Moeders, Zusters, Dochters
Aspecten van de vrouw in de mormoonse geschiedenis
door Leonard J. Arrington - vertaald door Kees van Soest
(BYU Studies, 1982 - met toestemming overgenomen uit
'Horizon, tijdschrift over de mormoonse gemeenschap'.)
Inleiding door Sabine Cesaire-Piron
Er zijn nog steeds mensen die menen dat het mormonisme de vrouw
in een ouderwetse en minderwaardige rol drukt: enkel als vrouw en moeder,
gebonden aan gezin en huishouden. Het is waar dat de kerk deze rol benadrukt
als een fundamentele vereiste voor een aandachtige en veilige opvoeding
van de kinderen, en voor het scheppen van een sfeer die het gezin beschermt
tegen vele afbrekende krachten. Het stijgende aantal echtscheidingen,
gezinsdrama's, ontspoorde jongeren bewijst inderdaad dat in onze maatschappij
het gezin als sociale, morele en affectieve eenheid afbrokkelt.
Dat de kerk door het benadrukken van die rol de vrouw in een minderwaardige
positie zou drukken is onjuist. Ten eerste wordt de man even sterk op
zijn plicht als echtgenoot en vader gewezen.. Ten tweede - en dit is
het thema van het hiernavolgende artikel - kent de kerk een lange "feministische"
traditie. Het is in de mormoonse gemeenschap, lang voor enige natie
ter wereld, dat vrouwen de kans kregen hogere studies te volgen, dat
zij het stemrecht kregen, dat zij creatieve en leidinggevende beroepen
uitoefenden. Doch steeds ging dit gepaard met evenwicht en redelijkheid,
samen met de man, niet tegen hem, en met het hooghouden van de familiale
vlag.
Natuurlijk is het definieren van dat evenwicht niet altijd makkelijk
gegaan: de geschiedenis van de mormoonse vrouw illustreert hoe de accenten
evolureerden, hoe sociale en politieke omstandigheden hun invloed op
de ontwikkeling hadden, hoe de vrouw zelf haar stem zocht in het bepalen
van de eigen rol. Die geschiedenis bewijst hoe dynamisch de Kerk van
Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen wel is in haar openheid
voor de veranderende eisen van de maatschappij. En ook nu bruist dit
zoeken verder langs de kanalen van een uitdagende wereld: de jonge vrouwengeneratie
bevindt zich immers steeds opnieuw in de spannende pubertijd van het
vrouw-zijn.
Het is interessant te noteren dat het mormoonse feminisme zich
bijtijds en op een gezonde wijze wist af te zetten tegen de cliches
die goedbedoelende heiligen teveel benadrukten: dat zelfopoffering en
dienstbaarheid de kenmerken van de vrouw moeten zijn, of dat heiligheid
steeds de meest uitzonderlijke prestaties veronderstelt. Die vaak ontmoedigende
kanselslogans werden gelukkig ontkracht dor vrouwen die hun vrouw-zijn
realistisch en menselijk leerden te beleven.
Leonard J. Arrington, hoogleraar in de geschiedenis aan de Brigham
Young Universiteit en hoofdverantwoordelijke voor de geschiedschrijving
in de kerk, staat bekend om zijn positieve en kritische benadering van
het verleden. Hij nodigt ons uit voor een wandeling langs boeiende paden.
-----------------------------------------------------------------------------------------------
De geschiedenis van de vrouw is een fascinerende inleiding tot de beschaving
in 't algemeen, en tot de geschiedenis van het mormonisme in 't bijzonder.
Een paar jaar geleden, toen Davis Bitton en ik de laatste hand legden
aan ons boek over de mormoonse geschiedenis, "The Mormon Experience",
werd er gesuggereerd dat ons hoofdstuk over mormoonse vrouwen niet voldoende
focus had. We wenden ons toen tot Maureen Ursenbach Beecher, Jill Mulvay
Derr en Carol Cornwall Madsen, zeer intelligente en energieke vrouwelijke
geschiedkundigen, en vroegen hen ons te helpen. Zij vonden dat door
de gehele mormoonse geschiedenis, vrouwelijke leden van de kerk zichzelf
vanuit drie hoedanigheden beschouwden: zij zijn dochters
- individuele kinderen van God, verantwoordelijk voor het maken van
zekere keuzen en voor het verwezenlijken van hun potentieel. Ze zijn
ook moeders - deelgenoten in het dragen en grootbrengen
van Gods geesteskinderen. En ten derde zijn ze zusters,
die hun bijdragen leveren voor het koninkrijk van God op aarde. Terwijl
alle drie hoedanigheden steeds algemeen worden erkend, zijn er
perioden geweest waarin de een of de andere hoedanigheid speciale nadruk
kreeg. Dit kwam door de verschillende omstandigheden waarin de kerk
en de heiligen zich bevonden, en ook door de verschillende accenten
die kerkleiders legden. Alle drie hoedanigheden bestaan naast elkaar
vanaf het prille begin tot de huidige dag en vertegenwoordien die drievoudige
persoonlijkheid van de mormoonse vrouw.
