"Het woord getrouw dat ge onbevreesd moogt spreken"
George Tuffin verhaalt over de geschiedenis van de kerk in de vlaamse gewesten.
Hoofdstuk 3
De Kerk na de 2e Wereldoorlog
3.1. HET JAAR 1946: de naoorlogse periode
‘Stairway to Heaven’ – (Universal) - David Niven en Kim Hunter
Op 27 december 1945, nog juist voor de jaarwissel, wordt België lid van de pas opgerichte Verenigde Naties. Alles wordt op alles gezet om Europa terug op te bouwen en de vrede te bestendigen. In 1946 was de kerk in Nederland en België aan restauratie toe. Vanaf 1946 keerden de zendelingen terug naar Europa. Sommige zendingsgebieden bleken ongeschonden te zijn en konden gewoonweg herbegonnen worden. Terwijl in andere plaatsen de zendingspresidenten de verjaagde leden van de kerkgemeenschap moesten gaan zoeken. De leden vergaderden waar ze maar enigszins ruimte vonden, in open lucht, in gehavende gebouwen en in de woningen of appartementen van andere leden. Gedurende de eerste jaren na de bevrijding van Nederland kwamen 56 Elders uit Utah aan.
Op 28 februari 1946 kwam Cornelius Zappey in Rotterdam aan. Hij was de nieuwe Nederlandse zendingspresident. Tijdens de districtsconferentie te Amsterdam werd president Jacob Schipaanboord Sr., Arie Jongkees en Pieter Vlam eervol ontslagen. Zij waren het waarnemende presidium geweest in jaren van oorlog. President Zappey vond de kerk in een deplorabele toestand terug ten gevolge van oorlog en bezetting. Hij ondervond dat ongunstige praktijken de kerk waren binnengeslopen. Sommige leden hadden de kerkdiensten vermengd met oude rituelen uit een vorige overtuiging. Tijdens de oorlog waren allerlei religieuze groepen zich gaan vergaderen tot één broederschap om de Duitsers te bestrijden. Hierdoor ontstond een grote tolerantie tussen katholieken, protestanten en mormonen. Dat gaf aanleiding tot het aannemen van afwijkende gewoonten.
Toen President Zappey zijn rondreis door de zending beëindigde, ontdekte hij dat het zendingshuis in Den Haag grotendeels was vernietigd en dringend hersteld diende te worden. Kerkliteratuur ontbrak in de gehele zending en de leden waren over een groot gebied verspreid. In verband met de voedselschaarste wilde de regering niet toestaan dat er zendelingen uit Amerika het land binnenkwamen. Omdat reizen onmogelijk was, bezochten vele heiligen vergaderingen van andere kerken in hun omgeving. Duitse soldaten hadden de Nederlanders alles wat zij bezaten, afhandig gemaakt. Aan het eind van de bezetting werd gerapporteerd dat de meeste leden niet naar de kerk konden komen omdat zij totaal geen kleding meer bezaten. Nederland leed nog steeds verschrikkelijk van die laatste ‘Hongerwinter’. President Zappey bleef niet bij de pakken zitten en startte met een lokaal Welzijnszorgprogramma en schreef Salt Lake City aan voor hulp.
President George Albert Smith en president Truman
Na de oorlog hadden de Amerikanen het Marshallplan bedacht om de getroffen bevolking in de steden van het naoorlogse Europa te helpen. Er was geld, medicatie, voedsel en kleding nodig. In die tijd was George Albert Smith nog president van de kerk en hij wierp zich in de bres voor de getroffen Heiligen in Europa. President George Albert Smith maakte een afspraak met Amerikaanse president Harry S. Truman en vroeg hem toestemming om hulp te mogen bieden.
President Truman luisterde aandachtig naar de wijze woorden van de profeet en zei toen: ’Ik zie u plan wel zitten. Maar weet u hoe lang het zal nemen om deze goederen samen te stellen die u wilt laten verschepen?’
Waarop president Smith dadelijk antwoordde: ‘President Truman, de goederen zijn al verzameld. U hoeft maar te knikken en de treinen zullen rollen, de schepen zullen uitzeilen en de voorraden zullen op weg zijn naar hun bestemming.’
En zo geschiedde het ook want president Smith riep Ezra Taft Benson, die toen een lid was van het Quorum der Twaalf, om de goederen naar Europa te brengen en daar de kerk te vertegenwoordigen. Zo werd de noodkreet van president Zappey in Nederland al vlug in overeenstemming gebracht met de plannen van President Ezra Taft Benson en begon de hulp overal binnen te stromen.
Ezra Taft Benson (1899-1985)
In december van 1945 werd ouderling Ezra Taft Benson bij George Albert Smith geroepen om zich over de problemen in Europa te buigen. Broeder Benson was een harde werker en zette zich volledig in om deze opdracht tot een goed einde te brengen. Jaren later zou hij zelfs als regeringsambtenaar furore maken, werd minister van Landbouw in 1952 toen Eisenhower president van de VS werd, en deze apostel werd in 1985 de 13 e president van de kerk. Het duurde niet lang of de Amerikanen voerden dekens, aardappelen, dozen melkpoeder, groenten, fruit en vlees in blik in voor de noodlijdenden van de getroffen gebieden. Synchroon met het wereldse Marshallplan openden de heiligen in Utah hun voorraadschuren en een tijd lang werd dit voedsel en goederenstroom een middel om de mormoonse leer in Europa nieuw leven in te pompen. Ezra Taft Benson werd de opzichter van deze hulpacties en de eerste regionale leider van het verwoeste Europa. Deze apostel reorganiseerde het zendingswerk en deed het nodige om de kerk terug op gang te brengen in de getroffen gebieden. Ezra Taft Benson had twee dingen voor ogen: tijdelijke hulp aanbieden en de boodschap brengen dat de kerk bezorgd was om zijn leden waar ze zich ook mochten bevinden. Zo werden er verschillende landen geholpen door de enorme voorraadschuur van de kerk. De spullen van de kerkelijke Welzijnszorgorganisatie, die zich met de jaren opstapelden in Amerika, werden eindelijk voor iets nuttig gebruikt. Deze zaken werden verpakt in de vorm van Rode Kruis en CARE-pakketten en werden opgestuurd door vrienden en medeheiligen in Amerika. Zelfs de Nederlandse heiligen die bezet waren geweest door de Duitsers slaagden er in om een aardappelproject op te starten en zonden zakken aardappelen naar de hongerige Duitse heiligen.
