HET EVANGELIE NAAR JUDAS … EN DE ‘GNOSIS’
door Jan Gillis
‘Het evangelie naar Judas’ werd ongeveer midden vorige
eeuw (1950-1960) in Egypte gevonden. Vrij snel constateerde men dat
het om een vrij belangrijk werkje ging waarvan Judas de spilfiguur vormde.
Daar voor die merkwaardige vondst een massa geld moest worden neergeteld,
belandde de tekst vrij snel en vooral roemloos in de kluis van een Amerikaanse
bank. De ware lotgevallen van dit evangelie vormen al een verhaal op
zichzelf. Daarom dat ik jullie de details ervan bespaar. Bedenk dat
de verhaallijn een beetje James Bond allures vertoont met hier en daar
een vleugje spanning uit ‘ De Da Vinci Code’. Uiteindelijk
werd in 1996 het manuscript door een antiekhandelaarster, Frieda Tchacos,
aangekocht (voor veel minder geld dan oorspronkelijk werd gevraagd).
Pas dan ontdekte men dat het ondermeer om een evangelie naar Judas ging.
De drie overige reeds van vroeger gekende werken, die samen met het
evangelie van Judas gevonden werden, zijn: de eerste Apocalypse volgens
Jacobus, de Brief van Petrus aan Filippus en een fragment uit Allogenes.
Een nieuwe hype werd geboren.
De tekst werd geschreven op papyrus en volgens de C14-methode (om de
ouderdom van voorwerpen te kunnen bepalen) werd de tekst geschreven
tussen 230 en 330 na Christus (volgens bepaalde paleografen zou de tekst
eerder dateren van ongeveer 350 na Christus). Wanneer de originele tekst
werd geschreven (op dit ogenblik bestaat er maar één exemplaar),
is nu niet meer te achterhalen. Feit is dat Irenaeus al in het jaar
180 gewag maakte over dit werk. Zonder dralen verketterde hij meteen
het boekje en noemde het zuiver ‘gnostisch’. Daarom zijn
sommigen de mening toegedaan dat ‘het evangelie van Judas’
ontstond in de 2de helft van de 2de eeuw (maar evengoed kan het geschreven
zijn ten tijde van de andere evangeliën, tussen 60 en 100 na Christus).
Wie was die Irenaeus die dit evangelie terstond als vuilnis catalogeerde?
Wat is een ‘gnostisch’ geschrift? En als het vandaag de
dag toch blijkbaar zoveel mensen kan beroeren, waarover handelt dan
dit berucht ‘evangelie van Judas’?
Rond 140 na Christus werd Irenaeus in of rondom Smyrna (het huidige
Izmir in Turkije) geboren en wordt aanzien als de eerste theoloog en
kerkvader van de toenmalige christelijke kerk. Als bisschop van Lyon
(toen nog Lugdunum) stierf hij omstreeks 202 . Vooral via Polycarpus,
van wie hij een fervente leerling werd, kwam hij met het christendom
in aanraking. Van Polycarpus is geweten dat hij een authentieke ‘ouderling’
was, namelijk iemand die de apostelen nog in levende lijve had gekend
en van hen bovendien nog onderricht had mogen ontvangen. Rond 100 na
Christus werd die Polycarpus door de apostel Johannes als bisschop over
de stad Smyrna aangesteld. Irenaeus is de allereerste die ‘de
verzoeningsleer’ (de leer over het verzoeningswerk van Jezus Christus)
zou geformuleerd hebben. Deze formulering werd later bij het eerste
concilie van Nicaea (in 325) dan ook als grondslag van het christendom
aanzien. Dat Irenaeus als een vrij ‘geloofwaardig’ man moet
worden aanzien, staat dus buiten kijf!
Zoals reeds gezegd, is het ‘Evangelie naar Judas’ een gnostische
tekst die het leven van Jezus Christus en zijn apostelen behandeld.
Meer in het bijzonder wordt in dit evangelie de verhouding van Jezus
tot zijn apostel Judas centraal gesteld.Van blz.33 tot 58, dus in totaal
op 26 bladzijden die voor 85% bewaard zijn gebleven, wordt voor ons
het evangelie van Judas uit de doeken gedaan. Dit evangelie spreekt
dus voornamelijk over Judas Iskariot. Opmerkelijk is dat deze apostel
hier niet zozeer als een 'verrader' wordt afgeschilderd maar wel als
een heel sterk gelovig man. Steeds stond hij paraat om alles wat Jezus
van hem verlangde, zonder dralen uit te voeren. Zelfs als Jezus hem
onder vier ogen vraagt om Hem te verraden, twijfelt Judas geen moment
… Zo standvastig was dus zijn geloof. Maar de tekst zelf werd
helemaal niet door Judas geschreven, wel door christenen (of Joden?)
die behept werden door de ‘gnosis’. Hoe ze zich noemden,
vertel ik jullie later wel!