Ten behoeve van dit artikel heb ik de mormoonse geschiedenis in zeven
perioden verdeeld en heb ik gepoogd het hoofdthema van elk van die perioden
te benadrukken. Ik zal de drie eerste perioden uitgebreid bespreken,
daar ze elk een van de drie identiteitsaspecten illustreren. De
drie volgende perioden behandel ik kort, om vervolgens weer wat meer
aandacht aan het heden te schenken.
De Eerste Periode 1830-1845
De eerste jaren, van 1830 tot 1845, vertegenwoordigen een tijd waarin
de mormoonse leiders nog erg jeugdig waren. In het begin van de dertiger
jaren van de vorige eeuw was Joseph Smith nog in de twintig. Bij de
anderen, die ook nog in de twintig waren, bevonden zich Oliver Cowdery,
John Taylor, Wilford Woodruff, Orson Hyde, Parley P. Pratt, Orson Pratt,
en eigenlijk de meeste leiders van de kerk.
Wanneer we de leeftijd van deze mannen beschouwen, is het misschien
wel natuurlijk dat ze zo'n grote nadruk legden op de rol van de vrouw
als moeder. Grote eerbied werd er betoond, zowel formeel als informeel,
aan Lucy Mack Smith, de moeder van de profeet, en aan Elizabeth Whitmer,
de moeder van de gebroeders Whitmer, die tot de eerste leiders van de
kerk behoorden. Zij waren primair het model voor de rol van de vrouw.
Ook de moederfiguren uit de Schriften dienden als model: Sarah, de vrouw
van Abraham en de moeder van Isaak; Ruth, de vrouw van Boaz en de grootmoeder
van David; en natuurlijk Maria, de vrouw van Jozef en de moeder van
Jezus. In het Boek van Mormon is er geen duidelijk moederbeeld dat als
model gebruikt zou kunnen worden, maar er wordt wel melding gemaakt
van de moeders van de tweeduizend jonge Lamanieten, die hun zonen geloof
in de Heer bijbrachten (Alma 65:46 en 57:21).
We moeten hier benadrukken dat Joseph Smith een zeer hoge dunk had
van vrouwen. Hij respecteerde hun belangen en hun positie en hij vond
dat ze actief aan kerkelijke bijeenkomsten en verordeningen moesten
deelnemen. Een van de redenen hiervoor was ongetwijfeld het respect
voor zijn eigen moeder en de belangrijke rol die zij in het gezin Smith
speelde, en ook voor zijn echtgenote Emma, een vrouw met karakter, die
- alles wijst er op - een volle deelgenote was met de profeet in hun
huwelijk - een goede compagnon, een betrouwbare woordvoerster, een persoon
die hij om raad vroeg en die een leidende positie innam. Dit alles kwam
tot uitdrukking toen zij in 1842 presidente werd van de zustershulpvereniging,
die een belangrijke organisatorische en humanitaire taak vervulde; zorg
voor de armen, verbetering van het huishouden, en deelname aan de verschillende
programma's van de kerk.
De vrouwen in de eerste jaren van de kerk hadden, naar het schijnt,
voornamelijk toegang tot kerkelijke activiteiten door de mannen in hun
leven - hun vader, hun echtgenoot, hun broers. Laat ik twee voorbeelden
aanhalen.
Het eerste betreft Sara Melissa Granger Kimball, die vijftien jaar
oud was toen haar gezin zich naar het hoofdkwartier van de kerk in Kirtland,
in de staat Ohio, begaf. Haar onderzoekende geest werd daar gestimuleerd
door de leer van de kerk en de openbaringen van Joseph Smith, waarover
ze in de mormoonse nieuwsbladen las. Geestdriftig besprak Sara dit alles
met haar vader en op zijn uitnodiging woonde ze de School der Profeten
bij, een bijeenkomst van de ouderlingen om het evangelie en aanverwante
onderwerpen te bestuderen. Later herinnerde ze met trots haar zusters
eraan dat ze die school had bijgewoond.
Een tweede voorbeeld is Caroline Barnes Crosby, uit de staat Massachusetts,
die daar in 1835 op zevenentwintig jarige leeftijd gedoopt werd. Zij
en haar man verhuisden in de volgende paar maanden naar Kirtland, waar
haar echtgenoot tot het Melchizedekse priesterschap werd geordend en
dikwijls verzocht werd te preken. Hij werd uitgenodigd de School der
Ouderlingen te Kirtland bij te wonen, hetwelk volgde op de School der
Profeten. Daar leerde hij Hebreeuws, theologie, geografie en andere
vakken. Op aandringen van Caroline bracht hij al zijn boeken naar huis,
waaronder Bijbels, grammatica's, lexicons, enz.
