MvG logo www.mvgcontact.org

De Mormonen te Amsterdam - 1885

Home



Justus van Maurik jr.


De populaire schrijver Justus van Maurik jr. (1846-1904) schreef een humoristische anekdote over een mormoonse zendingsbijeenkomst in A'dam in 1885 in zijn boek: "Toen ik nog jong was." (Toen ik nog jong was - door Justus van Maurik - vierde druk - A'dam - van Holkema en Warendorf - 1901)

Alhoewel waarschijnlijk grotendeels fictie, lijkt de schrijver, zoals de titel van zijn boekje "Toen ik nog jong was." doet vermoeden, deels te hebben geschreven op basis van persoonlijke jeugdherinneringen.

Deze anekdote: "De Mormonen te Amsterdam" in 1885", werpt 'n uniek licht op hoe de leden van de kerk van het eerste uur in onze gewesten werden gezien door hun omgeving. Justus van Maurik jr. leverde aldus een heel interressante bijdrage aan de (fictieve) geschiedschrijving over de 'heiligen der lage landen', en waarschijnlijk vooral ook Amsterdammers zullen zijn jeugdherinneringen met veel plezier lezen. Bij deze dan ook een oproep aan leden in A'dam om deze anekdote aan te vullen met verhalen en herinneringen uit de buurt van de Egelantiersgracht, misschien zelfs met foto's van toen en nu, foto's die de sfeer kunnen illustreren van de in de anekdote genoemde lokatie's.


De Mormonen te Amsterdam - 1885
door Justus van Maurik jr.

Voor een huis op de Egelantiersgracht, oud en smal, aangeslagen door gore grachtlucht, die de gelige verf van raam- en deurkozijnen met bruine of grauwige vlekken schakeerde, staat een troepje mannnen, vrouwen en jongens, lachend en pratend.
Op het eenige raam is, voor de kleine ruitjes, een groot papier geplakt met de gedrukte mededeling:

"Verkondiging van het ware Evangelie te 10 uur 's morgens en te 6 uur 's namiddags."
N.B. Die een zaak veroordeelt, zonder ze te kennen, is niet wijs.

