MvG logo www.mvgcontact.org

Het Woord Getrouw - Deel 2

Home



"Het woord getrouw dat ge onbevreesd moogt spreken"
George Tuffin verhaalt over de geschiedenis van de kerk in de vlaamse gewesten tijdens de 20e eeuw.

De Mormonen in Vlaanderen

Hoofdstuk 2 - DE 20e EEUW

De start van de 20e eeuw bracht de Europeanen en de kerkleden van die periode, grote historische en rampzalige veranderingen. Ze zouden twee wereldschokkende oorlogen doormaken en tussen die twee oorlogen een economische depressie moeten verwerken. Om dan nog te zwijgen over de opkomst van het fascisme en het communisme. De emigratie naar Zion stopte en de mormoonse samenleving in Europa kreeg meer en meer vorm. Er werden nieuwe landen voor het zendingswerk geopend en in landen zoals Frankrijk, België en Italië waar al zendingen waren, werden ze gesloten, om later weer heropend te worden, omdat het politieke klimaat veranderde en er meer democratische vrijheden voorkwamen dan voordien. België dat van 1891 tot 1923 deel van de Nederlandse Zending vormde, werd in het laatst genoemde jaar bij de Franse Zending gevoegd. Elder LeGrand Richards diende in Nederland van april 1905 tot en met januari 1908 als gewone zendeling. Het was zijn eerste zending en de mooiste ervaring uit zijn leven. In 1906 bezocht president Joseph F. Smith Nederland en sprak de heiligen in Rotterdam toe. ‘Het herstelde evangelie maakt slechte mensen goed en goede mensen beter’, zo luidde zijn boodschap in een notendop. In 1913 werd ouderling Richards opnieuw naar Nederland gezonden, maar nu als zendingspresident. Zijn vrouw en hun drie kleine meisjes vergezelden hem. Tijdens hun verblijf kwam er een vierde dochter bij.

2.1. De Eerste Wereldoorlog

De Eerste Wereldoorlog startte voor België op 4 augustus 1914 met het binnenvallen van de Duitse troepen. Het lukte de Belgen alleen om de opmars van de Duitsers te vertragen, maar al in oktober moest het Belgische leger zich terugtrekken tot achter de IJzer, in het uiterste westen. De legerleiding was eentalig Frans en de Vlaamse soldaten die mee streden aan het front, konden vele bevelen niet verstaan, hierdoor stierven velen een nutteloze dood.

In deze omstandigheden ontstond de frontbeweging, die zich tegen deze scheve situatie aan het front verzette. Koning Albert bleef in België maar de regering trok zich terug in het Franse Le Havre. Het land werd onder de voet gelopen door de Duitsers. In België bleef de gemeente van Luik gedurende de oorlogsjaren functioneren onder leiding van de plaatselijke leiders en de huisonderwijzers. In Utah werd een ‘Kerkfonds voor de Belgische Heiligen’ opgezet en de Amerikaanse heiligen stuurden voedsel en kleding naar ons landje.

In de Eerste Wereldoorlog vluchten grote aantalen Belgen naar het neutrale Nederland. Ver weg van hun belaagde streken begonnen deze mannen daar een nieuw leven. De Antwerpenaar, Jan Van Ouytsel, leerde in Nederland zijn vrouw kennen, Hiltje de Jager. Zij ving hem daar op en na de Grote Oorlog zal het jonge paar naar Antwerpen verhuizen. Mijnheer en mevrouw Van Ouytsel bleven beiden hun eigen godsdienst trouw. Jan bleef gematigd katholiek en zijn echtgenote vergat haar protestantse opvoeding niet.

Hiltje schenkt haar echtgenoot twee zonen: Ferdinand en Theo Van Ouytsel. Pas vele jaren later, na de Tweede Wereldoorlog, kwam mevrouw Van Ouytsel in contact met enkele mormoonse zendelingen. Zo werd Hiltje één van de eerste bekeerlingen en vrouwelijke pioniers van de jonge Antwerpse gemeente. Zij zou haar best doen om haar kinderen Ferdinand en Theofiel in die nieuwe richting te sturen.

