MvG logo www.mvgcontact.org

Het Woord Getrouw - Deel 1

Home



"Het woord getrouw dat ge onbevreesd moogt spreken"
George Tuffin verhaalt over de geschiedenis van de kerk in de vlaamse gewesten tijdens de 19e eeuw.

De Mormonen in Vlaanderen

Deel 1: 1948-1970

Woord vooraf en verantwoording

De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen is een wereldkerk geworden. De Kerk leeft, groeit, en is niet meer weg te denken uit onze samenleving. Vanaf het ontstaan van de Kerk werd het bijhouden van verslagen een belangrijke noodzaak. De Heer onderstreepte dit door hedendaagse openbaring. Joseph Smith en andere prominente kerkleiders hielden een persoonlijk dagboek bij. Oliver Cowdery, zijn eerste metgezel in het evangelie, is uiteraard de eerste kerkelijke geschiedschrijver. Deze getuige van de oprichting van de Kerk op 6 april 1830 werd opgevolgd door John Whitmer en daarna volgden er een reeks van klerken, verslaggevers en kroniekschrijvers. Deze mannen waren uiteraard allemaal leden van de Hoge Raad of lid van de Raad der Twaalven. HLD schreven niet alleen geschiedenis om de goddelijke tussenkomst vast te leggen, maar ook om valse getuigenissen te ontkrachten en om toekomstige leden de leer van het koninkrijk te kunnen onderwijzen. De eerste officiële kronieken verhaalden de daden en woorden van onze profeten en apostelen, startend met een beschrijving van het leven van de profeet Joseph Smith en de groei van de jonge Kerk in deze laatste bedeling. In 1842 werd William Richards kerkhistoricus, en door zijn literaire achtergrond vernieuwde hij het geschiedschrijven. Zijn assistent Thomas Bullock hielp hem de kostbare gegevens in stevige dozen naar het Westen te verhuizen. De verslagen van die periode beschreven de openbaringen van Brigham Young en de lotgevallen van de moedige zielen die de woestijn deden bloeien als een roos. Salt Lake City is vandaag niet alleen de hoofdstad van Utah, maar ook het centrum van de mormoonse Kerk. Het schrijven van kerkgeschiedenis werd met de tijd een vaste roeping en een taak binnen de kerkgemeenschap. Alle officiële kerkhistorici waren jarenlang lid van de Raad der Twaalven.

Dat gezegd zijnde en dit als een spiegel gebruikend vermeld ik eerbiedig dat ik in het jaar 2006 werd geroepen als schrijver van kerkgeschiedenis voor onze Antwerpse wijk. Al vlug opteerde ik om niet alles in detail te gaan vertellen. Onze Nederlandse broeders hadden al zo veel over hun deel van deze historie geschreven. Ik verkoos de belangstelling naar België en specifiek naar Vlaanderen te verleggen. Ik gebruikte het jaar 1948 als de start van mijn historische zoektocht. De kerk werd toen in Vlaanderen terug opgebouwd want haar organisatie was daar door de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan terwijl In Nederland en Wallonië de kerk was blijven doorgaan.

De kerk wilde van in het begin zijn boodschap niet voor zichzelf houden. Het is geen alleenrecht voor de Amerikanen. De boodschap van Christus moest overal gepredikt worden. Zo kwam er ook nood aan kerkgeschiedenis over die plaatsen in de wereld waar de Kerk zich vrij recent gevestigd had. De Amerikaanse kerkgeschiedenis is natuurlijk een onderdeel van ons mormoons erfgoed geworden. De lesboeken staan er vol van. Maar de waarde van onze eigen kerkgeschiedenis mag niet onderschat worden. De kerk in de Lage Landen heeft sinds 1887 een schat aan plaatselijke zendelingen- en bekeringsverhalen. Daarom werd het hoog tijd dat onze plaatselijke kerkgeschiedenis het daglicht zag. Het eindresultaat van mijn pennenvruchten werd echter geen academisch meesterwerk.

Ik ben een gewone voetsoldaat, geen halfgoddelijke academicus en verwacht daarom dan ook geen hoogstaande volzinnen en zware retoriek. Waar nodig, zal ik de noodzakelijke gegevens wel voor u opsommen. Ik kan deze zaken natuurlijk niet ontwijken, maar daar waar ik de kans zag, liet ik liever de mensen hun zegje doen. Niet altijd rechtstreeks en volledig, maar beknopt en naverteld, zodat de essentie van het verhaal werd behouden. Deze pittige details geven de geschiedenis wat kleur en misschien leest dat wat vlotter. Natuurlijk is dit niet het eerste werk over onze streken. Mag ik u meenemen naar de tijd na de Tweede Wereldoorlog en daar het jaar 1948 als openingsscène gebruiken. Het uur van de waarheid! Waar de Zending vanuit Nederland het Antwerpse district terug een nieuwe adem inblies.
 

