MvG logo www.mvgcontact.org

Het Woord Getrouw - Deel 4

Home



"Het woord getrouw dat ge onbevreesd moogt spreken"
George Tuffin verhaalt over de geschiedenis van de kerk in de vlaamse gewesten.

De voorgeschiedenis: de niet-mormoonse periode

Tuffin – een familiekroniek


The Technicolor Time Machine is in full motion
So fasten your seatbelts - no harm will come to anyone - Our sole purpose is to bring you back in time - We are fully computerized - Our destination is the Past - We are built that way - We will obey in that way - Close your eyes and drift away on the stream of Time


(The Technicolor Time Machine) (Gilbert Goossens)

Als het kriebelt moet je sporten. Zo luidde eens een bekend reclamedeuntje. Ik veranderde dat. Als het kriebelt in je hersenpan moet je schrijven. Nu beschik ik niet over een echt uitgesproken natuurlijk taalgevoel. Het schrijven op zichzelf verliep vrij vlot. Maar of alles taalkundig snor zat, dat was iets totaal anders. Vroeger schreef ik enkele korte verhalen voor een SF magazine en ik waagde me ook aan een roman. Maar daarna liep ik vast. De toekomstroman werd nooit uitgegeven. En nu startte ik met een nieuw project. Proza die de Alzheimer in mij moet begrenzen. Het werd een nooit eindigende familiegeschiedenis. Natuurlijk moet je er hier en daar de nodige korrels zout bijnemen. Ik gaf de verhalen van de kleine man in de straat wat meer kleur. De oudste zoon moest van huize uit wat gaan bijklussen. Vader vroeg mij om de familiegeschiedenis veilig te stellen. Spijtig genoeg meldde onlangs een kort wetenschappelijk onderzoek dat het bijhouden van een dagboek nefast was voor de menselijke geest. Het zou je bergen van pijn en smart te verwerken geven. Maar vermits ik het leven van elke dag al wat beter ken, kon ik niet inzien waarom ik dit project zou onderbreken. Ik doe alles met vallen en opstaan. De hoogtes en laagtes van mijn habitat ken ik reeds omdat ik altijd wat labiel van aard ben geweest. Ik ben niet de stabielste rots om op te bouwen. Maar oefening baart kunst en hier volgt een nieuwe mutatievorm in proza. Pas na de dood van vader begon ik erg hard aan deze Anglo-Belgisch werk te sleutelen. Zoals u weet was mijn vader een Brit en een mormoon. Hij was een actief lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen geweest. In zijn wijk stond hij bekend als broeder Tuffin en uiteraard ook als “den Engelsman”. Toen hij nog goed te been was, offerde Victor vrijwillig een groot deel van zijn vrije tijd op aan de kerk. Hij spoorde me aan om aan genealogie te doen en een kroniek bij te houden.

De stimulans om te gaan speuren naar “het waarom der dingen” had ik al in 1971 ontvangen van de patriarch Jongkees. De rode telefoon had gerinkeld en men schakelde mij door met Elia, een profeet uit het oude testament en de grondlegger van de genealogische gedachte. Als in een middeleeuwse queeste werd ik er toe aangezet om iets aan mijn stamboom te gaan doen. Zo schreef ik ergens in de jaren tachtig een kort stukje over mijn Britse grootouders voor een toespraak van mijn zoon. Maar die woorden waren niet genoeg, het verhaal was onvolledig en het miste diepgang. In 2003 bij de uitvaart van mijn vader probeerde ik het opnieuw. Ik vatte de hoogtepunten van zijn eenvoudig bestaan samen en stelde vast dat er een hoop zwarte gaten waren. Ja, wij stervelingen vergrijzen en vergeten. De belangrijke dingen van het leven glippen als korrels zand door onze vingers. Mensen takelen af. Het lichaam verkwijnt en de pientere en onvatbare geest maakt zich klaar om naar de geestenwereld te verhuizen. We krijgen soms de tijd niet om onze verhalen aan onze kinderen en kleinkinderen te vertellen. Daarom begon ik voor de levenden te schrijven zodat zij de doden zouden leren kennen. Ik daagde mezelf uit om na te denken over vervlogen tijden. Ik trachtte de nostalgie opzij te zetten en naar de feiten te graven. Met de hoop dat wanneer het gevoel van een gulden moment ging vervagen het hart van een ander nabestaande het zou kunnen opslaan. Maar de hectische negentiger jaren vervormden de kern van onze ziel. Als egotrippers faalden we bewondering op te brengen voor het rijke verleden van onze dierbare voorouders. Maar spijtig genoeg leven wij in harde tijden. De eenvoud der dingen is uit ons leven verdwenen. We negeerden de lessen uit het verleden. Onze harten verkillen. Het zijn niet de orkanen van 2005 die hier alles overhoop haalden. Het verderf van het vergeten zat al in de wortel gegrift.

Ik stortte mij daarom op deze taak en een maand na de dood van mijn vader begon ik allerlei gegevens te verzamelen. Mijn treurende moeder toonde mij oude documenten, vergeelde foto’s en gescheurde agenda’s. Ik nam deze zaken ter hand en stelde mijn moeder wel honderden vragen. De week daarop vroeg ik familieleden en vrienden om wat anekdotes op papier zetten. Maar al gauw ontdekte ik dat ik niet alles zou kunnen achterhalen en hier en daar heb ik de gaten gedicht met wat literaire vrijheden, humor en romantiek om het tijdsbeeld terug kleur te kunnen geven. Noemt deze kroniek dan maar een historische roman. Het is zeker geen academisch meesterwerk geworden. Ik ben maar een gewone stumper en geen halfgoddelijke academicus.

In verband met het genealogisch werk ga ik trachten om kort te zijn. Mijn dank gaat uit naar mijn moeder, zuster Van Gogh, broeder Staepels en zuster Eisink. Mijn moeder begon met de Vlaamse kant van de familie en ik startte aarzelend met de Britse zijde. Vader was er nooit echt mee bezig geweest. Hij vroeg me wel om de Britse tak niet te vergeten en dat was het dan. In de goede oude tijd, werd moeder, in de eerste plaats geholpen door haar vriendin Adriènne Van Gogh. In onze kerkelijke wijk werd ze zuster Van Gogh genoemd. Een dame van klasse en de assistent-genealoog van menig Vlaams kerklid. Een trouwe werkster van het eerste uur. Haar speurneus bracht haar in verscheidende archieven van onze contreien.

Om op gang te geraken met mijn Engelse voorouders riep ik de hulp van 2 Britse niet-kerkelijke genealogen in. Deze specialisten bezorgden mij de eerste gegevens en zo kon ik verder klooien in het kluwen van mijn voorouders. Later hielp zuster Polly Eisink mij met het oplijnen van de Britse oersoep. Broeder Gilbert Staepels heeft me dan weer geholpen met de nieuwe computer procedures om de opgezochte namen tempel klaar te maken en broeder Claessens reed me naar het nieuwe gebouw. Want als mormoon hoor je aan genealogisch werk te doen. Het is een onderdeel van onze religie. Daarom moet er nog een woord van dank bij voor de kerkelijke archieven in Salt Lake City, Utah. De mensen die daar werkten hebben altijd vrijwillig hun best gedaan om mij verder te helpen.

Maar alle begin is moeilijk en na de hulp moet je er zelf wat aan doen. De puzzel wordt stuk per stuk gelegd en de weg door het saaie opzoekwerk is soms lang en vol dwaallichten en gevaren. Maar een groot aantal doorzetters worden echte speurneuzen. Sommigen worden zelfs door de geest van Elia aangespoord om zich bij te scholen. Om te beginnen zijn oude trouwboekjes en gebedsprentjes van grote waarde. Eenmaal echt op dreef duikt men best een stadsarchief binnen om de gegevens te gaan controleren. En alhoewel het toeval niet bestaat, hebben we soms geluk en vordert het opzoekwerk plots vrij snel. Zo kan men het enkel beamen dat het een zegen is wanneer er een aantal zoek geraakte gegevens op duiken. Ze werden gevonden in een oude nis van een archief. Het gestremde speurwerk komt terug op topsnelheid. En wanneer deze zaken eenmaal correct zijn opgetekend kan het hele zooitje de computer in en wordt een reis naar de tempel nakend.

Op weg naar Damascus

‘Ik spreek tot u als met een stem van iemand, die uit het stof roept.’

(Boek van Mormon - II Nephi 33:13)

Wat weet je over je familienaam?

Ik zou deze kroniek zeer traditioneel kunnen beginnen. Ik, George Tuffin, ben geboren uit goede ouders, daarom ben ik enigermate in al de geleerdheid van mijn ouders onderwezen. Daarom schrijf ik in de taal die zij mij leerden. Een mengelmoes van het Algemeen Beschaafd Nederlands en het Engels. Ik voeg er nochtans aan toe dat we ook het plaatselijke dialect gebruikten. Deze benadering klonk niet heel slecht, maar ze al eens uitgeprobeerd. We deze woorden aan in het Boek van Mormon. Het is de profeet Nephi die ze opschreef. Dus daar ga ik me niet aan wagen. Zijn boek was nu eenmaal een geestelijk meesterwerk en een onderdeel van een gouden kroniek. Ik hou het als moderne man bij mijn goedkope pc die uitgerust is met een Wordprocessor. De werkuren die er opvolgden leverden een behoorlijk stapel papier op. Laat ons daarom eerst eens stilstaan bij mijn achternaam. Daar ik niet deskundig ben op dat gebied vertrouwde ik weer even op de wijsheid van het internet. Enkele microseconden later kreeg ik een antwoord en de laatste aanwijzing ontving ik van een Britse neef en genealoog die me zei dat mijn naam van de Vikings afkomstig zou zijn. Mogelijk ben ik afkomstig uit stoere en wild Noors, Deens of Zweeds bloed. Mannen die kusten van Engeland en Europa onveilig maakten tijdens de vroege Middeleeuwen. Daardoor belanden we ook via de website “House of names” ook bij de invasie van de Normandiërs en zo kwam mijn naam en andere Franse namen in 1066 naar Engeland kwamen. De naam stamt af van een middeleeuwse dame wiens naam Tiffania was. Deze naam is dan op zijn beurt afkomstig van de Griekse vorm Theophania. Deze bestaat uit twee delen. Theos dat “God” betekent en phainein dat “verschijnen” betekent. Tiffin zou dan weer ruw vertaald met een “een manifestatie van God” overeenkomen. Zo ontdekte men dat Tiffania verscheen bij de namen van haar kinderen en dat was in die tijden ook de gewoonte geworden in het geval dat een man voor een tweede keer huwde. De kinderen van dit 2 de huwelijk namen de naam van hun moeder en gebruikten die als een achternaam om zich te kunnen onderscheiden van de kinderen van het eerste huwelijk. Maar de website “het huis der namen” is vooral een website die reclame maakt voor heraldische gegevens. Het is één van de vele plaatsen waar men u een familieschild aanbiedt dat betrekking zou hebben op uw familienaam. Die dingen stammen nog af uit gebruiken van de 12 de en 13 de eeuw en tonen een schild met de één of andere figuur er op. Meestal is dat een helm, maar het kan ook een toren, griffoen, of iets anders zijn. Traditioneel bevatten die dingen buiten het schild de schildversieringen, de helm, met helmdekking en helmkleden, de schildhouders, de waardigheidstekenen, de wapenspreuk en de wapenkreet. Op mijn wapenschild was de overwegende kleur het rood en het schild bevatte drie griffoenen en drie bijlen. Er was ook een lijfspreuk of wapenkreet. Bij de landsheer Tuffin uit Cumberland trof men de inscriptie “patria fidelis” aan en dat vertaalde zich als “een godsvruchtig land.” De naam Tuffin zelf kende vele spellingsvariaties, zoals Tiffen, Tiffin, Tiffing, Tiffins en later ontstonden ook de vormen Tuffine, Teffen en Taffin. Maar heraldiek is voor kenners en ingewijden. Het is natuurlijk leuk om de trotse bezitter te zijn van een veelkleurig wapenschild. Zo zouden er schakels kunnen gelegd worden met adellijke titels en zou er koninklijk bloed door je aderen kunnen stromen. Maar aan blauw bloed heb ik niets. Want sommige van die dingen zijn pure speculatie en geldklopperij. Niettegenstaande dat zou het best leuk zijn om zo’n snoodaard van een graaf in je stamboom te lokaliseren. Als gewoon straatjochie spreekt dat tot je verbeelding. Leve de Rode Ridder!

