
Homoseksualiteit en antropologie
Wouter van Beek
Cultureel antropoloog
Hoe kan het zijn dat een ondeugd,
die als zij algemeen was,
de mensheid zou vernietigen,
en die een afzichtelijke inbreuk op de natuur betekent,
toch zo natuurlijk is?
Voltaire, Dictionnaire Philosophique
1. Homoseksualiteit als algemeen verschijnsel
Homoseksualiteit is geen zeldzaamheid. Antropologen treffen vormen van biseksualiteit en homoseksualiteit aan in veel van de culturen op de wereld. In Melanesië (vooral in Nieuw Guinea) kende 20% van de culturen homoseksueel ritueel. In dat gebied was tijdens de initiatie van de jongens tot man een homoseksuele relatie met een oudere vriend een vast deel van het ritueel; het werd dan als een deel van zijn opvoeding beschouwd. Ook in het klassieke Griekenland, in 15e-eeuws Florence, op Hawaï, bij sommige indianengroepen en incidenteel in andere continenten, was homoseksualiteit een gewoon deel van het seksuele landschap. En dan kijkt men alleen nog naar complete seksuele relaties; als men dat uitbreidt tot de aantrekking van het eigen geslacht, blijkt dat homoseksualiteit van alle tijden en van alle culturen is. Heteroseksualiteit is altijd de norm, maar vormen van homoseksualiteit worden vaak sociaal geaccepteerd. Een voorbeeld is de “berdache” bij de Iroquois indianen van Noord Amerika. Deze homoseksuele man had een vaste relatie met een biseksuele man, die ook nog een vrouw had. De “berdache” fungeerde als priester in de groep, en hield zich vooral met puberteitsrituelen bezig. Zo vond dus een homoseksuele man een gewaardeerde sociale positie in die samenleving, die voor het overige agressieve mannelijke idealen koesterde die men meestal met heteroseksuele mannen associeert. In veel culturen is er dus een homoseksuele “minor” met een heteroseksuele “major” variant, en deze combinatie is een redelijk algemeen verschijnsel. Op sommige continenten komt dit veel voor, op andere, zoals Afrika bezuiden de Sahara, minder. Vermoedelijk komt het nog meer voor dan wij weten. Antropologen gaan er van uit dat homoseksualiteit “underreported” is, d.w.z. vaak niet vermeld wordt. Als onderzoekers het al willen vinden –wat niet altijd het geval is- dan is het vaak lastig te ontdekken.Vooral voor de vrouwelijke variant geldt dit, want over lesbianisme in verschillende culturen is relatief weinig bekend.
Als iets zo algemeen is, waar komt het dan vandaan? Is het genetisch bepaald, of is het cultureel bepaald? In het begin van de antropologie had men geen belangstelling voor het probleem. De geboorte van het vak vanuit het Victoriaanse Engeland stond daar borg voor. Tegen de eeuwwisseling was het begrip cultuur volledig ontwikkeld, en men dacht toen dat bijna alles cultureel was bepaald. Amerikaanse antropologie was toen dominant, en het idee van het menselijk wezen als een onbeschreven blad papier waarop de cultuur – dus de opvoeding - de eerste pennestreken zet, is wezenlijk Amerikaans. Bij dit alles gaat het hier om culturele erkenning van homoseksueel gedrag, en niet om individuele voorkeuren.
Dit is lang de dominante mening geweest van antropologen: homoseksualiteit is een cultureel fenomeen. De verschillen tussen culturen zijn aanzienlijk, veel groter dan met een duidelijk genetische oorsprong het geval zou zijn. Dus stond de invloed van cultuur bovenaan in het korte lijstje verklaringen. Vanaf de jaren’70 en ‘80 is hier verandering in gekomen. De eigen cultuur veranderde en de homoseksuelen in Europa en Amerika eisten hun plaats in de maatschappij. Een van de claims was en is “Het is geen keus”, ofwel het is erfelijk bepaald. Langzamerhand is het “politiek correct” geworden om uit te gaan van een genetische basis. Onderzoek in de genetica, waaronder het project van het menselijk genoom, lijkt steeds meer te wijzen in de richting van een genetische basis, minstens als één van de factoren. Ondanks deze gangbare mening van de homoseksuele gemeenschap, ligt het niet zo simpel. De huidige wetenschappelijke opinie komt terug van de wat gemakkelijke instemming met een genetische basis. De discussie van “genetica” versus “opvoeding” (in het Engels “nature” versus “nurture”) is nog niet beslist.