Caroline bestudeerde ze en werd zelf een behoorlijk ontwikkelde persoon.
Dit blijkt uit haar dagboek, dat duidelijk het werk is van een zeer
geletterde vrouw.
Als we over de moederrol in deze eerste kerkperiode spreken, moeten
we uiteraard wijzen op de onbetwistbare rol die Lucy Mack Smith, de
moeder van de profeet, hierin heeft gespeeld. Dit blijkt o.m. uit de
notulen van een kerkconferentie in Nauvoo gehouden op 8 oktober 1845.
Op die dag maakte "moeder" Lucy Smith, zoals ze genoemd werd,
de volgende opmerkingen:
"Ik heb elf kinderen grootgebracht, waarvan zeven jongens. Ik
heb ze opgevoed in de vreze Gods. Toen ze twee of drie jaar oud waren
vertelde ik hun dat ze God met hun gehele hart moesten liefhebben. Ik
vertelde hun goed te doen. Ik wil dat u allen hetzelfde doet. God geeft
ons onze kinderen en we zijn verantwoordelijk voor hen... Laat uw kinderen
werk doen; laat ze niet alleen maar spelen. Denk eraan dat ik veel van
kinderen houd... Ik noem u broeders en zusters en kinderen. Als u mij
een Moeder in Israel beschouwt, dan moet u dat zeggen."
Volgens de notulen stond Brigham Young toen op en zei: "Allen die
moeder Smith als een Moeder in Israel beschouwen, laten die dat dan
aantonen met 'ja' te zeggen." En volgens de secretaris kwamen er
luide antwoorden van 'ja!'.
De Tweede Periode 1846-1869
We komen nu tot de tweede periode, de jaren van de exodus en de jaren
daarna, toen de heiligen uit Nauvoo werden verdreven en naar het Westen
trokken. Tijdens deze moeilijke jaren eisten de omstandigheden dat er
grote nadruk werd gelegd op het overleven van de gemeenschap en het
bouwen van de basis van het koninkrijk. Dus viel de nadruk vooral op
de rol van de vrouwen als zusters: het voornaamste model voor die rol
waren de vrouwen die leidsters waren onder de zusters in het bewaren
van de eendracht, het versterken van het geloof, en het bijstaan in
de opbouw van het koninkrijk.
Gedurende deze jaren droegen de zusters verantwoordelijkheden, niet
alleen voor eigen familie, maar ook voor de gemeenschap. Maureen Beecher
heeft een uitstekend artikel geschreven met de toepasselijke titel "Zusters,
zuster-vrouwen, en zusters in het geloof", hetgeen deze functies
duidelijk omlijnt. De dagboeken en memoires van twee vrouwen - Patty
Sessions en Lucy Meserve Smith - illustreren deze zusterlijke thema's,
namelijk hoe dicht ze stonden bij hun gehuwde zusters en andere zusterlijke
deelgenoten ter ondersteuning van de mormoonse zaak.
Patty Sessions was een merkwaardig mengsel van het wereldlijke en het
geestelijke. Misschien wel omdat ze een vroedvrouw was, die dagelijks
nieuwe geesten het leven inleidde, had ze een gave hemel en aarde samen
te brengen. Daar ze zelf zes van haar negen kinderen had verloren, kon
Patty in alle ernst een stervende vriendin vragen een boodschap voor
haar kinderen in de hemel mee te nemen, en dan, een uur later, kon ze
met andere heiligen rustig gaan dansen. Zoals Jill Derr opmerkte, Patty
kon even gemakkelijk profeteren in tongen als radijs planten.
Patty werd geboren in de staat Maine en was pas zeventien toen ze met
David Sessions trouwde, een boer en een veefokker. zij en haar gezin
werden gedoopt in 1834, toen ze 39 jaar oud was, waarna ze zich bij
de heiligen in Missouri voegden. Door de anti-mormoonse vervolgingen
verloren zij hun eigendommen en trokken naar Nauvoo. Daar werd Patty
bekend als "Moeder Sessions", een ervaren vroedvrouw naar
wier hulp onder de heiligen gedurende verschillende decennia behoorlijk
veel vraag was. Patty was ervaren in het medicinale gebruik van kruiden
en diende in die zin als een van de weinige "dokters' die de heiligen
naar het westen begeleidde. Haar bijzonder aangrijpend journaal richt
zich op de zusters in hun geloof: "Vrijdag de 5de (februari 1847).
Vanmorgen heb ik zuster Witney bezocht. Ze voelt zich beter. Toen ging
ik naar Joanna (Roundy). Ze zei me dat het de laatste keer was dat ik
haar in deze wereld zou zien. Ze ging mijn kinderen bezoeken. Ik gaf
haar een boodschap mee voor ze. Toen ging ik naar een zilvergrijs feestje
(een feestje voor ouden van dagen). Eliza Snow ging met ons mee. Daar
broeder Sessions zich niet goed voelde, danste ik met broeder Knowlton.