Bretagne

Daarom maken we even een omweg naar een onderbroken tak van de Tuffin familie. Een literaire kronkel en een historisch fait divers. Elsie, mijn echtgenote die geen lid van de mormoonse kerk is, ging in de jaren ’80 regelmatig met haar zus op reis. Dat gebeurde tijdens de Paasvakantie en de eindbestemming was steeds Bretagne. Ze hadden daar hun hart verloren. Linda en Elsie stopten regelmatig om de lokale visgerechten te proeven. De schaaldieren en zeevruchten schotels waren zeer in trek. De cider van de streek was ook niet te versmaden. In de buurt van het dorpje Saint Quen ontdekte men het kasteel van een markies met de naam TUFFIN. Het kadert in de stille landelijke omgeving. Bij zijn terugkeer uit Amerika zou deze Kolonel Armand de tulpen die hij had meebracht uit Virginia er geplant hebben. En vandaag de dag tref je dezelfde soort tulpen in het bloemenperk van het park aan. Maar o p hun terugweg van hun avontuurlijke reis deden ze nog een ontdekking. Elsie en Linda belandden als frivole vakantiegangers in het departement Ille-et-Vilaine en bereikten de oude stad Fougères. Na een bezoek aan het kasteel, wandelden de vrouwen op het dorpsplein en ontdekten het standbeeld van de markies Charles Armand Tuffin de La Rouërie.

Een Bretoense Held en een Fransman

Deze Fransman en Bretoense volksheld werd in 1751 te Fougères geboren. Armand behoorde tot de lokale provinciale adel. De markies kende een avontuurlijke jeugd en nam vrij vlug dienst in het Garde de Corps, en diende in het koninklijke garnizoen van de koning van Frankrijk. Hij hoopte in het leger een groot strateeg en beroepsmilitair te worden. In Parijs leerde hij een verleidelijke dame kennen die spijtig genoeg ook iets had met de graaf van Bourbon-Besset, de neef van de koning. Toen beide heren om het hart van de dame streden ontaardde dit in een vurig duel. In het zwaardgevecht verwondde Armand zijn tegenstander en moest hals over kop het land verlaten. Vanuit Nantes voer hij naar Amerika. In 1776 belandde hij in de nieuwe wereld. Daar trachtte hij zijn militaire loopbaan te herschikken. Samen met de beroemde Lafayette trok hij ten strijde tegen de roodjassen. Onder het bevel van Generaal George Washington ronselde hij vrijwilligers en nam een regiment in dienst die oorspronkelijk onder een Zwitserse majoor hadden gediend. Deze eenheid werd later het Legioen van Armand genoemd. De oorlog sleepte echter aan en Armand verloor bijna al zijn manschappen. Hij vulde ze aan met Duitse krijgsgevangenen. Dat was toen een gewoonte. Gevangen genomen Britse huurlingen kregen de kans om Amerikanen te worden door terug mee te vechten. Maar dan aan de zijde van Armand. Zo trok hij terug ten strijde. In 1780 kreeg hij het bevel over de troepen van graaf Casimir Pulaski. Deze cavaleriecommandant was gedood in Savannah in 1779 en Armand deed zijn best om de ruiterij terug op gang te krijgen. Later reisde hij ook terug naar Frankrijk om geld en materieel te verzamelen voor de Amerikaanse vrijheidsstrijders. In 1781 leverde hij de voorraden af en voegde zich bij zijn troepen om deel te nemen aan de bestorming van Yorktown. De ruiters van Armand werden al vlug een bekend onderdeel van de Amerikaanse geschiedenis. In 1783 promoveerde hij tot brigadier-generaal van de cavalerie. Toen de VS zijn onafhankelijkheid kreeg keerde hij met de andere Fransen naar huis terug. Maar in Bretagne vlotte het niet echt en zo kwam hij in een uitloper van de Franse revolutie terecht.

De oorsprong van de la Chouannerie en La Rouërie

De Bretoense opstanden overbruggen een periode van 1793 tot 1815. Zelfd Napoleon heeft nog met de Bretoenen afrekenen. Het is een strijd van de landelijke en hardnekkige royalisten tegen de prille Republiek. De eerste opstandeling was Jean Cottereau, een boer uit regio Laval. Hij kreeg de bijnaam Jean Chouan. Daar hij met zijn trawanten “uilengeluiden” maakten om elkaar te herkennen. Zo werden ze de Chouans genoemd. De landelijke partizanen vochten in kleine groepen en pasten guerrilla technieken toe. De andere leiders van deze opstand waren: Georges Cadoual en zijn broer Julien, Jean Cottereau, bijgenaamd Jean Chouan, Pierre Guillemot, bijgenaamd de koning van de opstandelingen, Joseph de Puisaye, Louis-Charles de Sol de Grisolles, Auguste et Sébastien Silz, Jean-Louis Treto, bijgenaamd de man met het Zilveren Been. De boerenopstand vermengde zich op met de opschudding in de Vendée streek. Het geschil in de Vendée was echter anders georganiseerd. Het was eerder een politieke en militaire revolte. Deze groep die uit de betere burgerij bestond vloden op tijd naar Londen om van daaruit acties te kunnen ondernemen.

Armand Tuffin de La Rouërie arriveerde in Bretagne in het begin van deze opstand. Hij ontdekte dat er ook in Bretagne bloedig werd gevochten. De boeren die hun geloof en hun oude vrijheden willen verdedigen, hadden zich reeds gemobiliseerd en Armand begreep dat het nu de tijd dat de burgerij zijn stem liet horen in deze zaak. Zo werd de markies de La Rouërie, held van de Amerikaanse Vrijheidsstrijd, de verdediger van de nationale vrijheid in 1788.

De boeren op het platteland en de kleine burgerij verloren veel van hun verworven vrijheden tijdens de wetgeving van de Republiek. Bretagne verzette zich tegen de vernieuwingen en kwamen in opstand tegen de troepen van de republikeinen. De pachter Cathelineau en de aristocraat Larochejacquelein richtte de (vernieuwde) Chouannerie op en Charles Armand Tuffin, de markies van de La Rouërie, kwam hen helpen. Hij wordt lid van de eerste raad van Bretoense afgevaardigden die naar Versailles reizen. Maar ze worden gevangengezet in de Bastille.

Van 1790 tot 1793 is hij het hoofd van de geheime “ Association Bretonne”. Het is zijn missie om een nieuwe koning aan de macht te brengen en zaak van de vrije Bretoenen te verdedigen. De verenigde Chouans wilden de graaf d’Artois tot nieuwe koning van Frankrijk kronen. Zo startte Armand in 1791 mee de eerste Bretoense opstand op. Maar de strijd werd geen succes en werd bloedig onderdrukt. In Bretagne en de Vendee sneuvelden vele “Bretoense Uilen” van Armand (zie les Chouans – Balzac) en in 1792 ontdekte men verraad onder hun gelederen en het royalistisch complot werd bloedig onderdrukt door de republikeinse horden. Armand moest vluchten en In 1793 werd hij ziek en stierf uitgeput, eenzaam en verlaten, in het kasteel van Guyomarais.

Maar zijn vijanden lieten hem na zijn dood niet rusten. Zijn lichaam werd opgegraven en ter plekke onthoofd. Daarna keerden zijn vijanden zich tegen zijn moeder en de andere leden van de aristocratische familie. Ook zij werden gezocht in Fougères, Rennes en Vitre. Ze vloden uit de streek. Het is begrijpbaar dat enkele vluchtelingen aan een snelle emigratie dachten. Iets dat gedurende die moeilijke en bloedige periode zeer in trek was onder de Bretoenen. Daarom is het niet ondenkbaar dat een deel van de opgejaagde familieleden het waagden om het Kanaal over te steken. Ze glipten door de mazen van het net te glippen. Via de kleine havens, zoals Saint Malo, en een klaarliggende schoener bereikten ze misschien de krijtrotsen van Dover.

 

Frankrijk – Engeland: 1 – 0

Spijtig genoeg werd de bindende schakel met dit Frans verhaal nooit gevonden en zo blijven we fier veronderstellen dat we echte Britten zijn. Een ware geruststelling voor mijn vader en zijn voorouders. Voor mij bleef het een enorm vraagteken. Wat kon ik zeggen? Ik was door de ironie van het lot reeds een kruising van Vlaamse en Engelse genen. Ik ben een hybride en een mulat van twee continenten. Een bastaard van het Vasteland en een banneling voor het Verenigd Koningrijk. Ik droomde van Manchester United en belandde bij Beerschot. Ik sprak thuis het Engels van vader, het Antwerps van moeder en later op school werd het ABN er met de paplepel ingestopt. Daarom ervaar je de taal van deze kroniek als koeterwaals. Toegegeven het dialect primeert in dit werk. Maar eens in een verre toekomst zullen we iedereen terug ontmoeten. Voor Jezus en Vader Adam staan. Dan zullen we de reine, uniforme taal der goden spreken en elkaar volledig kunnen begrijpen zoals het hoort.