Tweelingonderzoek is hét middel om dit te toetsen: één-eïge (Monozygote) tweelingen hebben exact dezelfde genetische basis. Verschillen tussen hen moeten uit de omgeving komen, uit de opvoeding. Homoseksualiteit (eigenlijk non-hetero-seksualiteit in de onderzoekingen, dat is wat correcter) “runs in families”, d.w.z.. komt in sommige families meer voor dan in andere. Binnen die families is de kans dat beide tweelingen dezelfde seksuele geaardheid hebben, tweemaal zo hoog als twee gewone broers. Over het geheel genomen, in welke familie dan ook, als de ene tweeling van het paar homoseksueel is, is de kans dat zijn tweelingbroer het ook is 52%. Iets meer dan de helft. Bij een twee-eïge tweeling (genetisch gewone broers, maar even oud) is dat 22%. De kans dat een gewone broer dan homoseksueel is, is 9%, en een adoptief broer 11%. En dat in een bevolking waar ongeveer 3-5% non-heteroseksueel is (d.w.z. biseksueel of exclusief homoseksueel), nl. de USA. Dat laatste cijfer, 11% voor adoptief broers, is verassend.
Uit deze en andere cijfers blijkt dat homoseksualiteit een gecombineerde oorzaak heeft: genetica en opvoeding, zo te zien in ongeveer vergelijkbare mate. Wat voor invloeden zijn dan belangrijk? Gezinssamenstelling is er één: grote gezinnen, vooral met veel kinderen van hetzelfde geslacht verhogen de kans op homoseksuele geaardheid. Hoe meer oudere broers een man heeft, des te groter de kans op homoseksualiteit: de jongste van een serie broers is een waarschijnlijke kandidaat voor homoseksualiteit. Hetzelfde geldt vermoedelijk ook voor vrouwen. Mogelijk hebben prenatale hormoonspiegels hiermee te maken, aangezien die bij volgende zwangerschappen van de moeder verhogen, wat de seksuele geaardheid van het kind mogelijk beïnvloedt. Samenstelling en aard van de ouders schijnen belangrijk te zijn, maar hoe is nog onduidelijk: afwezige of juist zeer aanwezige vaders, relatie met moeder, de aanwezigheid van andere familieleden, de “grootfamilie”, enfin het hele gamma aan variaties in opvoedingspatroon speelt mee. Specifieke ervaringen tijdens de jeugd kunnen ook van belang zijn.
Lang niet alle opvoeding, en zeker lang niet alle seksuele opvoeding, vindt trouwens binnen het gezin plaats. De wijdere omgeving is van groot belang voor de verdere ontplooiing van seksuele aanleg. Maatschappijen en culturen gaan zeer verschillend om met de toelating, erkenning en stimulering dan wel met het ontkennen, verdrukken en bestraffen van niet-heteroseksuele relaties en neigingen, en deze invloed is complex en belangrijk.
De belangrijkste conclusies van de vele studies over de vele oorzaken van homoseksualiteit zijn de volgende. Ten eerste komt de seksualiteit van de mens voort uit een groot aantal complexe processen, die niet tot één factor zijn terug te brengen. Wie poneert dat een enkele factor de oorzaak van homoseksualiteit is, kent de feiten niet. Ten tweede blijkt de menselijke seksualiteit veel meer een continuüm te zijn, dan een tweedeling. De seksuele wereld bestaat niet uit homoseksuelen en heteroseksuelen, maar uit een grote variatie in seksuele geaardheid, waarvan deze twee de extremen zijn. Daartussen zitten allerlei varianten en nuances. Daarmee blijkt het onderscheid tussen “constitutionele” en “facultatieve” homoseksualiteit niet geldig, d.w.z. tussen “genetisch onontkoombaar” en “gekozen”. In werkelijkheid is er niets genetisch onontkoombaar, maar ook niets alleen gekozen.
Belangrijk is de derde conclusie, nl. de biseksualiteit als basisvorm. Het onderzoek, zowel binnen onze eigen cultuur, maar vooral tussen verschillende culturen, wijst op een basis van biseksualiteit van de mens. In de praktijk blijkt het seksuele gedrag van de mens een breed spectrum van activiteiten te omvatten dat niet in een simpele tweedeling gevat kan worden. Met de seksuele geaardheid is dat ook het geval, al is dat laatste wat lastiger te onderzoeken. De mens wordt niet geboren als homoseksueel of als heteroseksueel wezen, maar als seksueel wezen; de genetische aanleg wordt verder gevormd door hormonen, jeugdervaringen en de omgeving waarin men opgroeit. Uiteraard gaat dat meestal in de richting van een dominante heteroseksualiteit, daar werken biologie en opvoeding redelijk samen. Maar niet altijd; een minderheid van de mensheid zal altijd andere vormen van seksualiteit meer eigen vinden. Dus elke vorm van seksuele geaardheid en van seksueel handelen heeft een lange en complexe geschiedenis, maar is voor alles een vorm van een algemene seksualiteit die de mens eigen is. Freud zei dat ooit: de mens “vergeet” de biseksualiteit van zijn vroege jaren.
