whitney, "Home Literature", geciteerd in Cracroft
and Lambert, A Believing People (Salt Lake City: Bookcraft, 1979), p.
204.
(7) William Mulder, "Mormonism and Literature," Western Humanities
Review, IX (Winter 1954-55).
(8) Edward A. Geary, "Mormondom's Lost Generation: The Novelists
of the 1940's", BYU Studies, XVIII (Fall 1977), 89-98.
(9) Richard H. Cracroft, oo.o, part II, The Ensign (July 181), pp. 58-59.
(10) Spencer W. Kimball, in "The Ensign", July 1977, p 5.
(11) Haldor Laxness, Paradise Reclaimed (1962), handelt over negentiendeeuwse
bekeerlingen uit IJsland die naar Utah trekken. In "Quand Dieu
se fit Americain" (1950) beschrijft Marc Chadourne het leven van
Joseph Smith als een geintrigeerde ode aan het Amerikaanse genie van
grootheid en pragmatisme: met deze roman won hij de Grand Prix de l'Academie
francaise.
Lees in dit verband ook het artikel: "Er
bestaan geen Belgen" eveneens op deze website.