Mijn zoektocht naar mijn Britse voorouders bracht mij in Devon en Dorset, twee schilderachtige graafschappen, van de Westkust van Engeland. Mijn naamgenoten trof ik aan in dorpen in de buurt van Bournemouth: Sturminster Newton, Fontmell Magma en Blandford Forum. Ik bemerkte de invloed van de Romeinen nog in de namen van de fabelachtige dorpen. Ik leerde hen kennen als schoenmakers, timmerlui en vissers. Wat opviel was dat men in Frankrijk ook dezelfde beroepen aantrof, vooral in de schoenindustrie en dat schiep wederom de hoop of beter de wanhoop dat er een Fransman in de familie zat. Maar wat doet het er toe. We zijn toch allemaal familie van elkaar. Zelfs met Bretagne en Groot-Brittannië zijn verwant met elkaar. De gemeenschappelijke noemer is koning Arthur. De legende leeft in beide landen en zo zitten we wederom in de mythische mist van Avalon gevangen. Natuurlijk schonk ik meer aandacht aan mijn Engelse voorouders dan aan de Franse. Het verhaal uit Bretagne bleek een puzzelstuk te zijn dat voorlopig nergens paste.

 

In het voetspoor van mijn grootouders: Victor Harry Tuffin

In Engeland ontdekte ik, dat een groot deel van mijn voorouders, kabeljauwvissers waren. Zij vaarden richting Newfoundland. Zo registreerde ik dat zij als moedige zeelui in Canada aan land gingen en later uitweken naar de verschillende delen van de Nieuwe Wereld. Zo nestelden er vele naamgenoten zich in de VS. Met of zonder toedoen van de amoureuze avonturen van Armand van de La Rouërie. In tussen loodste het internet me naar andere oorden en ontdekte al vlug dat onze familienaam zich met de tijd over heel de wereld verspreid had. Ik ontving onverwachte groeten van een dame die als rechter zetelde in de staat North Carolina. Zij gaf me een tip en die bracht me naar Australië. Daar trof ik een gepensioneerde reporter die in zijn vrije tijd aan genealogie deed en hij schonk mij een persoonlijke stamboomlijst. Maar de voorouders die Engeland trouw bleven verlieten door de jaren heen de Britse Westkust. Ze trokken naar het binnenland, want de steden wenkten hen. De wereld veranderde en de industriële revolutie kwam er aan. De stoommachine met zijn mechanisatie drukte zijn stempel op samenleving. Mijn voorouders vestigden zich in Winchester, Swindon en Londen en zochten werk in de plaatselijke fabrieken. De betrouwbaarste gegevens komen uit een Brits verleden tussen twee wereldoorlogen. Victor Harry Tuffin, mijn grootvader, werd geboren op 13 maart 1880 in West Orchard, een klein plaatsje in Dorset. Mijn grootvader bleek een man voor alle seizoenen, een dolende arbeider die overal werk zocht en vond. Ik heb h elaas mijn opa nooit persoonlijk gekend. Hij stierf op het einde van de zestiger jaren onder vrij bizarre omstandigheden omdat hij in onmin leefde zijn gezin. Victor Harry overleefde de eerste wereldoorlog, maar niet de grote economische depressie die daarop volgde. Hij werd een stumper van 12 stielen en 13 ongelukken en na heel wat omzwervingen vestigde hij zich in Swindon, in het graafschap Wiltshire, het treinenpaleis van het Westen.

Swindon - de grote treinenstad

Tot in 1986 bleef Swindon het centrum van de ‘Great Western Railway’, het belangrijkste verkeersknooppunt voor het treinverkeer van en naar het Westen van Engeland. Deze grote spoorwegmaatschappij bouwde de bekendste stoomlocomotieven van heel de wereld. Heden ten dage kan je er het historische stoomtreinenmuseum gaan bezoeken en het oorspronkelijke spoorwegdorp bewonderen, dat ingenieur Brunel in 1840 liet bouwen voor de spoorwegarbeiders en hun gezinnen. Maar Swindon is niet op zijn vergane glorie blijven bouwen en het is nu een moderne stad geworden. Het heeft een uitgebreid winkelcentrum en verschillende hotels voor de toeristen die op doorreis zijn naar de Cotwolds aan de ene kant en naar Oxford aan de andere kant. Neemt men de rijksweg naar de studentenstad dan treft men daar iets meer dan halverwege een afrit naar Faringdon aan en daar begint mijn familiegeschiedenis pas echt vaart te krijgen. Victor Harry Tuffin huwden in 1912 met mevrouw Gertrude H. Williamson. Alhoewel Gertrude op het eerste gezicht zijn oogappel was, werd het geen gelukkig huwelijk. Zijn vrouw schonk hem verschillende kinderen, maar helaas stierven er een aantal bij de geboorte. Ook Gertrude stierf vrij jong. Dat gebeurde in 1912 toen ze nog maar 32 jaar oud was. Mijn grootvader die zich nog zeer viriel voelde, kon niet in zak en as blijven zitten. Zo ging opa op zoek naar een nieuwe vrouw, want hij had een nieuwe moeder nodig voor het opbrengen van de kinderen van zijn eerste vrouw.

 

Winifred Emily Partridge

Al gauw zat hij weer op vrijersvoeten en ontmoette Winifred Emily Partridge. Schijnbaar maakte Miss Partridge er geen probleem van om met hem en zijn kinderen kennis te maken. De oude heer waagde zich wederom in het huwelijksbootje en zo werd Winifred, mijn grootmoeder, zijn tweede echtgenote. Oma werd geboren op 24 september 1901 in Swindon. Toen ze huwde was zij 21 jaar oud en opa was reeds 42 jaar oud. Maar niettemin werd het zeer vruchtbaar en gelukkig huwelijk, want Winifred schonk het leven aan vier kinderen: Victor, Margaret (bijgenaamd Peggy), John en Dafney. Opa Tuffin werkte eerst bij het Spoor als leerling machinist, kreeg toen de kriebels en besloot om de één of gekke reden het als zelfstandige te wagen. Zo trachtte hij in Swindon een eigen kruidenierszaak op te starten. Maar dat lukte niet echt en hij ging op zoek naar ander werk. Mijn opa trok naar andere dorpen buiten de grote stad om daar zijn licht op te steken en zijn kans te wagen.

 

De Vallei van het Witte Paard

Victor Harry Tuffin en zijn liefde voor het platteland bracht hem in het marktplaatsje Faringdon. Mijn grootvader zocht eerst werk bij de lokale marktkramers, maar gelukkig vond hij al vlug een vaste baan bij een rijke heer. Heel het gezin verhuisde naar het knusse dorp. De streek waar ze nu woonden, maakte deel uit van de vruchtbare Theems-vallei. De rivier is er veel smaller dan in Londen en kronkelt zich een weg door het vlakke land. Buiten de landerijen van de biggenkwekers en de veeboeren uit de buurt telt de streek een aantal prehistorische bezienswaardigheden. Een goede 15 kilometers ten zuiden van Swindon ligt het dorp Avebury. Daar tref je een grote kring van stenen aan. En als de mist laag over het land hangt dan wordt je daar overmeesterd door het mysterieus landschap. Dan is er nog de archeologische site daterend van 2700 voor onze tijdsrekening, de door mensenhanden opgeworpen Sillbury Hill, de mythische graancirkels van de Marlborough Downs en de Pewsey Vales. Maar de bekendste heuvel is die van het grote witte paard. Om het verhaal correct te houden, moet ik toegeven dat er meerdere heuvels in de streek deze afbeelding huldigen, maar de bekendste is die van Uffington ten oosten van Swindon en niet ver van Faringdon. Op deze typisch Britse groene heuvel prijkt een gigantische krijttekening van een wit paard. Daarom werd de vallei ‘de Vale of the White Horse’ genoemd. In de lente en de zomer bezoeken vele toeristen deze historische plek. De voorhistorische kunstenaars schraapten het gras en de aarde van de heuvel weg en ontblootten de krijtachtige onderlaag van deze heuvel om zo het fabelachtige paard te kunnen vormen.

De Browning Estate

De nieuwe werkgever van de familie Tuffin voerde hen naar het platteland van Faringdon en Buckland. Grootvader verdiende nu zijn dagelijks brood bij kolonel John Arthur Browning, een rijke beroepsmilitair op rust. De edele heer bood hem de job van privé-chauffeur aan. De Browning Estate, het domein van de beruchte kolonel, werd zorgvuldig van de buitenwereld afgeschermd door een meterdikke haag. Een grote metalen poort verschafte je toegang tot de oprit die uit kleine kasseien bestond. Dan passeerde je eerst de mooie Engelse tuin met een fontein en daar achter doemde het grote herenhuis of “manor” op. Voor het prachtige herenhuis was er ruimschoots plaats om verschillende wagens te parkeren. Het huis dateerde nog uit de vorige eeuw toen men zich nog met paarden, koetsen en wagens verplaatste. Verscholen achter wat fruitbomen aan de linkerkant van de Manor lagen de paardenstallen en de kleinere gebouwen van het domein. De familie Browning had een drietal eenvoudige huisjes voor het dienstdoend personeel laten bouwen. Maar de ruime paardenstallen, waren reeds grotendeels omgevormd tot garages voor de statige wagens van de heer des huize. Achter het huis strekte het domein zich verder uit totdat het werd opgeslorpt door de weilanden en de bosjes van de omgeving. Zo beschikte de kolonel over verschillende boomgaarden, stukken bos en enorme weilanden, die op hun beurt verpacht werden aan de naburige boeren. Mijn grootvader en mijn grootmoeder kregen één van de cottages op het domein van de Browning Estate om in te wonen. Het huis was niet echt groot te noemen, maar het was ruim genoeg om een nieuw gezin in op te starten.

Victor Percival Tuffin

Mijn vader, Victor Percy Tuffin, werd op 3 juni 1923 te Buckland geboren, een buitenwijk van Faringdon en een boogscheut ver van het Browning Estate. Mijn vader was een gezonde jongen die op het platteland opgroeide. Toen hij groter werd kreeg hij al vlug de bijnaam ‘Buster’ omdat hij zo goed in het vlees zat en er blozend gezond uit zag Toen hij een peuter was trok hij meestal met Peggy, zijn oudere zus op. Later toen zijn jongere broer John de familie uitbreidde ging hij met John naar de welpen van Buckland. Samen haalden ze veel kattenkwaad uit, speelden aan het water, vingen vissen en kikkers en maakten jacht op wilde konijnen. De zaterdag of de zondag gingen ze naar de ‘Topney Rush’. Zo noemden de Britten toen de kindervertoning. Daar zagen ze de heldendaden van de Dikke met de Dunne, cowboy Tom Mix, sterrenheld Flash Gordon en andere filmsterren van het grote scherm. Natuurlijk voetbalden de knapen als ze groter werden iedere keer dat ze de kans zagen. Zo was er het grappig verhaal dat mijn vader het aan de stok kreeg met een opdringerige jongedame van zijn leeftijd. Ze wilde steeds mee voetballen en dat mocht niet van de jongens. Vader maakte het meisje zo boos dat ze het hem eens zou tonen hoe het moest. De kloeke meid toonde haar trapkracht door Victor in zijn ballen te schoppen. Waarna vader werd afgevoerd en thuis moest verzorgd worden met koude kompressen. Of dat het meisje later heeft mogen mee voetballen heb ik nooit vernomen. Alhoewel mijn vader graag naar school ging kreeg hij zoals vele kinderen op het platteland van die tijd echter nooit de kans om zijn studies af te maken en moest hij al vlug gaan werken. Want iedereen diende zijn deel te doen om de familie rendabel te houden.