Bij de start van de schermutselingen in 1914, werden de Amerikaanse zendelingen uit de meeste zendingen naar de VS teruggeroepen. Op 27 oktober 1914 stopte het overstromende water van de IJzervlakte het Duitse offensief. Een adempauze die al vlug de aanzet was van een langdurige loopgravenoorlog. Nederland bleef echter in deze Grote Oorlog neutraal, en zo slaagde Elder Richards er in om twee zendelingen per district achter te houden. De Duitsers blokkeerden echter de grens met België.

Er werd een gigantische lange naakte stroomdraad van 50.000 Volt in de prikkeldraadversperring verweven en het zendelingenverkeer met Vlaanderen ging verloren. Zelfs in die moeilijke tijden herinnerde ouderling LeGrand Richards dat lokale leden zich kloek hielden. Zij kwamen ’s avond bij hem thuis in Nederland even aanbellen. De broeders vertelden dan over hun huisonderwijservaringen. De op gang gekomen gesprekken waren steeds opbouwend en het getuigenis van de betrokken broeder groot. De zending van de familie LeGrand Richards en de achtergebleven zendelingen eindigde echter in juni 1916. De VS besloot, tegen het einde van deze wrede oorlog, de verdrukte Britten, Fransen en Belgen ter hulp te komen en wierp zich ook in het conflict. Pas op het einde van september 1918 begon het bevrijdingsoffensief waarna op 11 november de wapenstilstand werd gesloten. Bij het Verdrag van Versailles in 1919 werd de neutraliteitspositie van België opgeheven. Het land mocht een mandaat uitoefenen over Rwanda-Oeroendi en annexeerde het de Duitstalige Oostkantons.

Koning Albert in Utah

Na de Grote Oorlog kwamen er opnieuw Nederlandse zendelingen naar Brussel en Luik om het werk voort te zetten. Dankzij het bezoek van koning Albert, de koningin en de jonge prins Leopold aan de VS, had de Kerk toen blijkbaar een goede naam verworven in ons land. De koninklijke familie en hun gezelschap bezochten Salt Lake City in oktober 1919. Een Belgische journalist vermeldt het volgende over deze heugelijke gebeurtenis:

‘Wij zijn toen het Tabernakel binnengetreden, een reusachtige zaal omringd door galerijen, en wiens enige versiering een monumentaal orgel is. In prachtig hout en vergulde pijpen. Vlak voor het orgel hadden plaatsgenomen: de Koning der Belgen, de Koningin, prins Leopold en enige mensen uit hun gevolg. Voor enkele duizenden aanwezigen sprak vervolgens de burgemeester een prachtige gelegenheidstoespraak uit. Hij wenste ons vorstenpaar een hartelijk welkom toe en vergeleek onze dappere soldaten met de illustere helden uit de oudheid. Vervolgens stond de president van de mormoonse Kerk op, Herber J. Grant, en deze eerbiedwaardige grijsaard sprak met machtige stem een bijzonder gebed uit voor de Koning, de Koningin en het ganse Belgische volk.

Daarna juichte het publiek ons uitbundig toe. Belgen, mijn landgenoten, begrijpt u de ontroering die ons toen aangreep op dat ogenblik, onze vorsten en alle aanwezigen, toen wij die diepgevoelige toejuichingen hoorden? Wij bevonden ons op duizenden kilometers van ons land, temidden van mannen en vrouwen die een andere taal spraken, die een andere godsdienst beleefden, en deze mannen vrouwen, die wij gisteren nog niet kenden, kenden onze heldenmoed, onze trouw, onze ontberingen en onze overwinning! Het monumentale orgel begon hemelse muziek te spelen, wij waren verrukt tot in de hoogste graad. Salt Lake City, u die een prachtige tempel bezit, een tabernakel en hoge kerkelijke leiders, u die het Nieuwe Jeruzalem van de Nieuwe Wereld zijt, ik zal nooit het ontroerend welkom vergeten dat u aan onze Vorst hebt aangeboden, en de toejuichingen ter ere van mijn land. En u, mijn mormoonse vrienden, die mij met zoveel hartelijkheid hebt ontvangen, ik groet u van ver.’ Daarna werd de tempel bezocht en de Belgische vorst drukte zijn dank uit voor het ontroerend welkom door de mormoonse vrienden.

