"Het woord getrouw dat ge onbevreesd moogt spreken"
George Tuffin verhaalt over de geschiedenis van de kerk in de vlaamse gewesten.
Hoofdstuk 3 - (vervolgd)
De Kerk in 1950
3.5. HET JAAR 1950: kerkgeschiedenis schrijven
‘Samson and Delilah’ met Victor Mature en Heddy Lamarr
De Koude Oorlog wakkerde weer aan en in Amerika begon men aan de productie van de waterstofbom te werken, terwijl in de Lage Landen vredevol op de komst van een nieuwe zendingspresident werd uitgekeken. In 1950 begon de jonge mormoonse kerk in Vlaanderen en Nederland vaste vorm te krijgen. In Nederland arriveerde een nieuwe zendingspresident. Hij heette John P. Lillywhite. John bracht zijn vrouw Lilian en zijn dochter Dorothy met zich mee. Het trio nam hun intrek in het hoofdkantoor van de Lage Landen. Maar eens uitgepakt, bracht hun eerste opdracht, hen over de grens naar Antwerpen en Mechelen.
Gastin Garlick
Een positieve kentering in Mechelen kondigde zich via het werk van één bijzondere zendeling. Hij heette Elder Gastin J. Garlick. Hierna volgen dagboekfragmenten van een zendeling, wiens naam voor eeuwig met Mechelen verbonden zal blijven. Zijn optimistische houding, zijn liefde voor de stad en de mensen en zijn toewijding aan het werk, maakten van hem een celestiale zendeling. We zullen daarvoor altijd dankbaar zijn. Het is daarom goed om in 1950 de lotgevallen van de gemeente Mechelen erbij te nemen en deze te vergelijken met die van Antwerpen en zo merken we al vlug dat deze twee gemeenten met elkaar samenwerkten om Zion bij ons groot te maken. Daarom starten we met de dagboekverhalen van Elder Garlick die ooit gemeentepresident van Mechelen was. Op 9 januari 1950 ontvingen de Elders Hoffman en Shumway toestemming van de Burgemeester van Mechelen om brochures te verspreiden, zij volgden Elders Barker en Bacon op die de eerste zendelingen in Mechelen waren. De Burgemeester verklaart dat "het toegelaten is de brochures 'De zendeling spreekt' evenals 'Stralen van het levend licht' hier ter stede aan te bieden van huis tot huis"
Op zondag, 15 februari 1950, woonden de eerste Belgische mormonen een districtsconferentie bij. Deze ging door in zaal Cecile, een bekende concertzaal en vergaderruimte van die tijd. De zaal lag vrij centraal, namelijk op de Meir nummer 21. De conferentie werd opgeluisterd door het koor van Den Haag. De Nederlanders hadden die verre reis ondernomen om de Belgische leden te ondersteunen. In de zaal Cecile zouden de komende jaren nog van die districtsconferenties gehouden worden. De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen werd in die tijd vanuit het hoofdkantoor in Nederland bestuurd. De gemeenten waren nog te dun bevolkt om een Belgische of Vlaamse zending te kunnen ondersteunen. Daarvoor moest men nog 25 jaren geduld oefenen. Men nam de Nederlandse taal als gemeenschappelijke factor en de zendelingen die de taal leerden konden dan in Nederland en België aan de slag.
De jonge ‘Elders’ kwamen in Den Haag op het hoofdkantoor aan. In die tijd hadden ze een bootreis van een week achter de rug en het zendingshoofdkantoor bevond zich toen nog aan de Laan van Poot in Den Haag. Een echte zendelingenschool (MTC) bestond er nog niet. Maar tijdens de zomer zou de zendingspresident de eerste stappen nemen om deze school te lanceren. De nieuwe zendelingen werden meestal eerst ergens in het noordelijke deel van hun zendingsgebied geplaatst om daar ervaring op te doen. Want België stond bekend als een pittig zendingsveld en de zendingspresident stuurde het liefst de sterke en meest ervaren zendelingen naar Vlaanderen. Natuurlijk gingen de zendelingen ook in Antwerpen van deur tot deur en zij werden regelmatig verplaatst. Zo ontstond er zendelingenverkeer in beide richtingen. Een dergelijke zending duurde toen nog vrij lang. De jongens waren hier voor 2,5 jaar en verbleven in allerlei pensions en huurwoningen. Midden de jaren zestig zou de periode teruggeschroefd worden naar 2 jaar. In de jaren 50 waren er ook een aantal zusterszendelingen te bekennen. Ze werkten meestal voor het zendingskantoor, maar daar kwam langzaam verandering in en in 1960 zouden de dames hetzelfde werk doen als hun mannelijke tegenpolen. De Elders die in België vertoefden, woonden vooral in de steden Gent, Mechelen, Oostende en Antwerpen. De coördinatie van dit zendelingenverkeer bleef in de jaren 50, 60 en 70 in handen van de Nederlandse Zending. Omstreeks 1961-1962 verhuisde het HK naar de Rijksstraatweg in Huizen.
Op 12 maart 1950 werd er een referendum gehouden om over het politieke lot van koning Leopold III te kunnen beslissen en het zou niet lang duren of onze zendelingen zullen meegesleurd worden in de koningskwestie.
Een oud driemaandelijks kerkelijk rapport van de Zending vertelde ons dat er op 30 maart 1950 een Elder Van L. Shumway van Mechelen naar Leeuwarden werd overgeplaatst om zo zijn zending verder te zetten. Op 1 april 1950 schreef Elder Garlick in zijn zendelingenrapport enkele belangrijke zaken en zo komt de eerste sprokkel kerkgeschiedenis over Mechelen aan het licht. ‘Gisteren gingen we naar Mechelen om met de Elders te werken. We willen nagaan of het de moeite loont, om de stad voor het zendingswerk open te houden. Op straat zagen we wel honderd priesters in rijen van 3. Daar werden kerkelijke seminaries gehouden. Het is het voornaamste bolwerk van Rome en het centrum van de katholieke kerk in het noordelijk gedeelte van Europa. We werden hier vrij goed ontvangen. Ik denk dat Mechelen nog 3 maanden langer zal open blijven voor het zendingswerk. De zendingspresident was hier op bezoek en vertelde me dat ik me volgende maand aan een overplaatsing mag verwachten.’ Op 5 april 1950 verliet Elder Harold R. Hoffman Mechelen, en reisde naar Gouda. Hij werd daar gemeentepresident. Op 15 april 1950 werden de Elders Hoffman en Shumway uit Mechelen overgeplaatst en de stad werd even voor zendingswerk gesloten. Maar op 20 april 1950 ontving Elder Gastin Junior Garlick bericht van de zendingspresident om in Mechelen te gaan werken als de nieuwe gemeentepresident. Hij verhuisde van Mechelen naar Antwerpen en Walter Squires Poelman werd zijn collega. Antwerpen werd heel even hun hoofdkwartier. Van daaruit dienden zij Mechelen weer op te starten.
De brief van de zendingspresident dateert van 20/04/1950 en is onvertaald:
‘Dear Brother, While making some transfers of missionaries throughout the mission your name has come up for consideration. I would like you to labor in Mechelen, as branch president, by first of may, together with Walter S. Poelman, as your companion. You can stay in Antwerp until this date and secure your rooms in Mechelen by that time. The former missionaries in Mechelen lived at the Vooruitgangstraat 26, most probably you may be able to take up these same quarters. I appreciate very much the fine work you have been doing in Antwerp, and am sure you will find new opportunities for spreading the Gospel in your new field of labour. May the Lord continue to bless you in all your endeavours and make your labours successful.’
Op 21 april 1950 schrijft Garlick: "Vandaag ging ik met broeder Belnap naar Mechelen Hij is de nieuwe districtspresident in België. Officieel heb ik afgelopen twee weken nog geen nieuwe collega gehad. We gingen onze huur betalen bij het postkantoor en eventuele briefwisseling van de kerk ophalen "
Op 22 april 1950: ‘Broeder Belnap bezorgde me vanmorgen een brief toen ik nog in bed lag. Het was een overplaatsing om als gemeentepresident in Mechelen te werken, met Elder Poelman als collega. Helemaal als verrassing kwam dat niet, want broeder Belnap zei me gisteren al, dat de plannen waren van president Lillywhite. Aan de deur ontmoetten we een vrouw die 23 kinderen had, 14 van hen zijn overleden. Zij is één van de vele leden die niet kan lezen." Op 26 april 1950 gingen Elders Garlick en Belnap ’s middags naar Mechelen om er een verblijfplaats te zoeken. De vorige Elders verbleven daar in een 3-kamer appartement achter een meubelfabriek. De eigenaar gaat morgen schriftelijk laten weten of ze er al dan niet opnieuw hun intrek kunnen nemen.’
Ergens eind april ontvingen de Elders een postkaart waarin hun te kennen werd gegeven, dat hun vorige appartement verhuurd zal worden. De hele tijd zochten ze tevergeefs in de stad, naar een andere woonst. Ten einde raad keerden ze terug naar de eigenaar, spraken met zijn vrouw en kwamen toch nog overeen om er 2 of 3 maanden te verblijven.
Op 1 mei 1950 en tijdens het feest van de arbeid verhuisden de zendelingen ‘definitief’ naar Mechelen. De stad was in feeststemming, de hele dag door waren er parades en muziekfanfares. Elder Garlick merkte op dat het hartverwarmend was om de boodschappers van het herstelde evangelie op een dergelijke manier te verwelkomen. Op 2 mei 1950 was de eerste straat waar ze langs gingen waarschijnlijk de Nekkerspoel, een lange straat, vlakbij hun woonplaats. Omdat ze de mening waren toegedaan dat ze slechts een korte periode in Mechelen zouden zijn, werkten ze vlakbij hun appartement om zo weinig mogelijk tijd te verliezen. Dit was een geïnspireerde beslissing want heel wat van hun onderzoekers kwamen uit die buurt. De zendelingen deden er 6 uur over om de hele straat af te werken. Zij overhandigden daar 12 traktaatjes " Stralen van levend licht.” Een vrouw aan de deur zei: " Waarlijk alles komt uit Amerika, nu ook godsdienst “ Al meteen nadat de zendelingen langs de deuren gingen, waren ze getuige van een wonderlijke ervaring. Nauwelijks waren ze enkele huizen verder of een vrouw aan de deur vertelde dat ze naar haar vriendin moesten gaan. De Elders dachten aan een misverstand en zeiden dat niemand wist dat ze vandaag hier zouden zijn, maar de vrouw hield vol dat haar vriendin dat wel wist. Verbaasd over wat ze zonet vernamen, gingen ze op onderzoek. De verwijzing bleek een café te zijn en die slaan ze normaal altijd over. Nu kwamen ze via de achtersteeg tot bij het aangrenzend pand. Nadat ze aanklopten en zich hadden voorgesteld, brak de bewoonster (later zuster Stevens ) in tranen uit. Ze werd zo aangegrepen door de Heilige Geest dat ze eerst geen woord kon zeggen. Ze deed teken om naar binnen te komen en plaats te nemen. Pas minuten later kon ze haar verhaal doen. Haar jongste dochter was op dramatische wijze om het leven gekomen en sindsdien was ze troosteloos. Een priester suggereerde dat haar dochter misschien zelfmoord had gepleegd en als gevolg daarvan in het vagevuur zou terechtkomen. Toen ze vroeg wat ze kon doen, kreeg ze als antwoord dat ze als boetedoening voor haar dochter zou kunnen betalen. Louise, een magere vrouw met geen al te beste gezondheid, besloot dan maar in haar vrije tijd te gaan kuisen. Het extra geld dat dit opleverde bracht ze wekelijks naar de priester die het aan de deur in ontvangst nam. Ze hield dit een tijdje vol, maar kreeg geen voldoening. Toen ze wanhopig werd en er diep over nadacht, bad ze vurig tot God. Ze had hulp nodig en vroeg Hem indien er iemand was die haar zou kunnen helpen, om die dan naar haar te sturen. Na het gebed ontving ze een krachtig en bevestigend gevoel dat God haar iemand zou sturen. Dat gevoel was zo krachtig dat ze het aan haar buurvrouw vertelde.