De breuk

Maar de goede tijden op het Browning domein bleven niet duren. Kolonel Browning die gehavend uit de eerste wereldoorlog was gekomen herstelde nooit echt van zijn blessures en stierf in 1938. Daardoor moest zijn weduwe een groot deel van het personeel ontslaan. Mevrouw Browning en haar kinderen kibbelden over de erfenisrechten en het domein werd openbaar verkocht. De familie verhuisde terug naar de treinenstad en de economische toestand verslechterde nog meer. Daarom besloot opa na wat overleg om naar de industrierijke streek van Hitchin in het graafschap Herts te verhuizen. Mijn grootvader zocht, maar vond niet dadelijk ander werk. Hij kon altijd terug naar de Spoorweg gaan, pochte hij, maar aarzelde om dat te doen. Hij trachtte eerst nog eens een zaak als kruidenier op te zetten. Maar dat werd echter niks. Zo werd Winifred, mijn grootmoeder, genoodzaakt om terug te gaan werken en gelukkig vond zij een plaats in een hospitaal van de buurt. Ze kon weer aan de slag als kokkin en verpleegster. Peggy, haar oudste dochter, leerde ondertussen de heer Tom Wright kennen en zij zouden later gaan trouwen. Ondertussen begon Opa te drinken en de relatie met zijn vrouw en kinderen verzuurde. Mijn vader schoot niet zo goed op met hem en na de zoveelste uit de hand gelopen ruzie werd opa door grootmoeder aan de deur gezet. Grootvader verliet dronken zijn gezin en zwoer nooit te zullen terugkeren. Victor Harry ging zijn geluk elders zoeken en belandde terug bij het Spoor en werd opgeleid tot een volwaardig machinist. Maar hij deed geen enkele poging om zich terug met zijn echtgenote te verzoenen. Hij verdween als eenzaat en avonturier uit het leven van de andere Tuffins. Het loon van mijn grootmoeder in het hospitaal was niet echt groot en zij had het moeilijk om de eindjes aan mekaar te knopen. Zo zette Winifred, Victor onder druk om een baan te gaan zoeken. Daardoor werd vader nog bozer op zijn weggelopen vader. Indien hij hem ooit tegen het lijf zou lopen zou er nooit meer tegen spreken. Victor vond het onrechtvaardig dat hij na zijn studies aan de lagere school al moest gaan werken. Maar hij moest nu eenmaal het grote gezin uit de nood trachten te helpen. Gelukkig, ontdekte hij al vlug, dat hij van werken hield. Hij bleef niet bij de pakken zitten en als knaap had hij al allerlei zaken gedaan om een cent bij te kunnen verdienen. Zo had hij in Faringdon een krantenronde gehad.

De Veertiger Jaren – WWO II

Toen mijn grootvader uit het leven van de familie Tuffin verdween, verhuisde men van Faringdon naar een kleine woonst in Whinbush Road 54 in Hitchin en bij het uitbreken van WO II kreeg vader werk bij een fabriek die voor het Ministerie van Landsverdediging (MOD) werkte. Het bedrijf heette ‘Chater-Lea Mfg. Co., Ltd. Het omschreef zich als: cycle fittings manufacturers and general engineers – specialists in aircraft components’. Victor werkte daar 8,5 jaren. Hij begon als ‘capstan operator’ en ‘setting operator on both bar and chuck work’. Wat vermoedelijk ‘operateur en opsteller van een revolverbank’ betekende. Victor werd tijdens deze jaren een zeer bekwaam metaalarbeider. Door de oorlog kregen de burgers allerlei beperkende leefregels opgedrongen door het ministerie van oorlog. Er waren een stel veiligheidsvoorschriften opgelegd, zoals het dragen van een gasmasker en het bouwen van een eenvoudige schuilkelder in de tuin of de kelder. Men moest zuinig met het water bij het wassen. Een bad nemen werd juist afgemeten. Ook het verbruik van gas en elektriciteit was beperkt. Ook In de fabriek, waar Victor werkte, werd het werk in de assemblagehall volledig afgestemd op de oorlogsindustie. Dat betekende voor deze fabriek het produceren van het landingsgestel van de alom bekende ‘Supermarine Spitfire’. Maar mijn vader, die nog vrij jong was, vond zijn bijwerk leuker dan zijn vermoeiende dagtaak. Dolgelukkig reed hij na zijn uren rond als ijscoventer. Samen met het gemotoriseerd karretje werd hij bekend in de buitenwijken van de stad. Zelfs in tijden van oorlog bleef Italiaans schepijs in de mode. Daar Victor reeds in 1940 voor de oorlogsindustrie werkte, hoopte grootmoeder, dat haar zoon niet zou moeten dienen in het Britse leger. Maar de oorlog escaleerde en Victor moest in 1942 onder de wapenen.

Mijn vader, de onbekende soldaat

‘Pack up your troubles in your old kit bag and smile’ (populair Brits soldatenlied)  

565 e GT Compagnie

Mijn vader arriveerde op 19 februari 1942 in Sutton Veny en werd een gewoon soldaat in het Britse Leger en hij zou na 5 jaren dienst op 22 februari 1947 afzwaaien. Zijn inschrijvingsnummer werd T/10686518. Victor kreeg een basisopleiding van zes weken en hoopte te worden opgenomen als ‘brengunner’ bij de infanterie. Maar toen de officieren ontdekten dat hij reeds met een motor en een wagen om kon gaan, werd hij naar een transporteenheid van het Britse Leger gestuurd. Deze Transport Compagnie stond toen nog bekend onder de naam van ‘Royal Army Service Corps’ en werd afgekort als RASC. Daar ontving hij een snelcursus autotechniek en volgde bijscholing tot automechanicus gespecialiseerd in zware camions. Ook moest hij veel wacht lopen bij munitiedepots. In 1943 speelde hij een tijdje voor ‘batman’. Wat men natuurlijk niet mag verwarren met de beroemde mantelzwiepende stripheld uit de DC boekjes. Een batman in het Britse leger is de loopjongen of hulpje van een officier. Zo mocht hij als chauffeur de hoge omes in een Austin overal naar toevoeren. Maar toen het leger zich ging voorbereiden op Operatie Overlord werd Victor overgeplaatst naar de 565 ste General Transport Compagnie en deze compagnie werd toegewezen om de 3 e Canadese Divisie te ondersteunen, omdat die zelf geen transporteenheid bezaten. In mei 1944 kreeg hij zijn eerste streep. Hij was de jongste en de kleinste korporaal van het legerkamp en als hij bepakt en bezakt moest aantreden woog zijn rugzak zo zwaar dat hij moest opletten om niet achterover te vallen.

De vreemde eend

De jongens van de RASC waren opgeleid om met allerlei soorten wagens en camions te kunnen rijden. Maar speciaal voor de landing in Normandië dienden zij het DUKW amfibievoertuig beter te leren kennen. De DUKW’s werden van 1942 tot 1945 door General Motors gebouwd. De DUKW (lees Duck) was een amfibievoertuig uit de Tweede Wereldoorlog dat kon varen als een boot en rijden als een vrachtwagen. Er bestond ook een versie voor het vervoeren van troepen en deze werd dan ‘landing assault vehicle’ genoemd. Maar in 1944 kwam bij de 565 e Compagnie de gewone vrachtverslepende versie aan bod. Maar zelfs deze DUKW kon als het nodig was wat extra mannen meenemen. Deze DUKW was een camion die op het water kon varen en een vracht van 2,5 ton kon vervoeren. Het voertuig werd aangedreven door een GMC 270 kubieke duim 6 cilinder benzinemotor en het beschikte over een koppeling met 5 versnellingen met 2 snelheden per verzet en zo krijgt men in totaal 10 voorwaartse versnellingen en 2 achterwaartse versnellingen. De DUKW was een ‘6 wheel drive’, had een schroef en een 10 ton winch. Zijn topsnelheid op het land was 80 km/u, terwijl in het water een snelheid van slechts 10 km/u werd bereikt. De DUKW beschikte ook over een ‘banden oppomp systeem’ die uit een luchtcompressor met 2 cilinders en een luchttank bestond. Zo kon de chauffeur van op het dashboard één band of alle banden al rijdend oppompen of aflaten. Het dashboard was met een bandendrukmeter uitgerust zodat de luchtdruk gecontroleerd kon worden. De remleidingen vooraan waren beschermd door een stalen omhulsel waarop aan de buitenzijde prikkeldraadscharen waren aangebracht. Leeg woog de DUKW 7,5 ton en was 10 meter lang. De naam of afkorting DUKW heeft niets van doen met de bijnaam ‘duck’. De afkorting D.U.K.W geeft voor de letter D het eerste bouwjaar 1942 aan, de U staat voor ‘utility truck’, de K voor de voorwielaandrijving van GMC en de W voor de dubbele voorwielaandrijving (tandem axle). De oorsprong van de bijnaam ‘eend’ moet men zoeken in het Engels uitgesproken woord voor eend, ‘duck’ wat fonetisch klinkt voor DUKW, maar ook bij de vorm van de niet opgepompte banden van de DUKW, dit op het moment dat de eend uit het water omhoog kwam en over strand begon te rijden. De bijna platte banden bewogen heen en weer en leken op de waggelende beweging van een stappende eend. De DUKW was het paradepaardje van de Britse en Canadese landingstroepen. Dit langwerpig amfibievoertuig kon men tot in de jaren zestig nog in Blankenberge aantreffen. Er werden vaartochten mee gemaakt langs de Belgische kust. Deze oude DUKW zat onder de witte en blauwe strepen en deed dienst als pleziervaartuig voor de toeristen. Zo verhuisden Victor en zijn kameraden van het basiskamp in Engeland naar een RASC oefenterrein in Wales. Daar moesten ze hun trouwe Bedford en GMC camions ruilen voor de vreemde eenden. Zo’n lelijke eend met zijn 10 meter was een gevaar op de weg, maar de instructeurs drilden hen dagenlang in Wales op kleine slingerwegen tot zij de bakken volledig onder controle hadden. Zo slaagden de Britse soldaten er in de heuvels van Wales ongeschonden achter hen te laten. Maar hun opgeluchte gevoel duurde niet lang, want toen ze eindelijk met dat ding over de weg konden manoeuvreren, kregen ze het bevel om de bak de zee in te sturen. Nu moest de wilde bende de DUKW in het water weten te temmen. De veldversnellingen werden op het land gebruikt, maar in het water vaarde men op de marinekoppeling. In het begin remden de soldaten in het water zoals bij een landmanoeuvre en dan sprongen de remlichten onder het water aan. De bak stopte toen helemaal niet, want het remmen op de autobesturing hielp helemaal niet. Om te kunnen stoppen moest men, net als bij een boot, vertragen en tegengas geven om tegen stroom op te kunnen varen. Indien men 4 km/u deed dan moest men een tegenstroom hebben van 4 km/u om te kunnen stoppen. Sturen en draaien in het water was dan weer een combinatie van draaien en tegengas geven. Ook het aanleggen was niet zo eenvoudig. Eenmaal vastgesnoerd met een groot touw aan de zijkant van een schip moest men er goed op letten dat de opgaande beweging van het grote schip de kleine eend niet stuk trok en uit het water lichtte. De lading die uit het ruim van het schip kwam bestond meestal uit 3 volgeladen netten van elk 2 ton. Een lading bommen voor vliegtuigen en obussen voor kannonnen bleken de moeilijkste karweien te zijn, want die spullen wilden nogal eens beginnen te rollen, zodat de DUKW schuin in het water kwam te liggen en kon omslaan.