Joanna is vanavond overleden...
"Vrijdag de 23ste (april 1847). De hele dag bezochten we de zusters
en de broeders.
's Avonds ging David naar een feestje. Zij baden en dansten en baden.
Sylvia, haar vader en ik gingen naar het huis van broeder Leonard. Hij
was niet thuis, maar broeder Sessions nam de leiding en we hadden een
gezellige avond.. We baden en profeteerden en spraken in tongen en interpreteerden
en voelden ons verfrist..."
Deze ervaringen laten duidelijk zien dat tijdens de exodus het gezin
van man en vrouw en kinderen dikwijls uitgroiede tot een samengesteld
gezin, soms zelfs tot een gemeenschapsgezin waar de vrouwen als "zusters"
werden beschouwd.
Zo'n indruk krijgen we eveneens uit de dagboeken van Lucy Meserve Smith,
die in het meervoudige huwelijksstelsel leefde. Lucy werd gedoopt in
Maine in 1837. Ze werkte in een katoenfabriek in Lowell, Massachusetts,
en werd algauw een geschoold weefster; ze verdiende voldoende geld om
naar Nauvoo in Illinois te verhuizen. Daar huwde ze met George A. Smith,
een apostel van de kerk en neef van Joseph Smith. Uiteindelijk deelde
ze haar man met vijf andere vrouwen. Toen ze aanvankelijk in de Zoutmeervallei
aankwam in 1849, woonde ze in een huifkar, waarin ze kookte en de was
deed voor tien personen. Ze zorgde voor de baby van een van de andere
vrouwen van haar echtgenoot, en nadat ze zelf van een doodgeboren zoontje
bevallen was, voedde ze de baby van weer een andere vrouw van haar man.
Elke winter gaf ze les aan zo'n zesenvijftig leerlingen in de school
van de zeventiende wijk in Salt Lake City. Later verhuisde ze naar Provo,
waar ze zeventien jaar verbleef en twee jongens van een overleden vrouw
van haar man hielp grootbrengen. Haar journaal vertelt hoe ze feestjes
en dansavonden hielp organiseren Ze schreef:
"Toen een en ander wat ruimer begon te worden, namen een aantal
van ons ons spinnewiel en begaven ons naar een grote zaal in het seminarie
(het schoolgebouw van de wijk) en deden ons best om te zien wie het
grootste aantal knotten kon afdraaien van zonsopgang tot zonsondergang.
Zuster Terrill draaide er maar liefst honderd af. Zuster Holden wel
niet zoveel, maar die van haar maakten de mooiste draad (maar we kregen
ook minder knotten)...
We kwamen tot de conclusie dat we over het geheel genomen allemaal gewonnen
hadden. We schepten groot genoegen in ons werk en in onze omgang met
elkaar."
Lucy vertelt daarna dat ze werd aangesteld en een zegen kreeg als presidente
over de zustershulpvereniging in een van de wijken van Provo. Gedenkwaardig
was de hulp die ze honderden handkarrenimmigranten boden in 1856. Deze
mensen waren door een vroege winter verrast midden in de bergen van
Wyoming. Het nieuws van hun vreselijke toestand bereikte Salt Lake City
tijdens de algemene conferentie van oktober 1856. Zodra Brigham Young
het nieuws hoorde, schreef Lucy in haar dagboek, gelastte hij de conferentie
af en verzocht alles te doen wat nodig was. Spannen paarden werden onmiddellijk
in gereedheid gebracht om kleding en proviand naar de belegerde heiligen
te brengen. "De zusters, schreef Lucy, trokken hun onderrokken
en hun kousen, en alles wat ze maar konden missen, ter plaatse uit in
het Tabernakel en gooiden die in de wagens om naar de heiligen in de
bergen te sturen."
Toen ze weer in Provo terugkwamen, verzamelde Lucy en de andere zusters
zoveel kleding en gewatteerde dekens en voedsel dat "de vier bisschoppen
nauwelijks al het beddegoed en andere kleding die we verzameld hadden
konden bergen... Toen de handkargroepen arriveerden, hielden we niet
op met onze inspanningen totdat onze kleren wel tot een voet hoog nat
waren..."
Het blijkt duidelijk uit het dagboek van Lucy en uit andere bronnen
dat de vrouwen door de zustershulpvereniging opgeroepen werden met de
mannen samen te werken voor een gemeenschappelijk doel. Dat de zusters
zich terdege bewust waren van het feit dat ze even nuttig waren als
de broeders, blijkt wel uit de opmerkingen van de leidsters van de zustershulpvereniging.
In januari 1870 werd in Salt Lake City de zogenaamde "Great Indignation
Meeting" (de grote bijeenkomst van de verontwaardigden) gehouden,
waarbij duizenden mormoonse vrouwen hun verontwaardiging uitten tegen
een wetsvoorstel in het Amerikaanse congres, ingediend door ene senator
Cullom (dit wetsvoorstel beoogde de afschaffing van de polygamie, met
als achtergrond het beeld dat het mormoonse meervoudige huwelijk de
vrouw degradeerde en dat de betrokken vrouwen slechts onmondige slavinnnen
waren).