Ed Kimball
Als geschiedschrijver voor Antwerpen melden we nu Elder Edward L. Kimball aan. Ed kwam uit Provo, Utah. Zijn zendingsdagboeken en brieven van broeder Kimball spreken boekdelen over het leven onder de eerste Antwerpse heiligen. Hij was de zoon van president Spencer W. Kimball die hier als apostel en profeet in de komende jaren op bezoek zou komen. Ed Kimball diende 1 jaar in Antwerpen (1950 -1951) en in het jaar 2006 maakte de auteur van dit boek kennis met deze oude man via broeder Wilfried Decoo. Ed Kimball die zelf een behoorlijk geschiedschrijver was, stuurde stukken uit zijn zendingsdagboek en zijn persoonlijke brieven op. Op 12 mei 1950 werd Ed Kimball overgeplaatst van Nederland naar België. Hij reisde van Utrecht naar onze stad. Daar ontmoette hij zijn nieuwe collega. Elder Claron Spencer kwam van Salt Lake City.
Op het eerste gezicht leek België duurder te zijn dan Nederland. De huur van hun flat in Antwerpen was het dubbele van die in Holland en dat werd een tegenvaller. Op 21 mei 1950 mocht Ed zijn eerste toespraak geven in de avondmaalsdienst. Hij sprak over bekering en meer specifiek over het feit dat we ons dienden te bekeren van een aantal slechte gewoonten. Hij vond dat de leden van Antwerpen deze boodschap nodig hadden. Achterklap, roddelen en het verspreiden van leugens was hier schering en inslag. Op 27 mei 1950 vertrok hij met zijn collega naar een nieuwe buurt van de stad. Hij noteerde 38 afspraken, 24 weigeringen en 13 mensen die niet thuis waren. De zendelingen werkten hard en boden de Sinjoren een traktaat aan. Dat werd meestal vriendelijk aanvaard en daarna ging de deur dicht. Andere Antwerpenaars weigerden de brochure en klapten de deur ook dicht. Deze situaties waren vrij alledaags. Een streng gelovige katholiek had geen oog voor de folder en een gewone katholiek had totaal geen tijd voor godsdienstzaken. In deze nieuwe buurt ontdekten de zendelingen ook enkele joodse mensen. Maar die negeerden de zendelingen.
Elder Kimball moest inspringen voor de gemeentepresident en kreeg de leiding van de zondagsdiensten in handen. Zo kon hij wat praktijkervaring op doen. Vermoedelijk zou hij binnen enkele maanden de volgende leider van de gemeente worden. Ed kampte echter met taalproblemen. Dat was toen een grote ontmoedigingsfactor bij de zendelingen. Edward leek wel een kind dat een beknopte woordenschat hanteerde, vol goede bedoelingen, maar kon deze niet verwoord krijgen. Op 28 mei 1950 gingen Spencer en Kimball bij de familie Van den Wijngaert langs. Twee dagen later hielden de zendelingen een Bijbelstudieklas en op 31 mei had Ed Kimball de leiding van de ZHV. De Antwerpse ZHV bleef één groot heet hangijzer. Er zou vermoedelijk een kleine oorlog ontstaan zijn onder de zusters als hij er één tot ZHV presidente had aangesteld. Daarom moest Ed Kimball deze taak op zich nemen. Die dag slaagde Ed er in om het ZHV presidium te vervolledigen. Zuster Remoortel was al een tijdje eerste raadgeefster bij de ZHV. Elder Spencer en Kimball stelden zuster Van Ouytsel aan als 2 e raadgeefster en zuster Van de Wijngaert werd de ZHV-secretaresse.
Op 1 juni 1950 hield de gemeente een gezellige OOV-avond en de zendelingen vertoonden kortfilms die ze gehuurd hadden in een winkeltje in de buurt. Op 3 juni 1950 ging het werk in Mechelen vooruit. Op korte tijd vonden de zendelingen heel wat onderzoekers zodat ze ‘s avonds niet meer langs de deuren hoeven te gaan, maar al hun tijd kunnen besteden aan onderwijzen. Volgende week hebben ze 8 afspraken, meestal met nieuwe mensen. Elder Garlick verbaast zich over de vriendelijkheid van de mensen.
Op 8 juni 1950 dienden de zendelingen niet veel trackting te doen, ook vandaag spenderen ze de meeste tijd met onderwijzen. Op 7 juni gingen de jongens van Antwerpen bij zuster Pooters eten. Op 8 juni gaf Ed de Engelse les in de OOV. ‘s Zondags gaf Elder Kimball les in de zondagsschool te Antwerpen en in de namiddag reisden de Elders naar Gent en fungeerden daar als gastsprekers.
Op 11 juni 1950 nam Ed weer de leiding van de ZHV waar en op andere dagen fungeerde Ed als tijdelijke leerkracht in de ZS en de OOV. Het wel en wee van de Antwerpse gemeente leek vrij goed op het scenario van een Amerikaanse plattelandsdokter. Er werd hier geroddeld en gelogen, men steelt wat van zijn buur en men bezondigde zich aan immoreel gedrag. Ook zijn er ook nog een aantal kwade tongen die alles op hun pad voor je durfden te vernietigen. Maar Ed morde niet. Hij verheugde zich dat hij hier wat goed werk kon verrichten.
Op 16 juni 1950 werd zuster Roelands door de zendelingen van Mechelen bezocht. De Elders verkregen haar naam via een deurverwijzing, haar eigenlijke naam is Gertrude G. Kelley; In 1914 werd ze samen met 2 van haar zusters te Leeds, Engeland gedoopt. In 1916 tijdens de eerste wereldoorlog huwde ze Louis Roelands, een Belgisch vluchteling. Later verhuisden ze naar België. Haar man kwam op het einde van de tweede wereldoorlog, tijdens het bombardement van het arsenaal, aan het station, om het leven. Meer dan 30 jaar was ze inactief. Nu komt ze opnieuw naar de kerk met de enthousiaste geest van een bekeerlinge. Ze is de zendelingen zeer behulpzaam bij het zoeken naar een geschikte vergaderplaats. Ze heeft linnen doeken waarmee het avondmaal kan worden afgedekt en is bereid om mee te helpen de kerk te kuisen als het zover is.
Op 16 juni 1950 noteerde Kimball in zijn dagboek dat hij zich hier thuis begon te voelen. In Nederland was hij van oordeel geweest dat de Hollanders en de Amerikanen duidelijk van elkaar verschilden. Maar de Belgen leken meer gemeen te hebben met zijn landgenoten. De kinderen op straat speelden hier ook met knikkers, bij de Sinjoor behoorde de basketballsport tot één van de bekendste sporttakken van de stad en het voedsel hier bleek niet zo verschillend te zijn als dat van thuis. Het was zelfs van uitstekende kwaliteit, want de Elders mochten regelmatig bij de leden thuis komen dineren. De andere avonden aten ze thuis in zaal Benoit. Een aantal van de zendelingen ontpopten zich tot vindingrijke koks. Maar Ed meldde zich liever aan bij de vaat. De eieren zijn hier goedkoop, de Belg eet veel brood en er werd ook veel melk verzet. Wanneer de zendelingen soep kochten dan scoorde een blik champignonsoep het hoogst. Die kostte acht centimes en dat was vrij duur. Maar de andere soepen waren slechts 4 centimes. Daarom werd het leven toch niet zo duur. De jongens kochten zelfs aardbeien van zeer goede kwaliteit voor een zeer lage prijs. Maar op een andere dag werden ze dan weer in de zak gezet door een slimme kruidenier.
Op 18 juni 1950 werden er 10 personen gedoopt (het rapport vermeldt geen namen). Op 19 juni kochten de Elders wat spullen om een arme man te helpen. Elder Belnap en Hase brachten hun dagelijkse inkopen naar broeder Van den Wijngaert. Hij was een kleermaker, hielp hen met hun aankopen en waarschuwde hen om beter op te letten. De winkelier had de jongens 44 dollars aangerekend voor spullen die normaal 31 dollars hadden moeten kosten. In Antwerpen besloot men na een tijd de doopdiensten op de vierde zondag van de maand te houden. Men trachtte daar naartoe te werken (wat niet altijd lukte) en hield deze dag vrij. Het werd een zeer praktische regel onder de zendelingen en men verzamelde zo een aantal bekeerlingen bij elkaar en bespaarde op de huur van het stedelijk zwembad.
Op zondag 25 juni 1950 werd er gewone kerkdiensten gehouden Na de Zondagsschool werd er een doopdienst gehouden. Men vergaderde dan in het zwembad in de Lange Gasthuisstraat na de ochtenddienst. De bevestigingen werden dan meestal in de avonddienst uitgevoerd. Er werden toen 10 mensen gedoopt. Maar het persoonlijke verslag vermeldt alleen dat Elder Kimball zuster Marie-José Verheyden bevestigde en de Heilige Geest verlenen in de avonddienst. Er werden in totaal 2 oudere mannen, 3 oudere dames en 5 jonge vrouwen gedoopt. In die periode bestond de Antwerpse gemeente hoofdzakelijk uit vrouwen die fier waren op hun doopsel in de mormoonse kerk. Maar de zendelingen hoopten dat hier vlug verandering in zou komen. Daarom zochten ze ook naar mannelijke bekeerlingen, die waardig zouden zijn om het priesterschap te kunnen dragen.
Diezelfde dag gingen Ed en zijn collega bij één van de pas gedoopte zusters eten. De zuster was de zwijgzaamste zuster van de gemeente. Ze werd katholiek opgebracht, maar had geen nauw contact met haar parochie. Zij verloor haar echtgenoot 12 jaren geleden en begon toen de Bijbel te lezen. Zo vormde deze dame zich een bepaald idee over de ware “Kerk van Christus” en toen zij een mormoonse brochure in haar bus aantrof sprak die haar zo sterk aan dat ze naar de vergaderingen kwam. Daarna nodigde zij de zendelingen uit om haar thuis te komen onderwijzen. De dame werd daarop vrij vlug gedoopt. Ed vond dat zij een aanwinst was voor de woelige gemeente. Zij voldeed aan de ideale vereisten. Ze was stil, vriendelijk, niet te opgewekt, gewillig om mee te werken, attent, vrijgevig, en zeer gelovig. ‘We hebben meer van dat soort mensen nodig’, schreef Ed in zijn dagboek. Elder Spencer en Ed Kimball arriveerden daar te laat want er waren problemen met de tram. De maaltijd startte om 20 uur. Het voorgerecht bestond uit een gemengde koude schotel. Tomaten en komkommers met sneetjes koude ham en daar werd brood bij gegeten. Dan was er een kom salade met ei, ajuinsnippers en gewone salade vermengt met mayonaise. De warme hoofdmaaltijd bestond uit: spek, gebakken eieren, aardappelen, snijbonen en wortels. Daarna dronken ze heel veel water. Als dessert waren er kersen, melk en koekjes. Ed nam een beetje van alles en zo overleefde hij nauwelijks de uitgebreide, maar lekker diner. In de laatste 11 maanden had hij nog nooit zo uitgebreid gegeten. Om 10 uur hadden ze hun buikje rond. Toen haalde moeder Verheyden haar fotoalbums boven en de jongens zijn nog tot na elven blijven kijken.