Sterke verhalen

Het klinkt bizar, maar vader was schaars met zijn verhalen over 6 juni en D-Day. Soms zei hij al schertsend dat zijn ervaringen ‘niet voor publicatie vatbaar’ waren en zelfs toen de bekende film van Steven Spielberg bij ons in de bioscoop speelde, ‘Saving private Ryan’, wilde hij niet mee gaan kijken. ‘Vast weer wat romantische kletskoek voor Amerikanen’, mompelde hij. Toen ik de film had gezien, trachtte ik hem te overtuigen om toch maar eens poolshoogte te gaan nemen. Maar hij hield voet bij stuk en weigerde halsstarrig om te gaan kijken. ‘Iedereen denkt toch dat de Amerikanen de tweede wereldoorlog hebben gewonnen’, mopperde hij. Dan begon ik maar over een oudere film, namelijk ‘De Langste Dag’ van Zannuck. We waren die toen met heel het gezin gaan bekijken in cinema Rubens. Maar zelfs deze prent scoorde laag bij Victor. De aanval van de Britse commando’s op de Pegasus brug deed hem wel wat en de straatgevechten rond het Casino van Quistreham (Bella Riva) van de Franse groene mutsen en commandant Kieffer kreeg ook een tien. Het Omaha strand was een bloedige affaire geweest voor de Amerikanen. Maar vader had het niet hoog op met zijn neven van over de Atlantische Oceaan. Ze hadden het al eens gewaagd om per vergissing op hem en zijn kameraden ‘vriendelijk’ te willen vuren en daarom had hij nogal wat kritiek over hun oorlogsdaden. Aan de andere kant had ik een sterk vermoeden dat Victor de gruwel van de landing niet aan mij wilde door vertellen. Ik was in zijn ogen maar een doetje, daar ik lekker niet bij het leger moest, op links stemde en vermoedelijk uit was op wat sensatie. ‘De daden van die jonge mannen van toen zijn al lang vergeten’, vertelde hij mij,‘en de jongeren van vandaag hebben er geen boodschap aan.’Het klonk bitter, maar daar bleef het niet bij. ‘Wij moesten zeer hard werken en vechten onder ongelofelijk erbarmelijke omstandigheden,’ voegt hij er met een zucht aan toe. Met verdriet in zijn hart moet hij toegeven dat hij de namen van zijn kameraden vergeten is. Na de oorlog zijn de jongens elkaar allemaal kwijtgeraakt en dan zweeg hij nog over het deel dat werd gedood tijdens die moeilijke opdrachten van D-Day.

Tijdens de maand juni stond het licht voor operatie ‘Overlord’ op groen en overal langs de kusten van Engeland en Wales werden ‘eenden’, tanks en andere voertuigen veilig opgeborgen in enorme landingsvaartuigen die als moederschepen dienst deden voor de groots opgezette invasie. De betrokken landingstroepen en de voerders van camions, tanks en DUKW’s gingen mee aan boord van de schepen. Iedereen was klaar voor de invasie en het grote wachten op het finale startschot om te beginnen. Vic en zijn jongens kregen echter een geheel andere opdracht en samen met hun twee amfibievaartuigen verzeilden zij op een gewoon ‘Liberty’ cargoschip.

Daar werden twee reddingsboten weggehaald en de eenden werden aan de vrijgemaakte davits gehesen en zo vaarden de knapen van de kleine RASC eenheid richting Normandië. Het werd een heuse armada en een ware ‘tour de force’. Voor de jonge soldaten werd het echter een miserabele overtocht. De zee was woest en iedereen was zeeziek. De jongens slikten hun voorgeschreven dosis pillen, maar de Dramamine, het zogezegde wondermiddel tegen zeeziekte, werkte niet. Ziek of niet ziek om kwart voor acht in de ochtend moesten de mannen volgens plan aan land gezet worden.

Op 6 juni 1944, startte D-day en er waren 15.000 mannen van de 3 de Canadese Divisie bereid om hun bloed te geven. Zij waren klaar om hun kameraden van de mislukte raid op Dieppe te wreken. De Canadezen werden ondersteund door 9.000 Britse soldaten. Tijdens de landing had Majoor Generaal R.F.L.Keller van de 3 de Canadese Divisie de leiding over de sector die de naam ‘Juno’ meekreeg. De rechter flank, van la Rivière tot Courseulles sur Mer, werd onder handen genomen door de 7 de Canadese Infanterie Brigade en het 6 de Canadese Pantser Regiment. Het middelste deel van deze sector werd beheerd door de 9 de Canadese Infanterie Brigade samen met het 27de Canadese Pantser Regiment, dat in reserve werd gehouden. Zij zouden de zone van Courseulles tot aan Bernières sur Mer vrijvechten. Terwijl aan de linker flank de 8 ste Canadese Infanterie Brigade met het 10 e Canadese Pantser Regiment de badplaats St Aubin sur Mer aanvielen. Samen met de Canadese troepen landde ook de Britse 79 ste Pantser Divisie. Deze Britse Divisie was uitgerust met speciale tanks en zij moesten de mijnvelden onklaar maken en versterkte bunkers helpen uitschakelen. Aan de linkerzijde van het Britse offensief bevond zich de 3 de Divisie (1 Corps) en die werd ondersteund door één gepantserde brigade. De RASC eenheden van deze formatie hadden ook de taak om de 6 de Airborne Divisie te bevoorraden voor een tijdspanne van tien dagen. Bij de landing waren de bruggen naar de Ranville dumplocaties echte flessenhalzen en zij werden beschoten door vijandelijke vliegtuigen en lagen onder vuur door kannonen, mortieren en kleinere wapens. Majoor J.R. Cuthbertson en zijn 27 e Gepantserde Brigade Compagnie (90 Company) hadden de opdracht deze zone vrij te houden en de majoor ontving er het Militaire Kruis voor.

De eerste RASC eenheden die aan land gingen in deze sector bestonden uit twee aanvalpelotons van 172 e compagnie en één peloton van 90 e compagnie als ondersteuning. Het was de bedoeling om tijdens D-Day eerst de stranden te veroveren en de daarbij behorende dorpen van de frontlijn veilig te stellen. Daarna mocht men landinwaarts doorstoten in de richting van Bayeux en Caen. Algemeen gesproken verliep de landing op Juno vrij goed, er waren wat gelokaliseerde verzetshaarden en men telde slechts een 400 tal doden in de gehele divisie. Alhoewel niet alle objectieven van die dag werden gehaald, slaagden de Canadese eenheden er in om in verschillende plaatsen landinwaarts te trekken, zelfs verder dan men had verwacht. Ondanks het verzet van de Duitsers wisten de Canadezen het grootse stuk van het grondgebied te bezetten. Zij waren de enige troepen van alle eenheden van D-Day die 10 kilometer landinwaarts geraakten. De enige grote tegenvaller was dat er geen aansluiting kwam met SWORD. Dit gat werd in diezelfde nacht spijtig genoeg door het 21 ste SS Pantserdivisie vanuit Caen gedicht en dat werd een zware klap voor de oprukkende troepen en daardoor zou de strijd om Caen nog lang aanslepen. Het mag zeker gezegd worden dat de Canadezen niet het eerbetoon kregen dat ze verdiend hadden. In de eerste gevechtsgolf, die het strand veilig stelde, kende een zeer hoog aantal slachtoffers. De troepen die later op de dag landden kwamen vrij gemakkelijk aan land dankzij de moed en offers van de vroege vogels. Maar laten we ook de andere Commonwealth soldaten niet vergeten. Zij vochten zij aan zij met het 3 e Canadese Infanterie Divisie. Het Canadese contingent bestond niet alleen uit Canadezen. Men telde ook een ruim aantal Ieren, Schotten en Franse Canadezen, alsmede Polen en een aantal Amerikaanse vrijwilligers.

De RASC doet mee

Natuurlijk mogen we de logistieke steun van het Royal Army Service Corps (RASC) van het Britse Leger niet vergeten te vermelden. Mijn vader zou het mij nooit hebben vergeven. De Canadezen hadden hier geen eigen transporteenheid en daarom werden zij door Britse eenheden ondersteund. De mannen van de RASC bemanden hun DUKWs en brachten kogels, mortiergranaten en obussen naar de kust om de oprukkende troepen te bevoorraden. Ook werd er vatten brandstof, blikken voedsel, waterreservoirs en kledij gedropt op vast afgesproken dumplocaties achter de vuurhaarden van de Atlantische muur. En in de eerste uren na de landing werden er zelfs garages en opslagplaatsen op het strand opgetrokken om het onderhoud van het rijdende materiaal op gang te brengen. Een zeer klein onderdeeltje van deze ondersteuning werd door de RASC transport compagnie van Victor uitgevoerd. De jongens van het vervoer en de logistieke ondersteuning waren er van het eerste uur bij. Zij mochten niet stoppen voor vriend noch vijand. Zij moesten naar het binnenland oprukken zonder ondersteuning. Tijdens de eerste tocht van vader en zijn jongens week de organisatie van de RASC eenheden fel af van de indeling van de totale militaire transport compagnie. Zo zette men 5 pelotons of 30 eenden in. Eén peloton telde 30 soldaten of chauffeurs. Maar die werden bij de landing verdubbeld en ondersteund door een schutter die het machinegeweer bediende. Ieder peloton werd verdeeld in secties. Aan het hoofd van een sectie stond een korporaal. Victor Tuffin was één van die korporaals. Maar voor de bevelvoering kregen de knapen er later de nodige hogere officieren en sergeanten bij. Uiteindelijk zouden de Canadezen en de Britten deze kusstrook bestormen. Ze was 8 kilometers breed, en liep van La Rivière tot St. Aubin-sur-Mer. De aanval werd voorafgegaan door een inleidend bombardement, eerst door de Britse RAF, later door de Amerikaanse luchtmacht. Die ochtend namen 11 marineschepen de kustlijn onder vuur. De zeemacht zorgde voor een beschieting van de kust zodat de Canadese zich konden voorbereiden op de benadering van het strand. Maar de wind en het getij vertraagde het goed oplijnen van de landingsvaartuigen. Maar men moest opnieuw beginnen. Zo liepen de vaartuigen een vertraging van meer dan 10 minuten op en het getij keerde. Het zeewater had de betonnen en metalen obstakels voor de kust al onder water gezet en dit gaf aanleiding tot een behoorlijk aantal problemen. Tijdens het gedreun van de zware wapens klauterden Vic en zijn manschappen in hun eenden. Ze werden naar beneden gelaten en in de woeste zee losgelaten. De bakken schokten heen en weer, maar toen de motoren aansloegen en de schroeven greep kregen op het water stoomde ze in de richting van de andere landingsvaartuigen. Ze moesten zich allen oplijnen en het werd een moeilijke opdracht. Want de zee stond woest en het tij was al aan het keren. In iedere DUKW deden twee mannen hun best om het ding boven water te houden. Zij controleerden regelmatig of hun eerste vracht niet overboord werd geworpen door het opspattende water. De derde kerel ontgrendelde het machinegeweer en controleerde de lader. Dat oplijnen scheen die ochtend een eeuwigheid te duren. De twee eenden met hun zware vracht aan munitie dobberde heen en weer in het zilte nat. Toen het startsein er eindelijk kwam gingen ze samen met de geharde Canadezen naar de kust. Zo telde men 2 eenden in het zog van de eerste aanvalsgolf. Zes soldaten en 1 korporaal moesten wachten op een veilige doorgang.

