



Nederlands schrijfster Inez van Dullemen (1925) schreef in 1969 haar fictieve werk: Luizenjournaal door MVG herontdekt en besproken.
Aanvanklijk was de MVG redaktie terughoudend om dit boek te gaan bestellen, te gaan lezen en bespreken; de titel suggereerde wellicht dat het waarschijnlijk weer eens ging om weinig verheffende lectuur uit op sensatie en een negatieve benadering van onze wereldbeschouwing. We zijn inmiddels zo geconditioneerd aan negatieve reacties over het Mormonisme dat we hetgeen niet-mormoonse auteurs over onze geschiedenis schrijven soms bij voorbaat al verdacht vinden.
Welnu, in dit geval ten onrechte!
Luizenjournaal is een literair hoogstaand en gedetailleerd relaas van momentopnamen in het leven van individuele heiligen der laatste dagen die weliswaar heldhaftig als volk optrokken naar Zion, maar al gaandeweg werden geconfronteerd met de harde realiteit van het pioniersbestaan. De trek naar het westen spreekt tot de verbeelding, ook voor degenen die nimmer buiten Europa zijn geweest, ze is een symbool van de mens die het leven ervaart als een avontuurlijke pelgrimstocht naar een betere toekomst, maar met dit levensideaal voor ogen beseffen we tegelijkertijd wel degelijk dat de tocht soms onmenselijk zwaar en vol gevaren is.
Precies zoals ons eigen leven dus.
De titel 'Luizenjournaal' herinnert ons eraan dat de trek naar het Rotsgebergte geen romantisch vakantiereisje was, maar een vaak bittere realiteit van leven en dood. Regen, kou, hitte, modder, stank, honger, en ... luizen.
De beschrijving van het boek door uitgeverij Querido:
Na vele vaak bekroonde verhalen en reisbrieven uit Amerika, Op zoek naar de olifant, heeft Inze van Dullemen met Luizenjournaal haar eerste boek 'van langere adem' geschreven. Het is door haar verblijf in de U.S.A. geinspireerd, maar het is van een universele humaniteit, aantonend wat mensen voor een ideaal, een verwachting kunnen verduren en offeren.
Luizenjournaal is fictie, geborduurd op een stramien van historische werkelijkheid en wel op die van een stuk geschiedenis van de Mormonen in de Verenigde Staten van Amerika.
Het begint met de vervolging en de pogroms in de stad Nauvoo in 1845, beschrijft de verdrijving van de Mormonen en hun grote trek naar het westen, naar Great Salt Lake Desert, een zoutwoestijn, waar zij hun beloofde land meenden te vinden en waar zij de stad Zion, later Salt Lake City, stichtten. Maar meer dan een historische roman is dit een verhaal over anonieme mensen die met elkaar een uniek verschijnsel vormden, het fenomeen van mannen en vrouwen en kinderen die duizenden kilometers door de wildernis trokken.
Als met een schijnwerper wordt er steeds één belicht met zijn twijfel, zijn hoop, zijn passie. Sommige figuren zien we nog een keer terug; ze zijn dan veranderd of ze zijn juist zichzelf gelijk gebleven, maar het zijn alle figuren gezamenlijk die tellen. Velen verdwijnen, vallen door de zeef van de dood. De seizoenen, de verandering van het landschap zijn even belangrijke motieven als de mensen, want zelden in de geschiedenis werkten die zo sterk op de mensen in, bepaalden in zo hoge mate hun lot. Het is als een botsen van krachten, menselijke en onmenselijke. Passies bloeden leeg in het prairiegras; andere passies worden juist weer gewekt: de drift om de overwinning te behalen.
Luizenjournaal is een klein-formaat boekje van nauwelijks honderd bladzijden, maar een waarschuwing is op zijn plaats: Inez van Dullemen schrijft zo intens, zo gedetailleerd en rijk in creatief woordgebruik dat de aandachtige lezer, die die de sfeer en de betekenis van het moment ten volle op zich in wil laten werken, maar nauwelijks met lezen opschiet. Waarschijnlijk is die omstandigheid dan ook precies waar het om gaat bij het Luizenjournaal; een herinnering aan het feit dat hoe verheffend het ideaal van Zion ook moge zijn, we niettemin stil moeten staan bij de vaak tragische details van de levenspaden die er naar toe leiden.
Beschreven worden bijv. de lotgevallen van een hoogzwangere jonge mormoonse vrouw die, ternauwernood aan de dood ontsnapt wanneer haar huis in Nauvoo door vijanden in brand wordt gestoken, overdekt met brandwonden voortijdig haar kind moet baren in het struikgewas terwijl de regen onverbiddelijk valt ...