Onze koning Albert 1 was zeer aangegrepen door de gastvrijheid en de vriendelijkheid die hem te beurt viel in Salt Lake City en dat zorgde ervoor dat de kerk in België van dan af beter ontvangen werd. Maar spijtig genoeg scoorde dit nieuws enkel in Wallonië, zodat dit gebied bij Frankrijk aansluiting vond in 1924. Dit werd echter erg noodlottig voor Vlaanderen, want daar verslapte de hulp aan de gemeenten Mechelen en Antwerpen en er was geen echte vooruitgang te bespeuren tot in 1940.

1924 – 1977: de evolutie van de Kerk in Wallonië in vogelvlucht

Met de heropening van de Franse zending in 1924, werden de Franstalige gemeentes naar die zending overgeheveld, terwijl Vlaanderen bij de Nederlandstalige zending bleef horen, hoewel er van zendingswerk bij ons nog maar nauwelijks sprake was. In de eerste jaren werden de diensten van de Kerk in gehuurde ruimten gehouden. De eerste echte kerkgebouwen voor Franstalige leden werden gebouwd in Luik, Seraing en Herstal. Alle werden in de jaren dertig voltooid. Het kerkgebouw in Herstal werd in 1937 ingewijd door Heber J. Grant, destijds de president en profeet van de Kerk. Tot 1962 bleven die drie de enige kerkgebouwen die in Franstalig Europa gebouwd waren. Tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog bleven de leden in de zes gemeenten actief. Na de oorlog boekte de Kerk als deel van de Franse Zending maar weinig vooruitgang, maar in 1963 werd de Frans-Belgische Zending opgericht. Tien jaar later waren er ongeveer 3500 leden in drie districten in België. De eerste Belg die een algemene autoriteit werd, was Charles Didier, afkomstig uit Elsene. Hij werd in oktober 1975 geordend als lid van het Eerste Quorum der Zeventig. De eerste Belgische ring werd in februari 1977 in Brussel opgericht, met Joseph Scheen als ringpresident.

1924 – 1939: Nederland bekommert zich weer om Vlaanderen

Sommige verslagen vertellen ons dat er al zendingswerk werd gedaan tussen de jaren 1895 en 1924. Eens lid van de Kerk bleven de bekeerlingen hier echter niet wonen, want bijna alle leden werden gemotiveerd om uit te wijken naar de VS. Zij werden opgeroepen om naar de Kerk in Utah te trekken. Om samen met de Amerikaanse heiligen de ‘Bijenkorfstaat’ en omliggende staten groot te maken.

De leden die hier achter bleven vervielen langzaam maar zeker terug in hun oude gewoonten en de Kerk geraakte in verval. Dan was er geschiedkundig gesproken even een korte periode dat Vlaanderen en Wallonië naar de Franse Zending verschoven. Maar al vlug behoorden we terug bij de Nederlandse Zending, want in 1924 startte de Kerk met een nieuwe poging tot zendingswerk in de Lage Landen en onze gemeenschappelijke taal biedt ons dat oude voorrecht terug aan.

In de 20 e eeuw werd het zendingswerk van de Kerk voornamelijk in de grote steden gedaan. Ook werd er enig bekeringswerk in kleine plattelandssteden verricht. Gedurende de crisis van 1922 tot 1935 werd wel aandacht besteed aan de kleine steden maar dit resulteerde slechts in enkele bekeerlingen, en de zendingspresident verplaatste de zendelingen naar de grote steden.

1925 – 1938: Sporten met Mormoonse dominees

Honkbal (baseball en softball) werd door jonge Amerikaanse zendelingen met joviaal enthousiasme gespeeld en onderwezen in het kader van het zendingswerk. Dat gebeurde al in de periode 1925-1938 en later in de jaren ’60 werd het project herbruikt in de Nederlandse zendingsdistricten. In de allereerste periode werden door de zendelingen basketball- en baseballteams gevormd. De zendingspresident riep jonge mensen op tot sporten en trachtte hen op die manier naar de mormoonse Kerk te leiden.

In 1938 werd het zendelingenbaseballteam erkend. Na een jaar competitie ontving de ploeg een medaille in Amsterdam. ‘Aan de mormoonse zendelingen ter herinnering aan de fijne baseballwedstrijden die wij met elkaar speelden’. In 1939 hielden de mormoonse dominees, beter bekend als ‘Salt Lake City’-ploeg, wedstrijden in vriendschapsverband. Tijdens het nieuwe seizoen geraakten de snelle jongens in de hoogste klasse van de nationale competitie. De Amerikanen veranderden van naam. De ‘Seagull’s’ speelden landskampioen. Hun thuiswedstrijden op het IJsclubterrein en de wedstrijden in Amsterdam en Haarlem werden op de voet gevolgd door jong en oud.