In het badplaatsje Gray-sur-Mer, dat ten westen van Courseulles ligt, kreeg de naam sector Mike. Daar sneuvelden 128 slachtoffers Canadese soldaten. De Canadese Winipeg Rifles en het 6 e Gepantserde Regiment kwamen daar aan land en werden ondersteund door eenheden van het 26 e aanvaleskadron van de Royal Engineers. Om vijf voor acht trachten de DD en de AVRE tanks aan land te gaan. Met vlegeltanks en bruggenleggers werd er hard gewerkt rond de Duitse bunkers en de restanten zijn hier vandaag nog terug te vinden. De Duitsers hadden bij de uitgang van de kust een antitank put gegraven en vol water gezet. Een Churchill AVRE tank trachtte het gat te dichten door er een bos hout van twee ton in te gooien. Een tweede tank kwam aanzetten en toen begaf de zijkant van de put het. De tweede tank gleed in de diepte en liep vol water. De zes bemanningsleden konden ternauwernood ontkomen, verscholen zich achter een duin tegen het Duitse vuur en werden daarna getroffen door een mortiergranaat. Er werden er vier van de zes gedood. De twee zwaar gewonde soldaten die de granaatregen overleefden, werden die middag door een DUKW naar een schip gebracht en naar Engeland geëvacueerd. De AVRE tank verdween helemaal onder water en het gat werd uiteindelijk door andere tanks gedicht. De bussels hout en brokstukken puin vormden een houvast voor de andere tanks die nu over hun gezonken soortgenoot het strand af reden. De gezonken tank bleef tot 1976 onder het wegdek begraven. Later werd ze opgegraven en ze staat nu als monument bij de stranduitgang.

Om acht uur landde te Courseulles-sur-Mer het 7 de Canadese Infanterie Brigade. Deze visserhaven ligt in de buurt van de monding van de Seulles rivier. Die dag lag het in het centrum van het JUNO strand. Bij de eerste aanvalsgolf op JUNO zette een aantal mannen van het 48 ste R.M. Commando mini moto’s in mekaar. De eerste golf bracht de 7 de Brigade Group aan land en 50% van de D-D tanks die hun hadden moeten ondersteunen zonken. Het getij werd een ware hel voor de soldaten, vele stierven in het zeewater toen de landingsdeuren opengingen en de Duitse verzetshaarden bleven intact. De 7 de Brigade Groep, onder het bevel van Brigadier H. W. Foster vocht hard om het strand veilig te stellen. Ze konden maar op enkele tanks rekenen en leden daardoor hoge verliezen. De Royal Winnipeg Rifles werden neergehaald voordat ze hun positie konden innemen. Tien minuten later landde de 8 ste Brigade en gelukkig kreeg men deze keer de D-D tanks aan land. De tanks waren wel wat laat en de reeds gelande voetsoldaten konden niet rekenen op de bescherming van de pantsers. Gedurende deze tijd stierven de meeste soldaten. De Regina Rifles en het 1 e Canadese Schotse regiment liepen vooraan. De 8 e Brigade Group, onder het bevel van Brigadier K. G. Blackader, landde ten oosten en stootte ook op hevige weerstand van de Duitsers. De D-D tanks kwamen te laat en reden achter de infanterie aan en konden dus niet vuren en daarom kregen de verdedigers een voordeel op de oprukkende troepen. De Queens Own Rifles verloren daar 143 mannen. De stad was vrij goed versterkt, maar ondanks het verzet verliep de landing hier vrij voorspoedig. De DD tanks werden hier op een vrij korte afstand van de kust gelost, maar niet alle tanks bereikten het strand. In 1970 is een DD Sherman tank aan de kust geborgen en deze dient nu als bevrijdingsmonument van Courseulles.

Mijn vader daarentegen landde in de buurt van Bernières-sur-Mer, tussen Courseulles-sur-Mer en St. Aubin-sur-Mer. De commando’s voerden hun eerste opruimingsaanval uit. De zee was ruw, het verzet hevig en het dodenaantal hoog. Er moest prikkeldraad en betonnen paaltjes verwijderd worden door de commando’s om de weg vrij te maken voor de landingsvaartuigen van de infanterie, de aanstomende DUKWs en de wachtende tanks. Toen de eerste bres er was, vaarden de RASC jongens in hun amfibievoertuigen, met de munitie voor de stoottroepen, dwars door de hel. De chauffeurs ontgrendelden de wielen en kregen vat op het zand. De transportsoldaten konden de mannen op het strand niet zonder munitie achterlaten. De Canadezen hadden die halve inch machinegeweerkogels broodnodig om het bruggenhoofd veilig te stellen. Niet ver van de eerste huisjes van Bernières-sur-Mer hobbelden de eenden door het zand en begonnen aan hun dagtaak. Hier bevond zich de Nan sector van het JUNO strand. De Queens Own Rifles van Canada van de 8 e Canadese Infanterie Brigade, een onderdeel van Canadese 3 e Divisie landde hier op de kust. Hier vielen de meeste Canadese slachtoffers, want vanuit hun betonnen bunkers hadden de Duitsers een vrij schietgebied. Om acht uur vijftien werd hier de landing uitgevoerd zonder tank ondersteuning. De zee was te ruw voor de amfibievoertuigen en de soldaten lagen in het vizier van de Duitse ‘Widerstandnester’. De eerste golf Canadezen verloren de helft van hun manschappen. Dankzij een kanonneerboot, die bijna het strand op kwam, werden de Duitsers tot zwijgen gebracht. Tien minuten later bereikte de volgende golf soldaten het strand.

De jongens van het Frans Canadees Regiment de La Chaudière kwamen hun kameraden ontzetten en samen drongen ze door tot in de buurt van Bény-sur-Mer. Maar daar kregen ze last van sluipschutters. Eén hardnekkige geschutsbunker werd door een bulldozer vanachter aangevallen en vol geschoven met zand. Bij ‘het eerste bevrijde huis’ van het badplaatsje staat tegenwoordig een monument dat herinnert aan de landing door de Canadezen. Ongeveer 250 meter naar het oosten staat een Duitse bunker met een meer authentieke en kapotgeschoten tank. Aan de rechterflank van het Britse offensief vielen 30 korpsen als één divisie aan. De 50 e Divisie werd ondersteund door de 8 e Gepantserde Brigade en werd gevolgd door de 7 e Gepantserde Divisie.

De Canadese RASC en delen van de RASC 50 e Divisie, met leden van de generale staf, landde daar tijdens D-Day. De 522 e compagnie was de eerste van de 50 e Divisie RASC compagnies die aan land gingen samen met detachementen van 346 en 552 compagnies. De 552 e compagnie verleende zijn diensten aan de 8 e Gepantserde Brigade. De eerste taak van 552 bestond er in om het opzetten van de 47 e commandopost in Port-en-Bessin. Deze haven moest de PLUTO haven worden en die lag voorlopig nog in vijandelijk gebied en moest dus ingenomen worden. Maar het bevoorraden van de commandopost werd erg bemoeilijkt door het vijandelijk vuur. Kapitein B. M. W. Linden en stafsergeanten T. Burt en W. J. Tams werden voor hun optreden in deze campagne met het Militaire Kruis en de Militaire Medaille beloond. Twee uur na de eerste landing kwam het 39 e GT compagnie aan land en hun eerste taak bestond er in om antitankgeschut te leveren om het onderhoudskamp op het strand te beschermen. Het geschut werd afgeleverd onder hevige weerstand van de Duitsers en er werden drie Militaire Medailles uitgedeeld onder de troepen van deze compagnie. Een peloton van 127 e Compagnie, dat sinds 1941 deel uitmaakte van 30 e Corps, en onderdelen van 30 e Corps HQ Car Compagnie kwamen ook aan land tijdens D-day.

Een vrij lange tijd dachten de soldaten op het strand dat de landing een mislukking was geworden. De verliezen waren zo hoog. Maar stilaan begonnen de Duitsers terug te trekken en de Canadezen rukten op. Het werd ook hoog tijd want de zee trok landinwaarts en de kuststrook werd maar kleiner en kleiner. Veel van de soldaten die op Juno landde droegen een fiets met zich mee. Men opperde toen het idee, dat als men eenmaal landinwaarts zat, men gerust naar Caen kon doorfietsen.

aar het was niet zo gemakkelijk als men het gedacht had. De fietsen werden al vlug weggeworpen toen men zag wat een puinhoop het werd tijdens de strandgevechten.

Het 48 ste Royal Marine Commando, samen met het 4 de Special Service Brigade, landde nabij St. Aubin en vochten zich een weg naar het binnenland. Hier was het Duitse verzet ook zeer hevig. De laatste brigade van de verschillende divisies, het 9 de, kwam om 11h40 aan land. En toen kregen het invasieleger met een nieuw probleem te maken. De grote hoeveelheid aan verkeer op de nauwe kuststrook vertraagde het oprukken naar het binnenland. Al vlug zaten de wegen langs de kust vol met legervoertuigen en deze hinderde de beweging van de landtroepen.

Gelukkig begonnen de Beach Masters de stroom van het verkeer in goede banen te leggen en werd de verkeerschaos verholpen. De volgende lading landingstroepen stonden al klaar om via de wachtende invasievloot gelost te worden. Het waren echte hectische momenten daar op het strand. Overal reden tanks en landingsvaartuigen de duinen in. Ze waren volgeladen met allerlei materiaal en vooral die ‘verdomde fietsen’ die nooit meer zouden gebruikt worden. Daarom heen liepen de pas nieuw gelande troepen, die op hun beurt ook weer een fiets droegen en zich een weg zochten naar vaste grond.