In haar toespraak op de "Great Indignation Meeting" zei Eliza
Snow, algemeen presidente van de zustershulpvereniging: "Wij uiten
ons omdat we daartoe het recht hebben, omdat recht en menselijkheid
dat van ons eisen, en omdat we kinderen van God zijn, die hoge en verantwoordelijke
functies bekleden - vrouwen die geen slavinnen zijn, doch raadgeefsters
voor hun echtgenoten en die, in de zuiverste en edelste zin van een
verfijnd vrouw-zijn, een ware steun voor hen zijn."
Het is duidelijk dat elke heilige der laatste dagen, man of vrouw,
volwasene of kind, belangrijk was voor het voortbestaan van de mormoonse
gemeenschap. Dit leidde onvermijdelijk tot grotere nadruk op het individu,
hetgeen het grondthema vormt voor de komende jaren, die we de "Exponent-jaren"
zouden kunnen noemen, naar de naam van het tijdschrift dat alle vrouwen
lazen en steunden.
De Derde Periode 1870-1900
Tegen 1870 was de eerste spoorweg gereedgekomen. Zion groeide en bloeide
en de tastbare basis voor het Koninkrijk was gelegd. Grotere nadruk
kon nu worden gelegd op de zelfontplooing en de culturele en sociale
ontwikkeling van de jonge generatie vrouwen. Zo kwam de rol van de vrouw
als dochter naar voren. Brigham Young organiseerde de "Retrenchment
Societies" (to retrench=bezuinigen, ook: zich verschansen, zich
terugtrekken van de verwereldlijking). In deze organisaties verenigden
de vrouwen zich om een voorbeeld te zijn in gedrag, kleding en kuisheid
van taal. Later ging de "Retrenchment" over in de Jonge Vrouwen
Onderlinge Ontwikkelingsvereniging.
Het werd echt een periode van ontwikkeling. Jonge vrouwen zoals Romania
Pratt, Margaret Shipp, Martha Hughes Cannon, Alice Louise Reynolds,
Susa Young Gates, en anderen gingen naar het oosten van de Verenigde
Staten om medicijnen, literatuur, huishoudkunde en andere vakken te
bestuderen. Lula Greene Richards, pas twintig jaar oud, stichtte het
tijdschrift "Women's Exponent" (Vertolker van de Vrouwen).
Na vijf jaar als redactrice gaf ze die verantwoordelijkheid over aan
Emmeline B. Wells, die het blad nog openlijker tot pleitbezorger maakte
voor het lot van de vrouw.
In deze periode vochten de vrouwen voor een aantal politieke rechten,
die ze ook inderdaad wisten te verkrijgen: het recht om het hoofd van
een gemengde school te zijn, het recht politieke vergaderingen bij te
wonen, het recht als jurylid te dienen, het stemrecht en het recht om
openbare instellingen te besturen. Tijdens deze periode namen vrouwen
deel aan de ontwikkelingvan mormoonse cooperatieve bedrijven en de zijdeteelt;
zij schreven poezie en romans over het leven onder de heiligen der laatste
dagen; ze namen deel aan de po; ze zetten zich in voor het stemrecht
van de vrouw; zij kregen leidinggevende functies in huishoudelijke,
agrarische en zakenondernemingen.
Eliza Snow speelde de boventoon in dit tijdperk van de Retrenchment
Societies. In een toespraak tot de leden van de Retrenchment, zei ze:
"Waar wil ik me van terugtrekken? Ik wil me terugtrekken van mijn
onwetendheid en van alles wat niet van God is."
Dat Brigham Young instemde met deze nieuwe nadruk op het zelfvertrouwen
en de onafhankelijkheid van de vrouw weten we zeker. In een brief die
hij schreef in 1867 aan een zuster die een cursus voor vroedvrouwen
wilde organiseren, verklaarde hij dat ze niet moest aarzelen dit te
doen en het nodige initiatief aan de dag moest leggen voor het recruteren
van vrouwen en het vinden van een geschikt gebouw.
Dit stemt overeen met een uitspraak in een Algemene Brief van 1868:
de kerk heeft de Universiteit van Deseret geopend voor mannen en vrouwen,
verklaarde de brief. De colleges voor de jonge dames zijn zo geregeld
dat het hun "een gedegen zakenopleiding verschaft... Er zijn reeds
enkele honderden studeten ingeschreven... Het doet ons een groot genoegen
dat dames tot deze instelling worden toegelaten, want wij wensen dat
de zusters, voor zover ze daartoe geneigd zijn en de omstandigheden
dit toelaten, boekhouden en telegrafie leren en zich bekwamen in journalistiek,
letterzetten, werken in winkels en banken, of welke tak van kennis en
welk beroep ook, zodat ze competent zijn op elk denkbaar terrein...