1936: op weg naar een officiële erkenning

Gedurende de twintigste eeuw was de officiële erkenning van de Kerk door de Nederlandse regering, misschien wel de meest belangrijke stap tot een positieve benadering van het mormonisme in dit land. De eerste werkelijke poging om deze erkenning te verkrijgen vond plaats in 1936. Elder T. Edgar Lyon, de zendingspresident, wendde zich tot het Ministerie van Justitie in verband met de herdenking van het 75-jarig bestaan van de Nederlandse zending. De Kerk moest echter nog negentien jaar op deze erkenning van de Nederlandse regering wachten.

Deze erkenning hield in dat de mormoonse Kerk als een legaal persoon zou worden gezien, met alle rechten van het individu, namelijk het recht om te vervolgen en te laten vervolgen, om legaten te ontvangen en bezittingen te hebben. Wettig bestaan garandeerde eveneens vrijstelling van belasting op gebouwen en bezittingen. Bovendien verhoogde deze erkenning de status van de Kerk boven die van een onerkende kerk, Erkenning verzekerde ook de zendelingen van een wettelijke behandeling gedurende hun aanwezigheid in Nederland. Het betekende tevens dat er minder conflicten met de politie ontstonden wanneer de zendelingen hun bekeringswerk deden.

1937: een kortstondige opschudding in België

In het jaar 1937 werd de Belgische sportwereld even aangenaam verrast door de sportiviteit van een vrij onbekende basketbalploeg die enkel uit Elders bestond. De jongens wonnen tegen de nationale ploeg, een ploeg die al 3 jaar kampioen speelde en bekend was onder naam Sporting club Brussel.

Een vergelijking als adempauze

Het zendingswerk van de 20 e eeuw verschilde in drie opzichten van dat in de 19 e eeuw: de provincie Zeeland werd terug voor het zendingswerk geopend, het Nederlands sprekende gedeelte van België werd een deel van de Nederlandse zending en er werd weer werk in Noord-Brabant gedaan. Sinds 1900 werd er meer gewerkt in het zuidelijk deel van Nederland, een deel dat overwegend katholiek was. De voornaamste steden voor zendingswerk waren Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. Ongeveer 50% van de steden waar het zendingswerk zich op concentreerde, waren dezelfde, waar de negentiende-eeuwse zendelingen hun bekeringswerk deden. De Nederlandse Zending breidde zich opnieuw uit tot aan het nederlandssprekende gedeelte van België. De steden Antwerpen, Mechelen, Gent en Oostende worden terug een onderdeel van het zendelingenverkeer. De toekomst lachte de zendelingen toe, want het Vlaamse gedeelte van België bevatte ongeveer 55% van de Belgische bevolking. Van 1934 tot en met 1939 leidde broeder Franklin J. Murdock de Nederlandse zending vanuit het hoofdkantoor in Den Haag. Alles leek weer goed op gang te komen, maar het bleek maar een adempauze voor het nieuwe krijgsrumoer. De tweede wereldoorlog kwam het reilen zeilen van het zendingswerk even door elkaar halen.

2.2. De Tweede Wereldoorlog (1939 -1945)  

‘Old Cowboys never die; they just mount an other horse and fade away into the sunset’ (Trevor Young - Buddy Owens)

In 1939 werden alle Amerikaanse zendelingen teruggeroepen naar de VS. De noodoplossing om hen naar Zwitserland te sturen, liep mis door de opgang zijnde schermutselingen. De broodnodige visa voor deze transfer werden niet verkregen en het dagdagelijkse kerkbestuur viel in de schoot van de lokale leiders voor een periode die nog lang kon aanslepen. Door de oorlog werden de verantwoordelijkheid over bestaande gemeenten in de handen van de plaatselijke leiders geplaatst, daar alle zendingspresidenten (uitgezonderd drie) Europa moesten verlaten. Een aantal districten en gemeenten zouden hier en daar verzwakken en zelfs verkwijnen. Er waren echter plekken waar de Kerk sterk bleef doorgaan. De leden leerden roeien met de riemen die ze hadden. In 1940 vallen Duitse troepen Nederland en België binnen. Hierdoor raken ook deze landen betrokken in de Tweede Wereldoorlog. Bommenwerpers boven Rotterdam voeren omstreeks 13.30 uur het Bombardement op Rotterdam uit. Italië verklaart de oorlog aan de geallieerden en Radio Oranje begint zijn uitzendingen.