Een woord van dank

Tijdens mijn speurwerk werd het me al vlug duidelijk dat ik al veel van de ‘goede oude tijd’ vergeten was en ik had hier en daar wat hulp nodig. Waar mijn geheugen faalde, moest ik Indiana Jones, Da Vinci Code-brekers, academici en speurders in archieven aan het werk zetten. Als reporter vroeg ik de kerkleden naar oude anekdotes en ervaringen. Zo kwam het gestremde speurwerk weer op gang. Ik kon de gaten in de tijd opvullen, het boek werd een vrij chronologisch geheel en daarom gaat mijn dank uit naar de volgende personen:

  • de bisschap, bestaande uit Johan Jonckheer, Camiel Debaene en Jean Huysmans.
  • Adriana Van Gogh, de assistent-genealoog van menig Vlaams kerklid.
  • professor Wilfried Decoo (UA en BYU) bezat een enorme schat aan memoires uit onze Vlaamse regio.
  • onze mediathecaris, Albert Lepinoy, haalde een doos vanonder het stof en ontdekte oude gemeente- en districtsbladen.
  • Louis Hubert Verheyen, onze patriarch, overhandigde mij een stel oude ‘Sterren’ uit zijn garage die hij ooit van Victor Tuffin cadeau gekregen had.
  • Camiel Debaene gaf zijn verzameling ‘Horizon’- magazines in bruikleen
  • Sylvia Jonckheer-de Bruijn schonk mij een aanvullende ‘Sterren’- bibliotheek.
  • Jean Huysmans bracht me in contact met de archieven in Salt Lake City.
  • Mark Staker, conservator van het Museum van Geschiedenis en Kunst, werd een grote steunpilaar in het verdere speurwerk.
  • Edward Kimball, de zoon van president Kimball, en zijn ‘fifties’- verhalen.
  • Harold Oaks, de Elder die mijn ouders doopte, liet van zich horen.
  • Robert Boden die mijn redacteur werd.
  • Ivo Mariën en de kerkgeschiedenis van de gemeente Mechelen.
  • de brieven van Elder Garlick uit die periode.
  • maar boven al genoot ik van de persoonlijke contacten van de mensen van bij ons die zich de tijd van toen nog konden herinneren.

Deze kerkgeschiedenis blijft echter eenvoudig. Ze gaat zeker niet de complete of definitieve geschiedenis worden van het hedendaagse mormoonse erfgoed van onze contreien. Het zijn enkel ‘flitsen’ uit ons ‘gemeenschappelijk’ kerkverleden. Ik werd niet lang na het einde van de Tweede Wereldoorlog geboren en werd lid van de kerk in 1958. Ik ben dus ergens van dezelfde tijd als de meeste gebeurtenissen die in dit boek beschreven worden. Ik leerde erover, was er getuige van, en nam er aan deel. Zo voor die lieden, die vonden dat er te veel persoonlijke verhalen in voorkwamen, kan ik enkel zeggen dat ze gelijk hebben. Het is soms moeilijk om als historicus ongeëmotioneerd en onpartijdig te blijven. Maar ik heb mijn best gedaan. Wat betreft de jaren 1956 tot en met 1970 was ik er nu eenmaal bij en daarom zal ik mijn ervaringen ook met u delen. Het is zo-wie-zo geen nuchtere geschiedenis, maar een blik op die tijd vanuit een persoon die er toen met hart en ziel middenin zat. Niet via egotripperij, maar met een kloppend hart dat ‘die goeie oude tijd’ met u wil delen. In ieder geval hoop ik dat deze kleine parel van grote waarde een onderdeel van onze mormoonse nalatenschap mag worden.
 

INLEIDING

Met dit eerbiedwaardig werk wilde ik de Alzheimer in ons verjagen, onze geest verjongen en onze Vlaamse en mormoonse karakteristieken in ‘ruimte en tijd’ voor onze nazaten vastleggen. We namen nu eenmaal het besluit Jezus te volgen. Hij leidt en trekt zijn Kerk overal ter wereld. In 2006 werd ik de kerkhistoricus van mijn wijk. Ik aanvaardde deze roeping zonder er bij na te denken. De Heer roept en wij draaien! En omdat de pen machtiger is dan het zwaard, trachten we de vergrijzing van ons verleden tegen te gaan. De belangrijke dingen van het dagelijkse kerkleven glippen door onze vingers als we ze niet op papier zetten. Net als oude bekenden (broeder Troffaes en zuster Van Gogh), echte mormoonse pioniers, vervagen onze herinneringen. Dat wat we niet genoteerd hebben, verdwijnt in het niets. Als historicus ging ik vrij accuraat te werk. Maar ik wilde er vooral geen saaie boel van maken. Daarom laat ik af en toe wat persoonlijk getinte getuigenissen op u los om de materie onderhoudend te maken.