Eens in het binnenland werd het man tot man en gingen de soldaten van huis tot huis. De Duitsers gaven hen zo maar niet gewonnen. Het ware geharde vechters en ging het dus niet zonder slag of stoot. Voorzichtigheid was geboden en de Canadese verkenners moeten hun werk goed doen. De 7 de Brigade Group bereikte de 50 e Northumbrian Divisie die van Gold strand oprukten. Het 8 ste en het 9 e Brigade Groepen stootte door naar het binnenland en stootte op sterk Duits verzet. De 1de Hussaren van de Canadese Gepantserde Regiment bereikte de hoofdweg naar Bayeux en Caen op D-Day. Zij hadden een tegenaanval verwacht en trokken terug om de infanterie die traag vorderde te ondersteunen. De tegenaanval kwam er in de vorm van de 21 ste Panzer Divisie. Zij drongen door de bres tussen Juno en Sword, en naderden de kust, maar werden tot stand gebracht door het gezamenlijk optreden van de Britse en Canadese troepen.

De avonturen van Vic en de RASC

Op het einde van de dag sloegen de RASC mannen hun tenten op in de boomgaard van de burgemeester. Langzaam kwam er een feestje op gang. Wat de bewoners van Bernières verbaasde was dat de ‘Tommies’ Frans spraken, maar al vlug ontdekten zij dat ze met een Franstalig Canadees regiment te maken hadden. De laatste flessen Calvados werden bovengehaald om de bevrijders te begroeten. Ook Vic en zijn mannen mengden zich onder de zingende en dansende mensen. Ze kregen even de tijd om met hun Canadese collega’s en de Franse bevolking te verbroederen. Maar na een lange dag als deze knaagde de honger. Normaal plaatsten de RASC jongens hun dozen met voedsel op de gloeiend hete uitlaten van de DUKW’s om zo hun eten op te warmen. Er waren ook wel blikken met snelbrandend poeder, die net zolang brandden tot de maaltijd klaar was. Maar de Britten werden aangenaam verrast door de Canadezen, want zij waren er in geslaagd, om een deel van de veestapel van een vriendelijke boer over de kling te halen en zo at men die avond echte biefstukken in plaats van de geplande ‘K ratsoenen’. Maar lang mocht er niet gefeest worden, want de taak van de RASC soldaten bestond er in om de bevoorrading op gang te houden. Na D-Day volgde er nog een dag van hard werken en zo lang er niet genoeg GT compagnies geland waren gingen de DUKWs gewoonweg door met de dumplocaties te bevoorraden. Maar vanaf het moment dat er verdeelzones werden opgezet in de buurt van de stranden, dropten de eenden hun lading in het zand en keerden via een controlepunt (de ‘Beachmaster’) terug naar de zee. Zodra de zon op kwam moesten zij zich aanmeldden bij deze ‘Strandmeester’. De strandmeester was de verkeersleider en havenkapitein van een welbepaalde kuststrook. Deze officier regelde het verkeer en het vervoer op JUNO strand en zo regelde hij ook de dagindeling van de hardwerkende transporteenheden. Tijdens de ‘Langste Dag’ werden alle geografische plaatsen op de landingskaarten in codes weergegeven en de normale Franse namen van steden en dorpen werden vervangen door coördinaten A en B op vereenvoudigde kaarten. De verkeersleider duidde op deze kaarten de route over het water aan, zo dat men wist welk cargoschip je moest aanspreken en op diezelfde kaarten werd de route aangegeven op het land, zo dat je wist waar je moest gaan droppen. De jongens van de RASC reden keer op keer een halve cirkel achter de kustlijn, doken in zee en vaarden een half rondje op zoek naar het volgende vrachtschip. Zo schokten zij dwars door de hel van de landingszone heen. Er werd voornamelijk munitie opgehaald voor de stoottroepen en later werd het brandstof en andere zaken. Dan vol gas naar de kust, aan land gaan en naar de afgesproken opslagplaats rijden hopend dat de vijand het niet op uw voertuig gemunt had. De militairen moesten de aangeduide plek op de kaart vinden, de vracht afwerpen en dan terug de zee in om een nieuwe lading goederen op te halen. Zo werd achter de kust, in de velden, vaten met allerlei soorten brandstof, materieel voor de genietroepen, medisch materiaal, voedsel en reservekledij voor de militairen gedropt.

Een paar dagen na D-day werd Victor Tuffin bevorderd. Hij mocht geen toertjes meer varen of rijden, want hij kreeg het bevel over de onderhoudsploeg. Op de stranden hadden zowel de linker als de rechter aanvaldivisie twee ondersteunende strandgroepen. Elke strandgroep bestond uit een onderhoudsploeg, een voorraadruimte voor eigen materieel en een benzineopslagplaats. Binnen de eerste drie dagen van de landing werden de onderhoudszones voor de 50 e en de 3 de Canadese Divisies zonder veel problemen opgericht. Zes uur na de landing, landde DDTS 30 Corps en deze stelde vast dat er reeds een werkende opslagplaats was voor eigen materieel en een functionerend brandstofdepot. Het onderhoud van de voertuigen was echt wel noodzakelijk, daar het heen en weer rijden in water en wind veel van de amfibieën eisten. De soldaten moesten op vaste tijdstippen stoppen en de ‘strandgarage’ binnenrijden en een onderhoudsbeurt laten uitvoeren. De Britten hadden dadelijk na de landing een klein RASC kamp met onderhoudszone veilig gesteld in de buurt van het Bernières-strand. Het werk begon iedere dag stipt om 4 uur 30 en eindigde altijd bij zonsondergang. Het verversen van de olie van de eend werd het grootste karwei. Dit gebeurde zo wel voor de marinekoppeling als voor de veldkoppeling. De waterdichting van het stuurmechanisme werd ook gecontroleerd en de vetnippels werden geïnjecteerd met het nodige smeervet. Bij deze éénmalige spuitbeurt verdrong het nieuwe vet het oude, het nieuwe spul ging er in en de oude brei spoot er uit. Natuurlijk werden ook de zes banden regelmatig en zorgvuldig nagekeken. Deze banden werden onder weg opgepompt en afgelaten via de compressor van de eend. Op harde grond steeg de bandendruk tot 25 kilo per vierkante centimeters en in het mulle zand zakte deze naar 10 kilogram per vierkante centimeters. Tijdens een opdracht bleven de chauffeurs onderweg de lekkende banden bijpompen totdat de jongens hun vracht kwijt waren en tijd hadden om naar het onderhoudskamp te rijden. In het slechtste geval konden de drie soldaten 1 van de zes banden in het open veld zelf vervangen. Het plaatsen van zo’n groot wiel was altijd een zware klus. Maar na een tijdje werd het gewoonweg een routinezaak. De mannen van de RASC bleven vrij lang in de streek van de Calvados rondhangen, niet voor de drank, maar voor het werk. Samen met de andere transporteenheden zorgden zij voor een geoliede logistieke opvolging. D-day was voor hen slechts de eerste werkdag geweest en de volgende dagen ging het werk gewoon verder. De geharde vechtersbazen waren toen van het strand verdwenen. Zij vochten in de buurt van Cherbourg en de buitenwijken van Caen. Op het strand werd er hard gewerkt om manschappen en materieel aan een hoog tempo aan wal te krijgen, want de geharde voetsoldaat verwachtte iedere dag een pakket van 15 kg, bestaande uit voedsel, ammunitie en materieel. De dienstdoende voertuigen hadden brandstof, ammunitie en vervangstukken nodig. Dagelijks werden er 2500 nieuwe voertuigen gelost met 3000 ton aan voorraad aan boord. Gedurende de daaropvolgende twee weken steeg dit cijfer tot 26.0000 ton. Op 11 juni vervoerden de ijverige DUKW’s op een volledige dag, van zes uur morgens tot zes uur ’s avonds, 10.850 ton goederen naar de stranden. Op 12 juni werden Winston Churchill en Generaal Eisenhower aan land gebracht. Op 14 juni arriveerde de ‘koninklijke’ DUKW met koning George VI in Normandië en twee chauffeurs van de DUKW’s ontvingen de Militaire Medaille op verzoek van het Amerikaanse opperbevel. 

Daar er geen beschikbare haven aanwezig was werden er twee kunsthavens, met de codenaam MULLBERRY, gebouwd in het Verenigd Koningrijk en deze werden in delen naar Normandië gesleept. Deze stukken waren op zichzelf reeds briljante mechanische constructies en vroegen heel wat navigatievaardigheid om deze op hun plaats te krijgen. De mullberrie havens waren van groot belang voor de Geallieerden. Zij zouden er voor kunnen zorgen dat de bevoorrading van de troepen en het onderhoud van het materieel op gang bleef. De dagen voordat de kunsthavens op hun plaats lagen, speelden de DUKW’s van 11 RASC DUKW compagnies een belangrijke rol. Zij zorgden voor het lossen van schepen die voor de kust voor anker lagen. De eenden voerden de voorraden naar de stranden en evacueerden gewonden van de stranden naar de LST’s (Landing Ship Tank). Het eerste konvooi van 45 schepen van de mullberries arriveerde de dag na D-Day en elke dag kwamen er sleepbootkonvooien bij. Zij sleurden caissons, pieruiteinden en stukken weg naar de kust. Eenmaal dat de reusachtige blokken aan mekaar verstrengeld zaten, dobberden de nieuwe vlottende havens voor de Normandische kust. De Amerikaanse haven vlotte in de buurt van St. Laurent en de Britse Mullberry haven vergaste Arromanches met zijn verschijning. Toen de mullberries verankerd waren ondersteunden de DUKW’s deze havens in een ruim aantal taken. Maar zelfs toen speelden de DUKW’s een grote reddende rol tijdens de gigantische storm die de havens teisterden op 19 juni. De verschrikkelijke storm duurde drie dagen en vernietigde een groot deel van de Amerikaanse Mullberry haven. Er braken 2 blokkadeschepen in twee, 24 van de 35 caissons werden uit mekaar geslagen en meterhoge golven scheurden de pier en de wegen uit mekaar. In totaal ging er een voorraad van 140.000 ton verloren en 800 schepen zonken of liepen vast op de kust. Te Arromanches had men meer geluk. De 500 landingsvaartuigen zochten bescherming achter de kunstmatige havenmuur en werden daardoor gered. De Amerikaanse haven was niet meer te herstellen en een deel werd naar Arromanches omgeleid en het overige deel werd op de oude manier via de kust gelost. Door deze tegenslag kwamen de oprukkende Amerikanen bijna zonder ammunitie te zitten. Ze hadden nog maar munitie voor twee dagen. De Britse troepen daarentegen kregen geen versterking en zij hadden drie divisie aan manschappen te weinig om hun opdrachten uit te voeren. Na D-Day en gedurende de strijd die daarop volgde werd het bruggenhoofd veilig gesteld en hier werden de meeste artilleriegranaten verbruikt. Daarom was het noodzakelijk dat de 50 e Compagnie tot 400 granaten (25 ponder ammunitie) per nacht afleverde aan de verschillende geschutsposities. Deze taak werd door de 508 e Compagnie uitgevoerd en zij werden ondersteund door een Gunner Regiment uitgerust met een wagenechelon. Tijdens deze dumpopdrachten stonden de schutters ook onder het bevel van de RASC.