Het was duidelijk dat onze zendelingen niet op de hoogte waren van een mogelijke oorlog met Korea. Want op die ochtend van 25 juni 1950 werd de sluimerende Koude Oorlog weer wakker geschud. Noord- Korea viel bij Zuid-Korea binnen en de Koreaanse Oorlog werd een feit. Enkele dagen later sprong de VS via de VN in de bres met militaire hulp. De Amerikaanse 7de Vloot werd door president Truman naar de Straat van Taiwan gestuurd en 11 dagen later bij de 3e bijeenkomst van de VN kreeg Generaal Douglas MacArthur het mandaat over een strijdkracht van 15 landen en 40.000 troepen om de invasie ongedaan te maken. Al vlug kregen de Noord Koreanen steun van de Russen en de Chinezen. De oorlog zou drie jaar duren en er zouden Migs en tanks geleverd worden. De Amerikanen zouden een vliegdekschip sturen en hun lichtgrijze en donkerblauwe jets gierden door het vijandelijke luchtruim. Samen met de GI’s zouden er ook NAVO vrijwilligers komen. Ook vader Tuffin was bijna terug onder de wapens geroepen. De RASC zocht vrijwilligers. Maar dat draaide gelukkig op een sisser uit. Anders hadden we helemaal met ‘de poepers’ gezeten. Ik was nog maar 2 jaar oud en de plaatselijke hamsterwoede ging aan mij voorbij. Even dacht iedereen dat er weer een nieuwe WO in de maak was. Gelukkig nam de angst vlug af en bleef het conflict voor ons een ‘ver-van-onze-bed-show’. Het leven ging gewoon verder.
Op 26 juni 1950 houdt hun succes in het zendingswerk te Mechelen aan, sommige onderzoekers zijn veelbelovend. De namiddag werd ijverig verder gezocht naar een geschikt kerkgebouw. Er zijn verschillende plaatsen waar ze terecht kunnen. Morgen zal de zendingspresident in Mechelen zijn om een keuze te maken. Op 27 juni 1950 was President Lillywhite te Mechelen en liet zijn keuze vallen op een gebouw van 3 verdiepingen in de Graaf van Egmondstraat nr.11. Het zal telkens voor 3 maanden worden gehuurd. De Elders betalen hetzelfde bedrag dat ze nu doen en de kerk, de meerkost. De benedenverdieping is een fotografiewinkel, daarboven woont de eigenaar en de derde verdieping zal dienst doen als kapel en als nieuwe verblijfplaats voor de zendelingen.
Op 28 juni 1950 hielden de Elders te Antwerpen ZHV in de namiddag en ‘s avond namen ze de bus naar Schelle om de familie Verhoeven te gaan bezoeken. Diezelfde dag kregen de Elders van Mechelen het zeer druk. Ze moesten 4 afspraken afwerken en dat was toen een heel pak werk. Er werd 1000 Bfr. betaald als voorschot op hun nieuw onderkomen. Voorlopig woont er nog een dokter die zijn praktijk daar uitoefent. Zaterdag a.s. zal hij verhuizen, dezelfde dag nemen de zendelingen hun intrek. Op 29 juni 1950 werd er overwogen een piano te huren, maar het kan ook zijn dat men een kleine ‘voetpomp orgel’ (harmonium) zal kopen. Het nieuwe kerkgebouw heeft voldoende plaats, zodat ook de zendelingen er hun intrek kunnen nemen. Zuster Roelands zorgde al voor enkele meubelen en wat kookgerei.
Op 1 juli 1950, gingen de Elders te Antwerpen bij de familie Bal eten en de jongens te Mechelen verhuisden tijdelijk naar het kerkgebouw om daar te werken. Er werden daar voorlopig nog geen kerkdiensten gehouden want alles moet nog in gereedheid gebracht worden. Op 2 juli gaf Ed les in de zondagsschool bij de volwassenen. Tijdens de avondmaaldienst sprak hij voor ongeveer 15 minuten en daarna gingen de Elders met de familie Verheyden mee.
Op 4 juli 1950 bracht een 'oud' Antwerpse onderzoeker het meubilair van de zendelingen naar Mechelen. Er werden 15 stoelen, 2 bedden, een tafel en een zeer grote koffer meegenomen. De Antwerpenaar ging ook bij zuster Roelands de dingen ophalen die ze beloofd had om mee te geven.
Op woensdag 5 juli 1950 werd er te Antwerpen ZHV gehouden. Dat was op een woensdagnamiddag en er waren vijf zusters en twee zendelingen aanwezig. Na de opening werd een schriftuurtekst gelezen en een zuster gaf een korte toespraak. Daarna mocht iedereen zijn getuigenis geven en de les kwam uit het Nieuwe Testament. De week daarop deden de Elders niets anders dan de leden bezoeken. Ze waren een beetje in de vergeethoek geraakt en de zendelingen moesten dat goed maken. De Elders moesten toen het huisonderwijs in overeenstemming brengen met hun dagelijkse zendingsopdrachten.
Een brief van 6 juli 1950 vertelt dan weer wat over de verhuis en de verdere ontwikkelingen in Mechelen.
“Zuster Roelands bood nog meer aan. Maar we wilden het niet aannemen. Dat is nu eenmaal hoe sommige mensen hier zijn. Ze zouden werkelijk alles geven wat ze hebben. De enige meubelen die we aanvaardden waren deze die ze niet nodig had. Een gezin uit Antwerpen gaf ons een tafeltje om er een gasbrander op te plaatsen, zelf maakte ik een boekenkast. U ziet ons appartement is nu wel vrij goed gemeubeld. Vanmorgen verwachten we mensen uit de elektriciteitswinkel om lichten te installeren. Eigenaardig genoeg zijn alle huizen die hier te huur staan, volledig leeg; zelfs geen lampje is er nog te vinden. De huurders moeten voor hun eigen gloeilampjes zorgen. De plaats is echt grandioos. Een nieuw gebouw, modern in alle opzichten. De huur bedraagt slechts 38 $ per maand. Ik denk niet dat we aan dezelfde prijs een dergelijk appartement in Amerika kunnen huren. We hebben een grote keuken met tegelvloer, warm en koud water. Het is de eerste keer in 14 maand dat ik ergens verblijf waar warm water is. De grote woonkamer heeft plaats voor zeker wel 35 stoelen en dan nog eens de tafel voor de sprekers met daarachter nog meer stoelen. Verder zijn er 2 grote halls, een badkamer (dat vind ik zo machtig aan deze plaats), 2 grote slaapkamers en van achter nog een klein terras. Ideaal als kerk en als accommodatie voor de zendelingen. Jammer dat het op het 3 e verdiep is, maar de locatie vlakbij het centrum maakt dat weer goed. Als iemand beneden aanbelt, dan hoeven we slechts een telefoon in de hal op te nemen en we kunnen dan direct met de persoon buiten spreken. Om hem binnen te laten drukken we op een knopje en de deur gaat vanzelf open. We zijn ervan overtuigd dat we deze plaats vonden als antwoord op onze gebeden. We wilden een goede locatie voor een kerk, waar eveneens de zendelingen konden verblijven en dat is precies wat we vonden”. Van 5 tot en met 10 juli 1950 ontvingen ze nog eens 10 stoelen, een kleine tafel voor het avondmaal en een podium voor de kapel werden aangekocht. De diensten worden voorlopig nog in Antwerpen gehouden.”
Op 8 juli 1950 schreef Elder Garlick een brief aan de Burgemeester van Mechelen:
“Wel edele Heer, Wij de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, wil graag vergadering hier in Mechelen houden. Wij zullen onze 1 e meeting hier houden aan de 16e van juli, indien het goed is. Dit zal geschied in het gebouw aan de Egmontstraat 11 op de 2e verdieping om 17 uur. Het onderwerp zal altijd iets aangaande de leer van Jezus Christus zijn. En ieder week daarna, wij zullen ook vergadering indien wij toestemming mogen krijgen. Vermits het land van België is een land van godsdienstig vrijheid; en ook een paar van de burgers van Mechelen zijn al leden van dezer kerk. Wij hopen dat het verlangt toestemming zal gegeven worden. De vergadering zijn wij, en een ieder is welkom. Hoogachtend uw dienaar en getekend door de Gemeentepresident.’
(bron: archief Mechelen "erediensten 1950").
Het antwoord van de Burgemeester verscheen op 10 juli:
“Als gevolg van uw vraag van 8 dezer, heb ik de eer u mede te delen, dat er geen bezwaar bestaat tegen het houden, op 16 juli en de volgende dagen van godsdienstige meetings in het huis Egmontstraat 11 op de 2 e verdieping.”
Op 14 juli 1950 verscheen er een advertentie in het 'reclame blad' met een uitnodiging de zondagsdiensten bij te wonen. “Het regende in deze periode zeer veel en het verheugd me dat Mechelen een socialistische Burgemeester heeft, zo niet dan zouden we nooit toestemming hebben gekregen hier te vergaderen.” (citaat Elder Garlick). Op 15 juli 1950 troffen de zendelingen in Antwerpen een plaats aan waar ze een klein orgel konden huren; deze werd per trein overgebracht. “Nu is alles in gereedheid om morgen echt van start te gaan. Eén probleem blijft; iemand vinden die het orgel kan bespelen. In het ergste geval zal ik het zelf moetendoen.”
Tijdens deze historische periode noteerde Elder Garlick dat: “er had de afgelopen weken hard geregend; ook vandaag nog, maar tegen de avond, net voor de allereerste vergadering in Mechelen, klaarde alles op. Sommige onderzoekers die hadden willen komen waren met vakantie. Ook president Lillywhite kon niet aanwezig zijn, daar hij voor een vergadering naar Denemarken moest.”
Op 16 juli 1950 trokken de zendelingen en de leden van Antwerpen naar Mechelen. De gemeente werd daar voor de eerste keer officieel opgestart. De vergadering viel best mee. De 4 zendelingen en 2 leden van Mechelen hadden er voor gezorgd dat ze 7 onderzoekers naar de vergadering konden loodsen. Op deze historische bijeenkomst telde men die dag 22 aanwezigen. Daaronder 2 zendelingen van Antwerpen; namelijk Elders Belnap en gemeentepresident Elder Edward Kimball (zoon van de latere profeet); en 8 leden van Antwerpen. Zuster Roelands had gezorgd voor mooie gordijnen in de kapel en alles zag er heel netjes uit. De verwachting bij de zendelingen waren hoog gespannen. Ze hoopten in de komende maanden verschillende mensen te kunnen dopen. Na de dienst in Mechelen bezochten Ed Kimbal en Belnap de familie Smits in Antwerpen.
In de zomer ontdekten de Elders dat het district Antwerpen ‘het kleinste district’ was van de Nederlandse Zending. Ze werkten in drie steden en er waren 12 zendelingen werkzaam in deze regio. Er woonden zes Elders in Gent, twee in Mechelen en 4 in Antwerpen. Ze hadden Brugge ook eens uitgeprobeerd. Maar het zendingswerk viel daar tegen. De Zending had de zendelingen daar weggehaald, na een korte proefperiode. De stad was kenbaar een katholiek bolwerk en het werk vorderde daar niet.
Een ongelovige leraar geschiedenis
Op 18 juli 1950 ontmoetten de Elders een ‘vreemd heerschap’. Ze hadden juist besloten hun dagtaak af te sluiten en belde aan bij hun laatste deur van de dag. Een korte gespierde, pijprokende man opende de deur. Ed overhandigde hem een traktaat. De heer vroeg hen om even binnen te komen. Het gesprek werd echter in de hal verder gezet. . Daar vertelde de man dat hij leraar geschiedenis was. Hij vroeg zich af waarom de Elders en de andere 350 protestantse sekten maar bleven rond gaan om te prediken. ‘De RKK is toch de enige ware kerk op aarde. Zelfs Luther had tegen zijn stervende moeder gezegd om zich steeds op het katholieke geloof te blijven beroepen.’ Ed Kimball trachtte de leraar te vertellen dat ze geen protestanten waren. Maar de man luisterde niet. Hij was er ook van overtuigd dat de Elders en hun kerkleiders goed betaald werden om dit werk hier in Antwerpen uit te voeren. Elder Kimball vertelde hem dat ze dit werk gratis deden. ‘Dat zijn dikke leugens’, zei de leraar. Ed kreeg toen even de tijd om de geschiedenis van de kerk te vertellen. Maar de man onderbrak hem weer en vroeg hem hoe lang hij gestudeerd had. Toen zei Ed dat hij twee jaar universiteit achter de rug had en zo verklaarde de man de zendelingen wel voor gek. ‘Na die studies kan je toch niet meer blijven geloven in die dingen die jullie prediken. Nu moet u toch beter weten’, zei hij en voegde er een vrij onbeleefde opmerking over de zendelingen aan toe. Toen werd Ed bijna boos. De Elder twijfelde sterk aan de kwaliteiten van de geschiedkundige. Hij nam zelfs geen tijd om naar hun boodschap te luisteren. De leraar begon hun brochure theatraal stuk te scheuren en wees hun naar de deur. Ed gaf vlug zijn getuigenis en verliet het pand samen met zijn collega.