De deur is nog gesloten en een kleine brutale straatjongen trommelt met zijn groezelige handen tegen het paneel, schel roepend:
- Doen d'r is ope, de mense wille derin!
- Blijf met je poote van de deur, ze zelle wel ope doen, as 't tijd is....vermaant een man achter hem, en een lange, grove vrouw in een dikken gestreepten omslagdoek en met een zwart-wollen kapje op, zegt, even met den bruinen rug van haar hand langs haar neus strijkend:
- Och, laat 'm maar trommelen, ze benne d'r ommers al in.... he, wat is 't koud vandaag! En dan die sneeuw, me voete doen me zeer en 'k heef dooie vingers.
- Ja, ze benne derin, 'k heb ze zien komme.... roept de jongen.
Een dikke man in een overjas met een karpoetsmuts over zijn vettig polka-haar, duwt de anderen een eindje op zij en rammelt aan de deur, lachend: - 'k Ga ook 'ris een beetje stichting hale!
- Och ga-weg! Jij stichting, zoo'n ouwe zondaar.
- Nou! 'n mens kan z'n eige toch altijd bekeere.
- Zou 't voor jou hoog tijd worde.... ginnegapt de vrouw en hem een duwtje gevend: - een lekkere broer zou je weze. Daar binne - zitte d'r al een stuk of zes.
- Benne de zusters d'r ook bij, Trui?
- Die heb ik nog niet gezien, Manus, de voorganger wel.
- O, die kromme krates, met z'n hooge dop met 'n rouwband?
- Juistement! en die moffensnijer van Oostenburg ook.... die mooie jongen met z'n sikkie en 'n worssie onder z'n neus. Maar ga nou ris een beetje opzij, Manus: jij staat met je dikke duffel permalent voor me gezicht.
- Kijk dan maar door me heen, m'n engel.... lacht de aardappelenkoopman, die uit de dwarsstraat is gekomen, om "'t spiktakel ook 'ris te zien."
Hij gaat voor 't venster staan, drukt z'n neus vlak tegen de ruiten en bromt - 'k zie geen steek!
_ Wat 'n wonder!.... 't gordijn hangt er voor, verleje week hebbe ze 't heelemaal niet opgehaald.
_ Dan doen ze d'r ook bepaald schandaligheid!.... piept een magere, opgeschoten, slordige meid, trachtend, op haar teenen staande, tusschen de andere menschen heen te zien.
- Och, skepsel, jou most liever swijge; sij oefene d'r immers godsdienst!
De juffrouw, die dit zegt, haalt hoorbaar haar neus op, als ze er schamper bijvoegt: - Hoe kenne sulke vrome mense nou skandalig wese, jou moste jou liever skame, zoo iets te segge.
- Och, ziel, jij kent dat volk niet; jij bent niet hier vandaan - 't benne nakendloopers.... beweert een man naast haar.
- Ben je gek?.... bromt Manus, omkijkend - die hebbe we hier gehad in 't jaar nul, toen hebbe ze oproer in de stad gemaakt totdat ze zoo - hij maakt de beweging van ophangen - werden gepleizierd. Nee dit benne fatsoenlijke, vrome broekies, ze hiette "de Heilige van de laatste dage"....
- Zoo noeme ze d'reige, maar 't benne effectief Mormoonders.... Trui geeft den aardappelkoopman een flinken ribbestoot en grinnikt: - Zeg, Manus, 't zou jou bevallen bij dat soort, ouwe snoeper!
- Waarom?
- Omdat ze zooveel vrouwe magge hebbe as ze wille.
- 'k Heb aan een m'n volle bekomst, wil jij de mijne hebbe? Ze is tot je dispesisie, hoor!
- Dank je lekker!
- Wat is d'r nou-weer-an-de-hand!.... hijgt een spichtige juffrouw met een langen regenmantel om en een kapothoedje op. Haastig is zij komen aanloopen en wil nu naar voren dringen, om toch ook wat te zien. Een man met een fluweelen buis aan en een roode das om den hals, duwt haar kalm maar hardhandig terug: - Hou je gemak, d'r gebeurt geen moord! Je trapt met je drukkie 'n mens op z'n toone.
- Nou, 'k wil toch ook reis kijke; he, he, is dat loope?.. Wat gebeurt er?
- Niks, 't binne alleen maar Amerikaander afgescheiene, die mekaar doope, koppie onder!
- Nietes, dat mag niet meer van de pelisie!.... roept een jongen, zijn hoofd tusschen de anderen opstekend.
- Och, je klest, jonge! Ja, ze zelle daar zoo doope....
- 't Is welles, ze hebbe 't geprebeerd an de Buitensingel, maar 't was dadelijk: kip, ik heb je.
- Hoe dan?
- Ze benne ingepikt.
- Waarom?
- Omdat ze in d'r hemd te water woue gaan en dat mag niet van de regeering.
- Nakend mag nog minder.
- Wat 'n wonder!
- Je mag nerges zwemme! Je mag je op straat niet eens uitkleeje.
- 't Zou ook wat moois weze, as je in je bloote lijf rondloope mocht.... giegelt de spichtige juffrouw, nu weer op adem.
- Nou, he! en wat zou jij dan 'n bekijk hebbe, scharminkel!.... Manus lacht hardop; de juffrouw wordt boos, maar houdt zich in en vraagt verder:
- En waarom doope ze mekaar?
- Om derlui zondigheid af te wassche. Zeker bij de Amerikaanders zoo'n gewoonte.
- Ken je begrijpe, daar benne ze allemaal wat netjes.
- Ik heb 'n ijge neef in Nieuwjork, die ken jij ook wel, niewaar, Manus?
- Zeker, Trui, wat 'n sjentelman van 'n jonge, hij rookte sigaren van 'n stuiver. Maar daar - hij wijst naar binnen - is maar een Amerikaansche mof bij; 't benne verders allemaal Hollanders; 't zoodje wel!
- Zoo! en die lange snijer van Oostenburg dan?
- Nou, ja, da's mar 'n gewone duisse mof.
- O, zoo! wat kles je dan?
- Maar doen ze daar binne nou heelemaal niks anders?.... zeurt de magere juffrouw weer, nogmaals trachtend naar voren te komen. Door die beweging gaat haar mantel open; nachtjak en zwarte onderrok worden zichtbaar. Zij houdt de opening dicht, luid pruttelend: - Ja, 'k zie wel, uitgeloope, omdat me buurvrouw zei: - Mens in de partekliere school op de gracht binne ze weer bezig; 'n paskwil hoor! En nou staan ik al 'n kertier hier en ik zien niks. Wat mot er dan toch gebeure?
- D'r wordt een aap gevlooid!.... roept de man met het buis.
- Ze deele d'r gepiepte kerstenge (1) uit! lacht een ander.
- Laat je niks wijmake. - Nee! neem nou de juffrouw er niet zoo tusse. Ik zal je wel eris vertelle, wat er te doen is, goeie ziel! Ze bidden en zinge, dat de mure d'r van krake, nou weet je 't presies. En als jij 'n schoon jakkie aandoet en je 'eris frissies wascht, mag je meezinge. Manus zegt dit alles hoogernstig, met een deftigen hoofdknik eindigend.
- Als je mijn hebbe mot, mot je vroeger opstaan, leelike dikbuik!
- Asseblief, diefie van me nachtrust!
- Ga weg, naar dier!
- Dadelijk m'n poelepetaatje!
Een stijf oud heertje met een parapluie in den arm en een brilletje op z'n eigenwijzen neus, is inmiddels naast haar komen staan en zegt op de aankondiging voor 't venster wijzend:
- Ze prediken binnen het ware Evangelie! daar staat 't immers te lezen, juffrouw.
- Anders niet!
- Of 't nu inderdaad 't ware Evangelie is, zal ik niet beslissen.... zijn toon klinkt uiterst deftig en als les gevend zegt hij, over zijn bril, de zich naar hem heen en omwendende hoofden monsterend: - Hier hebben we meer dan waarschijnlijk te doen met een Missionaris der Mormonen, volgelingen van Brigham Young uit Salt Lake City in Utah.
- Wat binne dat voor diere?.... giert Trui, en 't ouwe heertje goedig met haar dikken, rooden vinger op den schouder tikkend; - Frans verstane me niet, spreek asjeblief je moers taal, meheer!