Op donderdag, 23 februari 2006, ontvingen prinses Mathilde en de Nederlandse prinses Máxima elk het eerste en het laatste deel van het naslagwerk ‘Geschiedenis van de Nederlandse literatuur’ in de Grote Kerk van Breda. Vlaamse en Nederlandse specialisten hebben er ruim tien jaar aan gewerkt. Vlaams minister van Cultuur Bert Anciaux zei dat het naslagwerk aantoont dat ‘Vlaanderen en Nederland een gedeeld verleden, heden, en een gedeelde toekomst hebben’. Schrijfster Kristien Hemmerechts deelde die mening over een gemeenschappelijke taaltoekomst. Deze uitspraak is best toe te passen op onze kerkgeschiedenis. Historisch kwam de sturing van de mormoonse Kerk in onze streken voor vele jaren uit Nederland en pas later werd het een gedeelde opdracht. De kerkgeschiedenis werd dus ook ‘een gedeeld verleden, heden en een gedeelde toekomst’.

In 1948 werd vanuit Nederland het Antwerpse district in de stad Antwerpen geopend. Dat betekent dat wij in het jaar 2008 de 60 ste verjaardag van de Kerk in Vlaanderen kunnen vieren. De reddende boodschap kwam in het verleden via Amerikaanse en Nederlandse vrienden naar ons gebied. Vandaag bezoeken zij nog steeds onze contreien, met dat verschil dat zij op de samenwerking kunnen rekenen van een leger Vlaamse leiders. In onze eigen Ring (België – Antwerpen) werkt de grensoverschrijdende werking in beide richtingen. Deze kerkelijke regio bestaat uit Vlaamse én Nederlandse wijken en gemeenten. Hun kerkelijke taken kennen algemeen gesproken geen grenzen. Zo is onze tweede Ringpresident, Hans Boom, een doorwinterde Nederlander uit Breda. Zijn voorganger, Jo Buysse, de eerste Ringpresident van Vlaanderen, is een Belg uit Waasmunter in de buurt van Sint Niklaas.

Hoofdstuk 1 : De speurtocht naar onze Kerkgeschiedenis

 “En gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.”
- Johannes 8: 32 -

Het mormonisme is al ver voorbij zijn 175-jarig bestaan. De Kerk heeft vaste voet in de wereld gekregen als een levenskrachtige en progressieve godsdienst. We schieten zelfs de 200 ste verjaardag van de profeet Joseph Smith jr. voorbij. In het jaar 2006 werd Antwerpen terug één grote wijk. De wijken Antwerpen 1 en Antwerpen 2 werden samengevoegd tot één megawijk en dit werk werd in de eerste plaats voor deze wijkleden geschreven.

Deze mormoonse kerkgeschiedenis verhaalt daarom de historie van de gemeente Antwerpen, maar stopt daar niet. Ook andere gemeenten, het district en de Nederlandse Zending komen aan bod. Een stuk later en zeker niet in dit eerste deel zal ook de geboorte en ontwikkeling van de Ring in het verhaal zijn plaats krijgen. Maar eerst moeten we naar de oorsprong der dingen gaan. Een niet te oude kerkbrochure vertelt ons, dat onze kerkgeschiedenis ergens in 1887 zou moeten beginnen. Daarom zullen we even het totaalbeeld bekijken en onze geschiedenisboek samen openklappen.

Voor een groot deel van deze geschiedenis zal België meedeinen met de Nederlandse geschiedenis. Maar wij, Belgen, zijn onze specifieke geschiedenis niet vergeten. Laten we ons ontstaan even kort samenvatten. Tijdens het congres van Wenen in 1815 werden de Belgische en de Nederlandse provincies in één staat verenigd. België kwam zo onder het bewind van de Nederlandse koning Willem I. Hoewel zijn economisch beleid voordelig was voor de Belgische burgerij, ontstond er toch protest. De katholieken protesteerden tegen de inmenging van Willem I in kerkelijke aangelegenheden en de liberalen tegen de geringe vrijheden.