We hopen dan ook dat spoedig college zal worden gegeven in anatomie,
chirurgie, chemie, mineralogie, geologie, fysiologie, verloskunde, gezondheidsleer,
en de eigenschappen van medicinale planten."
Emmeline B. Wells schreef in de "Women's Exponent" een artikel
getiteld "Self-made Women". Ze had er genoeg van, schreef
ze, om mensen te horen praten over zelfopofferende vrouwen, alsof zelfopoffering
onvermijdelijk synoniem was met vrouw-zijn.. "De vrouw," vervolgde
ze, "is werkelijk begonnen haar eigen boontjes te doppen en zelfstandig
te zijn... Nu dit duidelijk is, benaderen mannen haar als een verstandelijk
wezen, dat er een eigen mening op na houdt en vrij is zo nodig haar
eigen beroep te kiezen en in haar eigen onderhoud te voorzien."
Emmeline B. Wells is het model van de vrouw die zichzelf wist te ontplooien:
zij was een opmerkelijk intelligente vrouw, algemeen presidente van
de zustershulpvereniging en jarenlang lid van het algemeen bestuur;
bovendien was ze presidente van de Utah Women's Club, redactrice van
de Vrouwenbond van de Republikeinse partij, kandidate voor de volksvertegenwoordiging
en bestuurslid van de Nationale Vrouwenraad.
Tot onze verrassing zien we dat Emmeline echter niet altijd zo zelfverzekerd
was. Eens schreef ze in haar dagboek: "Vandaag was ik alleen, ik
voelde me te teneergeslagen om zelfs te gaan schrijven - ik moest steeds
weer maar huilen en mijn hart stond op barsten... Wat is het moeilijk
te volharden tot het einde; ik weet niet zeker of ik het wel kan. Soms
denk ik dat ik een te grote last te dragen heb." Hier wordt het
beeld van de supervrouw gerelativeerd tot menselijke proporties. Emmeline
bereikte de hoge leeftijd van 93 jaar en ontving in haar laatste jaren
een eredoctoraat in de letteren van de Brigham Young Universiteit, het
eerste eredoctoraat ooit door die universiteit verleend.
In 1876 ontbood Brigham Young Emmeline op zijn kantoor en vroeg haar
de leiding te nemen over een groot project om tarwe in te slaan tegen
een mogelijke hongersnood. "Ik voelde me zeer verlegen, en was
het beven nabij, toen ik de zaak ging bepraten met mijn man," herinnerde
ze zich. "Ik vertelde hem wat President Young had gevraagd en voegde
er aan toe: 'Je zult me hierbij moeten helpen.' Hij antwoordde: 'Ik
ga je helemaal niet helpen; je kunt het best zelf.'" Emmeline richtte
zich tot zuster Eliza Snow, "maar zij zei ook dat ze me niet kon
helpen, dat de opdracht aan mij was gegeven."
Ondanks de aanvankelijke aarzeling van Emmeline, vulden de pagina's
van de Exponent zich al gauw met aanmaningen om tarwe te kopen of te
oogsten, en met instructies "Hoe zonder onkosten een opslagplaats
voor graan te bouwen." In haar dagboek kunnen we lezen dat ze in
1878, twee jaar na de opdracht van Brigham Young, dermate onafhankelijk
was geworden dat ze erop stond dat haar vijf dochters een even grote
onafhankelijkheid zouden ontwikkelen:
"Ik voel me zeer somber gestemd. De zaken van mijn man zijn zeer
ingewikkeld en we moeten de grootst mogelijk zuinigheid betrachten.
Ik ben vastbesloten mijn dochters gewoontes van onafhankelijkheid bij
te brengen, zodat ze nooit blindelings hoeven te vertrouwen, maar voldoende
energie en wilskracht hebben om hun eigen welzijn en geluk te plannen."
Haar houding, en die van Brigham Young tijdens deze periode, werd onlangs
zeer ontroerend uitgedrukt door onze dierbare Camilla Kimball, de vrouw
van President Spencer W. Kimball. Ze zei: "ik hoop dat elke vrouw,
jong en oud, het verlangen en de ambitie koestert in twee beroepen haar
diploma te halen - in het huishouden, en in de voorbereiding zich buitenshuis
in haar onderhoud te kunnen voorzien, indien de omstandigheden dat eisen."
Nadat zuster Kimball had uitgelegd dat sommige vrouwen voor zichzelf
moeten zorgen omdat ze ongehuwd zijn, dat anderen hiertoe gedwongen
worden vanwege de ziekte of het overlijden van hun echtgenoot, en weer
anderen een beroep kunnen uitoefenen omdat hun leven niet volledig gevuld
is met de eisen van een gezin, eindigde ze met: "Voortdurend blijven
groeien, geestelijk, lichamelijk en verstandelijk is de enige weg naar
en vortdurend gelukkig en nuttig leven." Deze wijze raad is de
naklank van dit einde van de 19de eeuw, een periode van succes van de
vrouw.