- Ik bedoel, dat deze menschen;.... hij wijst kalm met den knop van zijn paraplui naar 't venster - niemand overlast of leed doen; ze handelen naar hun overtuiging en willen die anderen ook deelachtig doen worden en daarom moet je ze niet hinderen. dat is onchristelijk en onbeschaafd....
- Zeg, meheer, ben je soms fermilie van de blikke domenee?.... Trui lacht, dat ze schatert, totdat een jongen, hoog boven alle andere stemmen uit, schreeuwt: - Daar komme de zusters met die lange knul uit de Palmstraat, daar van de brug af!
Eensklaps draaien alle kijkers zich om en maken als 't ware front voor de school, de deur vrijlatend.
- 't Is waarachtig, of ze binne ruike, dat ze der ankomme!.... zegt iemand, omdat de deur juist wordt opengedaan. Op den drempel verschijnt een man van middelbaren leeftijd, met een gezicht vol kleine en groote pokputten en een buitengewoon rossigen haardos. Zijn hoed heeft hij, ofschoon 't koud is, binnengelaten en daardoor ontlokt hij aan een der kijkers de opmerking: - He! wat 'n pikzwarte rooie, wat 'n mooie vergiettest. - Baas wanneer begint 't spul? De gehoonde broeder-portier, - dat is zijn kwaliteit, - maakt zich niet boos, maar slaat de oogen ten Hemel en zucht handenvouwend - Heere, vergeef het hun want zij weten niet wat ze doen.
- Ben jij ook al zoo'n turk, vuurbolletje? Heb je ook zoveel wijven?.... vraagt een andere toeschouwer. Een vrouw antwoordt voor hem: - Hij ! Vrouwen? Zoo'n mormel, zoo'n gatepetiel, ken je begrijpe, nou en nooit niet, hoor!
De broeder kijkt haar een oogenblik gelaten, doch verwijtend aan, en laat dan met neergeslagen oogen en zoetelijk glimlachend eenige erg stijf gekleede juffrouwen binnen, die minzaam hoofdknikkend hem voorbijgaan. Na haar komen drie net gekleede dames, door een heer in een pelsjas begeleid.
- Fijne pik!.... roept een vrouw. Zoo'n jas met tochtlatten staat maar netjes, wat kost ie?
- Nou, en zij met 'r glesees en falie voor! 't Benne bepaald groote dames!.... vult haar buurman aan.
- Ja, van de kouwe grond!.... schimpt Trui. Met haar elleboog Manus opnieuw een stootje gevend, zegt ze:
- Ze zoeken hier zekers 'n eerlijke verkeering bij de broeders, nou hei je de keus Manus.... daar, nou komme ze al met troepies opzette, der benne ouwbakkies ook bij.
Zie je die eene madam met der kiephoed, wat 'n model! En die daar, juffrouw potjerol, - o, allemachtig wat 'n vent loopt daar naasr d'r. Heere, Heere! wat 'n dieventronie.
- Nou, net 'n zakkenroller, en die twee loerissen dan? Ze zien bleek van gossaligheid.
He, wat 'n kerels, akkeba! - Die eene lijkt de dood van iepere wel. - Nou maar, die drie binne beter!.... Trui tikt een naast haar staande vrouw aan. - Zie je, dat binne nou aardige, nette jongens, kijk, die blonde maakt een zoenhandje teuge me.
- Dag meheer! Dag broekie! Dag engel!
- Kijk, hij lacht nog eris! - Dag schattebout!.... Trui maakt met haar groote, lompe vingers een kushand en grinnikt dan tegen Manus: - Die zien er veel te lollig uit, om mee te bidde. Als ik nog 'n jonge meid was, ging ik liever eris met derlui uit, snap je?
- Wat 'n zondigheid, mens! Denk liever an je doodkist. - 'k Zou je danke, 'k leef nog as 'n hart.... zeg Manus wat ga je doen?
- Wel, 'k ga der nou ook in, 'k mot dat spul eris bijwone.
- Dat zal 'k an je vrouw zegge!
- Mijn 'n biet!
- Nou maar, dan zal ik op je passe, ik ga mee.... Zit me doekie goed? Ja.... Mooi, dan even me neus snuite - zoo, nou ben 'k fijn.
- Vooruit dan maar!
De spichtige juffrouw is, zonder dat de anderen het opmerken, achter een troepje geloovigen aan, naar binnen gekomen en zit al op een bank met haar rug tegen het venster, als Manus en Trui inkomen, gevolgd door den man met 't fluweelen buis en een paar vrouwen, die elkander giechelend met een half verlegen: - Nou, ga der dan in, ze doene je toch geen kwaad!.... vooruit hebben geduwd.
In het schoollokaal bevinden zich reeds een vrij groot aantal geloovigen en nieuwsgierigen; de meesten zitten op de banken, velen als kinderen, met hun handen op de schuine lessenaars. Voor velen is die zitplaats te nauw, zoodat ze met hun beenen en knieen geen raad weten. Het vertrek is niet hoog, smal en diep en achterin is een lange deur en een trapje dat naar een benedenvertrek, of sousterrain schijnt te leiden, want terwijl de bezoekers door de buitendeur blijven inkomen, duiken uit dat deurtje een paar 'broeders' netjes in 't zwart met witte dassen op, groeten naar links en rechts met zalvende lachjes en nemen dan plaats aan een tafeltje, waarover een groen kleedje hangt. Achter hen stijgt nog een zuster omhoog met een uitgestreken, erg smal in de schouders en mager als een talhout. Na haar verschijnt een klein schommelend mensch met hangwangen en een zwarte pelerine over een licht katoenen japon; zij loopt op sloffen en zucht als wilde zij steenen vermurwen. Met een onbenullig gezicht kijkt zij eerst de vergadering aan, gaat dan naar de tafel, en, kippig als zij is, beziet zij met schuinsgehouden hoofd het groene kleed alsof er ze de wol met haar neus wil afstooten. Ze keert terug, haalt een paar glazen en een karaf vol water, zucht nogmaals erbarmelijk en zet een en ander neer naast een paar dikke boeken, die er reeds liggen, dan gaat ze in de groote kolomkachel poken, die midden in het lokaal staat. Door 't geraas dat zij maakt en fluisterend met Trui, hoort Manus niet, hoe de broeder-portier zich tot hem wendt met de zachtzinnig gesproken vraag:
- Wilt u 'n beetje opschikken, asjeblieft? Er komen vandaag zooveel begeerigen naar 't woord weet u? Daarom tikt hij den dikken man zachtjes aan en herhaalt zijn verzoek.
Opschikken? - Waarachtig wel, vader!.... Trui, verkas 'n endje, d'r motte nog 'n paar lui in de bank. Krimmeneel! me kniee, ik kan ze niet berge.... Zoo!.... nou gaat 't wel....
O! nog 'n eindje? Assieblief! ga nou maar zitte, juffrouw!
- Hei! niet zoo wild, Manus; ik val d'r haast af, douw zoo niet. - Hou je gedekt, moeder, d'r gaan veel makke schape in een hok. Zit uwe zoo goed, juffrouw? .... Ja? Mooi.... en uwe ook meheer? - Ferm! dan zelle we 't wel rooie. Bent u ook van de gemeente, juffrouw? - Nee, ik kom maar 'ris kijke....
- Ik ook.... sjuut, 't zal beginne! Trui, kijk niet zoo naar die drie lieve jongens, anders haal ik je kerel!
- Zeg Manus, schei nou uit en maak geen gijntjes, anders kan 'k me fesoen niet houwe, 'k mot toch al zoo gauw lache.
- 'k Ben al zoet, Trui, kijk, daar heb je die rooie vergiettest weer, die zal beginne.... Is die kromme, die daar bij de zit op 'n stoel, de voorganger niet?
- Jawel, maar hou nou je bakkes.
De broeder-portier gaat voor de tafel staan, neemt een der boeken en bladert een poosje. Als hij gevonden heeft wat hij zoekt, beweegt hij zijn lippen een paar malen, zonder geluid met gesloten oogen als biddend, zucht heel diep en zegt:
- Broeders en zusters, geliefde vrienden, laat ons samen zingen. Luid verheft hij zijn stem en met een akeligen neusklank zingt hij:

- Mijn ziel is uitgedroogd, o, Heer!
En smacht naar lafenisse....

- Hoor je wat, trui?.... fluistert Manus, - Hij wil een spatje hebbe.... verdikke wat zet ie een keel op!
- Sjuut, hou je mond dan toch!
't Gezang is afschuwelijk valsch en wordt niet algemeen, want de meeste aanwezigen zijn nieuwsgierigen en de uitverkorenen zingen of te zacht, of kennen de melodie niet genoeg, maar de broeder-portier doet zijn uiterste best en laat zich niet van zijn stuk brengen, zelfs niet door een paar straatjongens, die, hun hoofd om de buitendeur stekend, eenige scheldwoorden naar binnen schreeuwen en lachend weer verdwijnen.
Eindelijk is de psalm uit. De laatste neusgeluiden van den broeder sterven in de inmiddels tot broeikaswarmte gestegen temperatuur.
De voorganger rijst nu langzaam op van zijn stoel en naast hem verheft zich een man met een gezicht zoo rimpelig als een pippeling in Maart en met een zoethoutkleurige pruik op, die te groot voor hem is Beiden begeven zich naar de tafel en nemen daaraan plaats, evenals twee oudere broeders, die achter uit het lokaal komend, zich bij hen voegen.
- Nou zitte ze al met 'r zesse, Manus.
- Nog een d'r bij, Trui, dan is het net een galg vol.
- Kijk nou, die hier vlak over zit, dat 's de mof, de lappendief uit de Oostenburgerstraat.
Manus, die met de handen op de schuine tafel zijn duimen over elkander draait en een deftig gelegenheidsgezicht zet, knikt een paar malen, en zegt zacht terug:
- En z'n maat komt zeker pas van 't rooie dorp; zie je wel, dat ie 'n geschore kop heit?
- Koest nou, hij gaat spreeke!
- Wie?
- Wel, die kromme kriek!