In 1828 verenigden beide partijen van het toekomstige België zich, stelden een gemeenschappelijk eisenpakket op, het zogenaamde monsterverbond. Aan de andere zijde van de Atlantische Oceaan werd op 6 april 1830 de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen opgericht. Voor de HLD onder ons lag de Herstelling nog fris in het geheugen.

Maar voor België heeft 1830 een heel andere betekenis. Onze natie begon pas geschiedenis te schrijven. Een 5-tal maanden later, brak op 23 september 1830 de revolutie uit. De opvoering van ‘de Stomme van Portici’ zette Brussel in vuur en vlam. De Brusselse opstandelingen kregen steun van vrijwilligers van buiten de stad. Door deze opstand scheidde België zich af van de noordelijke provincies. Het Voorlopig Bewind riep de onafhankelijkheid uit op 4 oktober 1830.

Op 3 november werd het Nationaal Congres verkozen en kortom, België bestaat. De Belgen spraken nu wel geen Belgisch, maar Nederlands of Frans. Het Nationaal Congres keurde op 7 februari 1831 een voor die tijd progressieve grondwet goed. Op 4 november 1830 begon te Londen een diplomatieke conferentie die over de toekomst van België zou beslissen. De grote mogendheden erkenden de scheiding van België en Nederland.

We moeten echter spijtig genoeg vaststellen dat door deze abrupte ontwikkelingen, de nieuwe regering en later de jonge monarchie, de verfransing in de hand zullen werken. We zullen tot de Eerste Wereldoorlog moeten wachten totdat het Vlaams bewustzijn ontwaakt en het Nederlands terug een rol gaat spelen als voertaal.  

1840 – een schuchter begin

De Kerk zal in de 19 e eeuw niet over een specifiek zendingsplan voor Nederland en België beschikken. Er volgen schuchtere experimenten uit de Franse en Zwitserse zendingsgebieden. Zo zullen zendelingen van allerlei nationaliteiten onze streken bezoeken. Het duurt echter een poos voordat de situatie zich enigszins stabiliseert. Pas dan zullen we over een Nederlandse aanpak in het Noorden en van een Franse periode in het Zuiden kunnen spreken. We zitten nu eenmaal in het oude Europa van de 19 e eeuw, een andere tijd en plaats. Toen zag de kaart van Europa er vrij anders uit dan nu. De eerste bekeerlingen kwamen uit Groot-Brittannië en pas later uit de rest van Europa. De overgrote meerderheid kwam uit protestantse middens.

Broeder Orson Hyde

In april 1840 werd één van de apostelen van de Kerk, Orson Hyde, op zending naar Jeruzalem geroepen. Hij kwam te Rotterdam aan in juni 1841, op weg naar Palestina. Gedurende zijn kort verblijf in die stad, maakte hij kennis met een joodse rabbijn, aan wie hij het doel van zijn voorgenomen reis naar het Heilige Land verklaarde en aan wie hij zijn getuigenis gaf van het herstelde evangelie. De rabbijn sprak echter geen Engels en Hyde geen Nederlands, dus er is vrijwel geen communicatie. Aldus was Orson Hyde, de eerste HLD, de eerste ouderling, die de volheid van het evangelie zowel op het vasteland van Europa als in het Verre Oosten predikte. Verder weten we niet veel meer, want ofschoon Holland van tijd tot tijd door ouderlingen van de Kerk werd bezocht, die tussen Engeland, Duitsland, Zwitserland en Scandinavië heen en weer reisden, weet men niet of zij enige poging deden om op hun doorreis het herstelde evangelie aan de inwoners van Nederland te prediken.

1850 – Protestantse emigranten

In 1850 trachtte men bekeerlingen te vinden in Frankrijk, Italië, Ierland en het Oostenrijks-Bulgaarse Rijk. De zendelingen kregen tegenwind van de katholieke meerderheid in deze landen. Andere HLD-zendelingen faalden bij de orthodoxe bevolking van Oost-Europa. Rusland, Griekenland en de Balkan toonden geen interesse in de nieuwe leer en men noteerde maar enkele bekeerlingen onder de Europese joden. Maar daar waar de zendelingen, protestanten en ‘moderne zoekers naar waarheid’ vonden, oogstten ze succes.

Soms werd zelfs een hele gemeenschap bekeerd. Zoals in Nederland met Timothy en zijn ‘Nieuwlichters’ in de periode na 1860. Deze bekeerlingen kenden de Schriften. Zij ontdekten de fouten binnen hun kerkgemeenschap, sekte of afscheuring. Daardoor kregen zij woorden met hun plaatselijke geestelijke leider. Al vlug zochten zij naar betere geestelijke leiding en hoopten op de tweede komst van de Heer.