Op 20 juli 1950 waren er de eerste problemen met de huisbaas te Mechelen. Enkele dagen na hun eerste historische vergadering. De man is fotograaf en de winkel is op het gelijkvloers. Eerder al liet hij verstaan niet erg op te lopen over het feit dat zijn naam in verband zou worden gebracht met een ander kerkgenootschap; het zou zijn zaak geen goed doen. Drie lange uren spraken de zendelingen over het appartement en het evangelie, maar konden hem niet tot andere gedachten brengen. Hij bleef zijn bezorgdheid uitdrukken over hoe de parochianen zouden reageren, als de mormonen daar zouden blijven vergaderen. Om zijn zaak niet te verliezen, vond hij het beter om het contract met de kerk op te zeggen. En toch gaf hij toe, dat vergeleken met de katholieken, de mormonen een jong en dynamisch volk zijn.
Op 22 juli 1950 werd Ed Kimball gevraagd om in te springen als voorlopig gemeentepresident van de Antwerpse gemeente. Zijn aanstelling zou pas in augustus een feit worden. Elder Kimball zag op tegen de moeilijkheden die deze taak met zich meebracht. Zijn eerste taak bestond er uit om met zuster Verhaegen te praten over haar liefdesproblemen. Het was ergens logisch dat Ed deze functie toevertrouwd kreeg. Hij vertoefde hier al zo lang en een groentje zou zich weer volledig moeten inwerken. Maar de Elder stond niet te springen om deze taak op zich te nemen. Met het zendingswerk alleen al, had hij werk genoeg. Later op de dag haakte één van hun onderzoekers die ze bezochten af. De man bleef vriendelijk, maar bekende dat hij hun idealisme niet deelde. ‘In een sterk katholiek land als België moest je wel zeer sterk in je schoenen staan om je bij een minderheidsgroep aan te sluiten en er dan ook nog openlijk voor uit te komen.’, waren zijn woorden.
In Mechelen keken de zendelingen al uit naar een nieuwe vergaderplaats in geval ze moeten verhuizen. Ze zijn niet van plan om het er zomaar bij te laten. Het contract dat ze tekenden was voor minstens 3 maanden geldig, vóór die tijd kan de eigenaar van hun niet eisen om te gaan verhuizen.
Op 23 juli 1950 verliep ook de tweede avondmaalsdienst zeer vlot. Schutz en Burdett uit Gent waren toen de sprekers. Elder Garlick speelde het orgel bij 3 lofzangen; de laatste lofzang 'Komt Heiligen komt' werd zonder begeleiding gezongen. Vandaag was het de 103de verjaardag van de eerste pioniers die in zoutmeer stad aankwamen. Er waren 14 aanwezigen. In Antwerpen had Elder Kimball de leiding van de diensten. Hij gaf les in de priesterschapsvergadering, de ZS en leidde de avondmaalsdienst. Hij dirigeerde de lofzangen en sprak als slotspreker.
Op 26 juli 1950 schreef Garlick een brief aan zijn ouders:
“Een nieuw probleem doet zich hier voor. Een katholiek priester bezocht onze huiseigenaar, en verzocht hem ons buiten te zetten. Hij vertelde hem dat hij geen goed katholiek was, want hij laat mensen van een ander geloof bij hem logeren en er zelfs diensten organiseren. De huiseigenaar trachtte hem onze bedoeling uit te leggen, maar de priester werd zo boos dat hij niet eens wilde luisteren. Als hij ons niet aan de deur zet, dan mocht hij er van uitgaan veel klanten te zullen verliezen. Hij zal de mensen aansporen hun foto's ergens anders te laten maken. Aldus is de huisbaas zeer bezorgd en zal ons dit weekeinde laten weten of we kunnen blijven of niet. Zelfs al geeft hij onze opzeg, dan nog kunnen we wettelijk 2 maanden blijven. Hopelijk komt het niet zover, want alles loopt nu net uitstekend. De katholieken houden niet van concurrentie en zijn ons liever kwijt dan rijk. Gisteren ben ik dan zelf met de pastoor gaan praten. Hij zei niets tegen ons persoonlijk te hebben, maar hij wilde ons liever niet in zijn gemeente. Ik antwoordde hem, dat ook al slaagde hij in zijn opzet en worden we de deur uitgezet; zelfs al zouden we terug naar Antwerpen moeten gaan, dan nog zouden we dagelijks terugkomen om zendingswerk te doen en gezien wij de toestemming hebben om hier te mogen prediken, zal hij ons niet kunnen tegenhouden; tenminste niet tot bij de volgende verkiezingen. Ik ben ervan overtuigd dat we met de hulp van de Heer, een geschikte plaats zullen vinden indien we moeten verhuizen. Ik neem aan dat de president, de zendelingen zo lang mogelijk hier zal willen houden, want er zijn hier vele mensen die klaar zijn om het evangelie te horen als ze de kans daartoe zouden krijgen. Jullie hebben intussen ook al wel gelezen dat de Koning der Belgen terugkeert. Het lijkt alsof de socialisten hem weg willen. Op het ogenblik zijn er al wat problemen in het zuiden van het land. Hier bij ons zijn de mensen bijna allemaal voor hem en ik verwacht dan ook geen noemenswaardige problemen. Vorige zondag kwamen de zendelingen van Gent en gaven een toespraak. Niemand kon het orgel spelen, dus heb ik het maar geprobeerd. Ik speelde enkele lofzangen en maakte slechts 3 of 4 fouten. Ik zal wat meer moeten oefenen en andere lofliederen aanleren, zodat het niet zou gaan vervelen, om steeds hetzelfde te spelen. Ik ga nu eindigen want in 15 minuten hebben we een cottage-meeting bij de bakkers thuis, dat is waar we vroeger verbleven”.
Op 28 juli 1950 hield de gemeente een picknick onder leiding van de zondagsschool. De leden en de Elders namen de tram naar het Nachtegaalpark en daar deden ze enkele balspelen. ’s Middags aten ze de klaargemaakte sandwiches op. Tijdens het sporten, in de namiddag, liep zuster Verhaegen een blauw oog op. Zij werd geraakt door een softbal, maar het viel best mee. Wat later werden een aantal meisjes door de jongens onder de voet gelopen en iedereen kon er mee lachen. Het was gewoonweg een deel van het spel en iedereen amuseerde zich goed. Op 29 juli 1950 dachten de Elders van Mechelen een geschikte locatie voor een ander kerkgebouw te hebben gevonden, maar toen de eigenaars er achter kwamen voor wie of wat het gebouw zou moeten dienen, wilde men het niet meer verhuren.
De Koningskwestie
In Antwerpen ontstond er een politieke discussie in de ZS-les over de Vlaamse kwestie. De Amerikanen wisten daar geen blijf mee. Zo hadden ze gemerkt dat er in maart 1950 in Wallonië een algemene staking tegen de terugkeer van de koning werd gehouden. De liberale partij verliet de regering en nieuwe verkiezingen werden gehouden in juni 1950, met als inzet de koningskwestie. Bij deze verkiezingen, waarbij voor het eerst ook vrouwen stemrecht hadden, behaalde de CVP de volstrekte meerderheid. In België stelde de voorlopige regering Duvieusart op 20 juli1950 vast dat men eindelijk terug zal kunnen regeren in ons land. Maar het volk dacht er anders over. Want vooral in Wallonië , maar ook in Vlaanderen , werden er nieuwe stakingen gehouden. Te Grâce-Berleur , in de buurt van Luik, vonden enkele betogers de dood door kogels van de Rijkswacht. Kortom de koning was terug naar België gekomen en zijn komst had het land terug in moeilijkheden gebracht. Het was verdeeld geraakt en er waren onlusten en stakingen uitgebroken. In zaal Benoit vroeg een lid aan de zendelingen voor wie hij nu moest kiezen. Voor de koning of voor de arbeidende klasse. Ed kende zijn Leer en Verbonden zeer goed en verwees naar de plek waar we geloven om onderdanig te moeten zijn aan koningen, presidenten en andere machthebbers. Zodanig zelfs dat we de wetten van het land eren, gehoorzamen en mede ondersteunen. Maar waren deze woorden hier wel van toepassing? Als Ed in de schoenen van deze broeder zou gestaan hebben, zou hij vermoedelijk partij gekozen hebben voor de oproerkraaiers en de koning helpen afzetten. De koning stond niet goed in zijn schoenen. Tijdens de oorlog had hij zich aan de zijde van Duitsland geschaard en is mede verantwoordelijk voor de verliezen die België tijdens de oorlog opliep. Hij had ook niet ingegrepen toen de nazi’s Belgische arbeiders naar Duitsland lieten komen om daar te werken. De katholieke kerk is hier de sterke macht achter de koning en daarom steunden de katholieke mensen de koning. Het is ook de eerste keer dat er zo veel nonnen en priesters naar de stembus trokken. De koningsgezinde kiezers wonnen nauwelijks en het land verloor zijn eenheid en daardoor zijn er onlusten en stakingen ontstaan. De arbeiders, vooral socialisten, hadden angst dat het land een stap ging terugzetten naar de werkcondities van voor de eerste wereldoorlog, waarbij de arbeider de lijfeigene werd van de alom machtige patroon. Daarom moest Ed de vraag wat verbuigen. Hoe ver moest onze gehoorzaamheid gaan in zulk een zaak? Een revolutie die een koning afzet kan onder bepaalde omstandigheden een verbetering zijn voor het land. Hoeft men een heerser te ondersteunen die zijn landgenoten onderdrukt? De algemene regel is er één van gehoorzaamheid aan de wet, maar als die wet uw rechten niet meer verdedigt dan werd het misschien tijd om uzelf te verweren en de wet te veranderen. Meer kon Ed niet zeggen. Hij is geen Belg en het is hier een serieus politiek probleem waar hij geen weg mee wist. De bevolking kwam in opstand op een aantal plaatsen en er werd zelfs bloed vergoten. Maar dat hij de leden van de kerk moest aanzetten om hier een welbepaalde keuze te maken lag ver buiten zijn mogelijkheden.
In het holst van de nacht (30 juli 1950) werden de Elders iets na half twee wakker gemaakt. Elder Belnap, de districtspresident, is al op en snelde naar de telefoon. Het hospitaal meldde hen dat zuster Verhaegen zelfmoord had willen plegen. Belnap begreep uit het gesprek dat ze nog steeds kon sterven. Maar dat bleek later een misverstand. De verpleegster zei ook dat Verhaegen naar Belnap had gevraagd. De Elders kleedden zich aan en snelden naar het hospitaal. Elder Kimball kreeg het er koud van. Hij had schrik dat zijn gesprek met zuster Verhaegen er voor iets tussen zat. Want hij is de laatste die met haar had gesproken. Hij had gezegd dat Belnap verplaatst werd en dat hij haar niet meer mocht bezoeken. In de kliniek werden de zendelingen opgevangen door de politie en de nachtdokter. Ouderling Belnap liep de kamer binnen. Kimball bleef op de gang wachten. Zuster Verhaegen zat al rechtop en dat is een opluchting voor de Amerikanen. Ze is buiten levensgevaar. Na een tijdje kwam Belnap het volledige verhaal vertellen. De politie had haar thuis geagiteerd aangetroffen en ze klonk zeer verward. Daarom namen ze haar mee naar het ziekenhuis, waar ze een slaapmiddel toegediend kreeg, om zich te ontspannen. De Amerikanen brachten haar naar huis in een taxi en daarna gingen de jongens hun fietsen terughalen bij de kliniek. Omstreeks 3 uur lagen ze terug in bed. Dat is voor de nieuwe gemeentepresident (Ed) een slechte ervaring geweest. Maar gelukkig is deze niet zo slecht afgelopen. De volgende ochtend, 30 juli 1950, gingen Elder Belnap en Ed, bij broeder Van Maanen op bezoek en ‘s avonds hielden ze een Bijbelstudie. Na deze opwindende episode van de Elders belanden we terug midden in de Belgische kwestie, want op 31 juli besloot Leopold III tot troonsafstand, ten voordele van zijn zoon, koning Boudewijn . De Leopoldisten, die het referendum vooral in Vlaanderen hadden gewonnen, voelden zich verraden door dit compromis, maar de toestand stabiliseerde zich.