De voorganger is een klein, ineengedrongen man, zeer hoog in de schouders, die door de te wijde mouwen van zijn gekleede zwarte jas nog hooger schijnen.
Zijn vrij onregelmatig gezicht is halverwege bedektt door een goed onderhouden baard; de eenigszins diepliggende oogen zien tamelijk onbeschaamd rond en een hoog voorhoofd, zich uitstrekkend tot aan den kraag van zijn jas, doet vermoeden, dat de man vroeger zijn hoofd te veel heeft gebroeid.
Een preekstoel of catheder is in het schoollokaal niet aanwezig en daarom klimt de zendeling op een klein bankje, dat hem door de zoethoutpruik dienstijverig wordt toegereikt. Hij strekt de rechterhand uit naar de schare, strijkt met de linker eenige malen over zijn baard en begint dan met een niet onaangenaam vol geluid:
- Liebe frienden, jeloovigen en niesjierigen! Ick schpreek wol kein sjoon Hollands, deen ich pin ein Deutscher von jeboort, maar viele jaren in Amerika ansessig jeweest, oend taroem schpreek ick soo joet oend kwaat als ick kan. Ick hoop, das sie mijn allesammt verschtaan.
Na deze naive opmerking, deelt hij mede, hoe een engel Gods op "ein seekeren taag aan Jozef Schmidt das waare Evanjelium heft jeopenbaard; 't Evangelium van Jesum Christum von die heiligen von den laatsten tagen".
Hij verhaalt zonder blikken of blozen, dat de wereld binnenkort zal vergaan, - Von wegens die schlechtigkeit des vleisches,
- 't Zal wel hortsik weze, wat ie eet,.... bromt de man met 't fluweelen buis tegen een vrouw, naast hem, die snibbig antwoordt: - Och man, dat vleesch bedoelt ie toch niet, hij meent "de mensch".
- Nou, laat ie dat dan zegge!
- O, mijne liebe frienden oend jeloovigen.... gaat de zendeling voort: - Die weerelt ischt so schlecht oend versundigt, dass die Angel n Heaven weep and huil oend wehklagen, aber Oenser Liebe Heer wird kein soendfloeth weer jeben, oem die aarde zoe verwoesten, das heeft Hij aan Noa belooft, maar Hij wird maken hard times. illness, oend pestilenz.
Oend cholera zal Hij doen kommen oend alles wird verjaan. Noer diejenigen, die sich doerch mij sullen hebben laten dophen, om verjeboeng von soenden zoe vererben, sollen blijfen beschtaan and keep upright! All what I tell you.... was ick zoe verschtaan jeef, jeliefde frienden, ischt profezeit durch die heilige messingplatten, welche Joe Smith im berg Cumorah, bei Palmyra heft jefoenden, naar die anweisung von ein Angel of the Lord. (2) Der Jottesgesandt had aber auch troost jebracht doerch die verjeboeng anzukundigen, doerch das dophen oend rein waschen von sunden. Maar pech oend schwefel, eeuwiger verdoemenis oend wroeging sullen der theil derjenigen sijn die verzuimen jebruik zoe machen von dieser jelegenheid met dem Lieben Herrgott abzoerekenen. Kommt alle zoe mier, ich kan help, von sjarlaken rood kan ich you weiss waschen wie versch jefallener schnee.
Zoo redeneert de apostel, gelijk hij zichzelve noemt, op een en den zelfden toon herhaaldelijk voort. Geen spoor van feu sacre, geen verheffing van stem; dor als zijne theorien is zijn voordracht, bespottelijk als zijn dreigementen zijn mengelmoes van Duitsch, Engelsch, en Hollandsch.
- Sijn daar einigen, die zich willen laten dophen, dat zij tot mij kommen, oend bejrijpen, dat het niks hilft of you als baby ein schprenkeltje water van een dominee in 't gezicht krijgt, maar dat noer die aljeheele oentertompeling von alle sunden frei macht, oend die deilachtigjkeit am heiligen Jeist verlieht. Ischt daar iemand, die mijn nicht bejreipt, das hij frage, ich soll es ihm jleidi deutlich maken.
Een geruimen tijd nog praat hij voort over de gaven der profetie, die zoo heerlijk is, omdat zij "den jedophten sofort deilachtig wird, wanneer die oentertompeling platz jefoenden hat". - O, der mensch wird quite new born wiederjeboren doerch oensere doph. You wordt voor Jottes auges ein klein oenschaeldig kind, - kommt dann, wordt wieder kinder!....
Plotseling houdt hij op, want voor hem in een der banken heeft een jongmensch hand en vinger opgestoken, luid vragend: - Profeet! mag ik....
- Hij mot eris uit!.... grinnikt Manus.
- Malle vendt, hou je mond.... Trui proest van 't lachen.
- Profeet?
- Noen, was wollen sie, bin icht nicht deutlich jenoeg jewezen?
- O, jawel, dank u!.... dat is 't 'm niet....
- Was denn?
- Profeet, ik kan u niet erg goed zien, de kachel staat zoo in den weg.
- Sjick dan ein wenig op zij!
- Dat kan ik niet profeet! 't Is te vol.
De zendeling is niet van zijn stuk te brengen en gaat zelfs een eindje meer naar rechts staan, kalm vragend: - Ischt es so besser?
- Ja, dank u vriendelijk!.... Weet u, als ik uw bezield gelaat niet zie, mis ik zooveel! Ik laaf me zoo aan uw woorden!
- Jawoll, jawoll!.... De voorganger ziet den jongen heer wantrouwend aan en begint weer te vertellen van "das neue Evangelium, dass so herrlich ischt, oend gnadenreich, oend jemackelijk, weil sie sich ook voor einen anderen kennen dophen lassen.
- Trui valt van pret haast tegen Manus aan, en fluisterlachend:
- O, gut, wat 'n lollige vrijer! met z'n "perfeet" en die "kachel"!.... zeker 'n student.
- Stil! daar begint er nog een; z'n maat....
- Profeet!.... klinkt het weer, maar nu van een anderen kant en een tweede jongmensch steekt zijn vinger op.
- Was wunschen Sie denn?
- Profeet, die kachel staat zoo in den weg, nu kan ik uw geestdriftig gelaat niet zien. U is zoo mooi; net 'n apostel, als u oreert.... Kan u niet een tikkie meer naar links gaan staan.
- Ja, aber.... aber....
- Och neen, Profeet! blijft alsjeblief zoo staan, als u doet, anders kan ik U niet zien! roept de eerste weer.
- Profeet, die kachel hindert zoo bar!.... het tweede jonge mensch wenkt heftig met de hand:.... Dien kant op, asjeblieft. 'n Pietsie links.
- Neen, neen! rechts blijven staan!
Met onverstoorbaar geduld plaatst de voorganger zich nu voor de tafel, zoodat de kachel niemand meer hinderen kan. Hij vervolgt: - Ja, you kan joe laten dophen voor een ander bijvoorbeeld, for your vater of moetter, onkel of tante, al sijn sij ook jestorven. Wenn Sie sich laten dophen in den jeloove worde zij uit den Hades verloscht, oend kommen sie uit dien schtaat von pijn in die heerlijkheid von die kerk der heiligen von de laatschte tagen. -
- O, Profeet!.... roept plotseling met bewogen stem het derde jonge mensch, in de bank opstaande.
- Daar heb je nummer drie, Trui, die zal ook wel over de kachel....
- Profeet! Zendeling, heilige man!.... een snik, goed hoorbaar; dan nogmaals met een traan in de stem: - Profeetje!
- Noen?
- Ik heb een ouwen, dooien neef, die bepaald in den Hades zit. Kan ik me hier niet dadelijk voor 'm laten doopen?.. Maar liefst in warm water, als 't u 't zelfde is.
Trui ligt met haar hoofd op de armen op den lessenaar te schudden. Hier en daar gaat een schaterend gelach op, door verontwaardigde "Sjuut, Sjuut's" en gesis bestreden.
