MvG logo www.mvgcontact.org

Het Lied van de Parel - Parel van Grote Waarde

Home


Het Lied van de Parel is afkomstig van de Mandeeërs, een van de Joods-gnostische groeperingen uit Mesopotamië van vóór de Christelijke jaartelling.

Je kunt het gnostisch lezen, maar ik heb het eens “Mormoons” geprobeerd.

 

Het begint met de ziel, levend in het voorbestaan. ( Rijk en Vaderlijk huis)

De ziel wordt naar de aarde gestuurd met gaven en tekortkomingen. (schatten)

Je geestelijk lichaam blijft achter (mantel der glorie en gouden mantel)

Tweede broeder (vereniging lichaam en geestelijk lichaam)

Op de aarde doe je wijsheid op ( Parel van grote Waarde, kennis. Egypte en zee staan voor de wereld en materie)

Je past je aan aan de wereld en vergeet wie je bent, je valt in slaap.

Dan komen de boodschappers ( Jezus en de Heilige Geest)

Je overwint de draak en de slang (verleidingen waar je tegen moet vechten)

Je hebt het gevecht met je zelf overwonnen en keert terug naar huis en wordt weer bekleed

met de mantel der glorie en de gouden mantel. ( Hereniging lichaam en Geestelijk lichaam.).

 

Het verhaal is op deze manier ook mooi uit te leggen. Het blijft hoe dan ook een mooi verhaal.

Annette van Grondelle


 

 

Het lied van de Parel

 

De hymne van de ziel

Toen ik een klein kind was en in het Rijk van mijn Vaderlijk huis woonde, mij verheugde in de rijkdom en de pracht van mijn opvoeders, zonden mijn ouders mij vanuit het Oosten, ons vaderland, met geestelijk voedsel voor de reis weg.

Uit de rijkdom van onze schatten belastten ze mij met een last, rijk en toch zo licht, dat ik haar alleen kon dragen. Zij namen de mantel der glorie van mij af, dat zij in liefde tot mij hadden vervaardigd en ook de gouden mantel die daartoe behoorde, en was gemaakt naar mijn gestalte. Zij sloten met mij een verdrag en schreven dit in mijn hart, opdat ik het niet zou vergeten: "Wanneer je naar beneden gaat, naar Egypte reist en de ene parel haalt, die zich midden in de door een luid-ademende draak omringende zee bevindt, zul je je prachtig gewaad weer aantrekken en ook de gouden mantel. Je zult dan met je broeder ( ons tweede kind ) erfgenaam in ons Koninkrijk worden." (in sommige vertalingen staat i.p.v. draak slang)

Ik verliet het Oosten en ging op reis, vergezeld van twee gidsen, daar de weg gevaarlijk was en moeilijk. Ik was te jong om deze reis te alleen te ondernemen. Ik trok over de grens van Maishan en arriveerde in het land van Babel en betrad de muren van Sarbug. Zo daalde ik af naar Egypte en mijn gidsen verlieten mij. Regelrecht begaf ik mij naar de draak, ging bij haar verblijfplaats zitten, tot ze zou insluimeren, teneinde haar de parel te ontnemen. Daar ik alleen en vreemd was als een kluizenaar, kenden de medebewoners van mijn herberg mij niet.

Daar zag ik één van mijn geslacht, een vrijgeboren man uit het Oosten, een schone en lieftallige jongeling, een vorstenzoon. Hij naderde mij, om zich bij mij te voegen en ik maakte hem tot mijn vertrouwde metgezel, aan wie ik het doel van mijn reis meedeelde. Hij waarschuwde mij voor de Egyptenaren en voor de omgang met de onreinen. Ik kleedde mij echter in hun kleren, opdat ik er niet als een vreemdeling zou uitzien, niet als iemand die uit de vreemde komt om de parel te ontnemen en opdat zij niet de draak zouden wekken.

Om de een of andere reden bemerkten ze, dat ik niet hun landgenoot was. Zij naderden mij en bereidden mij een drank van hun listen en gaven mij van hun voedsel te eten. Zo vergat ik, dat ik een koningszoon was en diende hun koning. Ik vergat de parel, waarvoor mijn ouders mij hadden uitgezonden. Door de zwaarte van hun voedsel viel ik in een diepe slaap.