De feiten over biseksualiteit zijn duidelijk: in de meeste culturen is de overgrote meerderheid homoseksuele mannen en vrouwen in feite biseksueel; eigenlijk zouden we moeten zeggen “gewoon biseksueel”. In het westen is de verhouding “exclusief homoseksueel” versus “biseksueel” vermoedelijk 1:7, en dat in een cultuur de neiging heeft om slechts twee etiketten op te plakken: “homo” en “hetero”. In een land als Thailand, met een veel hogere proportie “non-hetero-seksualiteit”, is de verhouding 1:15. (Deze cijfers zijn uiteraard zeer voorlopig). Biseksuele vrouwen in Engeland zijn tot hun 25e vruchtbaarder dan hun hetero-zusters, en op latere leeftijd even vruchtbaar. In Japan heeft 83% van de biseksuele mannen kinderen; curieus genoeg schijnt ongeveer hetzelfde te hebben gegolden voor 19e eeuws Mormoons Amerika (maar de aantallen daar waren veel lager); biseksuele Mormoonse mannen kregen toen in de State of Deseret gemiddeld 2.1 kind. In de huidige USA hebben “vrouwen met homoseksuele ervaringen” gemiddeld 1.2 kind, tegen 2.2. voor vrouwen zonder dergelijke ervaringen. De rigide tweedeling van onze maatschappij is kennelijk ongewoon; de gebruikelijke houding van culturen tegenover biseksualiteit is dat het geen probleem is om “same sex” relaties te hebben, mits er maar wel kinderen komen.
2. Mens en biologie
Met deze twee laatste elementen, biseksualiteit en vruchtbaarheid, komen we op de fundamentele vraag naar de specifieke aard van de menselijke seksualiteit, de biologische basis van seksueel handelen. Voor een bioloog is de mens één van de vele diersoorten die de aarde bevolken, maar wel één die overweldigend succesvol is. Waarin verschilt de menselijke seksualiteit van die van zijn neven (de grote apen), achterneven (de andere apen) en de verdere grote familie van zoogdieren? In nogal wat. De mens is een vreemdsoortige aap. De mens onderscheidt zich in minstens vier opzichten van een “gewone aap”.
Ten eerste heeft de mens geen vacht van betekenis (op wat toefjes op het hoofd en bij het vooronder na). De evolutionaire redenen daarvoor zijn onduidelijk; het effect is dat de mens zonder voorwerpen (kleding) in de meeste klimaatzones niet overleeft: een “naakte aap” dus.
Ten tweede zweet hij nogal veel, en heeft hij veel zout en water nodig voor zijn temperatuur regeling. De mens zweet over bijna het hele bovenlichaam, en de meeste apen hebben veel minder zweetklieren. We zijn dus een zwetende aap.
Ten derde: de mens hij heeft een hoofdhuid die heel los zit en een ingewikkelde mimiek mogelijk maakt (grote apen hebben dat ook, maar minder). Daar wordt een prijs voor betaald: en wel die van de veroudering. Met de jaren gaat de hoofdhuid hangen en rimpelen. Al leeft daar een hele cosmetische industrie van, het is onze biologische prijs voor een intens communicatieapparaat. Daarbij behoort een uiterst beweeglijke tong, en zelfs een apart knobbeltje midden op de onderkaak voor de aanhechting van de tongspieren. Kortom, we zijn een loslippige aap.
De belangrijkste karakteristiek voor ons hier is echter de seksualiteit. De mens – en hier spreekt de bioloog over het “menselijk wijfje” - wordt niet zoals een ordentelijke aap één of twee keer per jaar “tochtig” “krols”, “loops” of “bronstig” (of wat voor uitdrukkingen wij ook mogen hebben voor andere dieren), maar liefst 13 keer per jaar, elke maan! En dat over een langere vruchtbare periode dan enig andere aap, tussen de 15 en 47 jaar (of langer!). De naaktheid heeft hier misschien ook mee te maken, maar in elk geval het biologisch merkwaardige fenomeen van het vrouwelijk orgasme. De mens is de aap met de meest intense vorm van seksualiteit. Kortom, we zijn een naakte, zwetende, loslippige maar vooral oversekste aap!