En om deze paragraaf over dit grote werk van president Benson af te sluiten, vermelden we nog de volgende pittige details:
Von ‘Benson’ Express: terwijl President Zappey In februari 1946 aan zijn zending begon, arriveerde President Benson in Parijs. Daar zou hij een hectisch werkschema opstellen en uitvoeren. Parijs werd zijn commandocentrum. Maar vreemd genoeg speelde België voor een deel van deze geschiedenis een grote rol. President Benson maakte een afspraak met de nieuwe zendingspresidenten van de Europese Sector. Zo ontving broeder F. Babbel (zendingspresident te Den Haag) een telegram van deze apostel. Babbel snelde president Benson tegemoet. Ze zouden elkaar op een klein Nederlands station ontmoeten in de buurt van Den Haag. Natuurlijk werd er een bepaald uur afgesproken. Maar alles leek al vlug mis te lopen. Broeder Babbel trof President Benson niet op de afgesproken plek aan. Door de oorlog was het internationale treinverkeer geheel ontregeld. Broeder Babbel dacht dat President Benson onderweg ergens was vastgelopen en het zou een wonder zijn indien de leider nu nog in Nederland zou geraken. Ontmoedigd keerde Babbel terug naar zijn hotel. Daar zat President Benson blijkbaar al een geruime tijd op hem te wachten. De apostel van de Heer was die dag op een onbegrijpelijk netwerk van aaneensluitende treinen gestoten. Van Parijs was hij in Antwerpen geraakt en daar stond een trein voor Nederland te wachten. Maar die kon niet verder rijden dan de verwoeste Maasbrug. Toen Benson daar aan kwam kreeg hij een lift van een Amerikaanse legerwagen. De geniesoldaten hadden pas een pontonbrug over de Maas gelegd en zo sukkelde de apostel de rivier over waar hij een klein station aantrof met een wachtende trein voor Den Haag. Daarna trok President Benson voor een tijd naar de Scandinavische landen om daar ook poolshoogte te nemen. Terug in Parijs kochten ze een Amerikaanse legertruck en een grote hoeveelheid reserve aan benzine. De assistenten, Babbel en Badger, vertrokken richting Nederland met deze truck. De rit ging over gebombardeerde en geblokkeerde wegen. De eerste stad die zij bereikten was Luik. Daar werden ze met open armen ontvangen door de trouwe leden van de kerk.
- Antwerpen als centraal knooppunt: Daarna ging de rit naar Antwerpen. De ouderlingen reserveerden daar een aantal opslagplaatsen voor de komende ladingen met voedsel en kleren, die de kerk naar Europa zou sturen. President Benson maakte van Antwerpen, als havenstad, één van de grote importcentra voor kerkelijke hulp en door de medewerking van het Internationale Rode Kruis werd dit plan een werkelijkheid. Aan de Nederlandse grens droeg broeder Babbel de vrachtwagen met voorraden over aan de overgelukkige Nederlandse zendingspresident. Broeder Zappey zou deze vrachtwagen regelmatig gebruiken voor het vervoer van kerkelijke hulppakketten. Hij doorkruiste er heel Nederland mee. Ook werd deze vrachtwagen gebruikt om de 200 ton aardappelen van het Nederlandse Welzijnsproject naar Duitsland te brengen. Het mooiste gebaar van menslievendheid uit deze repressieperiode.
- Vreugde: Er was grote vreugde toen de welzijnsvoorraden in Europa aankwamen. Het was ook voor de militaire autoriteiten en anderen een grote verrassing toen de voorraden uit Zion in Antwerpen aankwamen. Zij konden nauwelijks geloven dat er een kerk bestond, die zulke enorme voorraden bezat. Men schatte dat het ganse project 200 Europese wagonladingen, of tweeduizend ton goederen, met de transportkosten samen, meer dan driekwart miljoen dollar moest gekost hebben. Het grootste deel hiervan ging natuurlijk naar die landen, die er het meeste behoefte aan hadden, zoals Duitsland, Oostenrijk, Nederland, Noorwegen en België. Intussen zat President Zappey niet stil en haalde de Nederlandse regering over om zendelingen het land binnen te laten. In mei 1946 kwamen er elf Elders uit Amerika aan. Dit waren de eerste mormoonse zendelingen sinds 1939, die hier bekeringswerk kwamen verrichten. Onder supervisie van Zappey begon de kerk onmiddellijk te werken om het lijden van de leden te verzachten. De zendingspresident zocht overal opslagruimte voor de hulpgoederen uit Amerika. Toen de levering uit de VS was aangekomen werd het voedsel en de kleren onder de leden verdeeld. Een week voordat de goederen aankwamen, zagen de leden er uit als bedelaars. De week daarop leken zij wel miljonairs. Leden van de Nederlandse regering stapten naar Zappey en vroegen hem of hij niets voor de rest van de bevolking kon doen. Daarom stuurde de kerk in Salt Lake City een scheepslading welzijnsgoederen naar het Rode Kruis in Nederland. De zendingspresident meldde, dat de informatie over de pogingen van de kerk om de honger te verlichten, de Nederlandse houding tegenover het mormonisme veranderde. De leiders van de mormoonse kerk ontvingen brieven met dankbetuigingen van Nederlandse leden en daarna stuurden zij een bronzen gedenkplaat naar Utah als dank voor hun hulp. Maar ook Nederland reageerde en de Minister van Buitenlandse Zaken decoreerde president Zappey met de medaille van dankbaarheid.