Op 31 juli 1950 hoorden de zendelingen uit België die op bezoek waren in het Hoofdkantoor zeer positief nieuws. President Lillywhite was erg opgetogen met hun werk en hun succes in Mechelen. Ook In het HK te Haarlem had de zendingspresident wat vooruitgang geboekt. Hij had daar een zendingsschool voor 12 nieuw aangekomen zendelingen geopend. Men leerde er de taal en de zendingslessen. Ook Ed Kimball meldde in september iets over de evolutie van de zendelingenschool en de kleine taalschool begon haar vruchten af te werken. De groentjes uit de VS werden allemaal naar de gemeente Haarlem gestuurd. Ze woonden en sliepen daar in het kerkgebouw en volgden daar elke dag les. Elke ochtend kregen de broeders en de zusters twee uur Nederlands. Daarna mochten ze hun 6 discussies inoefenen en hun evangeliebeginselen in correct Nederlands aan de man brengen. In de namiddag gingen ze dan de baan op om praktijkervaring op te doen. Ze mochten drie uren zweten en zwoegen bij bekende onderzoekers. Zo gleden ze van de ene deur naar de andere. De leerkrachten van het HK, de zendelingen van het hoofdkantoor, ondersteund door enkele lokale leden, rapporteerden al vlug dat ze onder de indruk waren van het succes van het opzet.
Op 2 augustus 1950 werd Elder Edward L. Kimball officieel te Antwerpen aangesteld als gemeentepresident. Op 4 augustus schreef hij dit in een brief aan zijn ouders en vertelde hen over de schermutselingen in Brussel en de daaropvolgende troonsafstand van de Belgische koning. Zo vertelde hij dat vooral de Walen zeer boos waren op de vorst. Naar het schijnt had de koning het Vlaamse volk voorgetrokken en er voor gezorgd dat de Vlaamse krijgsgevangenen en opgeëiste arbeiders naar hun land konden terugkeren. De Waalse mensen echter zaten nog steeds in Duitsland vast. In Brussel verzamelden de socialisten zich voor het paleis van de koning, terwijl er wagens aanreden met bloemen voor de terugkerende koning en een aantal mannen sprongen voor de auto’s. De socialisten schreeuwden moord en de katholieken zeiden dat het enkel een spijtig ongeval is. De meute begon de straat op te breken en auto’s te vernielen. De politie moest tussenbeide komen en chargeerde met getrokken sabels. Zij werden met straatstenen bekogeld. Vele mensen werden gewond en zelfs een klein meisje viel onder de slachtoffers. Brussel werd afgesloten van de buitenwereld. De taxi’s reden niet, de trams stopten en het treinverkeer viel stil.
Op 5 augustus bezochten de zendelingen de Antwerpse Zoo. Het is de fijnste zoo die ze ooit gezien hadden. In Mechelen zochten de zendelingen te Mechelen ijverig verder naar een nieuw appartement; ze blijven optimistisch. De volgende dag, 6 augustus werd de eerste getuigenisvergadering gehouden. De 2 zendelingen dienden voor 13 aanwezigen te zorgen en zo waren zij de hele tijd druk bezig. Als enige priesterschapdragers in de gemeente zijn zij belast, met zowat alles dat tijdens een vergadering moet geschieden.
Op 7 augustus 1950 het nieuw geopende gebied van de Elders te Mechelen is veel minder productief dan die van de omgeving rond de Nekkerspoel. In Antwerpen ontdekten de Elders dat een aantal leden Frans begrepen. In de avond gingen ze naar de familie Van den Wijngaert. Een huisgezin des geloofs, nederigheid en vol goede humor. Op 10 augustus is er weer Engelse les.
Op 12 augustus 1950 legt de minderjarige Boudewijn de eed af als prins en de zendelingen bezochten ze zuster Danijs. Op 13 augustus had Ed de leiding van de priesterschapvergadering en hij gaf les. In de ZS dirigeerde hij en gaf de les. In de namiddag moest hij het middageten klaarmaken. Later had hij de leiding van de avondmaaldienst en moest 25 minuten spreken. De leden en de onderzoekers klaagden dat de zendelingen te vlug werden overgeplaatst.
In Mechelen zorgde mevrouw Nuyts wekelijks voor bloemen in de kerk. Ze zal dat blijven doen tot aan de vorstperiode. Haar man maakte een knielbankje om bij het inzegenen van het avondmaal te gebruiken. Verder vermelden we in augustus dat de zendelingen een nieuw appartement vonden in de Stationsstraat 13, Het zal worden gebruikt als kerkgebouw en als hun verblijfplaats Weer is het een nieuw en modern gebouw; het vorige dat hier stond werd tijdens de oorlog plat gebombardeerd. Er is zelfs een lift; dat is een meevaller voor de oudere mensen die naar de kerk wensen te komen. Het contract loopt voor 3 jaar. Hiertegen kan de pastoor niets meer ondernemen. In augustus reisde Ed Kimball ook twee keer naar Brussel om een militair reisbewijs op te halen zodat hij Duitsland kon bezoeken. Dat deden ze per autostop. De truc was om een sticker van de USA op uw reistas te kleven en binnen de vijf minuten stopte er dan wel een wagen voor de Amerikanen. De Belgen waren vrij pro-Amerikaans in die tijd. Er stopte een grote Buick en ze mochten mee.
Op 16 augustus 1950 was er ZHV te Antwerpen. Op 17 augustus 1950 kwamen er heel wat mensen naar de kerk te Mechelen voor een gezellige avond. Er waren 22 aanwezigen en er bleef slechts 1 stoel onbezet. Op 17 augustus werd er te Antwerpen Engelse les gegeven.
Op 18 augustus gingen Ed Kimball en Belnap bij zuster Remoortel eten en daarna bezochten ze de familie Van Mossevelde, hun nieuwe onderzoekers.
Elder Garlick schreef weer naar zijn ouders:
“We komen net terug van een etentje bij zuster Roelands. Ze heeft een paar vrienden en zij komen steeds mee naar de kerk. Nadat we eerst bij haar geweest waren, gingen we ook haar vrienden opzoeken. Het lijkt wel alsof deze mensen nooit genoeg voor ons kunnen doen...De vrouw gaf ons een oude radio waarvan ze een kastje heeft gemaakt, daarin kunnen we ons voedsel opslagen. Als het zo doorgaat dan hebben we weldra alles dat we nodig hadden. Andere onderzoekers brachten ons koekjes en cakes. Ik begrijp niet hoe sommige mensen, indien het moet, werkelijk alles zouden geven, wat ze bezitten. Hoe meer ze geven, des te gelukkiger ze worden en des te meer interesse ze in de kerk schijnen te krijgen en dus zijn we zelf best ook tevreden. Onze huisbaas kwam even langs om te vragen of we al iets gevonden hadden. Hij zei dat de onderpastoor opnieuw was langsgekomen om nog wat meer problemen te maken. Ik had gehoopt dat hij ons zou vergeten maar nu wordt het toch duidelijk dat we zullen moeten vertrekken. We zijn al enkele keren bij een immobiliënkantoor geweest, maar ze zijn niet meer bereidwillig om ons verder te helpen. Misschien is de pastoor daar ook langs geweest. Toen we daar waren zei ik dat de vorige adressen die ze ons gegeven hadden te ver buiten het stadscentrum waren gelegen. Daarom vroeg ik om iets dichterbij. Hij gaf ons 2 nieuwe adressen en we hadden wederom pech. Het eerste adres was dubbel zo ver als het vorige en het tweede lag vlakbij een katholiek klooster ergens in de buitenwereld. Wederom gefopt!”.
Op 19 augustus planden een aantal zendelingen een reis naar het Passiespel in Oberammergau. Ze gingen op 11 september vertrekken en zouden zaterdag daarop terug zijn. Dat werd een busreis en de prijs viel best mee. Ed stelde vast dat hij vermagerd was. Hij had 6 kilo verloren, maar dat betekende wel dat hij nog steeds 5 kilo zwaarder was dan vorig jaar. Op 20 augustus na de ochtenddiensten gingen de Elders uit Antwerpen eten bij zuster Pooters en ’s avonds brachten ze de familie Van den Wijngaert een bezoek.
Op 20 augustus 1950 schreef Elder Garlick:
“We hebben 2 leden en 10 tot 12 onderzoekers; samen met de zendelingen een mooie groep om van start te gaan. Al direct na de eerste vergadering ging de pastoor naar de huiseigenaar en vertelde hem dat hij een slecht katholiek was, door ons de bovenste verdieping te verhuren en dat hij er ons moest uitzetten. Als hij dat niet deed dan zou de pastoor ervoor zorgen dat hij geen klanten meer zal hebben. De eigenaar is bang dat hij zijn dreigementen zou uitvoeren. Hij vertelde ons dat de pastoor zo kwaad werd, dat hij hem niet eens kon zeggen met welk doel wij hier waren. Toen we het huurcontract opmaakten kwamen beide partijen overeen een opzeg van 2 maanden te respecteren, daar kunnen ze niet onderuit. Uiteindelijk ging Ik zelf met de onderpastoor praten en vroeg of wat hij deed wel christelijk was. Hij gaf toe van niet, maar bleef erbij dat we uit zijn district moesten weg gaan. Ik antwoordde dat we dan zouden terug gaan naar Antwerpen en dat wij dagelijks met de trein zouden terugkomen om hier te kunnen prediken. Uiteindelijk mochten we nog een maand langer blijven. In ruil daarvoor moest het aankondigingbord van de deur worden verwijderd en tot overmaat van ramp mochten we ons adres nergens achterlaten op onze traktaatjes en ook geen reclame maken in de weekbladen.”
Op 21 augustus bezochten de Antwerpse Elders zuster Van Maanen omdat ze zeer ziek was. Op 22 augustus was het Bijbelstudieklas en de dag daarop verzamelde de ZHV. Op 24 augustus hadden ze weer Engelse les.
Op 26 augustus heeft Ed Kimball het even over de falende ‘Amerikaanse Droom’ en dat deze niet echt bestaat. Voor velen was de VS een land van melk en honing. Ook in de kerk werd dit ‘het beloofde land’ genoemd en werden leden nog steeds aangezet om zich daar te vergaderen (Gathering). Maar we moeten ons milder opstellen. Het beeld van Amerika was wat overdreven en vrij onjuist. Gelukkig pasten de meeste emigranten zich aan, verzoenden zich met de reële werk- en woonomstandigheden van de VS. De Belgen waren ook fier op hun eigen land en zij mochten hun streken ook een land van melk en honing noemen.
Vanaf 26 augustus 1950 stemde de Belgische regering in met de oprichting van een Vrijwilligerskorps voor Korea (VKK) en de Staat bracht de legerdienst op 24 maanden. Van de 2.000 kandidaten uit België en Luxemburg werden er slechts 700 geselecteerd voor de training in Marche-les-Dames en voor de opleiding in Leopoldsburg. Deze vrijwilligers werden getraind om voor de goede zaak en hun ‘beloofde land’ te gaan strijden.
Op 27 augustus waren er moeilijkheden tijdens de priesterschapsvergadering. Er was veel kritiek van de broeders. Tijdens de ZS mocht Ed de kinderen onderwijzen. Op 29 augustus werd er weer Bijbelklas gegeven en de volgende dag was het ZHV samen met een haardvuuravond voor de jeugd.
Op 1 september gaven de zendelingen te Antwerpen les bij hun onderzoekers, de familie Van Mossevelde en wat later bezochten ze de familie Dockx.