"Uit de rook kwam zij tevoorschijn, traag en zwaar, aarzelend bijna om geboren te moeten worden uit de vuurmond en prijsgegeven aan de willekeur van wat daar broeide in die ogen, de zich verdringende koppen. Met het vuur in de rug stond ze met een wonderlijke terughouding. Hoogzwanger, op blote voeten, met dat kleine kaalgeschoeide hoofd als een noot, gelijktijdig onkwetsbaar en kwetsbaar in haar aarzeling, in haar voorkeur voor het vuur boven haar medemensen."
Inez van Dullemen aarzelt niet in haar gedetailleerde schrijfstijl om de dingen bij naam te noemen, elk menselijk gevoel, onder vrouwen, mannen en kinderen:
"En op een dag ben je zo moe dat er voor niets anders plaats is: de moeheid zit tot aan de top van je schedel en in je ingewanden en in de klompen van voeten die ergens aan je lijf zitten, je ogen staren uit branderige vliezen en geven grote trage onvertaalbare beelden door naar je hersenen. Je kijkt naar de wereld als een rund.
En je moeheid is een soort van verstening, al het gedartel van je cellen, het flitsend doorseinen van gewaarwordingen , dat alles is versteend. Gestold liggen je cellen in je, traag gaat je bloed door ijzige beddingen, je gaat niet eens mee naar buiten om je zuster onder de aarde te leggen,- ze is immers allang dood in je.
Maar geloof mij of niet: drie dagen nadat je bent opgestaan en de koe hebt gemolken en de jurk van je zuster hebt aangetrokken, die veel beter is dan de jouwe en bovendien blauw gebloemd - blauw is de kleur van je ogen - zit je achter de wilgebosjes met je rokken bijeen om je ingewanden te ledigen en je zit daar even heel vredig in die groen gouden tent en en torretje valt op je hand en krabbelt haastig over je huid, - geloof mij of niet: op dat ogenblik wordt er een cel wakker en port je rug: doe je weer mee? En je staat op en je laat je rokken vallen, definitief als een slagboom tussen jou en de dood."
"Ik denk erover om een derde vrouw te nemen. Ik voel de gloed in mijn lendenen, ik heb zoveel zaad, men moet zijn zaad niet verspillen. We moeten bovendien de geboden naleven, bevruchten is plicht ten behoeve van het Koninkrijk. Wat is er natuurlijker dan dat een man meer dan één vrouw zou hebben? Denk maar aan Abraham, niemand maakt zich ooit druk over het feit dat Abraham meerdere vrouwen bezat, maar nu wij volgens bijbelse wetten leven, schreeuwen de ongelovigen moord en brand en slingeren ons hun banvloeken na. Ze zouden zelf ook wel willen, maar hun kerk verbiedt het en hun vrouwen verzetten zich, die willen een man voor zich alleen."
"Wanneer zijn we nou eens in Zion," vraag ik. Het begint me te vervelen.
"Zodra we in Zion zijn zal ik franje aan je broek maken," heeft moeder gezegd, "rode franje geverfd met bietensap." De bergen kan je al zien. Gisteren zag ik een geglinster in het rode licht van de zon die opkwam: - de torens, wist ik opeens, de koepels van het Beloofde Land. Ik rende terug door het snijdende gras naar onze wagen, waar mijn moeder met de andere vrouwen brood aan het bakken was in ovens in de grond. "Ik heb Zion gezien," zei ik, "kijk maar daar, hoog op het gebergte, daar zie je de koepels." Mijn moeder en nog enkele andere vrouwen draaiden zich om, terwijl ik wees naar de bergen. Zoekend vlogen mijn ogen langs alle toppen, paars blauw nevelig hangend boven de aarde, maar het geglinster was uitgedoofd. "Toch heb ik het gezien," zei ik, "een gouden koepel ving licht." Mijn moeder keerde zich weer naar haar oven waaruit een dun rookpluimpje te voorschijn kronkelde. "Ja," zei ze, "ja, daarachter ligt het Beloofde Land."
Heiligen der laatste dagen moeten soms wennen aan een bepaalde niet-mormoonse schrijfstijl, en ook dit werk van Inez van Dullemen zal misschien voor sommigen nogal realistisch overkomen, alsof realisme geen mormoonse waarde zou zijn ...
Inez van Dullemen laat zien dat historische en literaire integriteit niets af hoeft te doen aan de prachtige idealen van de Herstelling. Het evangelie van Jezus Christus is een blijde boodschap maar ondanks haar overwegend goede nieuws is natuurlijk niet alles altijd rozengeur en maneschijn. In ons verlangen 'opbouwend' en positief te zijn vertonen we nogal eens de neiging bepaalde gebeurtenissen in de kerkgeschiedenis te verzwijgen, schromen we dingen bij naam te noemen.