- Welzijnsboeren in Nederland: Om de onderlinge tweestrijd tussen de heiligen uit te roeien, startte zendingspresident Zappey met welzijnsboerderijen in Nederland. De kerk was door de politieke strekkingen van die tijd in twee kampen verdeeld geraakt. Zij die voor de Duitsers waren en zij die er tegen streden. Hij hoopte dat de 2 politieke groeperingen in de kerk zich met elkaar zouden verzoenen. Leden pootten aardappelen langs de spoorrails, in kleine achtertuintjes en in gehuurde velden. De priesterschap ging aan het werk en binnen korte tijd had elk quorum een behoorlijk stuk land voor dit project gevonden. Er werden aardappelen, groene groenten, bonen, wortelen en kolen geplant. Aardappelen zijn het basisvoedsel in Nederland en brengen gewoonlijk een rijke oogst op. In vele gemeenten werd van het poten van aardappelen een speciale gebeurtenis gemaakt en de leden kwamen massaal helpen. Er werd gezongen, gesproken en gebeden en tot besluit werden de aardappelen aan de grond toevertrouwd.
- Honger in Duitsland: Toen de leden de aardappeloogst rooiden, was de oogst enorm groot. Er waren vele tonnen te veel. Toevallig bezocht de Duitse zendingspresident Nederland en vertelde van de hongersnood in Duitsland. Als gevolg daarvan besloten de Nederlandse heiligen wat van hun aardappelen naar hun ‘broeders’ in Duitsland te sturen. Zo bereikten zeventig ton aardappelen van de Nederlandse kerkleden Duitsland. President David O. Mckay, president van de kerk, vond dat dit werk een van de grootste bewijzen van ware naastenliefde, ooit onder zijn aandacht gebracht. Hij feliciteerde de Nederlandse heiligen voor deze edele daad van welzijnszorg. Later werd er nog eens negentig ton aardappelen en zestig ton haring naar Duitsland gezonden. De haring was gekocht met ontvangen donaties.
3.2. HET JAAR 1947 – De Kerk laat terug van zich horen
‘Great Expectations’ – (Universal) - John Mills en Jean Simmons
Tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog bleven de leden in de zes Belgische gemeenten actief. Na de oorlog boekte de kerk maar weinig vooruitgang. Maar de plaatselijke heiligen mochten niet wanhopen. De ware leer van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen kwam voor een tweede keer of zelfs een derde keer naar Europa. In het jaar 1947 kwam er niet dadelijk een nieuwe zendingsbeweging op gang voor België. Daarvoor moesten we even wachten tot aan het einde van het jaar. President Zappey had zijn handen vol met het herscholen van de Nederlandse heiligen. Verder bleef de kerk zich als één geheel inzetten voor de verdere opbouw van de gehavende heiligen in Europa. In Nederland sprak men toen over de ‘aardappel’ of de ‘blikken’ heiligen. Volgens Belgische historici stond België er beter voor dan Nederland. Na de bevrijding bleek de Belgische economie vrij goed te draaien. Daarom ontvingen de Belgen maar weinig hulp via het Marshallplan. Groot-Brittannië echter kreeg een pak geld, maar zou jaren kreunen onder het terugbetalen van de oorlogsschuld. Er werd 560 miljoen dollar verdeeld over België en Luxemburg. Een peulschil, maar vermoedelijk werd er ook wat hulp verspreid via het mormoons circuit. Niet alle CARE-pakketten voor deze regio gingen enkel naar de kerkleden in Nederland. De kerk hielp overal stilzwijgend mee. Er werd nooit grote reclame om gemaakt. Via de zendelingen werd er een noodbrug gebouwd zodat kerkleden en onderzoekers kledij en voedsel kregen. Het duurde niet lang of door toedoen van dit kerkelijke welzijnscircuit kende de kerk in België en Nederland een plotse groei. De toename van jonge gelovigen is echter recht evenredig met de toevoer van de hulpbronnen en het mooie liedje bleef dus niet duren. Toen de dekens, de kledij, de dozen met voedsel en de aardappelen niet meer uitgedeeld werden en het voedselprogramma stopgezet werd, verdwenen een groot deel van de ‘blikken’ mormonen, pas gedoopte leden en prille onderzoekers, met de noorderzon.
Het naoorlogse Mechelen
We schrijven 1 januari 1947. Overal in het land zijn nog duidelijk de sporen van een verwoestende oorlog te herkennen. De desastreuze gevolgen van de tweede wereldoorlog hebben ook in Mechelen een zware tol geëist. Bij de bombardementen van 19 april en 1 mei 1944, verloren meer dan 300 mensen het leven. Ook de V1's en enkele V2's, die in feite voor Antwerpen waren bestemd, zaaiden dood en vernieling. Het voortdurende gezeur onder de verschillende politieke partijen, over wie al of niet met de Duitse bezetter had gecollaboreerd, had tot gevolg dat de eigenlijke wederopbouw van de stad nog steeds niet op gang was gekomen. Hier en daar waren al openbare werken van start gegaan en noodplannen uitgevoerd, maar een echt urbanisatieplan liet vooralsnog op zich wachten, ook al baarde de woningnood het stadsbestuur heel wat kopzorgen. Van 17.000 woningen hadden liefst 8.000 huizen behoorlijk wat oorlogsschade opgelopen, 700 waren volledig met de grond gelijkgemaakt. Na harde gemeenteraadsverkiezingen eind 1946 begonnen socialisten en liberalen aan een gezamenlijk beleid en werd de socialist A. Spinoy definitief tot burgervader benoemd. Eindelijk kon de wederopbouw beginnen. De pijn, het verdriet en de naweeën die de oorlog had veroorzaakt, leefde nog volop onder de bevolking voort toen op 26 oktober 1949 de eerste twee zendelingen, Le Roy N. Barker en Samuel Kenneth Bacon van Gent naar Mechelen werden gestuurd. Hun opdracht was na te gaan of zendelingen permanent in deze stad zouden kunnen verblijven en dat was alles behalve zeker. Mechelen was eerder een kleine stad en de allereerste zendelingen kenden weinig of geen succes. Maar hierin kwam vlug verandering.