De voorganger krijgt 't nu toch min of meer benauwd en ziet, eenigszins angstig, naar hulp uit van zijn satellieten, waarvan een, hem begrijpend, opstaat en luide verkondigt, dat "de geest vaardig over hem wordt en hij bidden wil". Langzaam als een slaapwandelaar met bijna gesloten oogen komt hij naar voren, slaat de handen krampachtig ineen voor de borst en bidt. Hartroerend smeekt hij om "Genade, barmhartigheid en verlossing van den Booze!...." zijn oogen draaien in zijn hoofd; 't is alsof hij door de groezelige planken van de zoldering der school wil heenkijken en als hij eindelijk zegt: - Amen", ziet hij toevallig met kwaadaardigen blik den jongen man aan, die om "warm water" heeft gevraagd.
Inmiddels heeft de zendeling tijd gehad, om zijn gedachten te verzamelen en begint nu ijselijk dierbaar te spreken over de onderdompeling, die volgens hem, een der hoofdvoorwaarden tot zaligheid is. Het publiek blijft lachen - de hilariteit is nu eenmaal niet meer weg te krijgen uit het lokaal.
Achter bij het trapje van het sousterrain uit iemand eensklaps een scherpen kreet.
De zendeling ziet om en als hij bemerkt, dat 't een der zusters is, die "aangegrepen wordt door den Geest" gaat hij ter zijde met de woorden: "Sister, come to the front, der heilige Jesit sal doerch you schpreeken!"
Een afwachtende stilte heeft het gelach vervangen - iedereen ziet in spanning toe.
Langzaam, als een zwart spook voortschuivend, komt de zuster nader. Een lange zwarte sluier bedekt haar gelaat, zij heft dien op en vertoont een neus, die Manus vrij duidelijk doet fluisteren: - Nou Trui, die spuugt ook niet in d'r glaassie!
Met een Jordaansch accent, dat zelfs voor den meest welwillenden aartsengel niet te verdragen zou zijn, vertelt zij: - As dat ze heilemaol nieuw gebowre is en dat zij de heilige Geist in der lichaam gevoelt hat, soodra ze onder woater was gekomme....
- Was je d'r maar voor goed onder gebleve! - roept de man met 't fluweelen buis eensklaps erg oneerbiedig, maar een der drie jongelui berispt hem hoogernstig, zeggend: - Waarde heer, u mag niet onhoffelijk worden voor de schoone sekse. Ga voort, lieve zuster, uwe woorden zijn als Manna voor ons. Wij luisteren in deemoed. U was dan onder de wateren - verder, verder....
- O, lieve broeders en susters, al de boosheid en sondigheid was in eens van me ofgewasse....
- Zeg juffrouw! ben je hier gedoopt? vraagt een vrouw, schijnbaar belangstellend.
- Joa, hier in de gemeinte!
- Zoo, en sjeneerde je je eige niet, voor de manslui zoo te staan, als je van je moessie kwam?
- 'k Had 'n badhemd an!.... barst ze in eens vinnig uit en dan weer in haar eersten zalvenden toon: - O, Heere! treed met deuse spotters niet in 't gerigt. O, broeders en susters! loat u geroaje, vollegt mijn foorbeeld en treedt toe tot de hailige doop - ik heef gezeid, Oame!
- Bravo! Bravo! Bis!
Een der jongelui applausissert en dan, alsof hij zich schaamde: - O, Profeet, neem me niet kwalijk, maar ik was heelemaal weg. Zoo'n gloeiende welsprekendheid, weet U!
De vroolijkheid neemt hand over hand toe en is schier niet meer aan banden te leggen, maar toch wordt het een oogenblik doodstil in de school als een oudachtig heer opstaat en beleefd inlichtingen vraagt over de veelwijverij der Mormonen.
- Was wunschen sie davon zoe wissen?
- Ahem! Ahem! ik wou maar zeggen, dat als een man zoo'n stuk of tien vrouwen mag hebben, dat er dan heel wat kindertjes bij jelui zullen rondkuieren.
- Natierlich! oend dass ischt jerade, was oenser liebe Heer will. Das ischt ein Heilmittel, weil die kinder von die geister op aardsje lichamen oder tabernakels wachten oem aufzoesteigen zoe hoherer vollkommenheit....
- Ja, maar ziet u, dat vat ik niet goed en....
- Zachtmoedig en kalm antwoordt de zendeling: - Das kan ich jetzt nicht verklaren, das wurden sie doch niet bejrijpen, kommen sie soe mir, allein, wie der Nicodemus zoem Jesoes jekommen ischt, in der nacht, da soll ihnen das deutlich jemacht werden. Ich wohne bei Stam in de Oostenburger-Voorstrass. Will noch ein von de broeders of schwestern vielleicht spreeken?
Jawol, ick!.... Een magere man met een bril op en verward grijs haar staat op, haalt een krant uit zijn zak en zegt, langzaam sprekend: - Ick leze daar eine ingezondene, hoendsgemeine anschuldiging in die courant, als sollten wai Hailigen von dem laatschten dage, allain auf die sier verdiente dobbeltjes von de geloovigen oend frommen von der purgerij speculiren. Wai berijkeren oens nich mit aardsje goeteren, want dafur ist der mensch nicht auf erden gekommen. Wai vergateren kein gold oder silver oder saken die doerch roest oend motten verteren, wai beooge alleinig die himmlischen reichtumer. Wai fragen niks, voor ons selber, maar die foor onze heilige saak wil offeren, kan bij het ausgaan in de pus saine offergave werpen.
- Dat's nou de moffen-snijer uit de Oostenburgerstraat, Manus!
- 'k Ken 'm ommers wel. Hij heit vroeger in onze buurt gewoond, maar hij most weg, ondat iedereen cente van 'm most hebbe en ie z'n huur nooit betaalde.
- Zeg lappedief! schreeuwt achter in het lokaal een scherpe vrouwenstem. - Denk eris om die jas van me man, die je naar Oome Jan (de lommerd) heb gebracht!
De gehoonde heilige zucht, haalt meelijdend hoofdschuddend de smalle schouders op en zwijgt.
- O! daar begint er weer een, Trui.
- Och, wat 'n lief pruimedante snoetje!
Een jonge man met een erg bloemzoet gezicht treedt naar voren en verklaart met ten hemel geslagen oogen en over de maagstreek gekruiste handen, dat hij vroeger - een verdoemenswaardige zondaar was, niet waard voor 't gezicht des Heeren te bestaan, maar dat hij door de onderdompeling herboren is geworden en zich nu gereinigd gevoelt....
- Wat 'n wonder!.... roept iemand vlak bij de deur. - Hij wascht z'n eige anders alleen op Nieuwejaar!
De vroolijkheid stijgt onrustbarend als het jongemensch, dat zoo'n last van de kachel had, ernstig opstaat, zijn jas uittrekt, das en boord afdoet en ook zijn vest aan een naast hem zittenden vriend te bewaren geeft. En als hij, smeekend de handen opheffend tot den voorganger, bevend en aangedaan vraagt: - Ik voel het angstig-duidelijk, dat er een bloedverwant van me in den Hades zit. - Och, beste, brave Profeet, doop me in Godsnaam effentjes.... ik kan dien ouwen, dooien neef niet langer zoo laten lijen - laat me asjeblieft even te water gaan;.... een zwembroekie heb ik bij me - gaat er een brullend gelach op, dat niet meer te onderdrukken is, zelfs niet door een plotseling koorgezang, dat ad rem, als tegenwicht door den zoethoutpruik, den moffen-snijer, den mottigen portier en eenige zusters en broeders wordt aangeheven. Beter middel om hun voorganger uit de verlegenheid te helpen is er niet, want geen menschelijk oor is tegen zulke hartroerende klanken bestand. In een oogwenk is het lokaal ontruimd.