Franstalig België

In België waren meer dan 400 Franstalige HLD zeer goed voorbereid op deze oorlogsperiode. Zo waren er 3 mormoonse kerkgebouwen in het Luikse en de meeste van de leden woonden in de buurt van de as Luik - Brussel. Zij waren georganiseerd in zeven gemeentes en zij beschikten over zeer sterke krachten. Het Belgische district zorgde zo goed mogelijk voor deze Belgische mormoonse gemeenschap. Het districtspresidium bestond toen uit: Paul Devignez (Luik) als districtspresident, Auguste Roubinet als eerste raadgever en Wladislaw Jelinek als tweede raadgever. De leden van dit district hadden in de jaren 1938-1939 aan hun voedselvoorraad gewerkt en hadden aardappelen en tarwe opgeslagen. De gemeente Seraing had voor een grote moestuin gezorgd. De opbrengst kon de behoeftige leden van verse groenten voorzien. Paul Devignez had ook Salt Lake aangeschreven en het kerkelijke veiligheidsfonds aangesproken. Dit fonds werd in Utah al jaren gevoed door vrijwillige bijdragen. Nu kon men het gebruiken. Zo steunde de Kerk de gezinnen wier echtgenoten zouden wegvallen door de oorlogsomstandigheden. Toen de Duitsers België binnenvielen werden alle openbare gebouwen in de steden aangeslagen. De drie kapellen van Luik, Seraing en Herstal werden opgeëist. President Devignez kreeg echter toestemming van de Duitse autoriteiten om de gebouwen ‘s zondags te gebruiken. Hij werd benoemd tot opzichter voor toezicht en onderhoud van het aangeslagen goed. Toen de voedseltekorten groot werden, trad de ZHV in actie en zo werden de leden van gratis soep voorzien. Tegen het einde van de oorlog stuurden de Zwitserse leden noodrantsoenen naar de Belgische regio en vreemd genoeg kwam er ook hulp uit een onverwachte hoek. Want zelfs Duitse leden droegen hun steentje bij om de Belgische heiligen te helpen. Enkele Duitse militairen, leden van de Kerk, kwamen vaak naar de kerkvergaderingen in Luik. Toen enkele leden van de gemeente Seraing naar Duitsland werden gedeporteerd om daar te gaan werken in de fabrieken, werd ervoor gezorgd dat de Belgen opgevangen en warm onthaald werden door de Duitse heiligen. Door deze uitzonderlijke vorm van samenwerking onder de heiligen, evolueerde zelfs het zendingswerk tijdens de oorlogsjaren en er werden minsten 50 personen gedoopt.

Nederland  

Na het vertrek van de zendingspresident in Nederland werden alle districtsconferenties afgelast en twee gemeenten werden gesloten. Alle voltijdse zendelingen keerden naar de VS terug. Toch doopten de 102 lokale zendelingen gedurende de oorlog, in de periode van 1940 tot en met 1945, wel 135 bekeerlingen in de kerk. In Vlaanderen boerde de Kerk achteruit en het ledenaantal kwijnde weg. Het plaatsvervangende zendingspresidium tijdens WO 2 bestond uit de volgende ouderlingen: Jacob Schipaanboord sr. als districtspresident, Arie D. Jongkees als eerste raadgever en Pieter Vlam als tweede raadgever. Gedurende de oorlog werkte dit zendingspresidium onder leiding van Franklin Murdock in Amerika.

Broeder J. Schipaanboord sr. had de moeilijke opdracht om plaatsvervangend zendingspresident te zijn in jaren van oorlog. Hij startte met zijn zending in 1939 en zou zendingspresident blijven tot in 1946. Door de oorlog was er geen communicatie tussen de autoriteiten in Salt Lake City en het plaatstvervangende presidium in Nederland. Hier en daar introduceerde men langzaam maar zeker ‘vreemde gebruiken’ in de Kerk. De Priesterschap vertraagde, omdat men de jongelingen in de Aäronische Priesterschap niet liet doorgroeien zoals het normaal de gewoonte was. Rituelen uit katholieke en protestantse middens deden hun intrede in de mormoonse eredienst. Die vergissingen zouden later moeten rechtgezet worden.