De traagheid van het priesterschap
Broeder Adrian Hekking schreef een werk over de heiligen gedurende de Tweede Wereldoorlog (Saints under Nazi-terror). Daar kaartte hij het trage doorgroeiproces aan van de jeugd in Nederland. Een euvel dat de kerk in Nederland en België al 50 jaar tegenhield om zich te meten met de kerk in de VS. Iets dat al in 1858 waar was geweest. Ook Anne VanderWoods verhaal leed daaronder. Hij had in de VS 8 jaar moeten wachten op zijn ouderlingschap. In een zendingsgebied werden mannen slechts tot ouderling geordend als zij dienst deden in een gemeente of een district. Tempels, ringen, bisschappen of hoge raden waren nog onbestaande in Nederland. We waren immers een zendingsgebied. Er waren geen hogepriesters nodig om de kerk te leiden. Zij hoefden niet over de zending te presideren. Volwassen bekeerlingen of oudere leden, gedoopt op 8-jarige leeftijd of ouder, werden tot ambten in de Aäronische Priesterschap geordend en bleven daar ‘rondhangen’, totdat zij werden geroepen tot een ambt of functie dat het Melchizedekse Priesterschap vereiste. In tegenstelling tot georganiseerde ringen en gemeenten waar men meer Melchizedekse priesterschapdragers aan het werk zette, beschikte de kerk in Nederland slechts over Aäronische priesterschapsdragers. Broeders werden enkel verhoogd tot ouderling als ze in aanmerking kwamen voor tempelbegiftigingen, eeuwige huwelijksverbonden en als de tijd aanbrak om op zending te gaan. In de gemeenten kregen de priesters (AP) wel de toestemming om leiding nemen in de diensten. Maar de zendelingen namen de presiderende of verantwoordelijke posten waar. De Elders waren de presiderende ouderlingen van de gemeente en ook de leiders van de onderorganisaties (zelfs van de ZHV). In die tijd werden er niet veel broeders overgeheveld naar het MP. Er ontstond een soort vertraging ten opzichte van het normale kerkelijke systeem. Mogelijk volgde de Kerk in Nederland de Nederlandse traditie, die iedereen aanzette om alleen volwassenen of oudere broeders het hoge woord te laten nemen. Iets dat protestantse middens typeerde. Daardoor stagneerde de groei van het MP. Dat neemt niet weg dat ook in de Amerikaanse kerkgeschiedenis men deze ontwikkelingen heeft gekend. Volwassenen werden ingezet in de AP en later merkten de Amerikaanse leiders dat het hoog tijd werd om de jongeren in de AP in te schakelen en de AP en MP ordelijk te organiseren en te bemannen. Misschien zat men in Nederland nu ook in een gelijkaardige periode. Jongeren en tieners werden voor een zeer lange periode in het AP gehouden en min of meer tegengehouden om door te groeien naar het MP. Broeder Hekking meldde dat Hans Zippro de eerste jeugdige diaken van Nederland was. De knaap werd in 1947 in Amsterdam geordend. Hij was toen al 16 jaar. Een andere oorzaak zou een Nederlands protestants–rooms katholiek geschil kunnen zijn. Het noorden van Nederland, de plek van Maas en Schelde, was de streek van de protestanten (en de reformatie), terwijl het zuiden (richting België) katholiek bleef.
De kerk had niet veel gemeenten in het zuiden en daar kenden de zendelingen weinig succes. Spijtig genoeg waren de protestanten zeer antikatholiek, het resultaat van de 80-jarige oorlog toen ze zich vrijvochten van het katholiek Spaans juk. Ze wilden een vrije eredienst waar ze God konden aanbidden zoals hun geweten het dicteerde. De rigide katholieke ritus was voor hen een gruwel. De mis werd aanzien als een heidense ceremonie en een afgodendienst. Deze kerkdienst maakte gebruik van jeugdige misdienaars en dat negatief gedachtegoed weerspiegelde zich in de mormoonse kerk. Soms werden de jongere AP-ers met die misdienaars vergeleken. Wat natuurlijk totaal verkeerd was en dat bezorgde hen een hoop problemen waardoor hun evolutie binnen de kerkgemeenschap werd afgeremd.
In de startblokken
Tijdens de jaren 1946-1950 doopten de zendelingen 1028 bekeerlingen. Dit was een gemiddelde van 2,03 per zendeling. Het was op een na de hoogste score van bekeringen per zendeling in Europa en de vijfde in alle zendingsgebieden van de kerk. Van 1951 tot 1965 doopten de zendelingen 4697 bekeerlingen. Dit was een gemiddelde van. 2,59 per zendeling. In 1947 werd het zendingsgebied Finland geopend. En ook voor onze contreien maakte de Nederlandse Zending zich klaar om België terug aan te doen.
Op 14 oktober 1947 doorbreekt de Amerikaanse piloot Charles Elwood (Chuck) Yeager in een X-1 raketvliegtuig als eerste de geluidsbarrière. Ook in Nederland waagt men zich ook aan het verlengen van onze kerkelijke grenzen en op 30 november 1947 werd het noordelijk deel van België heropend en zond de president van de Nederlandse Zending, Cornelius Zappey, vier zendelingen naar Vlaanderen om er opnieuw, na praktisch een halve eeuw van stilte, het herstelde evangelie te prediken. De nieuwe ouderlingen speurden in België vooral naar oude leden en bekenden. Maar ze vingen bot. De adressen klopten niet, de bewoners waren door de verwoestingen van de oorlog verhuisd, verdwenen, verplaatst of gedood. De zendelingen hoopten dat deze verdwenen heiligen, zoals vele andere Europeanen, naar de VS geëmigreerd waren. De vier zendelingen die hier pionierswerk deden waren: Jacob van Goor, Marion T. Millett, Lothar Nestman en Hendrik Landward.
3.3. HET JAAR 1948 – een nieuw begin
‘Joan of Arc’ (RKO) – Ingrid Bergman
Het jaar 1948 was een heel vreemd jaar en een heel bijzonder jaar. Een jaar van grote tegenstellingen, want in Californië werd de Hell's Angels Motorcycle Club opgericht en Mahatma Gandhi werd vermoord. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens werden ondertekend en nochtans werd het systeem van Apartheid in Zuid-Afrika ingevoerd. Korea werd opgedeeld in Noord-Korea en Zuid-Korea.
Ook in onze streken kregen we nieuwe kansen aangeboden. Want hardwerkende zendelingen bezorgden ons al gauw een stel bijzondere gebeurtenissen en deze speciale dagen zullen zich blijven herhalen. Er zal zich een patroon volgen van bijzondere vergaderingen. De Amerikanen leggen de basis van de kerk in ons land, dat volledig onbekend was met de herstelling van het evangelie. De steracteur die alles in 1948 in goede banen leidde, was de toenmalige zendingspresident Cornelius Zappey.