Op straat blijft het nog even een poosje woelig door groepjes lachende en ginnegappende kijkers, die wachten tot dat "de zendeling met zen broertjes en zussies der van door gaat". En als hij eindelijk komt, omstuwd door zijn geestverwanten, vliegt een welgemikte sneeuwbal tegen zijn hoogen hoed; een tweede treft hem in den nek. Zijn broers en zusters weten zich niet meer te bergen, want een hevig en goed onderhouden bombardement van sneeuwballen wordt op hen gericht. Eerst als zij, hun pas versnellend, de Prinsengracht opgaan, staken mannen en vrouwen, jongens en meiden lachend hun werk en Manus roept, met krachtigen arm nog een grooten harden bal naar den broeder-portier gooiend: -Ziezoo, jullie zelle vooreerst wel je bekomst van de Amsterdammers hebbe!
Na dien tijd, zijn geen Mormonen zendelingen hier terstede meer verschenen.


1) Kastanjes
2) Joe Smith beweerde dat hij, op aanwijzing van een Engel uit den heuvel Cumorah, bij Palmyra, de heilige messingsplaten opgroef, die door den vromen Mormonen waren beschreven geworden met Gods woord. Zij waren echter voor hem onleesbaar, totdat hij in de kist, waarin zich die platen bevonden, ook een wonderbril vond, Urim en Thummin genaamd, voorzien van doorzichtige gesteenten in plaats van glazen. Deze bril stelde Smith in staat, de geheimzinnige platen te ontcijferen en het nieuwe Evangelie der Heiligen van den jongsten dag aan de menschen te verkondigen. Hij maakte vele volgelingen, die met hem de stad Hancock stichtten. Later trokken de Mormonen over het Rotsgebergte naar 't Groote Zoutmeer en stichtte den Staat Utah en Salt-Lake City. Na Smith's dood werd Brigham Young profeet van de secte der Mormonen, die nu in Amerika alleen circa 125.000 leden telt.