Elisabeth Mulder en Fritz Dejonghe schreven daarover:
Authentieke mormoonse literatuur zal steeds opbouwend moeten blijven, in de zin dat zij de mens aanzet tot het goede. Het evangelie verkondigt immers vreugde, ons geloof ademt zekerheid, onze hoop richt zich op een goddelijke toekomst. Het is dus onvermijdelijk dat mormoonse auteurs de zoektocht naar vreugde, zekerheid en goddelijke toekomst als een gouden leidraad zullen blijven stellen. Maar dat betekent niet dat de zoektocht simplistisch, sentimenteel en overmoraliserend hoeft te zijn. De schrijvers van de nieuwe generatie wijzen reeds de weg naar een literatuur die dichter bij het leven staat, een literatuur over Heiligen der Laatste Dagen, zoals alle mensen belast met normale en soms netelige problemen. Dank zij het evangelie kan men die problemen leren overwinnen of verdragen, maar de goede afloop is niet altijd automatisch verzekerd. Doch steeds kan de lezer uit de lectuur iets diep menselijks verwerken, zonder dat de morele les voortdurend expliciet wordt gesteld. Sterke literatuur is subtiel en origineel.
(Mormonisme en Literatuur - Horizon, Mei 1982)
Luizenjournaal is een prachtig en origineel nederlandstalig werk dat niet mag ontbreken op de boekenplank van heiligen der laatste dagen die over de eigen (fictieve) geschiedenis willen lezen in de moedertaal.
Luizenjournaal is waarschijnlijk niet meer in de boekhandel verkrijgbaar, maar is daarentegen heel eenvoudig (en goedkoop) via het Internet verkrijgbaar.
Wie via Google "Luizenjournaal" intypt kan voor gemiddeld 5 Euro dit boekje probleemloos (tweedehands) overal bestellen.
Lees ook een heel interressant vraaggesprek met Inez van Dullemen in de rubriek 'De Verdieping' van Dagblad Trouw; zij reflecteert haar leven daarin aan de hand van de tien geboden!
enkele citaten daaruit:
"Ik geloof dat onze geest in verbinding zou kunnen staan met iets anders; dat er meer is dan wat wij hier, op deze wereld, bedenken of beleven. Als ik mij down voel over de toekomst, als ik zie hoe slecht mensen met elkaar en met de aarde omgaan, weet ik mij getroost door mijn eigen, kleine kring, de liefde voor mijn man en de kinderen, maar ook door het idee dat de natuur een enorme, regenererende kracht bezit. Steeds als we denken: nu loopt het op een eindje, bloeit er toch weer leven op."
"En als ze met hel en verdoemenis dreigen zal ik vertellen hoe antroposofen
denken over het vagevuur: dat is niet de plaats waar je, lijfelijk, brandt, maar
het is het moment waarop je ineens een heel helder beeld krijgt van hoe je bent
geweest en wat je allemaal verkeerd hebt gedaan. Dát is de pijn die je voelt. Op die manier kan ik er wel in geloven. Zo’n hel, dat is me toch veel te middeleeuws."
"„Ik heb veel dingen in mijn leven gehad waarmee ik mij kon verzadigen. Een huis in Frankrijk, met een groot stuk land er omheen, we hebben zelfs een tijd lang een ezel gehad. Absoluut niets tekort gekomen. We kijken elkaar soms heel verbaasd aan: hee, hoe kan dat nou? Opeens zijn we oud* Hoe is dat gebeurd? Mijn leven lijkt in een flits te zijn voorbijgegaan en tegelijkertijd heb ik zoveel meegemaakt. Ik denk veel na over de ouderdom. Ik kijk naar de natuur en denk: eigenlijk zou je er, net als bomen, planten en dieren, vrede mee moeten hebben. Je moet je erbij neerleggen. Aanvaarden. Berusten. Het heeft – zeker als oud mens – geen enkele zin om je tegen de dood te verzetten. Ik zou graag willen dat mijn as uitgestrooid zou worden in Frankrijk. We hebben een mooi uitzicht op de bergen, met een prachtig dal er tussen. ‘Strooi me uit in de wind’, zeg ik tegen mijn kleinkinderen, ‘dan kunnen jullie zeggen: kijk, daar vliegt oma’. Zoiets moet het worden: wegvliegen. Al geef ik toe dat mij ook niet duidelijk is waarheen. Ik moet vaak denken aan de leerschool van het leven waarover mijn moeder sprak en dan vraag ik me af wat je uiteindelijk moet doen met alles wat je hebt geleerd. Waar blijft de kennis die je hebt verzameld? Doorgeven aan je nageslacht is een mooi idee, maar is daar alles mee gezegd? Dat is de vraag die mij al een leven lang bezighoudt: waartoe zijn wij hier op aarde? Ik weet het nog steeds niet. Heb jij daar een antwoord op?”