MvG logo www.mvgcontact.org

Marik Messiaen

Home



Moroni

Wij weten niet
of hij de steen kantelde of schoof,
toen hij het boek
voor duizenden seizoenen
aan nacht en aarde overdroeg.

Het maakt niets uit -
de kleine kamer, zwart en droog,
verborg van miljoenen
de eerste wijsheid en het leven,
de laatste zonde en de dood.

En hij ging heen.

Misschien was het herfst
en geurde de heuvel
naar mist en zurig mos.

 

(commentaar van Jaap Wenzel):
Hier moet de lezer het Boek van Mormon kennen: dit gedicht verhaalt een kernmoment uit deze mormoonse schriftuur, nl. de eenzame Moroni, laatste overlevende van zijn volk, die het heilige geschiedboek in een stenen doos in de heuvel Cumorah verbergt. Dit voor alle heiligen der laatste dagen bekende gegeven wordt op een originele wijze benaderd. het gedicht vertrekt en eindigt immers op het onbelangrijke, op het toevallige: het schuiven of kantelen van de steen, het ene of het andere seizoen. Tussen die beide twijfels (kritische knipoog naar bijbelse letterzifters die zich met onbelangrijke vragen bezighouden?) zit de kern geklemd, de zekerheid, het vitale, de veiligheid, de boodschap. Kenmerkend is een uiterste gedrongenheid in uiterste eenvoud. Heel de boodschap van het Boek van Mormon - duizend jaar geschiedenis van miljoenen mensen - wordt in twee verzen samengevat: "de eerste wijheid en het leven, de laatste zonde en de dood"., zo tergend simpel als het Boek van Mormon zelf het voortdurend predikt. En heel het drama van de eenzame, op de dood wachtende Moroni, ligt in vier alleenstaande woorden: "En hij ging heen." Het gedicht wordt gedragen door een krachtig ritme dat het een eigen adem geeft. De twee eerste strofen vloeien precies over elkaar, met een zacht scharnierrijm op "seizoenen" en "miljoenen". Dan komt een dramatisch breekpunt op Moroni die heengaat. In de laatste strofe neemt de natuur aarzelend bezit van het gebeuren, maar toch meteen sterk zintuiglijk en met een diepe poetische draagkracht.

 

November

De levenden,
ik zie ze gaan zoals ik vroeger ging
eenmaal in 't jaar
als kruimeldieven aan de graven
waar elke nieuwe bloem
alleen de vraag omlijst
waarom ? waarheen ?
wat stof en slijk
en een gebarsten steen.

Maar zij, mijn doden,
draadloos verbonden vrienden
glimlachend achter het gordijn,
hun namen draag ik
door tempelzalen
met navel en merg en macht
tot in de hand des Vaders.


Liefste

Wanneer mijn lichaam
niet meer wandelt
langs de groeven
van jouw huid;

Wanneer het vriest
op late uren
in harten die alleen nog
voor zichzelf slaan;

Dan leg ik weer mijn hoofd
te luisteren
aan de achterpoort
van gouden dagen:

Je bent nog steeds
een populier vol vogels
je bent nog steeds
het linnen en het brood.


Sariah .........(1 Nephi 5:1-8)

Zij ziet hem schrijven,
het perkament bevlekken
met benige vormpjes,
steeds op de grens
van woestijn en oceaan.

Ze spreidt de handen op haar buik
die weer begint te ronden:
een jongen, en hij zal Jakob heten,
een meisje, ze weten het nog niet.

Hij heeft Jesaja op de lippen.
Zij drijft de laatste geit vooruit.

En toch: zij kent, heel diep,
de paden van dit goddelijk avontuur,
zoals zij zich gespleten weet
in de volkeren uit haar schoot.

En 's nachts,
wanneer de kleine karavaan
weer ligt geankerd
in de holte van een duin,
verwordt haar tent tot schelp
waarin zij stil tot parel rijpt.