Retraite
Geen onrust
stoort
mijn moegehuild
verlangen
ik glimlach
traag
de pijn
die door
m'n aderen
stroomt
heeft niets
van dat verlangen
ingetoomd
maar nu
kan 'k stil
de eenzaamheid
ontvangen
(commentaar van Jaap Wenzel):
In korte, beheerste verzen verhaalt de dichteres hier hoe een oersterk
verlangen nog steeds in haar leeft. Dit verlangen wordt niet geindentificeerd:
het blijft een absoluut gegeven, waarvan we enkel weten dat het "moegehuild"
is - dus sinds lang in haar geankerd en onbevredigd (het nodigt ook
uit tot een discretie die geen lezer mag verstoren). Zelfs de pijn heeft
de kracht van het verlangen niet kunnen breken. Kalme wijsheid beheerst
echter op elk moment het gebeuren: geen onrust, een trage glimlach,
het stil ontvangen van de eenzaamheid.
De korte verzen en de afwezigheid van leestekens verbergen een sterke
klassieke opbouw, enkel duidelijk door een aandachtige en ritmische
lectuur: de eerste en laatste strofen vormen dan het eerste en vierde
vers, op het rijm "verlangen/ontvangen". Daartussen liggen
een tweede en een derde vers, eveneens op rijm: "de pijn die in
m'n aderen stroomt/heeft niets van dat verlangen ingetoomd." Enkel
de aanhef van dit middengedeelte vertraagt, als een stille breuk, een
te gemakkelijk verloop: "Ik glimlach traag."
"Retraite" is een innig en toch heel edel gedicht, dat men
gewoon stil beleefd - met eerbied voor het vloeiend samengaan van liefde
en lijden.