Om het zendingswerk te steunen en de zegeningen voor ons land af te smeken, hielden alle leden van de Nederlandse Zending op 18 januari 1948 een speciale vastendag. Het was ook de dag dat het Antwerpse district officieel heropend werd. Het werd een historische dag voor Antwerpen en heel Vlaanderen. De beste zendelingen mochten vanuit Nederland het katholieke Vlaanderen bestormen. Jong en oud bad en vastte voor een nieuwe doorbraak in onze contreien. Het ‘wonderbaar werk en wonder’ stond klaar om onder onze mensen voort te komen. Het Vlaamse zendingsveld was wit genoeg om te oogsten. De dag daarop dienden de Elders uit al hun macht hun sikkels in te slaan en zij trokken vol goede moed van deur tot deur.
Na het voorbereidende werk door de zendelingen verricht, werd op 25 januari 1948 te Antwerpen de eerste openbare vergadering van de kerk georganiseerd. Deze ging door in een klein zaaltje ‘Studio D’, waar in de week grammofoonplaten werden gemaakt. Het lokaal bevond zich in de Schoenmarkt 18. Dat was toen een vrij bekende zaal waar men in het weekend vergaderingen, toneel en concertvoorstellingen liet doorgaan. President en zuster Zappey, zuster Sipkema en zuster Denimeier waren speciaal uit Nederland overgekomen. Zij kwamen de 4 Elders een handje helpen en zij waren de gastsprekers op deze bijzondere vergadering. De zendelingen deelden die dag wel 20.000 pamfletten uit. Met spanning wachtten de zendelingen op de reactie van hun strooibiljetten. Ook hadden ze één advertentie geplaatst. Aarzelend kwamen de eerste bezoekers aan. De zendelingen kenden het zaaltje al een tijd, want ze hielden daar iedere zondag een kerkvergadering. Nieuwsgierigen konden daar van 17h tot en met 18h30 een mormoonse kerkdienst bijwonen. Die dag was er echter een klein incident. Twee opgehitste vrouwen verzetten zich echter tegen deze vergadering en blokkeerden de toegang tot de zaal. ‘Deze vergadering is niet geschikt voor vrome katholieke mensen, want daar wordt een dwaalleer verkondigd. Men doet er goed aan om de mormoonse eredienst te mijden, want meneer pastoor heeft ons gezegd dat dit een leer des duivels was.’
Maar de aandacht die ze trokken, werd door de zendelingen prompt gebruikt om brochures uit delen, en de nieuwsgierigheid van de voorbijgangers werd door dit alles geprikkeld. En om vijf uur zit het zaaltje ook vol. Het geroep en getier zorgden er voor dat er meer toehoorders kwamen opdagen dan verwacht. Zoals gewoonlijk wordt er gezongen en iedereen zingt mee, eerst aarzelend, dan krachtiger ‘O vast als een rotssteen’. Dan spreken de zendelingen en President Zappey over de Afval en de Herstelling, over de eerste beginselen en de kracht van het evangelie. Er heerste een zeer sterke Geest. Na de vergadering kwamen de zendelingen tijd te kort om alle belangstellenden te woord te staan en adressen op te nemen. ‘Dit is het heerlijkste dat ik ooit gehoord heb’, zegt een dame. Een andere bezoeker verzekerde President Zappey: ‘Ik geloof alles wat u gezegd heb, alles!’ en zij telden 47 aanwezigen op deze historische vergadering (34 onderzoekers en 13 zendelingen). Deze vorm van vergaderen werd dan ook elke zondag herhaald. Door het succes van deze vergaderingen hadden de Amerikaanse missionarissen al vlug een aantal vaste bezoekers en contactadressen op zak. De stad werd rijp verklaard voor een werkende kerkgemeente. De Elders liepen langs bij mevrouw Remoortel en kregen ook gehoor bij de familie Van Maanen. In diezelfde periode van ontplooiing, klopten de Elders aan bij br. en zr. Breugelmans en br. Roelofs. Dan werd ook de familie Janssens, op de Vlaamse Kaai op het Zuid ontdekt. Toen het gezin Janssens naar de Pastorijstraat, in de buurt van de Kerkstraat, verhuisden, reisden de zendelingen met hun mee en bleven de boodschap van het herstelde evangelie bij moeder en zoon Janssens prediken. Broeder Sylvain Janssens was toen nog een peuter van een jaar of vijf.
Op 3 maart 1948 kwam President Alma Sonne van de Europese zending op bezoek. Hij vergezelde president Zappey naar Antwerpen en samen zochten ze naar een geschikte vergaderplaats voor de zendelingen en de Antwerpenaars. De zaal van café Peter Benoit op de Frankrijklei 8 werd geschikt bevonden en de broeders ondertekenden een huurcontract voor twee jaar. De zendelingen trokken wat tijd uit om de zalen in te richten. De nieuwe lading zendelingen die Antwerpen aandeed, vond een tijdelijk onderkomen in de Tuinbouwstraat 4. Op 16 maart 1948 kwamen er weer wat zendelingen bij. De heren slaan de handen in elkaar en richtten een ruime leefruimte (slaapzaal) in op de eerste verdieping van café Benoit. Voortaan zullen de meeste zendelingen daar blijven wonen. Ook werden er 60 stoelen aangekocht voor de diensten op zondag. De stoelen werden in de grootste zaal opgesteld. Deze zal dan ook de algemene vergaderzaal worden. Enkele kleinere vertrekken zullen later als leslokaal gebruikt worden. Elder Nestman werd in Antwerpen de eerste zondagsschoolpresident. Op 4 april 1948 startte de zondagsschool met 12 volwassenen en 12 kinderen. De avonddienst telde 70 bezoekers en er zijn 19 zendelingen aanwezig. Op 11 april werd de zondagsschool georganiseerd te Antwerpen en Elder Glen E. Young werd de secretaris van Elder Nestman.