Maar er ontstonden ook twee politieke stromingen binnen de Kerk. De ene groep bestond uit leden die met de Duitse zaak sympathiseerden (de zwarten) en de andere groep rebelleerde tegen het Duitse regime. Deze laatste groep volgde de opmars van de Geallieerden op de voet en zij hoopten op een snelle bevrijding. Maar de oorlog duurde langer dan verwacht en zoals in vele andere bezette landen kreeg men hier ook te maken met de gevolgen van de rantsoenering, jodenvervolging, onderduikers, dwangarbeid, deportatie en het verzet. Na de landing van de geallieerden op de Normandische kust en de bevrijding van Antwerpen, kijken de Nederlanders uit naar hun bevrijding. De Slag om Arnhem (zie o.a. de film ‘Een Brug te ver’) werd echter een strategische opdoffer voor de oprukkende bevrijders en Nederland moest nog even op zijn tanden bijten.

Maar toen de Tommies eindelijk oprukten, reageerden de Duitsers hevig en zorgden voor de systematische uithongering van de bevolking. De man in de straat verloor alles wat hij bezat. Tegen het einde van de oorlog eiste de in het nauw gedreven vijand immers alles op wat maar van nut kon zijn om zich tijdens zijn roemloze terugtocht te voeden. De Nederlanders bleven berooid achter. Ze leden honger en koude. De mensen hadden bijna geen grondstoffen, voedsel, medicijnen, noch kledij om zich te kleden. Helaas sloeg toen ook nog een zeer koude winter toe. De zogenaamde ‘hongerwinter’ die iedereen uitgemergeld en voor dood achterliet.

Natuurlijk kunnen we niet alle bijzonderheden en lokale heldendaden vermelden, maar hier volgen enkele bijzondere momenten:


Rotterdam: Men moet het ‘Zwartboek’ van Paul Verhoeven niet gezien te hebben om zich te realiseren dat het daar slecht aan toe ging tijdens die periode. Op 10 mei 1940 viel het Duitse leger Nederland binnen. President Schipaanboord slaagde er in om de confiscatie van de mormoonse kerkeigendommen te voorkomen. Hij overtuigde de Duitsers ervan dat iedereen, zelfs in oorlogstijd, in de mormoonse Kerk welkom was.

De eenzame fietser: Ieder land had uit die tijd zijn sterke verhalen over bijzondere gemeenten en uitzonderlijke heldendaden. In Nederland fietste zuster Geertruida Lodder Zippro als ZHV-presidente van Amsterdam naar Rotterdam om te zien wat ze zou kunnen doen om de heiligen in het gebombardeerde Rotterdam bij te staan. Rotterdam worstelde zich echter door de oorlog en er werden diensten in Noord en Zuid gehouden.

Het verzet: Dan is er het verhaal van Angelina Rook. Zij was toen 23 jaar oud en gehuwd met Johannes Huvers. Zij waren Nederlanders die aan de Duits-Zwitserse grens woonden. Toen de oorlog uitbrak, keerden ze terug naar Nederland, om zich bij de verzetsbeweging te voegen. Net als mijn schoonvader, Leon Toté, die zich in het Belgische verzet aanmeldde, zouden zij Hitler eens een lesje leren en smokkelden Britse piloten en Franse krijgsgevangenen het land uit. Later keerden zij terug naar Rotterdam. Zij verbouwden hun kelder tot een vluchthuis voor gedeporteerden. Ook de echtgenoot van Angelina werd voortvluchtig en moest onderduiken. Uiteindelijk werd hun vluchthuis door de Duitsers ontdekt en haar man werd gedood. Later werd ook haar broer neergeschoten, maar Angelina bleef doorstrijden. Zij herhuwde met Albert Rook, een medestrijder in het verzet en na de Tweede Wereldoorlog weken Angelina en Albert uit naar Salt Lake City.