Op 2 september 1950 schreef Garlick (Mechelen) aan zijn ouders:
“We komen net thuis van onze maandelijkse districtsvergadering in Antwerpen. Eén van de zendelingen, Elder Kimball, wilde een oud onderzoeker van ons bezoeken, dus bezochten we na de vergadering de familie Dockx; ze zien er gelukkig uit sinds hun doop. Onze vergadering was uitzonderlijk geestelijk. President en zuster Lillywhite waren samen met enkele nieuwe zendelingen aanwezig. Het zijn werkelijk fijne mensen die al het mogelijke doen om het werk te promoten. In hun nabijheid kan men de geest heel sterk voelen. Rijk zijn ze niet; behalve dan in de dingen die men met geld niet kan kopen. Het meeste van hun tijd spendeerden ze als zendelingen. Vergeet niet dat President Lillywhite ooit ook zendeling was geweest en nu voor de derde keer als zendingspresident fungeerde. Er zullen spoedig verschillende overplaatsingen zijn en tenzij er iets tussenkomt zal ik wellicht een nieuwe collega krijgen, totdat deze met onze onderzoekers vertrouwd is en dan zal ik misschien nog voor 1 oktober worden overgeplaatst naar Holland. Ik zal dan een derde van mijn zending in België hebben doorgebracht. Het ziet ernaar uit dat onze gebeden beantwoord werden; we hadden de 1 e verdieping van een nieuw gebouw in het oog, maar het immo-kantoor wilde het niet als kerkgebouw aan ons verhuren. Nadat we het adres van de eigenaar in Brussel hadden bemachtigd en persoonlijk met hem waren gaan spreken, kwamen we tot een akkoord en mochten we het huren zo lang we maar wilden. De eigenaar liet ons verstaan dat hij niet bang is van die pastoor en dat die mag doen wat hij wil.”
Op 3 september gingen ze weer naar de familie Van den Wijngaert. Op 4 september eten bij zuster Thielens.
Op 8 september kwam broeder Smits de Elders vertellen dat zijn visa en die van zijn gezin in orde waren gekomen. Zij konden zich klaarmaken om naar de VS te emigreren.
Op zaterdag, 9 september 1950, werd de geplande picknick van de gemeente in de zaal gehouden daar het aan het stortregenen was. In Nederland zat President Lillywhite een beetje in de knoei met zijn overplaatsingen. Sommige zendelingen stonden er soms een tijdje alleen voor daar hun collega naar een andere gemeente werd getransfereerd zonder dat er een vervanger in zijn plaats kwam. Maar de zending beschikte maar over 200 zendelingen en soms waren ze toen niet goed te verdelen.
Op 11 september reisden een aantal Elders per bus naar Oberammergau voor het bekende Passiespel en Elder C. Earl Israelsen komt van Amsterdam naar Antwerpen. Hij werd districtspresident. Op 16 september 1950 werd er opnieuw te Mechelen een aanvraag gericht aan het college van Burgemeester en Schepenen om toelating te verkrijgen, kerkvergaderingen te houden, maar nu dan in het nieuwe kerkgebouw.
Op 19 september 1950 verliep er aangaande deze aanvraag een onderzoek; de Elders werden bij de gerechtelijke politie ontboden, waar een verslag van onderhoud werd opgemaakt.
Op 25 september werd broeder Van Maanen boos in de priesterschapsvergadering. Na de zondagsschool arriveerden er 50 leden uit Amsterdam. De districtsconferentie stond onder leiding van President Lillywhite. Hij had wederom voor een koor uit Amsterdam gezorgd. Een Elder noteerde een aanwezigheid van 100 mensen. Dat leek een goed cijfer als we aannemen dat er 50 leden van Antwerpen aanwezig waren. Elder Israelsen werd aangesteld tot de nieuwe districtspresident.
Teruggrijpend naar het Stadsarchief Mechelen - Erediensten 1950 vinden we dat op 25 september 1950 er toestemming werd verleend. "In antwoord op uw verzoekschrift d.d., 16 dezer deel ik u mede, dat het uw vereniging ' De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen ' toelating krijgt om Bijbellezingen te houden in het huis Stationsstraat 13. Met achting. - A. Spinoy, De Burgemeester"
Op 26 september werd er Bijbelstudie gegeven en Ed gaf de les. Normaal had broeder Van Maanen dat moeten doen, maar die kwam niet opdagen.
Op 28 september hielden ze ZHV en daarna bezochten Ed en Elder Spencer broeder Van Maanen. Ze hadden een uitvoerig gesprek met deze man en hij voerde het hoge woord. De Elders moesten vaststellen dat broeder Van Maanen zijn schriften beter kende dan de zendelingen. Maar hij was ooit Jehova Getuige geweest en dat verklaarde veel. Ed wenste dat hij ook een Bijbelkenner was. Later op de avond gaf broeder Kimball de Engelse les. De laatste vrijdag van september gingen ze bij zuster Remoortel eten.
Op 30 september 1950 schreef Elder Garlick wederom aan zijn ouders:
“Ik ben blij dat de week voorbij is; we hebben ons werk gehad. Vorige woensdag verhuisden we. 5 vrouwen van de gemeente gingen woensdagmorgen ons appartement schoonmaken. Het gehele verdiep werd grondig gekuist. Na onze boodschappen te hebben gedaan gingen we naar huis en begonnen alles in te pakken. De meest breekbare dingen hadden we al overgebracht. ‘s Avonds kwamen twee mannelijke onderzoekers vergezeld van hun vrouw en hielpen met de verhuis. We gebruikten daarvoor een omvangrijke kar; ik voelde me net een pionier toen ik die kar voortduwde. De voorbije twee maanden hadden we al heel wat meubelen verhuisd, nu moesten we nog 3 keer met de kar over en weer. Het was donker en om met alles wettelijk in orde te zijn, moest één van onze onderzoekers met een zaklamp voor ons uitgaan. De kinderen op straat maakten grapjes, maar dat vond ik niet erg; al schertsend, maakten we heel wat plezier”.
Op 1 oktober 1950 reisden de toenmalige president van de Nederlandse zending, Elder John P. Lillywhite, samen met twee zendelingen van het hoofdkantoor naar Mechelen. Zij bezochten de nieuwe vergaderplaats in de Statiestraat 13 te Mechelen. Daar werd de eerste avondmaalsdienst in dat gebouw gehouden. De leden en de onderzoekers luisterden aandachtig naar de zendingspresident. Hij was de belangrijkste spreker van deze avond. Diezelfde dag verhuisde de Elders naar het nieuwe kerkgebouw.
Elder Garlick noteerde toen: “Het vorige gebouw dat hier stond werd tijdens de tweede wereldoorlog door de Duitsers als kantoor gebruikt. Van hieruit werd beslist naar welke concentratiekampen mensen zouden worden gestuurd. Twee van hun onderzoekers bleven ervan gespaard, doordat het gebouw werd gebombardeerd. Het is nu een geheel nieuw gebouw. Broeder Poelmans ontving een telegram om zondag zijn afscheidstoespraak te geven. Hij zal naar Holland worden overgeplaatst.”
Maar op 5 oktober 1950 bezochten President Lillywhite en zijn zendelingen van het hoofdkantoor de vergadering in Mechelen weer. Toen president zag hoeveel mensen er kwamen opdagen, liet hij zijn plannen om de zendelingen over te plaatsen achterwege. Net voor Elder Poelman zijn afscheidstoespraak moest geven zei president dat hij mocht blijven. In plaats van te worden overgeplaatst moesten ze nu trachten zoveel mogelijk van hun onderzoekers in de komende weken, te dopen. Hij was buitengewoon tevreden over het mooie gebouw, de vertrekken van de zendelingen, en vooral over de opkomst. Hij zei dat geen enkele gemeente in de Nederlandse zending zo veel vooruitgang maakte in een zo korte tijd. Er waren 27 aanwezigen. De kapel zat vol; alle stoelen waren bezet. De meeste onderzoekers zijn erg geïnteresseerd.
Op 6 oktober vond Elder Garlick dat het kerkgebouw in Mechelen het beste gebouw in de zending was. Schijnbaar vond hij het leven in België goedkoper dan in Nederland. Dat was wat in tegenspraak met wat Elder Kimball dacht. Bovendien was het in Nederland veel kouder en gebruiken de zendelingen er zowat overal koolstoven, waarmee heel wat werk gemoeid is, en veel tijd verloren gaat. In Mechelen gebruikten de jongens waarschijnlijk een gasbrander.
Op 1 oktober 1950 schopten de leden in Antwerpen weer wat keet. De priesterschapsvergadering en de zondagsschool stonden in lichterlaaie. Daarom paste Ed zijn toespraak aan en sprak in de avondmaalsdienst over bekering. Hij hergebruikte een deel van zijn oude toespraak. De leden kregen de waarheid ongezouten voorgeschoteld. Ed vond het een goede toespraak, zelfs broeder Van Maanen kwam hem feliciteren en achteraf kwam zuster Pooters ook haar mening geven. Daarna zijn de Elders bij de Van den Wijngaerts gaan eten.
Op 2 oktober noteerde Ed wat over de problemen van de gemeente. De broeders schopten geregeld keet in de priesterschapsles en hij hoopte dat dit niet de gehele gemeente zou gaan ontwrichten. De herrie in de gemeente maakte Ed zenuwachtig en tegelijkertijd nederig van aard. Maar hij weet dat dit een slechte combinatie was.
Op 3 oktober 1950, onderwees Ed de Bijbelplaats. ‘s Woensdag vergaderde de ZHV en de volgende dag was er Engelse les.
Op 6 oktober 1950 verscheen er ook een artikel in de Volksgazet. Deze socialistische krant publiceerde een vrij goed artikel over ‘polygamie’. Natuurlijk werd er de kerk er bij betrokken, niettemin verwonderde Ed zich dat de reporters zo mild waren met hun kritiek. Want hij had vastgesteld dat de meeste Belgische leden zich over deze feiten schaamden.
Op 11 oktober schreef broeder Van Maanen hem een brief waarin hij Ed beschuldigde. Verleden week dinsdag had hij hen erop gewezen om in de diensten niet te luid te keer te gaan. Daarom zocht Ed wat teksten op over de verschillende manieren van prediken. De zondag overhandigde Ed dit lijstje met teksten aan Van Maanen. Maar hij kreeg de tijd niet om het met de broeder te bespreken. Vermoedelijk vond hij deze lijst een aanval op zijn persoon en daarom schreef hij een Boze brief terug. Ed had de teksten gebruikt om zichzelf te rechtvaardigen en daarom vond Van Maanen dat hij geen herder van de Heer kon zijn. Ed kon tot op bepaalde hoogte zijn betoog begrijpen, maar uiteindelijk bleef het een onbeleefde reactie. Ed schreef een antwoord en zou het in de ochtend even herlezen om het dan daarna op de post te doen.
Op 12 oktober 1950 werd de OOV geopend.
Op 13 oktober schreef Ed nog wat brieven, één voor broeder Van Maanen en één voor zijn ouders, daarna gingen ze eten bij zuster Remoortel.
Op 14 oktober beklaagde Ed zich over het feit dat de Zending nog niet over Nederlandstalige boeken van Mormon beschikte. De gemeente draaide niet goed en bepaalde teksten van het Boek van Mormon hadden hen misschien kunnen helpen. Er is één lid, broeder Van Maanen, die het zeer moeilijk had. Hij stond op het punt om afvallig te worden. De Elders zaten eigenlijk te wachten op zijn beslissing. De broeder was een persoon die zijn Bijbel heel goed kende, maar was van nature zeer emotioneel en had regelmatig last van driftbuien. Ed had de man willen kalmeren, maar zijn ingrijpen had de man nog bozer gemaakt. De zendeling hoopte dat het besluit van de man vredevol zou geschieden. Want hij werd er zenuwachtig van als men in de vergaderingen begon heen en weer te schelden.