Op 18 april 1948 werd de eerste doopdienst gehouden. Het zwemdok van de Lange Gasthuisstraat werd afgehuurd en de volgende 8 onderzoekers werden daar gedoopt: broeder Godfried Roelofs, zuster Maria Remoortel, broeder en zuster Breugelmans-Peeters en Willem Frans Van Maanen, Adelaide Van Maanen, Florentine Van Maanen en Nora Van Maanen. Er werden ook twee kleinere kinderen ingezegend: Willy en Johanna (Jeannine) Van Maanen. Enkele jaren later zou er nog een dochter Maria Van Maanen bijkomen.
In de nacht van 14 op 15 mei 1948 werd in het Museum van Tel Aviv de nieuwe staat Israël uitgeroepen door David Ben-Gurion, de eerste premier van het land en dat betekende het einde van het Brits mandaat over Palestina. In Antwerpen werd op 15 mei 1948 George Tuffin geboren. Dat viel dan samen met de herdenking van de herstelling het Aäronisch Priesterschap, maar daar wist hij als kleine baby nog niets van. Het was ook een zeer historische periode, want de staat Israël werd herkend door de VN en ook de zendelingen werden bij ons wederom verplaatst. De Elders Nestman en Young gingen naar Nederland terug en werden vervangen door Cottrell en Nielson.
Op 6 juni 1948 werd er een tweede doopdienst gehouden. De volgende personen werden gedoopt: Theo Boucher, Roger De Moor, Catharina Roelofs, Maria Roelofs, Louisa Roelofs, Johannes Lucas, Maria Lucas, Jean-Pierre Lucas en Aloïs Lucas.
Op 26 juni 1948 komt de Koude Oorlog er aan. De Russen verscherpen de maatregelen die het verkeer tussen Oost- en West-Berlijn beperken. Daarom reageren de Amerikanen en later ook de Britten met een gigantische luchtbrug. Op grote schaal worden vliegtuigen ingezet om de Westerse enclave te kunnen bevoorraden. Ook in onze streken wordt er een luchtbrug opgetrokken - er wordt ‘geestelijk voedsel’ aangevoerd en Nederland kwam nog eens op bezoek om onze zendelingen in Antwerpen te steunen. In Belgie hadden de vrouwen net in maart stemrecht gekregen bij de wetgevende verkiezingen en het is daarom misschien dat onze kerkleiders meer vrouwen telden dan mannen op een ‘speciale openbare vergadering’ die gehouden werd in het centrum van de Sinjorenstad. Het zendingswerk te Antwerpen kende wederom een hoogdag. Elder Gardner werd gemeentepresident te Antwerpen. Ook op zondag 27 juni 1948 werd er een kerkdienst gehouden in Studio D. Wij zouden thans spreken van een ‘grote contactavond’. Het Rotterdams zangkoor, bestaande uit 80 leden, luisterde deze belangrijke vergadering op. De Elders hadden wederom 20.000 pamfletten uitgedeeld en 240 personen beantwoordden de oproep die via deze strooibiljetten was verspreid. Een Vlaams reporter schreef zelfs een artikel over de mormoonse eredienst in een Antwerpse krant.
Op 9 juli 1948 gingen twee zendelingen naar Gent (Oost-Vlaanderen) om daar het werk te beginnen. Het zijn de Elders Marion T. Millett en Richard M. Koplin. Op diezelfde dag werd broeder Jesse E. Strobel geroepen als districtspresident, en Richard D. Gardner als gemeentepresident van Antwerpen. Maar de rapporten vermeldden 22 juli 1948 als dag dat de kerkelijke gemeente van Gent tot stand kwam. Dit werd verteld door het notulenboek dat bijgehouden werd door de Amerikanen.
Maar al gauw was alles weer aan verandering toe en op 6 augustus 1948 waren er 7 zendelingen te Antwerpen en twee te Gent. Elder Clyde K. Rudd ging van Gent naar Antwerpen en werd daar de districtspresident.
Op 19 september 1948 werden er 2 onderzoekers te Antwerpen gedoopt, maar het verslag vermeldde geen namen. De Amerikaanse jongens waren niet altijd even accuraat in hun notities.
Op 1 oktober 1948 werd Elder Frank L. Cottrell de gemeentepresident te Antwerpen en zijn raadgevers werden Stuart Zugge en Ferrin L. Allen. Ook te Gent werd het gemeentepresidium samengesteld. Op 9 oktober werd er een speciale vergadering te Gent gehouden. Er waren 24 bezoekers en twee zendelingen aanwezig. Op 22 november 1948 werd Elder Tobler van Gent naar Brugge verplaatst. Samen met Elder Oldenwalter mocht hij deze gemeente openen. Elder Oldenwalter had daarvoor in de gemeente Alkmaar in Nederland gewerkt.
Op 27 november 1948 reisde Elder Richard Koplin van Gent naar Antwerpen en werd daar de gemeentepresident. Elder Cottrell werd naar Nijmegen overgeplaatst en Elder H. Jex Tobler kwam van Brugge en werd de districtspresident van de Vlaamse regio.
Nu even kort wat aandacht voor de geschiedenis van de Antwerpenaar Theo Boucher, een typisch negatieve anekdote uit deze periode. Theo werd gedoopt op 6 juni 1948 en tot het ambt van diaken geordend op 12 september 1948. Deze broeder zou later afvallen en keerde zich tegen de kerk. Hij emigreerde naar de VS, belandde in New York waar hij een boek tegen de kerk publiceerde. Gelukkig kende het werk weinig succes. Hij werd niet lang na het verschijnen van het boek geëxcommuniceerd.
Gelukkig kreeg in België het positieve de overhand en op 3 november 1948 breidde het zendingswerk zich vanuit Brugge over geheel West-Vlaanderen uit. De Elders Dean C. Oldenwalden en H. Jex Tobler zaaiden daar het eerste zaad en benaderden de Vlamingen met forse tred.