De nieuwe leden kwamen zowel uit het platteland als uit de stad. Het waren landbouwers en werklieden die zich vermengden met fabrieksarbeiders en stadslui uit de 19 e eeuw. Zij verlieten hun weilanden en de sloppen rondom de steden en kozen voor het Koninkrijk der Heiligen. Toen de Kerk drie jaar vaste voet aan grond had in Europa, introduceerde de Kerk de leer van de Vergadering (Gathering). De zendelingen moedigden jonge leden aan om naar Zion te emigreren. Vele leden reisden naar Engeland om in Liverpool in te schepen. Ze voeren met schepen, zoals: the Amazon, Nevada en the Monarch of the Sea naar New Orleans. Vanuit deze haven poogden zij via het één of ander transportmiddel Nauvoo te bereiken.

Andere emigranten landden in New York, Philadelphia of Boston en maakten gebruik van het spoorwegnet om Omaha te bereiken. Van daar werd de reis verder gezet met een ossenwagen. Er werden karavanen gevormd en minderbedeelde heiligen sloten zich aan bij ‘de handkarpioniers’ om naar Utah te trekken. Toen de Kerk vaststelde dat de meeste emigranten bijna geen geld of goed bezaten om de grote trek te kunnen maken, maakten ze gebruik van een ‘kerkelijk emigratiefonds’ om de Europese heiligen te ondersteunen.

Maar in Europa ging niet iedereen naar Amerika en het zendingswerk moest daar bestendigd worden. Er was nood aan lokale vergaderplaatsen en infrastructuur. De Kerk ondervond vooruitgang in Zwitserland en Duitsland. Lorenzo Snow kende echter tegenslag in Italië en John Taylor zat in Frankrijk ook in de knoei. Al in 1850 kondigde de Apostel John Taylor tijdens zijn verblijf in Frankrijk aan dat het evangelie naar België zou gebracht worden. Men kende niet overal dadelijk succes, maar omstreeks 1860 werd er een zending geopend in Nederland. Historisch gezien zouden we kunnen spreken van een eerste zendingsgolf en die omvatte een periode van 1861 tot en met 1900.

1861-1862: Capt. A. W. Vanderwood - een voorbeeldige Fries

Het verhaal van kapitein Vanderwood samenvatten werd geen eenvoudige opdracht. Daarom verwijs ik naar het volledige verhaal op de MVG website. Anne Wieger van der Woude was de eerste Friese zendeling die naar zijn thuishaven terugkeerde om daar het evangelie te prediken. Hij werd op 12 juli 1812 geboren te Franeker. Hij kwam uit een groot gezin en werd een bekwame zeevaarder. Hij verhuisde met zijn gezin naar ergens tussen 1849 en 1852 naar Cardiff in Wales. Daar stond hij bekend als scheepsreder. Anne bekeerde zich in Wales tot de Kerk. Zij bezochtten de gemeenten Cardiff en Liverpool en emigreerden naar Utah. Anne bouwde daar een huis langs de rivier de Weber, nabij de plaats Ogden. Dankzij zijn kennis van de Nederlandse taal werd hij geroepen om als zendeling terug te keren naar zijn geboorteland. Tijdens de algemene voorjaarsconferentie van 8 april 1861 werd hij aangesteld als zendeling naar Nederland. Zo werd Anne Wiegers van der Woude de eerste mormoonse zendeling in Friesland. Hij werkte samen met broeder Paul A. Schettler. Deze Duitser bekeerde zich in 1860 in New York en trok kort daarna naar Utah. Schettler had familie in Zeist die behoorde tot de Moravische Broederschap, en als Duitser was hij enigszins op de hoogte van de Nederlandse taal en landelijke gebruiken. De twee mannen kenden goede en slechte momenten. Op 21 augustus 1861 liet Anne zijn collega Schettler achter in Amsterdam. Hij vertrok richting Friesland en predikte in Leeuwarden en Workum. Hij bezocht overal zijn zussen en andere familieleden. Hij trachtte overal de basisprincipes van de Kerk uit te leggen, maar toen werd hem de leer van de polygamie voor de voeten geworpen. Hij kon daar weinig goeds doen. Anne keerde later naar Amsterdam terug en tijdens de zachte winter van 1861-1862 werd hij ziek. Hij werd verzorgd door de broeders en zusters in het geloof. In de zomer van 1862 ontstonden er ruzie onder de leden te Amsterdam. Zijn collega Schettler ontspoorde en deze werd door de kerkelijke autoriteiten in september 1862 overgeplaatst naar Bazel in Zwitserland. Anne bleef in Nederland werken. Eind 1862 telde de kleine gemeente van Amsterdam 15 leden. Begin juni 1863 ging Anne aan boord van de S.S. Amazon, samen met 895 andere mormonen. Tijdens zijn zending was hij er in geslaagd om 21 bekeerlingen te dopen. Anne bracht twee mormoonse dames mee naar Zion. Terug in Utah verhuisde Anne met zijn gezin naar Malad in Zuidoostelijk Idaho. Zijn eerste vrouw Siebregtje overleed in 1872. Anne heette intussen Vanderwood. Anne huwde later opnieuw met Catharine Jones Evans, geboren in Wales, en zij kregen nog eens zes kinderen. Hij overleed op 7 augustus 1892 in Malad. Op zijn grafsteen staat ‘Capt. A.W. Vanderwood’ geschreven.