Dit heeft, sociaal gezien, een duidelijk effect: de mens is genetisch ingericht voor drie essentiële zaken, nl. taal, cultuur en “bonding”, het vormen van blijvende relaties tussen individuen. Taal vanwege het spraakapparaat, en cultuur vanwege het onvermogen om zonder gereedschappen en kleding te blijven leven. Voor “bonding” is seksualiteit het belangrijkste. De intense seksualiteit van de mens leidt tot het vormen van blijvende paren in een situatie waar die paarvorming niet genetisch is gegeven (zoals bij vogelparen vaak wel het geval is). Biologisch is de mens voorgeselecteerd tot paarvorming, maar niet voorgeprogrammeerd. Het ligt hem, maar hij kan anders. Belangrijk daarbij is dat mens ook een vroeg geboren aap is: een menselijke baby kan veel minder, en ontwikkelt zich langzamer dan een jonge aap. Wij hebben een heel lange kindertijd, en de culturen waarin wij leven verlengen die nog aanzienlijk (zeker onze Westerse cultuur). Wij worden trouwens gemiddeld ook veel ouder dan apen. De hulpeloze mensenbaby wordt dus geboren bij een mensenpaar dat door de seksualiteit een langdurige relatie is aangegaan, precies wat de baby nodig heeft voor de lange leerperiode. Dat is vermoedelijk de belangrijkste sociaal-biologische reden voor de intense seksualiteit van de mens.
Terug nu naar de homoseksualiteit. Waar we gezien hebben dat homoseksualiteit een aspect is van de algemenere biseksualiteit van de mens, vormt dus de intense seksualiteit van de mens de biologische basis voor alle vormen die menselijke culturen aan seks hebben gegeven. Apen zijn minder “seksueel” dan de mens, en het is interessant te kijken naar homoseksualiteit onder apen. Non-heteroseksueel gedrag onder apen is niet gewoon, maar komt wel voor. Onder bavianen, gorilla’s, makaken en bonobo’s zijn vormen van vrouwelijke en (vooral) mannelijke homoseksuele gedrag aangetroffen. Niet veel, niet intens, altijd biseksueel, soms vermoedelijk verhevigd door b.v. gevangenschap, en al komt het minder voor dan bij de mens, toch weer meer dan bij andere zoogdieren.
3. Seks als bindmiddel
De vraag is nu of homoseksualiteit biologisch meer is dan slechts een bijproduct van de menselijke seksualiteit. Er even van uitgaand dat het op zich niet tot voortplanting leidt – en voortplanting is sociaal van het grootste belang – dan luidt de vraag: “Heeft het nog andere gevolgen voor de maatschappij, die gunstig zouden kunnen zijn?” Dat lijkt wel zo te zijn. Het argument is ongeveer hetzelfde als voor heteroseksualiteit: homoseksueel gedrag leidt tot relaties en alliantievorming. Ook banden tussen mensen van dezelfde sekse kunnen de overlevingskans bevorderen van de betrokken individuen, en daarmee van hun familie en hun nakomelingen (ook hun eigen kinderen!). Een hele serie studies geeft voorbeelden van gevallen waarin jongens succes in de maatschappij verwerven via hun seksuele relaties met oudere homoseksuele partners. De geschiedenis van het Middellandse Zee gebied zit er vol mee, maar ook de meeste Melanesische gevallen zijn hier duidelijk in. Het aangaan van relaties met twee seksen i.p.v. één geeft een grotere kans op succes in de maatschappij voor het individu. Collectief leidt het tot een betere cohesie van de maatschappij. Kortom, homoseksualiteit hoeft niet schadelijk te zijn voor een maatschappij en kan de overlevingskansen van individuen in de samenleving verhogen, en daarmee gunstig zijn voor de maatschappij.
Natuurlijk kunnen relaties ook op andere manieren worden gemaakt dan door seks. Natuurlijk zijn er platonische, aseksuele en andere vriendschappen en relaties, en ook hiervan zijn vele voorbeelden bekend. Echter, de intens seksuele mens laadt die relaties makkelijk op met seksuele noties; omgekeerd hebben seksuele relaties, ook die uit het verleden, het vermogen om mensen blijvend en duidelijk aan elkaar te binden, zowel een oorsprong van de relatie als een reden voor exclusiviteit naar buiten toe.