De twintigste eeuw kenmerkt zich eveneens door enkele perioden, op
dezelfde wijze geaccentueerd als in de vorige eeuw. In de periode van
1902 tot 1916 lag de nadruk op de rol van de vrouw als moeder, van 1917
tot 1945 op de vrouw als zuster, van 1946 tot 1964 op de vrouw als dochter.
deze perioden behandel ik slechts heel in 't kort, om tenslotte de hedendaagse
periode meer aandacht te geven.
Van de Vierde tot de Zesde Periode 1902-1916 ; 1917-1945 ;
1946-1964
De vierde periode, van 1902 tot 1916, zouden we de periode van de 'moederschapstraining"
kunnen noemen, aangezien dit het onderwerp vormde van de studiecursus
in de zustershulpvereniging. Dit waren de jaren van zeer grote gezinnen
en ook de beginjaren van de gezinsavonden, die nu officieel als programma
van de kerk werden gesteund. Het "Relief Society Magazine",
maandblad van de zustershulpvereninging, had een vaste rubriek getiteld
"Moeders in Israel", waarin eminente moeders het onderwerp
waren. Hier ontwikkelden de schrijfsters van bepaalde lessen het imago
van de geestelijk opofferende moeder.
Kenmerkend voor deze moedercultus is het hoofdartikel in het "Relief
Society Magazine" van mei 1920, waarin de laatste prestatie van
het stemrecht voor vrouwen wordt beschreven. Het artikel draagt als
titel "Het stemrecht gewonnen door de Moeders van de verenigde
Staten." Het stemrecht werd niet door de vrouwen, zoals u ziet,
maar door de moeders gewonnen!
De vijfde periode ging over de jaern van de eertse wereldoorlog, de
crisisjaren van 1929 tot 1939 en de tweede wereldoorlog. Als gevolg
lad de nadruk bij de zustershulpvereniging en ook in de conferentietospraken
en de kerkelijke tijdschriften, op vrouwen als zusters, die zich inzetten
om betere wijken op te bouwen, een betere maatschappij. Typische voorbeelden
van deze rol zijn vrouwen zoals Amy Brown Lyman, Louise Y. Robison,
Priscilla Evans. Elk van hen gaf jaren van toegewijde dienst aan de
gemeenschap.
Gedurende de zesde periode die hierop volgde, tot 1964, lag de nadruk
meer op persoonlijk, geestelijke en intellectuele ontwikkeling - de
reeds beschreven situatie waar de dochters naar voren treden.
De Zevende Periode van 1965 tot nu
Ten slotte hebben we de zevende periode, de hedendaagse. Gedurende
deze jaren hebben de vrouwen waarschijnlijk een grotere verscheidenheid
van rollen vervuld dan in een van de vroegere perioden. Er zijn ook
zoveel invloeden geweest die hen aan alle kanten belaagden, zoals de
sociale onrust, de onrust onder de studenten, de vredesbeweging, de
populariteit van allerlei protestbewegingen, en het militante feminisme.
Dit is de periode van intense bezorgdheid over de achteruitgang van
het gezin, de stijging van het aantal echtscheidingen, de verlaging
van de moraal, ket negeren van de rechten van kinderen, enz.
De kerk heeft hierop gereageerd door grotere nadruk te leggen op het
verstevigen van de gezinsbanden. Krachtige woorden zijn hieraan gewijd
in de toespraken van de algemene autoriteiten. De gezinsavond is weer
sterk onder de aandacht gebracht. Als model voor de rol van de vrouw
in de kerkpublicaties zijn vrouwen gebruikt wier activiteiten primair
tot het gezin beperkt waren - moeders en echtgenotes van algemene autoriteiten,
en moeders van grote gezinnen.
Aan de andere kant zijn er de jaren an 1965 ook jaren geweest van een
toenemend bewustzijn van de vrouw, zowel binnen als buiten de kerk.
De invloed hiervan op de mormoonse vrouwen, speciaal de jonge vrouwen,
was des te groter vanwege het groeiende aantal onder hen die een universitaire
opleiding hadden genoten. Het grote aantal vrouwen dat betaald werk
doet heeft deze invloed nog aanzienlijk versterkt. Zoiets als 35 tot
40 procent van de actieve mormoonse vrouwen werkt thans gedeeltelijk
of geheel buitenshuis. Studies hebben aangetoond dat dit percentage
zelfs nog hoger is in bepaalde gebieden.
Doordat ze met deze verschillende invloeden en de daaruit voortvloeiende
problemen worstelden, besloten enkelen van de meer bewuste vrouwen de
"Exponent II" te publiceren, een beknopt nieuwsblad dat als
model voor de vrouw van vandaag zowel de vrouwen uit de jaren van oorspronkelijke
"Exponent" voorstelt, alsook carriere-bewuste vrouwen en huismoeders
uit de huidige tijd.