Misverstanden: Hier en daar waren er misverstanden en incidenten met Duitse militairen, Duitsgezinden en knapen van de Hiltlerjeugd. De Kerk werd in het oog gehouden en soms werden er met opzet leden geprovoceerd. Zodat, indien ze niet op hun woorden letten, rijp zouden zijn voor ondervraging en mogelijke deportatie. Zo kwam de gemeentepresident van Rotterdam in de problemen toen een moedige Aäronische priesterschapsdrager, die als deurwacht optrad, een knaap van de Duitse jeugdbeweging tegenhield. Hij verscheen daar in uniform en moest zijn dolk afgeven. Want er werden geen wapens tijdens de diensten in kapel toegelaten. Deze procedure scheen op andere tijdstippen geen probleem geweest te zijn. De Duitse officieren (onderzoekers en leden van de Kerk) die de diensten bijwoonden leverden hun wapens altijd in bij de vestiaire of het bureau van de gemeentepresident. Maar in dit geval, weigerde de opgewonden jongeman, er ontstond tweestrijd en de gemeentepresident werd later voor ondervraging meegenomen.

Vlam en Jongkees in de Brandende Oven: Nederlandse militairen en verzetslieden werden gezocht, opgejaagd en gevangengenomen. Dat was ook in het geval van broeder Pieter Vlam (tweede raadgever). Hij werd in 1942 door de Duitsers als oorlogsmisdadiger gearresteerd en naar Polen gestuurd. Hij vertoefde in verschillende Duitse concentratiekampen, kreeg daar toestemming om OOV-vergaderingen te houden en een koor op te richten. Hij predikte het mormonisme en bekeerde enkele medegevangenen. Broeder J. Paul Jongkees werkte voor een speciale militaire eenheid en werd tijdens de invasie van de Duitse troepen in Nederland gearresteerd als voormalig officier van het Nederlandse leger. Later was hij gevangene in oorlogskampen van Neurenberg, Stanislau Polen en Nieuwbrandenburg. Daar ontmoette hij broeder Vlam, het enige lid van de Kerk in deze verschillende kampen. De vergaderingen die Vlam mocht houden, werden door Jongkees en 12 andere mannen bijgewoond, 6 van hen werden gedoopt. In 1945 werden Vlam en Jongkees door de Russen bevrijd.

België - in de buurt van Bastogne

Zoals we weten maakt het priesterschap en zijn macht geen onderscheid tussen landgrenzen noch nationaliteiten. Zelfs niet in oorlogstijd en daarom breng ik dit verhaal uit de Slag om de Ardennen. Het Ardennenoffensief was het laatste grote offensief van het Duitse leger aan het westelijk front in de Tweede Wereldoorlog. De slag vond plaats van 16 december1944 tot 25 januari1945 en werd gewonnen door de geallieerden. In de Engelstalige wereld staat deze strijd bekend onder de naam “Battle of the Bulge”, zo genoemd vanwege de vorm van de frontlijn die op een uitstulping geleek. President Spencer W. Kimball vertelde daar de volgende geschiedenis over. “Broeder Wilson P. Lauritzen vocht met zijn eenheid in de bossen nabij het Belgische stadje Ammonius. De Amerikanen waren er in geslaagd om het tij te doen keren en de Duitsers moesten vluchten. De GI’s hadden een Duitse sector omsingeld en de vijand begon zich over te geven. De Amerikanen ontwapenden de Duitse gevangenen. Plots trad er één naar voren en vroeg in gebroken Engels.

“Zijn er soms mormoonse soldaten in deze eenheid?” Lauritzen antwoordde bevestigend en zei: “Ik ben een mormoon!”
“Bezit u het priesterschap.”vroeg de Duitser.
“Jawel”, antwoordde Lauritzen
“En ik ben getrouwd in de tempel”, voegde hij er aan toe.
“Kunt u dan even met mij meegaan naar die gindse bomkrater. Mijn vriend is gewond geraakt en is er erg aan toe.”

Natuurlijk ging Lauritzen mee en ontdekte zo een zeer zwaar gewonde man die huilde van de pijn. Toen knielden de twee soldaten neer – ze hadden enkele minuten geleden nog op elkaar liggen schieten en nu legden zij hun handen op het hoofd van de gewonde en bedienden hem. Terwijl dit plaats greep voelde Lauritzen dat de geest van de Heer sterk aanwezig was. Hij was er van overtuigd dat de andere mannen dat ook voelde. Toen de zalving en de zegen waren uitgesproken stonden de ambulanciers al klaar. De man werd op een draagberrie gelegd en met een wagen naar het veldhospitaal vervoerd. Toen gingen ze terug uit elkaar. De Duitse soldaat werd bij de andere krijgsgevangenen gezet en Lauritzen keerde terug naar zijn eenheid om zijn opdracht verder af te werken.”