Alles wat me overkwam bemerkten mijn ouders; zij waren bedroefd over mij. Een roep ging uit in ons koninkrijk, dat allen naar de poort zouden reizen. Een boodschap werd uitgezonden:"Van je Vader, van de koning der koningen, van je Moeder, de vorstin van het Oosten, van je broeder, ons tweede kind, voor jou, onze Zoon in Egypte, gegroet! Ontwaak en sta op uit je slaap. Verneem de woorden uit onze brief. Herinner je, dat je een koningszoon bent, zie toe, wie je in knechtschap gediend hebt. Denk aan de parel, waarvoor je naar Egypte bent gereisd. Herinner je de mantel der glorie en de gouden mantel, opdat je het draagt, je je daarmede tooit en opdat je naam gelezen wordt in het boek der helden, en opdat je met je broeder erfgenaam van ons rijk wordt!"

Als een gezant was de brief, die de koning met zijn zegel verzegeld had met de rechterhand tegen de onreinen, de kinderen van Babel en de rebellerende demonen van Sarbug. Hij verhief zich in de gedaante van een adelaar, de koning van alle vogels, daalde tot mij neder en werd geheel tot stem. Hierdoor ontwaakte ik uit mijn bedwelming en ik stond op. Ik nam de brief, kuste hem, verbrak het zegel en las. Geheel zoals in mijn hart was geschreven, zo waren de woorden van mijn brief te lezen. Ik herinnerde mij weer een koningszoon te zijn en dat mijn vrije afkomst naar haar eigen wezen verlangde. Ik herinnerde me weer een koningszoon te zijn en verlangde naar de vrijheid van mijn ware wezen. Ik herinnerde me weer de parel, waarvoor ik naar Egypte gezonden was en begon de verschrikkelijke en luid briesende draak te betoveren. Ik bracht sluimer en slaap over haar door het uitspreken van de naam van mijn vader, de naam van mijn broer en van mijn moeder, de vorstin van het oosten.

Zo greep ik de parel en wendde mij, om tot mijn Vader terug te keren. De vieze en onreine kleding trok ik uit, liet het in hun land achter en richtte mijn schreden, opdat ik tot het licht van ons vaderland, het Oosten zou komen. De brief, die mij uit mijn slaap wekte, ging voor mij uit en zoals hij mij met zijn stem uit de slaap had gewekt, zo leidde hij mij nu met zijn licht, dat mij voorging, leidde mij met zijn stem en trok mij tot zich met zijn liefde. Voort ging ik, kwam door Sarbug, liet Babel links liggen en kwam aan bij de stad Maishan gelegen aan de zee. De mantel der glorie, die ik uitgetrokken had en de gouden mantel zonden mijn ouders naar Maisan, door de schatbewaarders aan wie het ze waren toevertrouwd. Ik herinnerde mij het stralende van de gewaden niet meer, daar ik ze als kind in mijn vaderlijk huis had achtergelaten.

Toen ik nu het gewaad zag, scheen het mij plotseling toe, als ware het een spiegelbeeld van mijzelf geworden. Ik zag het geheel in mijzelf en mijzelf geheel daarin, zodat wij beide als het ware gescheiden waren en weer eenzelfde gestalte. Ook de schatbewaarders die de mantel brachten, zag ik op deze wijze, namelijk dat ze waren, maar van een gestalte, want het teken van de koning was op hun beide aangebracht.

Ik nam over de kleurige mantel der glorie heen het beeld van de koning der koningen waar. Voorts zag ik de stralen der kennis uit hem voortkomen, zich gereed maakte te spreken. Ik vernam de klank van zijn hymnen, bij de neerdaling: Ik behoor tot de moedigste der dienaren, het was om die reden dat ik opgroeide met de Vader. Ik nam aan mezelf waar, hoe mijn gewaad overeenkomstig zijn wezen groeide. En met zijn Koninklijke bewegingen gaat het geheel op mij over uit de hand der schatbewaarders opdat ik het zou nemen; ook in mij ontwaakte de liefde het gewaad tegemoet te snellen. Zo richtte ik mij op, tooide mij met de schoonheid van kleuren. Ook hulde ik mij in de Lichtglans van mijn gouden mantel.

Bekleed met mijn stralend- kleurige gewaad en gouden mantel steeg ik op tot de poort der begroeting en verering. Ik boog het hoofd en aanbad de schittering van de Vader, die mij de gewaden had gezonden, wiens gebod ik had volvoerd, zoals ook hij deed, wat hij plechtig had beloofde. Ik was met hem in zijn Koninkrijk, waar alle dienaren hem met hun stem prezen.

Hij zei mij, dat ik in mijn gewaden met hem naar de poort van de Koning der Koningen mocht gaan. Daar mocht ik met mijn offer en met de parel samen met hem verschijnen voor de Allerhoogste Koning.