Dat alles leidt tot een duidelijke en evidente conclusie: seks heeft niet alleen met voortplanting te maken. Deze waarheid als een koe geldt niet alleen in onze maatschappij met een efficiënte geboorteregeling, maar in alle culturen in heden en verleden, en zelfs in apengemeenschappen. “Sex is for bonding” en de relatie die er uit voortkomt, zorgt voor een warm nest voor de komende generatie. Deze cruciale dubbele rol van seks geeft aan waarom alle culturen altijd speciale aandacht geven aan seks (en voortplanting). Juist op dit gebied is er geen cultuur “neutraal”. Alle culturen hebben regels en voorschriften, die de vormen van aanvaarde en inacceptabele seksualiteit bepalen. Zoals de beroemde Franse antropoloog Lévi-Strauss het zei: “In huwelijk en seks mag men nu juist niet gewoon doen wat men leuk vindt”. Voor onze samenleving was het loskoppelen van seks en voortplanting gedurende de afgelopen decennia een nieuw element, één van de argumenten om tot andere huwelijkswetgeving te komen. Voor een antropoloog is de verruiming van de wet welkom en belangrijk, maar doet het weinig af aan het belang van seksualiteit voor de maatschappij; immers “bonding” is net zo cruciaal voor een samenleving als voortplanting. En het “bonding” element van de seksualiteit is zeker niet minder geworden.
Elke cultuur moet dus vorm geven aan de vele latente vormen van menselijke seksualiteit. In welke vorm de cultuur de seksualiteit kneedt, varieert sterk. Zoals gezien, zijn vormen van homoseksualiteit vaak geen probleem, zolang er maar een biseksuele basis is. Onze maatschappij heeft lang, om allerlei redenen waarop ik hier niet in kan gaan, gedacht en gehandeld in termen van een duidelijke tweedeling: homoseksualiteit versus heteroseksualiteit. Daarmee werden mensen gedwongen het één of het ander te worden, een keuze die ons genetisch niet altijd lekker ligt. Dat heeft twee gevolgen gehad. Ten eerste is er een heteroseksualiteit gedefinieerd zonder enige vorm van geaccepteerde homoseksuele gevoelens of handelingen. Zelfs waar allerlei publieke instituties homoseksuele geaardheid en contacten in de hand werkten, werden die gevoelens en hun expressie wel verboden. Een voorbeeld is het internaatssysteem van de Engelse “public schools”: een “public school boy” heeft een tweemaal grotere kans om homoseksuele ervaringen op te doen dan een gemiddelde Engelse jongen. Hetzelfde geldt voor veel militaire situaties; leger en homoseksualiteit gaan heel goed samen. (Overigens zeggen jeugdervaringen niet erg veel over latere voorkeuren.) Het tweede gevolg is dat de homoseksuele “scene” hetzelfde heeft gedaan: onder de invloed van de heersende definitie van “normale seksualiteit” als “exclusief heteroseksueel”, heeft zij homoseksualiteit gedefinieerd als – voornamelijk – exclusief homoseksueel. Zij hebben de polarisatie in wezen ongewijzigd overgenomen. Nu valt dat in de strijd om erkenning zeker te begrijpen, het is echter de vraag of deze houding in de toekomst de meest productieve zal blijven.
4. Conclusie
Wat betekent dit alles nu in onze maatschappij en binnen de kerkelijke sfeer waarin deze discussie zich afspeelt? Wetenschap houdt zich in principe niet bezig met morele oordelen; feiten en theorieën worden al dan niet bevestigd, al dan niet door waarneming en redenering ondersteund. Dat is alles. Elk moreel oordeel is een keuze, op basis van uitgangspunten die niet toetsbaar, en dus niet wetenschappelijk zijn. De kerkelijke veroordeling van homoseksualiteit baseert zich - dat neem ik althans even aan - dan ook op openbaring en schriftinterpretatie. Daarover is een intern theologisch debat mogelijk – en nodig! –, maar theologische of doctrinaire debatten maken geen deel uit van de wetenschap. Echter de wetenschap is wel belangrijk op twee manieren. De eerste is wanneer het doctrinaire oordeel gestaafd wordt met resultaten van wetenschappelijk onderzoek; dan dient men zich in het gebruik van die argumenten te houden aan de normen van wetenschappelijke bewijsvoering. In de discussie over homoseksualiteit wordt wetenschappelijk onderzoek voortdurend in het debat betrokken, aan alle zijden van de “debating table” trouwens. Wanneer men bijvoorbeeld poneert dat homoseksualiteit een keuze is, is dat een impliciete wetenschappelijke uitspraak, die toetsbaar is, en weerlegd mag worden (en ook kan worden!). Daarover is een debat mogelijk zonder enige inmenging van doctrine.