Op 28 november 1948 werd de eerste districtsconferentie te Antwerpen gehouden en men kon de grote zaal van het Dierentuincomplex op het Koningin Astridplein strikken om in te vergaderen. De Ster bracht verslag uit van deze heuglijke gebeurtenis: ‘Op 28 november jl. werd de eerste officiële districtsconferentie te Antwerpen gehouden. Aan deze gebeurtenis was in wijde kring bekendheid gegeven door het verspreiden van pamfletten. Grote luister werd ook aan deze conferentie bijgezet door de aanwezigheid van het Amsterdamse zangkoor, dat in beide vergaderingen zijn schone zang liet horen. Er waren twee sessies. In de ochtendsessie werd het woord gevoerd door de ouderlingen: H. Jex Tobler, Joseph L. Van Leeuwen, Joseph Strobel en John J. Roothoff. Tussen de twee diensten was er een priesterschapsvergadering waar besprekingen werden gevoerd en lokale zendelingen als dusdanig werden bevestigd. In de late namiddag werden de aanwezigen toegesproken door de ouderlingen: Donald L. Timmerman, Pieter Vlam, Bartel van Oostendorp, Clyde Rudd en president Zappey. Deze ouderlingen verklaarden de basisleerstellingen van de kerk aan de bezoekers en leden. In alle vergaderingen heerste een bijzondere fijne geest.’
Op kerstdag, 25 december 1948, werden er twee bekeerlingen gedoopt: Anaïse Godelieve Ghekiere en Constantinus De Groof.
3.4. HET JAAR 1949: het zendingswerk vordert
‘Sands of Iwo Jima.’ - (Republic) – John Wayne, John Agar
In dit jaar bracht RCA de eerste single op de markt, de NAVO, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie wordt opgericht. De BRD (Bondsrepubliek Duitsland) werd gevestigd, ofwel West-Duitsland, inclusief de voormalige geallieerde bezettingszones waaronder West-Berlijn en Bonn werd de hoofdstad. Pete Felleman presenteerde de eerste hitparade op de Nederlandse radio en de Sovjet-Unie testte zijn eerste atoombom. Maar voor de mormonen betekende het jaar 1949 het verder doorbreken van oude tradities en vooroordelen. Dit gebeurde door de vooruitgang van het zendingswerk, ronddelen van traktaten en de Belgen uit te nodigen op speciale vergaderingen. Allerlei zalen, klein en groot werden uitgeprobeerd om het Vlaamse volk te onderwijzen. Het zou niet lang duren, en men zou in Antwerpen de grote zaal van de Dierentuin voor dit werk kunnen gebruiken. Op 28 januari 1949 reisde Stanley De Jong van Harlingen naar Antwerpen. Hij werd daar gemeentepresident.
Op 4 februari 1949 reisde Elder Hayle Buchanan van Delft naar Antwerpen. De trein stopte te Rotterdam en daar voegden Duffin, de Jong en Bennett zich bij de andere zendelingen. Schijnbaar was er op dat moment geen plaats in café Benoit en zochten zij naar een andere plaats om te slapen. Later op de dag kregen de nieuwe zendelingen bezoek van de Elders van Brugge en Gent. Elder Buchananvond België een sterke katholieke burcht en er was zeker veel tegenstand uit die hoek. Al de leden waren nieuwe bekeerlingen, er werkten daar zes zendelingen en het zendingsgebied bestond toen nog maar 14 maanden. Op 6 februari 1949 woonde Buchanan zijn eerste reeks zondagsdiensten mee. Tijdens de priesterschapsvergadering ontmoette hij 2 lokale broeders. Voor de zondagsschool (ZS) en de vasten- en getuigenisvergadering steeg het bezoekersaantal tot 12. Maar dat waren niet allemaal kerkleden. Later op de dag, tijdens de avondmaalsdienst, telde men 35 aanwezigen en dat was vrij goed voor die tijd.
De collega van Elder Buchanan heette Elder de Jong. Hij was één van die zendelingen die kort na de Tweede wereldoorlog hier op zending was geroepen. Nog niet zo lang geleden had hij in Duitsland gevochten als Amerikaanse frontsoldaat en nu werd Elder de Jong gemeentepresident te Antwerpen. Hij sprak de taal vlot. Hij was hier al zes maanden, vond dat hij nog veel te leren had en nochtans was hij zeer bekwaam in het leiden van de diensten. Elder de Jong onderwees een echtpaar en zo ontdekte hij dat de echtgenoot tijdens de oorlog naar Duitsland was weggevoerd om daar te werken. Deze broeder bleek zelfs in hetzelfde plaatsje gewoond te hebben, waar Elder de Jong had gevochten.
Op 13 februari 1949 ontmoette Buchanan drie lokale broeders. Vreemd genoeg kwamen deze kerels uit zeer verschillende kerkmiddens: een Jehova Getuige, een Zevende Dag Adventist en een Katholiek. Ze zijn al een jaar lid van de kerk. Hij leerde ook zuster Remoortel kennen. Zij werd lid van de kerk toen de zendelingen een pamflet bij haar achter lieten.
Op 15 maart 1949 werd Marion Millett districtspresident van onze regio. Op 13 april 1949 hielp Elder Buchanan zijn collega Elder Spackman, met de leiding van de ZHV-vergadering. Op 19 maart 1949 werd er te Brussel een grote tentoonstelling gehouden van de Cobra-schilders. Maar daar hadden de zendelingen geen oog noch tijd voor want het zendingswerk in Antwerpen en Gent werd verder uitgewerkt.
Op 15 mei 1949 werd er een doopdienst gehouden te Gent en er werden 5 mensen gedoopt. In Antwerpen ontstond er een kleine ruzie met een broeder die twijfelde en de kerk wilde verlaten. Op 18 mei 1949 werd Leder Begaan, raar maar waar, de president van de ZHV. Er waren doodgewoon geen zusters die de leiding wilde nemen en net als bij de mannen (die in de minderheid waren) werd alles door de zendelingen geregeld. Op 27 mei oefende hij lofzangen met de ZHV zusters voor het koor van Rotterdam dat op bezoek ging komen. Zo zouden ze behoorlijk kunnen meezingen. .
Op 4 april 1949 werd er te Washington (VS) het Noord-Atlantisch Verdrag ondertekend. Het Noord-Atlantisch Verdrag is een militair verdrag dat wederzijdse verdediging en samenwerking van de legers van de westerse landen regelt, aanvankelijk vooral als tegenkracht tegen de landen in het Oostblok. Maar in de kerkelijke kringen van Europa besluit ouderling Alma Somme zich nog eens over onze streken te ontfermen.