Mormoons Forum

Spreekt tot de verbeelding
Hartelijk dank voor "Mormonen te Amsterdam-1885" van Justus van Maurik!
De anekdote lijkt nog eens aan te tonen dat er een groot verschil is tussen hoe we onszelf zien als heiligen der laatste dagen en hoe anderen onze kerk en het aktieve zendingswerk ervaren! Het verhaal is heel humoristisch en laat ook heel mooi zien hoe zendingsmethoden en tijdsgeest aan verandering onderhevig zijn. Hoe meer we leren van de geschiedenis van de kerk, hoe meer we beseffen dat in iedere tijd we de taak hebben om een 'eigentijds' mormonisme te uit te dragen. Dit verhaal spreekt zeker tot de verbeelding. Waar de schrijver het over zijn jeugdherinneringen lijkt te hebben ('Toen ik nog jong was") luidt de titel in de aanhef: "Mormonen te A'dam-1885."
In 1885 was de schrijver echter 39 jaar, relatief jong wellicht? Misschien ook is het jaartal 1885 min of meer willekeurig gekozen...
Reden dat ik hierover nadacht, was de opmerkelijke aanwezigheid van een Amerikaanse zendeling van Duitse afkomst in het verhaal. Ik dacht metteen aan Paul A.Schettler, die immers samen met Anne Wiegers van der Woude in 1861 en 1862 het evangelie predikte in Amsterdam. Dat kan toch bijna geen toeval zijn. In 1861 was de schrijver 15 jaar oud en het lijkt er op dat hij zich inderdaad de slecht nederlands-sprekende Duitse Amerikaan herinnert! In het verhaal zegt de zendeling te wonen bij 'Stam in de Oostenburgervoorstraat', misschien een aanknopingspunt?

Boeiend
Inderdaad een heel boeiend geheel. Geweldig leuk natuurlijk dat Jordaanse accent. Ook interressant om alles in het taalgebruik en de spelling van die tijd te lezen.
Het valt me ook op dat de grappenmakers in het verhaal (heel anders dan in onze tijd) niet echt gemeen waren in hun spot. En ja, het lijkt er inderdaad op dat we hier met Paul Schettler te maken hebben. Zelfs als de schrijver niet uit eigen ervaring schreef, lijkt het mij onwaarschijnlijk dat hij op de hoogte was van de zending van Paul A. Schettler in 1861. Zelfs de meeste leden van de kerk weten daar maar heel weinig van!
De navolgende link: klik hier, (pagina 164) geeft aan dat de schrijver zich overigens zelf in het verhaal plaatste:

Wil men den van Maurik uit zijn vroolijkste levensdagen leeren kennen, men leze zijn Mormonen te Amsterdam (‘Toen ik nog jong was’), wetende dat hij is het jonge mensch, die vingeropstekende met een ‘- Profeet, mag ik ...’ den Mormonenprediker interrompeert, als deze zijn gehoor toeroept: ‘O, de mensch wird quite new born, wiedergeboren doerch oensere dôph. You wordt voor Jottes auge ein klein oenschoeldig kind - kommt dann, wordt weeder kinder!’
Dàt was natuurlijk voor van Maurik genoeg geweest om eerst te doen ‘alsof-ie even naar achteren moest’, en dan een oogenblik later om te verzoeken, de kachel te verzetten, wijl deze zoo in den weg stond: ‘Profeet, ik kan u niet erg goed zien’.
Die kachel werd verplaatst - nog wel staande de preek - maar de kwa-jongen was nog niet tevreden. - ‘Zou u 'm maar niet terugzetten, strakkies was het toch nog beter!


De laatste zin van de anekdote luidt:
" Na dien tijd, zijn geen Mormonen zendelingen hier terstede meer verschenen."
De schrijver heeft dat deel wel helemaal verkeerd ingeschat!


Kerk te Amsterdam (uit: Heiligen der Lage Landen)
Na de terugkeer van president Lammers naar Amerika in 1884 werd Nederland wederom zonder zendeling uit Amerika achtergelaten. Na tien maanden arriveerde John W.F. Volker. Hij vond het land en de kerken in deplorabele toestand. De politieke situatie in Nederland was verschrikkelijk.
"Armoede heerst alom. Alleen in Amsterdam al zijn er vele duizenden mensen zonder werk en zij houden elke week optochten en demonstraties. Soms ontstaan er conflicten met de politie en dan is het vechten geblazen. Zij hebben er geen behoefte aan om naar het Koninkrijk Gods te zoeken. De kerken hier verkeren in slechte staat. Iedere secte heeft twee soorten predikanten, liberaal en orthodox. De kerken hier onderwijzen verdeeldheid en vertellen alles wat de mensen maar graag willen horen. De mensen schijnen werkelijk geestelijk dood te zijn."
Ook president Volker gebruikte zijn tijd voor het vertalen van pamfletten en tractaatjes in de Nederlandse taal: "Ik begon mijn werk in Amsterdam en vertaalde het Evangelie van Christus in het Nederlands. Ik liet er 10.000 exemplaren van drukken. Ik vertaalde andere tractaatjes en preken, welke ik in manuscriptvorm aan de verschillende gemeenten zond, zodat zij deze in hun vergaderingen konden voorlezen teneinde de leden tot getrouwheid aan te sporen. Ik vertaalde de Morgan tractaten 1 en 2, waarvan ongeveer zevenduizend exemplaren elk werden gedrukt, welke bijna allemaal zijn verspreid."
John W.F.Volker presideerde de Nederlandse zending van 1885 tot 1889. Tijdens zijn presidentschap werden driehonderdvijfentwintig bekeerlingen gedoopt. Verder organiseerde hij twee hulporganisaties van de Kerk in de zending. In 1886 organiseerde president Volker de eerste zondagschool met zeven kinderen in de Amsterdamse gemeente. Ultimo 1888 organiseerde hij tevens de eerste zustershulpvereniging in Amsterdam met Zuster C.Crezee als presidente.