De tweede is wanneer het morele oordeel berust op andere zaken dan openbaring en schrift, en wel op traditie, heersende opinies en de gang van geschiedenis, kortom de cultuur. In dat geval is de oordeelsvorming een sociaal-cultureel proces dat zich laat bestuderen en verklaren, typisch een taak voor de sociale wetenschappen. Hoe zwakker de schriftuurlijke basis, hoe groter de potentiële invloed van de omringende cultuur. Hier kan een wetenschappelijke analyse dus volgen op een doctrinaire, om te verklaren waarom men zoveel doctrinair gewicht hangt aan zwakke schriftuurlijke draden.
Hoe dan ook, de eerste invloed van wetenschappelijk onderzoek naar zaken die het gevoelsleven intens raken is een oefening in relativiteit. Het verschijnsel homoseksualiteit blijkt veel ingewikkelder dan we normaliter denken, heeft veel meer verschillende vormen, en een veel complexere oorzaak. In de debatten en polemieken is een dergelijke nuancering zelden terug te vinden. Dat is op zich logisch, want een genuanceerd standpunt scoort niet: op de barricaden passen geen voetnoten. Maar in het wat rustiger vaarwater van de zelfbeschouwing en in de pogingen om gestalte te geven aan een inhoudsvol bestaan in een gepolariseerde seksuele wereld, zijn relativering en nuancering wel op hun plaats. Het kan dus heel anders; in de strijd tussen “kerk” en “wereld” maken beide zich schuldig aan het vanzelfsprekend aannemen van eigen gelijk; beide stellen dat de eigen modellen van seksualiteit de enig juiste en de enig mogelijke zijn. Daardoor blijven beide gevangen in een heilloze polarisatie van seksualiteit, waarin de twee vormen als wederzijds exclusief en als elkaar natuurlijke vijanden worden gedefinieerd. De wetenschappelijke onhoudbaarheid van die posities is een belangrijke doorbraak.
Ook belangrijk is het te beseffen dat het “de wetenschap” eveneens tijd en moeite heeft gekost zich lost te maken van de heersende opinies van de eigen tijd en cultuur. Wetenschappers, antropologen en andere, zijn ook kinderen van hun tijd, en vragen naar seksuele identiteit hebben nu eenmaal een emotionele lading die distantie moeilijk maakt. Langzamerhand is die afstand er gekomen, en langzamerhand moet het ook voor de andere partners in het debat mogelijk zijn zich los te maken van de polemieken die ons al te lang hebben bezig gehouden. Waar het “of – of” denken in seksualiteit heeft geen wetenschappelijke basis heeft, leidt een meer inclusieve benadering van alle vormen van menselijke seksualiteit naar een gezondere basis van ons eigen bestaan. De rivier van de tijd en de stroom van de cultuur hebben de seksuele beleving op twee oevers geïsoleerd. Nu is de tijd voor het bouwen van bruggen.
Literatuur (1)
Bagemihl, B
1999 Biological exuberance: animal homosexuality and natural diversity. New York, St. Martin’s Press.
Blackwood, E. (ed.)
1986 Anthropology and homosexual behavior. New York, Hawith Press.
Blackwood, E. & S. Wieringa (eds.)
1996 Female desires: Same-sex relations and transgender practices across cultures. New York, Columbia University Press.
Herdt, G.
1984 Ritualized homosexuality in Melanesia. Berkeley, University of California Press.
Kirkpatrick, R.C.
2000 The evolution of human homosexual behavior, in Current Anthropology 41, 33,
pp. 385-413.
Quinn, M.D.
1996 Same-sex dynamics among ninetheenth century Americans: a Mormon example, Urbana, Univeristy of Illinois Press.
Sulloway, F,J.
1996 Born to rebel: Birth order, family dynamics, and creative lives. New York, Pantheon.
(1)Ter wille van de toegankelijkheid ben ik afgeweken van de wetenschappelijke traditie om de verwijzingen in de tekst te verwerken. Daarom hier een korte en geselecteerde literatuurlijst. Voor een beknopt overzicht van de problematiek kan het artikel van Kirckpatrick goed dienen, dat ook kan bogen op een uitgebreide literatuurlijst.