In recente jaren vindt men dus meer vertakkingen in de rol van de vrouw
binnen onze cultuur. Aan de ene kant ligt de taak van de vrouw als moeder
in het gezin; aan de andere kant weer niet geheel; tenslotte zijn vrouwen
ook dochters en zusters, en men kan zich nu rustig op zijn gemak voelen
met een uitbreiding van deze identiteitsaspecten van de vrouw.
Indien jongere mormoonse vrouwen, in hun zoeken naar een eigen identiteit,
hierover enigszins in de war zijn geraakt, dan moet dat zeker worden
toegeschreven aan het feit dat ze van vele kanten onder druk staan.
Het leven is complex, de mensen zijn veranderd, en verschillende omstandigheden
en persoonlijkheden zijn oorzaak van verschillende levensstijlen.
Het hoofdthema im mormoonse publicaties voor de vrouw blijft kennelijk
de balangrijke rol van de vrouw als echtgenote en moeder. Een uitspraak
van de inmiddels overleden President Hugh B. Brown op een conferentie
van de zustershulpvereniging geeft hier een voorbeeld van:
"Onze voorstelling van de hemel is maar weinig meer dan een projectie
van het gezin en het gezinsleven in de eeuwigheid... Het gezin is de
steunpilaar van de kerk, de sleutel van de beschaving... De moeder is
degene die orde bewaart en de kinderen in de vroege jaren van hun leven
onderricht. Zij is oorspronkelijk het instrument in de handen van de
voorzienigheid om de bestemming van naties te vormen en te leiden, want
zij beinvloedt de kinderen terwijl ze nog jong zijn en zij zendt ze
uit om hun plichten te vervullen."
Maar, zoals ik reeds heb gezegd, sommige mormoonse vrouwen hebben,
vanuit hun eigen traditie en vanuit hun eigen opvatting over onze geschiedenis,
aan deze boodschap een ruime interpretatie gegeven. Aan de ene kant
wordt de vrouw geeerd in haar capaciteit als moeder, aan de andere kant
wordt er eer bewezen aan die vrouwen die grote prestaties leveren in
de zgn. vrije beroepen. Ik durf voorspellen dat in de toekomende jaren
e vrouw niet als individuele dochter, noch exclusief als moeder te voorschijn
zal komen - maar dat het rolmodel dat het meest geeerd gaat worden,
de vrouw als zuster. Naarmate de kerk internationaal groeit zal er een
beroep op de vrouwen worden gedaan om het koninkrijk te helpen opbouwen,
elk op haar eigen wijze. Vrouwen gaan hun zusters helpen in Mexico,
in Latijns Amerika, in Azie en de Stille Zuidzee, in Afrika en in steden
in het centrum van de Verenigde Staten. Ze gaan centra van Zion bouwen
over de gehele wereld om hun zusters, die hierin leiding nodig hebben,
te helpen een beter leven op te bouwen. Het is te hopen dat ze in dit
pogen partners worden met hun vaders, echtgenoten, zonen en broeders.
De Toekomst
Wat het patroon van de toekomst ook moge zijn, de mormoonse geschiedenis
geeft te kennen dat de combinatie van het geloof in een eeuwig huwelijk
en in de wet van eeuwige vooruitgang, een gelijke nadruk vereist op
de ontwikkeling van het individu en op een sterk gezin en een sterke
gemeenschap. Vrouwen, evenals mannen, hebben een belangrijke rol gespeeld
door hun handen uit de mouw te steken als leerkrachten, presidenten,
bestuursleden of leiders in de zendingen en ringen, en op hoog niveau
in de kerk. Vrouwen zowel als mannen zijn druk bezig geweest voor een
goede zaak en hebben hun creativiteit en vindingrijkheid gebruikt om
nieuwe oplossingen te zoeken voor oude problemen en om te experimenteren
met nieuwe programma's. Vrouwen zowel asl mannen hebben God's hulp aangeroepen
en ontvangen in hun verschilende roepingen. En natuurlijk dienen mannen
zowel asl vrouwen te luisteren naar de raadgevingen van hen die belast
zijn met de leiding van de kerk.
Enkele jaren geleden schreef professor Thomas O'Dea, een prominent
katholiek socioloog en een scherp waarnemer van de mormoonse geschiedenis
en cultuur, dat hij onder de indruk was van de intelligentie, de vitaliteit
en de ethische bezorgdheid van de heiligen der laatste dagen. De soepelheid
van het mormonisme, schreef hij, en de levensvatbaarheid ervan onder
de meest ongunstige omstandigheden, houdt goede beloftes in voor de
toekomst. Onze gesprekken met mormoonse vrouwen van vandaag geven te
kennen dat ze in alle opzichten even waardig en dapper zijn als de mormoonse
moeders, zusters en dochters van vroegere generaties.