 

 

 

Verhaallijn

Het lied wordt verteld door een koningszoon. Hij vertelt hoe hij genoot van de weelde van zijn vader, de koning van het Oosten, Parthië. Dan wordt hij door zijn ouders van zijn koningsmantel ontdaan, voorzien van proviand, en naar een ver land, Egypte, gestuurd. Hij krijgt de opdracht in Egypte een parel te zoeken die bewaakt wordt door een angstaanjagende slang. Ze vertellen hem dat hij zijn koningsmantel pas terug kan krijgen als hij die parel mee naar huis terugneemt. Hij zal dan ook weer verenigd worden met zijn tweelingbroer en samen zullen ze het koninkrijk erven.

Als hij in Egypte is aangekomen is, weet hij inderdaad de slang te vinden, en gaat naast de slang zitten afwachten tot de slang in slaap valt. Hij verkleedt zich als Egyptenaar: die kleren worden "vies en onrein" genoemd. Maar toch wordt hij als vreemde herkend door de Egyptenaren. Zij geven hem te eten en hij valt in slaap. Hij neemt de zeden van het vreemde land aan en wordt zo een 'zoon van het land'. Daardoor vergeet hij wie hij in oorsprong is, waar hij vandaan kwam en wat zijn opdracht is.

Zijn ouders en zijn broer ontdekken wat er met hem gebeurd is. Zij schrijven hem een brief waarin ze hem oproepen om wakker te worden uit zijn slaap, zich te herinneren dat hij een koningszoon is, en dat hij in Egypte is om naar die parel te zoeken. De brief vliegt als een adelaar naar hem toe en begint bij aankomst vanzelf te spreken. De prins wordt wakker, herinnert zich wie hij is en weet ook weer wat zijn opdracht is.

Hij vindt opnieuw de slang, diep in de zee, spreekt een betovering uit waardoor de slang in slaap valt en neemt de parel uit de bek van de slang. Hij keert terug naar zijn geboorteland, geleid door de brief. Thuisgekomen doet hij zijn armzalige lompen uit en trekt weer zijn oorspronkelijke koningsmantel aan. Hij wordt verenigd met zijn tweelingbroer en samen worden ze koning.

Symboliek

Het Lied van de Parel verbeeldt de staat van de mens die verdwaald is geraakt in een vreemde werkelijkheid, zichzelf vergeten is en vervolgens door een boodschapper namens zijn ouders weer aan zijn ware aard herinnerd wordt, en zo leert zichzelf en zijn bestemming te hervinden.

Dit gedicht zit vol "esoterische" symbolen. Als voorbeeld:

- De ouders kan men zien als de bron van het wezen van de mens. Het universele "ik", dat voor iedereen het zelf(de) is. (zoals de ouder de "bron" zijn van een kind)

- De koningszoon het ego, datgene dat "ik ben ik" zegt. (de ik-figuur in het verhaal)

- De kleren van iemand staat symbool voor het lichaam. De koningszoon heeft twee soorten kleren: de koningsmantel en de vieze onreine Egyptische lompen. (een hemels en aards lichaam)

- Egypte en de zee, staan voor de materie, de stof.

- De slang staat zowel voor herhaling, reïncarnatie, transformatie, nieuw worden (het vervellen van een slang) en de kennis/wijsheid in de stof opgedaan.

- De adelaar voor de wijsheid/inzicht tot spiritualiteit (het opstijgen naar de hemel)

- De parel is waardevol: de getransformeerde mens. De resultaten van de strijd tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad (in zichzelf) en tussen vreugde en verdriet. (zoals de parel ontstaat door het gevecht van de oester -in zichzelf- tegen iets wat wezensvreemd is bijvoorbeeld een zandkorreltje) (bijvoorbeeld altruïsme in een egoïstische maatschappij/natuur of een lichtdeeltje in de stof)

In de esoterie wordt de sleutel tot zelfkennis gegeven. De verschillende elementen van het verhaal, of het nu strijd is of het is een boodschapper, zijn symbolen voor vermogens binnen de mens zelf. Een adelaar of Jezus als boodschapper is dan niet letterlijk een dier of een historisch persoon maar staat voor een aspect van de mens, bijvoorbeeld inzicht of wijsheid of een "aha-erlebnis". In het gedicht wordt bijvoorbeeld: "zij werd een en al stem" op die manier gelezen. Strijd bijvoorbeeld is geen gevecht in de wereld maar doorzettingsvermogen in jezelf.



Annette van Grondelle