Duitsland - achter de vijandelijke linies

In België werd de jonge Jozef Troffaes het slechte pad opgestuurd. Een plaatselijke priester van de katholieke kerk leerde de knapen dat het goed was om voor de Bezetter te gaan werken. Troffaes liet zich vrijwillig naar Duitsland deporteren en hoopte daar een beroep te leren. Maar al gauw ontdekte Jozef dat hij voor de verkeerde kant gekozen had en vluchtte weg. Hij stal oorlogsdocumenten, maar werd opgepakt, kon zich regelmatig vrij praten, verkleedde zich als Duitse officier, viel door de mand en werd wederom geklist. Jozef werd als verrader tot de doodstraf veroordeeld, ontsnapte uit een gevangeniswagon, werd beschoten en opgejaagd. Gelukkig kwam hij in contact met het Franse verzet en werkte een tijd met hen mee. Maar zijn avonturen bij het verzet waren van korte duur, hij werd wederom gevangen genomen en naar verschillende concentratiekampen gestuurd. Uitgemergeld en de dood nabij werd onze Belgische broeder Troffaes, die toen nog geen HLD was, onder zeer hachelijke omstandigheden door de Amerikanen in 1945 bevrijd. Getekend door de oorlog en miskend door de Belgische staat werd Troffaes een vrijdenker en vrijmetselaar. Maar de Heer zou hem niet vergeten en de zendelingen die zijn pad kruisten zouden een harde noot te kraken krijgen.

D-Day 1944 - de RASC waakt

In Groot-Brittannië werd de jonge Victor P. Tuffin onder de wapens geroepen. Na zijn basisopleiding belandde hij bij de RASC, het bekende bevoorrading- en transportregiment van het Britse Leger. Daar leerde hij met kleine en grote voertuigen omgaan. Speciaal voor D-day leerde zijn eenheid DUKW’s besturen en onderhouden. Op 6 juni 1944 werd hij samen met de Britten en de Canadezen op de Normandische kust bij Bernières-sur-Mer losgelaten. Victor overleefde de landing en “de Langste Dag”. Hij lag regelmatig onder vijandelijk vuur maar voer heen en weer naar de wachtende cargoschepen om de oprukkende troepen van ammunitie, brandstof en mondvoorraad te kunnen voorzien. Na de gevechten rond Caen ruilden hij en zijn manschappen de amfibievoertuigen voor normale legertrucks en volgden de frontsoldaten op de voet. De mannen van de RASC boorden zich door bezet gebied en maakten de bevrijding van Brussel en Antwerpen mee. Uiteindelijk belandde hij met zijn camions in de Sinjorenstad waar hij in de haven schepen hielp lossen en laden. De Amerikanen bouwden het befaamde “Top Hat” kamp op Linkeroever. Maar de Britten waren verspreid over de haven in kleine eenheden en kampeerden onder de hangars. Hun groot legerkamp lag buiten Antwerpen tegen Borsbeek. In de haven, bij de openluchtkantine van het Stadspersoneel, leerde hij Hilda Faes kennen. Hilda werkte daar in de keuken voor de havenarbeiders. Het stel werd verliefd op elkaar en Hilda nam haar Tommy mee naar huis om hem aan haar ouders voor te stellen. Vanuit Antwerpen bevoorraadde Victor de stellingen in het Noorden van Nederland en in het Zuiden het Ardennenoffensief. Hij maakte allerlei hachelijke situaties mee, werd naar verkeerde locaties gestuurd, vervoerde patiënten, monniken en vluchtelingen uit gebombardeerde klinieken, abdijen en vernietigingskampen. Op het einde van de oorlog werd hij naar Zuid-Frankrijk gestuurd om daar een legerbasis en een veldhospitaal op te zetten. Met als doel de stroom aan gekwetste soldaten die via de Middellandse Zee terug naar Europa werden verscheept op te vangen en naar huis te sturen. Toen zijn legertijd er op zat, tekende hij niet bij, hij verliet het Britse leger en keerde terug naar Antwerpen om daar te kunnen huwen. Het jonge paar zou pas in 1956 in aanraking komen met de kerk.