De Canadezen waren na D-day vrij snel het binnenland ingedoken en waren tot bij Caen doorgestoten, maar daar sloegen ze hun tanden en wapens stuk op een zware Duitse Pantserdivisie. Dagenlang werd er geen vooruitgang meer geboekt. Daarom werd er eerst een zijdelingse troepen en pantser beweging gemaakt richting Cherbourg om het front van de Geallieerden uit te breiden en terrein te winnen op de Duitse troepen. De Amerikanen namen St. Lô en Cherbourg in. Er werden wederom twee Britse en Canadese aanvallen uitgevoerd op de stad Caen. Operatie Charnwood werd ondersteund door bombardementen van wel duizend bommenwerpers, bestaande uit Halifaxes en Lancasters van de RAF. Er werd 2500 ton aan bommen uitgeworpen op de buitenwijken ten noorden van de stad. Toen de rook van het bombardement opklaarde bleek de oude stad bijna geheel vernield. De Britten en de Canadezen boekten echter geen grote vooruitgang daar een groot aantal van de bommen hun doel had gemist. De Duitsers hadden zich ingegraven en vochten schijnbaar tot de laatste man. De Britten en Canadezen bestormden de stad en begonnen aan een reeks straatgevechten. Zij zuiverden huis per huis van de vijand. Uiteindelijk bereikten zij de Orne, maar stelden vast dat de bruggen waren opgeblazen door de Duitsers die hen aan de overzijde stonden op te wachten. Het duurde tot het einde van juli 1944 voor de andere zijde van de stad ontzet werd en de Geallieerden het volledige front konden opentrekken en oprukken naar het Noorden van Frankrijk. Alhoewel de Franse havenstad, Caen, gevangen zat in het kruisvuur van de geallieerden, wilden de Duitsers de stad niet vrijgeven en daarom werd er besloten om met de Amerikanen beroep te doen op de totale kracht van de gebundelde luchtmacht. Met operatie ‘Goodwood’ van generaal Montgomery aan de ene kant van Caen en operatie ‘Cobra’ van generaal Bradley gingen de Geallieerden weer in de aanval. Met deze operatie kon Patton zijn troepen richting Avranches laten uitbreken. Met de hulp van onder andere de bommenwerpers van de USAAF slaagde men er in meerdere bressen te slaan in de Duitse linies. Het zware bombardement duurde 2 uur waarop de Geallieerden konden rond Caen trokken en aan de westkant van Normandië liet Generaal Patton zijn pantsers oprukken tot voorbij Avranches. Na de val van Caen begon men aan het Falaise offensief terwijl men van de bevrijde streek rond Bayeux een uitgebreide logistieke ruimte maakte. Dit grote kamp werd de ‘Rear Maintenance Area’ genoemd en bevatte Bayeux en de omliggende dorpen. Het gebied bestond hoofdzakelijk uit opslagplaatsen voor voedsel, kleding, ammunitie en materieel. De genietroepen legden verschillende tijdelijke RAF vliegvelden aan en zo kwamen er opslagplaatsen voor brandstof voor vliegtuigen, tanks en andere oorlogsvoertuigen. In de buurt van Barbeville had men een Rode Kruis opslagplaats voor medisch materieel opgetrokken en de ordinantiekampen werden nabij de dorpen Longues-sur-Mer en Bronay opgezet. Vanaf het eiland Wight werd onder water de zogenaamde PLUTO (Pipe Line Under The Ocean) oliepijplijn opgezet,maar er kwamen ook dagelijks olietankers van Engeland naar Port-en-Bessin.

It’s a Long Way to Tipperary’ (oud Iers/Brits soldatenlied)

Eens dat de Geallieerden oprukten door Frankrijk moesten de jongens van de RASC hun vreemde eenden inleveren voor de vertrouwde Bedford en GMC camions die ze in Engeland hadden achtergelaten. In augustus 1944 komt de opmars van de Britten op gang. Victor kreeg het bevel over een nieuwe sectie. Deze keer bestond zijn groep uit zes camions met de nodige manschappen en de korporaal bereed een BSA moto om zijn zes voertuigen te begeleiden. Vic speelde regelmatig voor verkeersagent op gehavende kruispunten in vernielde dorpen en op spannende momenten moest hij zelfs met getrokken Brengun de straat vrijmaken voor het haperend verkeer. Want hij moest er voor zorgen dat zijn transporteenheid overal op tijd aankwam. Kortweg – zij moesten overal kunnen doorbollen en langzaam maar zeker kwam de trek naar Antwerpen op gang. Vader heeft geen echte verhalen over wat er met hem en zijn manschappen gebeurde tussen Caen en Brussel. Dat ging natuurlijk niet zonder slag of stoot. De achtervolging van de Duitsers werkte afmattend voor de logistiek van de bevrijdingslegers. Er waren nog andere brandhaarden onderweg te blussen, voorraadschuren op te trekken en bruggen te leggen. Op 25 augustus bereiken de Amerikanen Parijs en geraken de voorraden geblokkeerd. Tegen begin september gaan de Duitsers weer op de loop en worden er overal gevangenen gemaakt door de Geallieerden. In Antwerpen worden de Duitsers zenuwachtig en bereiden zich voor op de terugtocht en verschillende delen van de haven worden buiten dienst gesteld door springladingen. Op 3 september wordt een Goro lichter van 35 ton tot zinken gebracht bij de Royersluis. De wipbruggen en de Royersluis zijn beschadigd. In het Hanza, Leopold en Albertdok worden mijnen gelegd. Op dezelfde dag bevrijden de Britten Brussel.

De Bevrijding

“Roll me over in the clover, Lay me down and do it again”

De RASC eenheid van Vic belandde uiteindelijk in Brussel waar zij opgingen in de plaatselijke bevrijdingsfeesten. De dolle dagen in de hoofdstad waren gevuld met opzwepende danstunes en Brussel was toen nog een plezante stad waar schijnbaar alles mocht. Vader herinnert die periode nog, want hij had net zijn soldij weggegeven aan een malle vriend. Die gast was in de wolken. Nu had hij terug wat geld om met zijn vriendin van één nacht de bloempjes buiten te zetten. Die vriend van vader had geluk dat Victor zo’n eenzaat was. Hij trok bijna nooit op met de burgerbevolking. Victor had altijd wat hulp nodig om te ontdooien en als zijn kameraden hem niet meenamen dan bleef hij liever zijn trucks koesteren. Maar de rust en het feest bleef niet duren, want de volgende halte werd Antwerpen en daar zou alles veranderen. De jongens van de logistieke ondersteuning moesten hard werken om de aanvoer van benzine en munitie gelijk te houden. In het hoofdkwartier van de Geallieerden was er even een meningverschil over de tactiek van het doorstoten naar Antwerpen. Er waren namelijk twee plannen mogelijk, een snelle en korte doorsteekoperatie naar de haven of een breed front opbouwen en daaruit doorslaan. Uiteindelijk werd de laatste oplossing gekozen en na de ‘kermesse hèroique’ vertrokken de Britten in de richting van Boom. De haven van Antwerpen werd als aanvoerhaven de sleutel van de gehele operatie. De eerste beweging werd uitgevoerd door de 27 e Hussards van H-Compagnie samen met een Rifle Brigade en wat gemotoriseerde infanterie. Ze bereikten Vilvoorde en het Noorden van Mechelen en er klonk wapengekletter ter hoogte van de Dijle en de Nete. Ze werden onder vuur genomen vanuit Antwerpen door de Duitse 88 mm kannonen. Op de linkerflank volgde het 3 e Royal Tank Regiment van C-Compagnie en de tanks bereikten Dendermonde. Hun verkenners beten de spits af en daarna volgde het 159 e Infanterie Brigade van Majoor Generaal JB Church. Zij kwamen langs Aalst aanzetten. Op 3 september reed de 29 e Tank Brigade onder bevel van Commando Brigadier CBC Harvey Wolvertem en maakte deel uit van de 11 de Tank Divisie van Majoor Generaal GPH Roberts. Op 4 september ging de 29 e Tank Brigade naar Antwerpen via Boom en Mechelen. De 159 e Infanterie nam de zuidflank voor hun rekening. Onder bevel van Majoor John Dunlop werd het kruispunt Brussel-Antwerpen en Dendermonde-Mechelen bereikt en het fort van Breendonk komt in het zicht. Daar ontmoeten de soldaten de Belg Robert Vekemans van Bruggen en Wegen en hielp hen de bruggen van de Rupel bij Boom in te nemen. Er werd een omweg gemaakt via Willebroek en het Zeekanaal en met hulp van de mist werden de springladingen verwijderd en de Sherman tanks rukten op en trokken over de bruggen. Ze reden de Grote Markt van Boom binnen en vallen het Duits Garnizoen in de rug aan. In de strijd sneuvelde er één brug en de mannen van de RASC moeten in een ijl tempo onderdelen van een Bailey brug aanvoeren. Een eenheid van de Royal Engineers (geniesoldaten) zorgden ervoor dat de vervangbrug naast de kapot geschoten brug werd gelegd. Intussen trok Luitenant Kolonel DNH Silvertop naar Antwerpen op. Het B-squadron nam de richting Brussel-Antwerpen en het A-eskader ging via Mechelen en Hemiksem over Hoboken om zo de Schelde kaaien te kunnen bereiken. De Sherman tanks van het B-squadron bereiken de Jan Van Rijswijcklaan. Omstreeks 12 uur ontstaat een felle strijd met de Duitsers. De schermutseling duurde twee uur. Om 14h30 trok de Sivertop colonne langs ‘Permeke’ de stad binnen en reden door tot aan de Belgiëlei. De bevrijding van Antwerpen werd een feit. Majoor Noel Bear (Rifle Brigade) beschreef dit grote moment, toen hij het centrum van Antwerpen binnenreed, met de volgende woorden. ‘We kregen een verwelkomingsfeest waar wij nooit van hadden durven dromen.’ Maar het volksfeest werd af en toe onderdrukt door beschietingen door de Duitsers. Zij hadden zich namelijk aan de Linkeroever ingegraven en de mondig van de Schelde werd een vesting. Het verzet of het ondergronds leger kwam boven en hielp de bevrijders bij het opruimen van springladingen in de haven. Er werd gevochten aan de rand van de stad in het Noorden. De Linkeroever moest gezuiverd worden en het Albertkanaal vrijgemaakt van de Duitse troepen. Ook in Merksem en op de Luchtbal wordt er geschoten. Eens dat de ‘redt de haven (faze 2) achter de rug is kan de havenstad van voeding, kleding en het nodige materieel om de beschadigde sluizen en dokken te kunnen herstellen, worden voorzien. Langzaam maar zeker kunnen er terug schepen de haven binnen varen. De mannen van de RASC hielpen de Britse genietroepen bij het aanvoeren van zwaar materieel en onderdelen voor het optrekken van noodbruggen en andere installaties. Na een poos geraakte de haven opgesmukt en begon terug normaal functioneren. Schepen konden gelost en geladen worden en de bevoorrading langs het water kwam terug op gang.