Op zondag 29 mei 1949 kwam Alma Sonne, assistent van de Raad der Twaalven en president van de Europese Zending op bezoek. Opnieuw had men de grote zaal van de Dierentuin afgehuurd voor de sessies van de tweede districtsconferentie. In 3 autobussen ondernamen de zangkoren van Rotterdam Noord en Zuid ook nu weer een reis naar Antwerpen om de conferentiesessies op te luisteren. Het Vlaamse gebied was toen immers nog in alles afhankelijk van Nederland en de Nederlandse leden gaven ook alles wat zij konden om de kerk hier op te bouwen. Vierhonderd bezoekers aanhoorden die dag de woorden van President Sonne. Hij gaf een merkwaardige toespraak over ‘Het bloed der Heiligen is het zaad van de kerk.’ Daarin getuigde hij tot de aanwezige toehoorders over het leven en de dood van vele kerkleiders en vertelde over zijn persoonlijke ervaringen met al de profeten sinds Brigham Young, nl. John Taylor, Wilford Woodruff, Lorenzo Snow, Joseph F. Smith, Heber Grant en de toen in leven zijnde president van de kerk, George Albert Smith. De resultaten van een dergelijke grote conferentie bleven niet uit. Zowel in Antwerpen als in Gent werden nieuwe leden gedoopt.
In juni 1949 werd de gemeente Brugge gesloten omdat deze niet schijnt te werken. Later zou men Oostende uitproberen. Maar in Antwerpen waren er weer nieuwe onderzoekers bijgekomen, dat was vermoedelijk het resultaat van de voorbije districtsconferentie en in Antwerpen en Gent oogstte de kerk nieuwe leden.
Op 26 juni 1949 werden er 9 bekeerlingen te Antwerpen gedoopt. We vermelden: Caliatus van den Wijngaert, Maria van den Wijngaert-van den Look, Maria Bal, Jeanne Bal, Maria Pooters, Louisa Danys, Hiltje Van Ouytsel-de Jager en Simon en Clotilda Smits-Jansen. De volgende dag ging Elder Buchanan de familie van den Wijngaert en zuster Maria Pooters bezoeken.
In de stad Gent werd de kerk beter bekend, toen de ‘The Latter Day Saints’, een basketballploeg van zendelingen, even tegen de Gentse ‘Hades Club’ gingen spelen. De zendelingen wonnen welverdiend met 19 tegen 17. Onder de bezoekers in de gymnastiekzaal van de Gentse universiteit telde men vertegenwoordigers van het Amerikaanse Consulaat en het Gentse stadsbestuur. Door deze ontmoeting liet de kerk een goede indruk na op het publiek en werden oude vooroordelen doorbroken.
Op 27 september 1949 werd de gemeentepresident van Gent de gemeentepresident van Antwerpen. Hij heette Allen Schwaneveldt. In Gent vergaderde men in die tijd in de Drabstraat 24.
Op 26 oktober 1949 kwamen er twee zendelingen aan te Mechelen. Dat waren Leon N. Parker en Samuel Bacon. Zij zouden daar het werk openen. Dit was de vierde stad in Vlaanderen waar het evangelie door voltijdse zendelingen werd gepredikt. Maar er was daar nog geen gebouw gehuurd en de eerste onderzoekers werden in de richting van Antwerpen gestuurd.
De leden van Antwerpen, Gent, Mechelen en Brugge deden hun best om de zendelingen met hun werk te helpen. De Amerikanen mochten regelmatig komen eten. Ze werden bijna een deel van de familie en ontvingen overal praktische raadgevingen. Na een verloop van tijd leerden zij de gewoonten van onze streken beter kennen. Frieten met stoofvlees en mayonaise. Eten dat was voor alle tijden. Maar onder het gros der zendelingen waren er hier en daar wat zonen van farmers en doorwinterde plattelandslui die deze tips en richtlijnen best nodig hadden. Er werd geholpen bij de aankoop van voedsel en kledij. De jongens waren de Belgische frank nog niet gewoon en het metriek stelsel was voor hen ook een nieuwigheid. Een liter melk was zeker geen ‘pint of milk’. Zo leerden ze over allerlei alledaagse zaken om te kunnen overleven als zendeling onder de Belgen. Het waren in principe jonge snaken en soms waren ze al eens slordig van aard. Als we Salt Lake City niet meerekenden waren sommige van die Amerikanen nog nooit in een grote stad geweest en daarom kregen ze af en toe wat kritiek te verwerken op hun uiterlijk en gedrag. De jongens droegen regelmatig een wit hemd met das, een verzorgd kostuum op zondag en in de week. Een hoed was ook in de mode. Al verschilde de vorm al eens met die van ons. Een pet en een Alpine muts werd dan ook weer een toeristische zet onder de mormoonse dominees. De broeken in die tijd waren meestal vrij breed van pijpen en rechtlijnig van snit. Maar op hun vrije dag werd er al eens gespot met hun cowboyachtige werkkledij. De blue jeans waren nog niet echt in de mode bij ons en toch zouden de jongens deze broeken in de fifties als vrijetijdskledij helpen introduceren. Natuurlijk leek dit artikel toen helemaal niet op het gestroomlijnde broertje van nu. De stof was ruw en de broek voelde vrij ruw aan. Algemeen gesproken waren de opmerkingen van de leden over hun vrijetijdskledij ongegrond. Een jongeman droeg toch in zijn vrije tijd wat hij zelf wilde aantrekken. Maar goed - volwassen leden kwamen al eens raar uit de hoek. Ze beschouwden hun kledij als de standaard van hun omgeving. Zo werd het een periode van vallen en opstaan. Net alsof Petrus, Paulus of Joseph Smith onder ons zouden komen prediken. Zij droegen ook een geheel andere plunje en zouden best staan opkijken met onze kledij. Zo moesten de Amerikanen en de leden met elkaar leren omgaan. Waar nodig diende men de vreemde gebruiken van een ander volk leren respecteren en gebruiken.
Op 2 december 1949 kwam Elder Blaine Belnap uit Eindhoven te Antwerpen aan en hij werd de nieuwe gemeentepresident. Op het einde van 1949 verlaten Zendingspresident en zuster Cornelius Zappey Nederland. Zij hadden enorm veel opgebouwd in die eerste jaren na de oorlog.