Experimenten in België: 1861-1888

De geschiedenis van de prediking van het evangelie in ons land begint in 1861. Toen stuurde de toenmalige Franse zendingspresident, Louis Bertrand, een zekere Gustave Chaprix, van Parijs naar Brussel om daar het werk te openen. Veel succes moet die eerste zendeling niet gekend hebben, want van broeder Chaprix is verder niets bekend. In 1864 werd de Franse Zending gesloten ten gevolge van de aanhoudende politiedruk op de activiteiten van president Bertrand. Napoleon III wilde toen niets weten van politieke of religieuze groeperingen die niet met zijn ideeën overeenkwamen. Het werk in België ging evenwel nog een tijdje door, zonder veel succes. Uit de Zwitserse zending werd zeven jaar na de komst van Broeder Chaprix, een andere zendeling naar ons land gestuurd, broeder Octave Ursenbach. Dat was in 1868. De zendeling bracht enige tijd door in Brussel en Antwerpen. Blijkbaar zonder succes, want op 9 oktober 1868 schrijft hij een brief naar zijn zendingspresident om terug naar Zwitserland te mogen keren. Zo gaan er 20 jaar voorbij. We zijn met onze kerkgeschiedenis beland in het jaar 1887. Toen lieten de eerste bekeerlingen zich dopen. Mischa Markow, een Hongaar (Serviër), die in 1887 in Turkije (Constantinopel) tot de kerk toetrad, vestigde zich een jaar later in 1888 te Antwerpen en via familieleden en kennissen predikt hij het evangelie. Hij ontmoette het Duitse gezin Esselmann/Beckhaus. Op 17 oktober 1888 werd de eerste doopplechtigheid in ons land gehouden, toen werden de eerste leden van de familie Esselman gedoopt. Markow doopt Henriette Esselman en haar zoon Frederik. Later werden nog vier leden uit dat gezin gedoopt. Markow verzocht de Zwitser-Duitse zending 3 zendelingen naar België te sturen. Het werk breidde zich uit en de eerste voltijdszendelingen werden vanuit de Zwitsers-Duitse Zending naar België gestuurd. Deze drie broeders hielpen Markow in het uitvoeren van zijn taak. Binnen de twee maanden hadden zij 80 bekeerlingen gedoopt en allen waren verwijzingen van broeder Beckhaus. De zendelingen openden ook gemeenten in Antwerpen, Brussel en Luik.  

De Nederlandse Periode

In 1891 werd gans België deel van de Nederlandse Zending. Verschillende zendelingen die Nederlands en Frans spraken zetten het werk hier verder. Broeder Frederik Pieper schreef een verslag van zijn ervaringen in ‘de Ster’ van 1896. ‘Sinds enige jaren waren de zendelingen in verschillende steden werkzaam. Het volk was grotendeels onbekend met de Schriften en had weinig behoefte aan godsdienst, echter waren ze in grote mate genotzuchtig. Zo waren er maar weinigen, die aan de roepstem gehoor willen geven. Wel waren er enige leden in de steden Antwerpen, Brussel en Luik, maar het is opmerkelijk dat het tot nu toe voornamelijk Hollanders en Duitsers waren, welke de waarheid aangenomen hebben.’ Uiteindelijk oogstten de zendelingen ook wat succes onder de Belgen en het was vooral de Waalse bevolking van de stad Luik, die oor had voor de nieuwe leer.

Elder Ripplinger, een gehuwd man en vader van 3 kinderen, werd de collega van Frederik Pieper. De kleinzoon van Ripplinger, Donald Ripplinger werd later dirigent van het befaamde mormoonse tabernakelkoor.