Ed was nu ongeveer 15 maanden op zending en de meeste leden schenen allemaal dezelfde negatieve karaktereigenschappen te vertonen. Ze zijn te vlug op hun tenen getrapt. Ze zijn vrij onbescheiden in het verwoorden van hun doen en laten en ze vertrouwen elkaar gewoonweg niet. Ze laten hun kinderen meestal alles toe. Hun huisdieren, de uitzonderingen buiten beschouwing gelaten, zijn meestal overvoed en lijken op dikke worstjes die nauwelijks kunnen rechtop lopen. Hier en daar noteerden we een uitzondering, maar de meeste zijn Belg en katholiek. Plaatste men ze in een zondagsschool dan werd dat een hel om daar te kunnen overleven. Er doorheen geraken vergeleek hij met het afleggen van een kilometer door een stel gebroken bierflessen zonder gewond te raken. Maar zelfs onder deze mensen, met al hun gebreken, waren er enkelen die het hart van de zendelingen wisten te verwarmen door hun geloof, begrip, tolerantie en edelmoedigheid.
Het was geen pretje om in Antwerpen gemeentepresident te zijn. Het was niet het werk, maar de kopzorgen die je hier de das omdeden. Ed vermoedde dat hij tegen de tijd dat hij naar huis zou gaan, zijn voorhoofd vol met rimpels zou staan. Op 15 oktober bleek broeder Van Maanen kalm en vriendelijk te zijn. De zondagsschool ging voorbij zonder discussies. Later sprak ik over Geloof en daarna bezochten we zuster De Bruyn.
Op 23 oktober vermeldde Ed nog eens dat er nood was aan kerkboeken. WO2 oorlog was nu vijf jaar voorbij en de zendelingen hadden nog steeds geen voorraad Schriften kunnen aanleggen. De exemplaren van de Leer en Verbonden raakten uitgeput. Enkele verbitterde kerkleden beschuldigden de kerk ervan dat ze de boeken achter hielden om de lokale leden dom te kunnen houden.
Zondag daarop werd het weer een slachtpartij, een dienst vol geroep en bijtende argumenten. Een lid en een onderzoeker stonden er op dat het onderwerp van het meervoudige huwelijk werd besproken. Het gevolg is dat zij met hun tweeën zich tegen de kerk opstelden. In het heetst van de strijd zette Ed de Belgische manier van leven wat in de verf. De Belgen praten luid, lang, frank en tactloos. Maar als je dan iets terugzei dan zijn ze vlug op hun tenen getrapt en gekrenkt.
Ed dacht dat hij tegen een stoot kon en een dikke huid had. De leden hadden pijnlijke dingen over hem en zijn capaciteiten gezegd, maar hij had het overleefd. Een broeder noemde de zendelingen in Antwerpen onbekwaam. Misschien was er iets van waar, maar de persoon die dit verwoordde stond zelf niet recht in zijn schoenen. Kortom het is hier een vrij onstabiele gemeente en Ed hoopte dat hij de gemeente niet ging verknoeien voordat hij werd overgeplaatst.
Op 27 oktober vertrok de familie Smits naar Amerika. Op 29 oktober hield de ZHV een bazaar. Het werd een hectische dag voor Ed. Om het ding van de grond te krijgen moest hij veel werk verzetten en had enorme kopzorgen. De avond zelf stonden de zenuwen gespannen. Hij moest de rondlopende kinderen stil houden daar de baas van Café Benoit al eens gereclameerd had dat ze te veel lawaai maakten.
Overal had men hem nodig voor wat advies en raad, hij zweette en de zorgen overmanden hem. Toen de avond en het feest voorbij waren, wilden de leden niet naar huis en hij moest hen aanmanen om het pand te verlaten. Toen hij hen uiteindelijk toch buiten kreeg is hij aan het eind van zijn Latijn. Ed liet alles staan zoals het er stond en kroop in zijn bed. Dat is de zwaarste dagtaak die hij ooit heeft moeten oplossen. De kopzorgen had hij overschat.
De volgende ochtend had hij geen zin om op te staan. Maar hij moest nog alles opruimen. De nieuwe dag had weer zijn goede en slechte kanten. De priesterschapsvergadering verliep behoorlijk daar de ruziestokende broeder afwezig is. Zijn vervanger deed een beetje moeilijk maar dat moesten we er bijnemen. De zondagsschool echter was een ramp. De gevreesde broeder is komen opdagen, hij is er klaar voor en bestreed elke woord dat we onderwezen.
Gelukkig verliep de avondmaalsdienst sereen, daarna bezochten we enkele leden thuis en werden gelukkig opgebouwd door hun geloof. Zij hadden zich niets aangetrokken van het gekibbel der anderen. Ed maakte zich geen zorgen dat de mensen soms twijfelden aan de leerstellingen van de kerk. Maar hij ergerde zich wel aan het feit dat één persoon de boel op stelten kon zetten zonder er iets goeds voor in de plaats te zetten.
Elder Gerald L. Purser reisde op 3 november van Enschede naar Mechelen. De ene kwam en de andere ging. De groei van de kerkelijke gemeenten is niet spectaculair te noemen, men sprak van twee, drie tot vier leden per gemeente.
Op 5 november trokken Elder Garlick, Poelman en Ed Kimball naar broeder Van Maanen. Hij is in Antwerpen wederom van het rechte pad afgeweken. Ed had er een slecht oog op en hoopte dat het niet zijn schuld was. ‘s Zondags had Ed zijn alarm op 7 uur gezet, maar het ding liep niet af. Hij werd dan maar gewekt door stemmen op de gang en zo ontdekte hij dat het al negen uur is. Hij kleedde zich vlug aan, kamde zijn haar en begroette de leden. Hij startte de priesterschapsvergadering op, er was maar één lokale broeder aanwezig en gaf de andere zendelingen de dienst in handen. Zo kreeg hij even de tijd om zich te scheren. Die dag zijn ze nog bij zuster Pooters gaan eten. Op dinsdag hielden ze Bijbelstudie.
Op 11 november is het een feestdag. Het einde van de eerste wereldoorlog. Maar er werd toch ZHV en Jeugdwerk gehouden en tijdens de OOV moest hij de les geven.
Op 12 november verliep alles gesmeerd, maar na de zondagsschool dook broeder Van Maanen op. Hij is zeer ongelukkig en wilde mijn hand niet schudden. Ik had het weer gedaan in zijn ogen. De jongens bezochten ’s avonds de familie Dockx. Op 13 november bezochten zijn collega’s de familie Verhaegen. Op 16 november trachtte Ed de kibbelende zusters met elkaar te verzoenen. Maar ze wilden beiden gelijk krijgen. Ze waren beiden fout en begrepen het niet.
Op 18 november liet de zendingspresident weten dat hij een aangepaste versie van ‘het Anderson-plan’ wou gaan toepassen in de zending. Dit programma werd al gebruikt bij andere zendingen en het zal het proberen wel waard zijn. Dan moeten we niet meer zo veel traktaten uitdelen. Ed vertelde ook dat hij een boek aan het lezen was: ‘Het Mormonisme.’ Het was een antimormoons werk en in dat boek werd de kerk met alle mogelijke misdaden van de wereld beladen.
In de buurt van de familie Van Ouytsel ontdekte de collega van Ed een tweedehandse boekenzaak. Dat was naast het Rubenshuis en ze gingen zien of ze daar geen Boek van Mormon verkochten. Voor Ed begon het als een grap. Hij geloofde niet dat men dat boek daar zou verkopen. Maar toen ze de eigenaar aanspraken, glimlachte die en die kwam dadelijk aanzetten met een mormoonse Bijbel. Daar de zaakvoerder niet wist dat zij zendelingen waren begon hij het mormonisme voor de Amerikanen uit te leggen. Hij klonk vrij positief en hij wist dat de kerk de polygamie had afgeschaft, dat Salt Lake het bloeiende centrum van de kerk is en dat we een toonaangevende gemeenschap voor de VS waren. Het enige probleem dat hij met deze godsdienst had is het feit de mormonen de negers als een minderwaardig ras behandelden. Ed is onder de indruk van dit betoog. Het verwonderde hem dat de mensen in Europa deze kennis hadden opgedaan en waren blijven hangen in de eigenaardigheden van de kerk.
De volgende zondag stonden de zusters weer met getrokken messen over elkaar. Twee zusters waren weer over elkaar aan het roddelen geweest. Het waren twee jaloerse dames die elkaar niet konden vergeven.
Op 20 november klopten de Elders weer aan enkele deuren aan. Ed kwam in contact met een dame die niet echt geïnteresseerd bleek te zijn. Maar toen de melkman kwam opdagen werd het hem helemaal duidelijk. ‘Je weet toch wat de pastoor gezegd heeft, mevrouw. Jaag die Amerikanen weg!’ Gelukkig gingen ze op het einde van de dag bij de familie Van den Wijngaert eten.
Op 23 november 1950 was het voor de jongens Thanksgiving Day. De Elders stonden vrij vroeg op want ze moesten de bus voor Gent halen. De zendelingen van Gent hadden een diner geregeld voor al de zendelingen van het district. Het feest ging door bij één van de Gentse leden thuis. Het werd een heerlijke en zeer uitgebreide maaltijd. Er was fruitsalade, brood, aardappelen, sauzen, gemengde groenten, 4 kippen, 2 konijnen, jus, cranberry jelly, melk, punch, 4 soorten taart en 2 soorten cake.
Ed was zo opgewekt dat hij met zijn gastheer en gastvrouw een onderhoudend gesprek wilde voeren. Maar het gesprek vlotte niet, het was alsof hij met kinderen aan het praten was. Er was geen diepgang merkbaar en hij vroeg zich af of hij dat thuis ook niet gebeurde. Misschien was dat één van zijn slechte gewoontes, om over onbenullige zaken met vrienden te zitten praten? De mensen vertelden elkaar al vlug wat alledaagse zaken, de meeste volwassenen reageerden vrij dom en waagden zich niet aan een diepgaand gesprek. Maar hij had dat al eens meegemaakt in een OOV-klas. Toen hadden de aanwezigen samen met Ed een nieuw traktaat bestudeerd. Een folder uit de Barker series over de organisatie van de kerk. Ed vond het werkje vrij interessant, maar de andere leden vonden het vrij saai.
Het was vermoedelijk niet de fout van de leden zelf, maar wel de fout van hun opvoeding. Zo had Ed ooit eens een vragenlijst opgesteld en deze tijdens de kerklessen laten rondgaan. Hij had daarin naar hun studies gevraagd en daaruit bleek dat de oudste leden enkel naar de Lagere school waren geweest. Iets jongere mensen hadden iets langer gestudeerd en zij hadden technische diploma’s behaald en een beroep geleerd. De jongste leden studeerden langer (10 tot 12 jaar). Maar zelfs die hogere studies had hen geen academische graad opgeleverd. Zij hadden enkel een praktische training op de werkvloer gevolgd, de firma of hun baas had voor een technische of administratieve bijscholing gezorgd. Sommige leden liepen avondschool, leerden voor technisch tekenaar en vervolmaakten zich in steno- en dactylografie.
Ed vermoedde daarom dat het gebrek aan cultuur en scholing het geroddel in de kerk verklaarde. De leden, vooral die uit de volksbuurten, mensen die geen echte kans hadden gekregen om naar school te gaan, spraken hier alleen over andere mensen omdat ze geen ander onderwerp hadden om over uit te wijden.
Op 25 november gingen de zendelingen op bezoek bij zuster Rossaert en Remoortel. Op 26 november 1950 waren de Elders bij zuster Pooters gaan eten en op zondag sprak Ed in de avonddienst en op 29 november hielden ze, zoals gewoonlijk, een ZHV-vergadering.
De nieuwsbrief van de zending van december 1950 vermeldde de vooruitgang van de Mechelse gemeente.
“Het fenomenale succes in Mechelen, een kleine gemeente in de bekwame handen van Elders Garlick en Poelman dwingt van alle kanten lof af. Sinds ze er enkele maanden terug begonnen te werken, zijn ze er als een wervelwind doorheen gegaan. Ze maakten heel wat vrienden en ongeveer 25 mensen wonen nu de diensten bij. Nooit eerder zagen we president Lillywhite zo gelukkig en enthousiast als toen hij een paar weken geleden van Mechelen terugkwam. Een pluim voor de Elders daar. Proficiat!”