Omstreeks 1895 maakten de kerkverslagen melding van het werk van John Ripplinger en Pieper, twee moedige zendelingen die in onze gebieden predikten. De ouderlingen belandden bij een Baptistengemeenschap die open stond voor het evangelie en zij erkenden broeder Ripplinger als een bijzondere boodschapper. De zendelingen werden op een debatavond uitgenodigd en de dominee trachtte de leer van de mormonen te ontkrachten. Maar de Dominee oogstte geen succes, want Ripplinger predikte met kracht van omhoog, weerlegde de beschuldigingen van de predikant en deze verloor een groot deel van zijn kudde.

Ook Pieper kon zijn getuigenis achterlaten, want een voorname Baptistenpredikant uit Frankrijk werd uitgenodigd om een nieuwe gespreksavond met de zendelingen in te richten. Die vergadering begon om half acht en duurde tot half twaalf. De bekende dominee trachtte op lage wijze de kerk zwart te maken, maar de zendelingen weerlegden aan de hand van de Bijbel alle beschuldigingen en gaven een krachtig getuigenis.

De vergadering besloot met de goedkeuring van de voornaamste aanwezigen. De eigenares van het pand waar de vergadering doorging stond op en verklaarde openlijk dat haar woonst voortaan als vergaderplaats voor de mormonen mocht dienen. Toen de dominee de vergadering verliet, riepen sommigen ‘leve de mormonen.’ Deze nieuwsgierige protestanten werden afgesneden van hun kerk en daardoor doopten Pieper en Ripplinger twintig mensen.

Op 27 september 1896 werd in aanwezigheid van zendingspresident George S. Spencer de eerste Belgische gemeente georganiseerd te Ougré (bij Luik). Emile Camus werd tot ouderling geordend en tot gemeentepresident aangesteld. Zijn eerste raadgever blijkt een zekere Victor Pirotte te zijn. Na deze historische gebeurtenis hebben de zendelingen Pieper en Ripplinger de kans tot 400 mensen het woord te richten over het Plan van Zaligheid.

Het groeiende succes van de zendelingen in de omgeving van Luik in 1896 zal echter ook voor moeilijkheden zorgen. Publieke tegenstand openbaarde zich in 1896 toen een boze menigte in Luik bijeenkwam en één van de zendelingen, ouderling Ripplinger, dreigde te doden. Ze waren boos omdat Ripplinger van plan was een aanzienlijke katholieke familie te dopen. Niet dat dit een clash was tussen protestantse en katholieke belangen, maar de leer van het meervoudige huwelijk had weer kwaad bloed gezet bij een aantal heethoofden.

Op een maandagavond in oktober 1896 waren de zendelingen bij de familie Creijwels bijeen, als plots enkele tientallen personen voor het huis samentroepten en vijandige kreten riepen. Broeder Ripplinger greep in en predikt anderhalf uur lang tot de menigte, waarna ze rustig vertrokken. Twee dagen later werden de zendelingen door de politie aan de tand gevoeld.

Gelukkig vermeldt het politierapport ‘zeer tevreden over het gehoorde’. Maar de moeilijkheden stopten echter niet. Later op de avond kwam een katholieke vereniging de familie Creijwels en de zendelingen ompraten. Maar dat lukte niet en er ontstond een volkstoeloop van wel 500 man. De menigte bestormde het huis en een groep politieagenten slaagde er uiteindelijk in om de menigte te verstrooien.

De opgewonden katholieke geestelijkheid van Luik liet het er echter niet bij en stuurde valse berichten naar het Ministerie van Justitie te Brussel en bekladde wederom de goede naam van de Kerk. Minister Van Bevergem ontbood Elder Ripplinger om zich te verantwoorden. Het gesprek verliep echter gunstig en de zendelingen kregen officieel toestemming om in België te prediken. Ripplinger bleef na zijn gesprek in Luik wonen, wist zelfs 10 mensen te dopen en uiteindelijk werden er zelfs 23 personen gedoopt. In Wallonië bloeide daarna de kerk open en in 1897 werden er gemeenten in Seraing, Engis, Jehay en Sloqué georganiseerd.

Ook in Brussel kende de Kerk succes en duizenden verzamelden in het Luikse en in het Brusselse om het evangelie te horen. In datzelfde jaar waren er ook te Mechelen en te Antwerpen regelmatig vergaderingen na een bezoek van de Europese zendingspresident Wells. Langzaam groeide de kerk aldus verder; de lokale leden gaven gehoor aan de traditionele oproep om naar Zion te komen, verlieten hun eigen gemeente en trokken naar Amerika. Dit verschijnsel zal met de tijd de kerk in de VS groot maken, maar de groei van de kerk in onze streken tegenhouden.