Op zondag, 3 december 1950, onderwees Ed in de Antwerpse zondagsschool en sprak ook in de avondmaalsdienst. Op woensdag, 6 december 1950, de dag van Sint Niklaas, ontdekte hij helaas dat de bestelde boeken van Mormon nog niet gearriveerd waren. De drukker zou ze maar pas klaar hebben tegen eind februari van volgend jaar. Dat was natuurlijk een ernstige tegenvaller voor de gemeente.
Op zondag, 10 december 1950, had Ed wederom moeilijkheden met twee broeders die afvallig waren geworden. Eén er van, broeder Van Maanen, leek er wel een spelletje van te maken. Die bekeerde zich na iedere woede-uitbarsting en bleef dan een tijd rustig om daarna terug te exploderen. Dat deed hij iedere keer als hij begon te twijfelen aan de mormoonse leer, trok dan ten strijde en sleurde soms de gemeente met zich mee. Maar die zondag zocht hij Ed op, om zich weer eens te komen verontschuldigen.
Op maandag 11 december 1950 werden er te Mechelen een aantal mensen gedoopt in het stedelijk zwembad: Frans Van Goolen (02/06/1896), Maria Van Goolen-Rijkmans (05/02/1900) en Madelaine Van Giersbergen (06/07/1888). Het verslag vertelt:
“Op 11 december 1950 was het kleine Mechelen het toneel van een doopdienst. 3 mensen werden gedoopt en als leden bevestigd. Er werd een geïnspireerde vergadering gehouden met president Lillywhite als voornaamste spreker. De diensten worden uitgezonderd een paar vaste leden steeds bezocht door vele onderzoekers”. (uit Nieuwsbrief van de zending).
Frans Van Goolen werd geboren te Mechelen op 2 juni 1896 en gedoopt door Elder Purser; de bevestiging geschiedde door Elder Garlick. De doopdienst vond plaats in het stedelijk zwembad van Mechelen. Hij was een beroepsmilitair met een heel zacht karakter. Een goed man, die van mensen hield en de mensen hielden van hem; zo ook de leden bij wie hij zeer goed stond aangeschreven en wiens vertrouwen hij altijd had. Van niemand hoorde men hem ooit één slecht woord zeggen. Hij was in alle opzichten een waardig gemeentepresident. Hij offerde zichzelf voor iedereen op en bleef altijd een sterk en toegewijd lid. Eens toen een zuster in geldnood kwam stelde hij voor om maandelijks een kleine financiële bijdrage te leveren, zodat de kinderen met de bus naar school konden gaan, wat de zuster in kwestie niet wilde aanvaarden, maar het is één van de vele voorbeelden waaruit mag blijken hoe bezorgd hij over ieder van de leden was. Kanker belette hem zijn taak verder uit te voeren. Eén keer hoorde men hem klagen: “Ben ik niet altijd in alles getrouw gebleven, heb ik niet steeds mijn tienden betaald? Waarom dan toch is dit me moeten overkomen, Heer?” Maar al gauw moeten de sterkende woorden uit Job 1:21 tot hem gekomen zijn “De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, Zijn naam zij gezegend” want tot de laatste dag bleef hij naar de kerk komen. Onze gemeente mag bijzonder trots zijn hem als 1 e gemeentepresident te hebben gehad.
Maria Theresia Rijckmans Van Goolen werd geboren te Mechelen op 5 februari 1900 en gedoopt door Elder Garlick; de bevestiging geschiedde door Elder Poelman. De echtgenote van broeder van Goolen was een goede zuster, maar kon ook hard zijn; ze zou steeds zeggen wat op haar lever lag. De zendelingen waren altijd welkom en mochten dikwijls bij hun eten. Ze leverde een grote bijdrage in de opbouw van onze gemeente, maar verliet na de dood van haar man de kerk; ze was er niet over te spreken dat bij diens ziekte en bij zijn dood, bijna niemand van het district naar hem omkeek. Ze was van Mechelen de eerste ZHV-presidente (1951 – 1957). Eind 1955 werd ze districtsoverzienster en in datzelfde jaar werden zij en haar man als eerste Belgisch koppel in de Zwitserland tempel voor tijd en alle eeuwigheid verzegeld.
Madelaine Adèla De Groef Van Giersbergen werd geboren te Mechelen op 6 juli 1888 en gedoopt door Elder Poelman; de bevestiging geschiedde door de zendingspresident John P. Lillywhite. Ook deze zuster zei alles wat op haar tong lag, maar ging al wel eens verder. Ze speelde graag baas, en praatte veel over anderen, wat niet altijd werd geapprecieerd. Maar ondanks dat en haar streng voorkomen was ze toch een goed mens; ze was altijd opvallend netjes gekleed. Ze was eerder welgesteld en kwam niets tekort. Ze verdiende goed haar brood als o.a. toilet dame in Hofstade tijdens het hoogseizoen. Vooral met zuster Roelands kon ze goed overweg. Ze waren de beste vriendinnen. Een taak in de kerk heeft ze nooit willen aanvaarden, maar op zichzelf is het al prijzenswaardig dat ze altijd actief bleef. Op het laatst werd ze dement, ze verbleef dan in het ‘Hof van Egmond’ In 1978 kwam ze nog één keer naar de kerk, na deze dienst begeleidden we haar terug naar het opvanghuis waar ze verbleef; ze kreeg een mormoonse begrafenis, volledig in de kleren van het heilige priesterschap.
Op zondag, 17 december 1950, ging Edward Kimball in Mechelen spreken. De maandag bezochten de Elders broeder Van den Wijngaert thuis, de donderdag ontvingen de Amerikanen het programma voor de jaarlijkse kerstdienst van het hoofdkantoor in Nederland en zij gebruikten deze richtlijnen om het geplande feest te verbeteren.
Op 18 december 1950 vertrokken Belgische NAVO vrijwilligers aan boord van de ‘Kamina’ naar Korea. De reis duurde meer dan een maand. De Kamina was een inderhaast omgebouwd schip. België beschikte namelijk niet over een schip die in staat was om een een dergelijk grote groep te vervoeren. Pas op 31 januari 1951 zette het Belgische bataljon voet aan wal in de Zuid Koreaanse haven Pusan en vanaf maart '51 werd het ingezet als onderdeeltje van de internationale troepenmacht tegen de Chinezen. Maar bij ons in Antwerpen keek men uit op een vredige Kerst.
Op zaterdag, 23 december 1950, hield de gemeente dan het befaamde kerstfeestje. Door het muziekprogramma werd het een groot succes en kon men op een vrij goede opkomst rekenen: Ed telde 69 leden en 25 zendelingen. Jeanne Gelijkens, een jonge dame, speelde op de piano en Luk Gelijkens vertelde een verhaal. Zuster Verhaegen las een gedicht voor en er waren geschenken voor de kinderen. Iedereen ging tevreden naar huis en de leden kregen nog een sinaasappel als geschenk mee naar huis. De ZHV betaalde een deel van de onkosten en de zendelingen de rest. Ed zette zich graag in voor de leden van de gemeente. Maar hij vond het hoog tijd dat er wat verandering in kwam. Antwerpen werd te veel door de zendelingen ondersteund. Het werd hoog tijd dat de lokale leden een deel van de verantwoordelijkheden gingen leren dragen. Daarom had hij voor het feest 4 zusters aangesteld om de geschenken en de drank aan te kopen. Ed had die dingen best zelf kunnen doen. Hij had toch tijd genoeg. Maar nu hadden zij het eens moeten doen.
Op 24 december, de zondag na het kerstfeest, kwamen deze 4 zusters echter niet opdagen. Hadden ze te hard moeten werken of waren ze boos op hem? Ed wist het niet, maar hij had zijn handen vol met de gewone diensten. Tijdens de zondagschool zongen de Elders een kerstlied voor de kinderen. Een afvallige broeder vroeg het woord en zo kreeg hij de gelegenheid om zijn dank uit te spreken voor het geslaagde feest. Ed vond dat fijn om te horen, wetende dat die man niet zo actief was als de andere leden.
Dieven op her verdiep?
Ook hadden ze weer last van zakkenrollers. Een week geleden werd Elder Marble zijn portefeuille gestolen in de gang van Café Benoit en deze zondag werd die van broeder Van den Wijngaert gestolen. Gelukkig werden de portefeuilles teruggevonden, maar ze waren natuurlijk leeg. Op de avond van ons kerstfeest stapte Elder Williams in de gang en betrapte de dief in de keuken. De man deed alsof hij ziek was en zei dat hij als bezoeker zijn kinderen kwam ophalen. Williams vroeg de man om even te wachten en ging hulp halen in de grote zaal. Maar de man had het al op een lopen gezet. Er volgde een achtervolging langs de leien en hij werd uiteindelijk gevat. Elder Williams benaderde hem langs voor, Marble kwam langs achteren en de man werd terug naar de kerk gebracht. Elder Marble ging de poetsvrouw halen om de dief te kunnen identificeren, want zij had weet van de vorige diefstallen. Williams riep Elder Israelsen, de districtspresident erbij, maar door die stommiteit kwam de dief plots even alleen te staan. Hij rende de trappen af en zo speelden de jongens hun prooi wederom kwijt. Maar uiteindelijk kon iedereen er mee lachen. Het was voor iedereen een grappig avontuur geweest. Maar dat was nog niet alles! Die zondag, met kerstnacht, gingen de jongens bij zuster Pooters eten en deze dame verraste hen met een fles wijn. Zij schonk hen elk een glas witte wijn uit. Speciaal voor de Kerst!, zei ze vol overtuiging, en volgens uw zendingspresident mogen jullie deze drank voor één keer drinken, voegde ze er uitgelaten aan toe. Natuurlijk begrepen de jongens dat dit een Antwerps verzinsel was, zij weigerden beleefd en kregen uiteindelijk limonade te drinken. Daarom deden de heren hun best om met veel vertoon van de aangeboden feestdis te genieten.
De maandag, op kerstdag, was het wederom feest voor de Amerikanen. Toen gingen de zendelingen bij de familie Dockx eten en daar verliep de avond vrij normaal. Op dinsdag, 26 december 1950, reden de Elders met de trein naar Mechelen om zuster Roelants te gaan bezoeken. Daar wachtte hen wederom een feestmaal en de opkomst was daar zeer groot. Er werden 3 kerkleden en wel 9 zendelingen verwacht. Om 18 uur startte het diner en er werd lekker gesmuld. Maar de Elders uit Antwerpen konden niet blijven tot het einde van de feestelijkheden. Ze hadden nog een andere afspraak. Een tijd geleden hadden zij al een stel operatickets gekocht. Natuurlijk verlangde zuster Roelants dat de jongens zouden blijven, maar ze moest ze laten gaan en daardoor was ze wat ongelukkig geworden. Maar dat was hun bedoeling niet geweest. Gelukkig haalden de Amerikanen nog net hun trein en genoten wat later van de opvoering van ‘Madame Butterfly’.
“De Ster” als afsluiter
Om het jaar 1950 af te sluiten spuiten we wat nieuws over het kerkelijk maandblad dat ook in België werd verspreid via Nederland. Zoals we weten heette het toen ‘De Ster’ en het bestond al van 1895. Het was de grijze voorloper van onze huidige ‘Liahona’. Het boekje werd in Nederland gedrukt en Elder Douglas R. Voorhees beheerde toen de verdeling van het drukwerk. H ij was zowel zendeling als business manager. Het maandblad was toen ongeveer de helft van een A4 formaat en leek wat op het bekende ‘Reader’s Digest’ (Het Beste) boekje. De teksten werden zorgvuldig uitgetypt en van duidelijke (grijze) foto’s voorzien. Het was een kerkelijke traditie om geabonneerd te zijn op ‘de Ster’. Het tijdschrift bracht in eigentijds ‘zwart en wit’ een ware symfonie opbouwende boodschappen in huis.