Boeken en drukwerk

De nieuwe lichting van Elders in onze streken werkte ook aan andere zaken dan alleen het prediken van het evangelie. Men publiceerde traktaten in het Nederlands en het Frans, terwijl Duitse kerkliteratuur circuleerde onder de heiligen en hun vrienden in Nederland. Francis A. Brown, die in maart 1867 Joseph Weiler als zendingspresident opvolgde, begon aan een succesrijke zending in de Lage Landen. Dat jaar vertaalde men ‘De stem tot waarschuwing’ uit het Duits en het werk werd in het Nederlands uitgegeven. In 1885 werd Elder John W. F. Volker terug op zending geroepen. Hij mocht deze keer over de Nederlandse Zending presideren. Ook was hij de vader van de latere zendingspresident J. Henry Volker.

John werd ook gevraagd om voor de eerste vertaling van het Boek van Mormon te zorgen. Deze speciale opdracht, samen met zijn zendingsarbeid, nam vier jaar in beslag en het was zijn opvolger die uiteindelijk de vertaling publiceerde. De eerste editie van het Boek van Mormon werd in 1890 in het Nederlands gepubliceerd. In 1896 verscheen in de Nederlandse zending een periodiek, getiteld ‘De Ster’. Toen de eerste oplage van het Boek van Mormon in 1907 uitgeput geraakte, vertaalde President Sylvester Q. Cannon, met hulp van broeder William de Bry, het boek opnieuw, bracht hier en daar verbeteringen aan en publiceerde de tweede editie in 1909. In die zelfde periode vertrok broeder J. Henry Volker, op zijn eerste zending. Hij zou later, net als zijn vader, naar Nederland worden geroepen.

John Harris Taylor in België

Broeder John H. Taylor (28 juni 1875 - 28 mei 1946) was een van de zeven presidenten van Zeventig van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen Laatste Dagen. Hij werd geboren te Salt Lake City, was een kleinzoonvan kerkpresident John Taylor. Hij trouwde een dochter van kerkpresident Heber J. Grant, bezocht het College van Tandheelkunde te Chicago en werd tandarts.

In 1913 was hij de voorzitter van de mormoonse verkenners die een onderdeel waren van de Boy Scouts van Amerika. Hij werd president van de zending van de noordelijke staten van 1923 tot 1928. Daarna werd hij voorzitter van het zendingshuis in Salt Lake City, de voorganger van het huidige MTC. Hij ging op zending naar Engeland en Nederland. Het zendingsverhaal komt uit de oude doos der Lage Landen. Toen John H. Taylor op zending was in Nederland en België kwam hij in aanraking met mensen die Frans spraken en alhoewel hij de taal niet machtig was, was hij toch een instrument in de handen van de Heer. Na een lange dag van zendingswerk in de buurt van Luik, ontmoette Taylor een zekere Samuel Baikry (1865-1908). Laat op de avond trof de zendeling de vreemde man in zijn pension aan. De uitbaatster had de opgewonden kerel al een tijd te woord gestaan, maar hij moest en zou de zendelingen spreken. Baikry hield een traktaat in de handen geklemd. Vermoedelijk haden Taylor en zijn collega de folder in de loop van de week bij de man in zijn bus gestoken. Broeder Taylor die de taal niet kende haalde zijn collega erbij zodat Baikry zijn verhaal in het Frans kon verder zetten. Hij was op zoek naar het ware geloof. Zijn ouders en andere familieleden behoorden tot verschillende kerkgenootschappen en hij was de enige die nog geen keuze had kunnen maken. Hij las veel in de Bijbel en bad ernstig hopende dat hij de nodige leiding zou krijgen om de juiste kerk te vinden.

Op een bepaalde nacht droomde Baikry over een reeks vlaggen van verschillende naties die door de hemel zweefden. Plots stootte de Amerikaanse vlag zich uit die bundel vlaggen naar voor en ging boven aan staan in deze formatie. Toen Baikry het traktaat uit de bus nam en het las, begreep Baikry wat zijn droom betekende. Het herstelde evangelie zou uit Amerika komen en daarom ging hij op zoek naar de personen die deze boodschap in zijn bus hadden gestoken. Zo bracht een traktaat deze vreemdeling naar een zendeling, die de taal niet machtig was, om het evangelie te leren kennen en te omarmen. Baikry wilde de boodschap aanhoren, aanvaardde het getuigenis van de Elders en hij zou zich bekeren. Niet lang daarna werd Baikry gedoopt en trad toe tot de kerk te Luik.