Teksten over die ‘gnosis’ noemde men achteraf ‘gnostisch’.
Hun aanhangers en belijders kwamen terecht in de vakjes ‘gnosticisme’
en ‘gnostiek’. Hoogtijd om die ‘gnosis’ even
te situeren maar vooral om dat begrip zo duidelijk mogelijk toe te lichten.
Als gnostisch werk staat ‘Het evangelie naar Judas’ niet
alleen. Buiten de vier algemeen aanvaarde evangeliën van Matheüs,
Marcus, Lucas en Johannes zijn er nog zo’n dertigtal andere werken
gekend waarvan er zeker twintig onder de noemer ‘gnostisch’
vallen. Al deze manuscripten vallen echter ook onder de algemene benaming
‘Apocriefe Geschriften’ (apocrief: geheim). Onder ‘geheim’
of ‘verborgen’ moet men hier niet zozeer verstaan dat het
‘verboden’ literatuur betrof. Met ‘geheim’ bedoelt
men hier dat, t.o.v. de gangbare, gekende boekdelen uit de bijbel, deze
geschriften veeleer een meer verborgen bestaan leiden. Zo bestaan er
naast ‘het evangelie naar Judas’ ook nog: het Evangelie
volgens Filippus, het Evangelie naar Maria (Magdalena), Het Petrusevangelie,
het Geheime
Boek van Johannes, het Ware Getuigenis, de Handelingen van Johannes,
de Handelingen van Thecla, de Eerste Apocalyps van Jacobus, de Brief
van Petrus aan Filippus, Tractaat van Allogenes, de Apocalyps volgens
Adam, het Koptische evangelie van de Egyptenaren, het Evangelie
van Thomas, het Evangelie van de Waarheid, Gebed van de Apostel
Paulus, de Handelingen van Andreas en Mattias, de Handelingen van Paulus,
etc.
Eén opmerkelijk gegeven hebben veel van die gnostische geschriften
wel met elkaar gemeen. Ze stellen zich enorm kritisch op tegenover de
gegevens die ze in het Oude Testament kunnen vinden. Maar ondanks hun
niets ontziende kritiek, blijven ze echter steeds naar datzelfde Oude
Testament verwijzen en vooral naar de tradities die erin vermeld staan.
Hoe valt dat met elkaar te rijmen?
Sommige bijbelkenners veronderstellen dat het leven van vele gnostische
schrijvers te veel verankerd zat in de Joodse tradities waarin ze waren
opgegroeid. Waardoor men tevens a priori veronderstelt dat die schrijvers
sowieso Joden waren! En dan blijft natuurlijk nog altijd de hamvraag:
waarom gingen die schrijvers ineens zo kritisch om met hun eigen Joodse
tradities? Als antwoord op die vraag werden de laatste jaren al heel
wat suggesties naar voor geschoven. Volgens een zekere R.M. Grant berustte
bij die gnostische schrijvers in die tijd alles op doodgewone, menselijke
‘frustraties’. De meeste Joden hadden zich na Christus hun
Messias wel enigszins anders voorgesteld. Bovendien volgde in het jaar
70 de volledige verwoesting van ‘hun’ tempel. Na die catastrofale
gebeurtenis konden de Joden alleen nog maar reikhalzend uitkijken naar
een triomfantelijke apocalypse waarop hun Messias in alle glorie zou
weerkeren … Maar ook dat leek uiteindelijk uit te blijven. Dit
alles bracht zo’n wantrouwen tegenover hun God teweeg dat ze zich
niet schaamden om zich los te weken van hun eigen tradities. Openlijk
(maar wel in beperkte kring) begonnen ze zich van die God van het Oude
Testament af te keren. Ze noemden hem zelfs ‘boos’, ‘slecht’,
of ronduit ‘arrogant’! Noemde één van de boeken
van Mozes hem zelfs geen ‘jaloerse’ God (Exodus 20:5)? Jaloers
op wie? Een andere, hogere God? Gans het Oude Testament moest eraan
geloven! Iedere zo overbekende gebeurtenis van vroeger, werd door hen
opnieuw en opnieuw herlezen … en door een totaal nieuwe bril.
Maar moest men nu echt een Jood zijn om de God van het Oude Testament
op die manier af te wijzen? Is het niet waarschijnlijker dat bijbelse
gegevens ook radicaal konden worden aangepast aan een ‘niet Joodse’
gedachtegang?
Maar nu wil ik nog graag even teruggrijpen naar één van
mijn vorige artikels ‘De Poorten van de Hel’. (Voor meer
informatie, gelieve terug het ganse artikel lezen) In dat essay haal
ik ondermeer het volgende aan:
Door Jezus werd dus voorzien in een plan waarover de apostelen niet
mochten praten! Waarom moesten de apostelen hierover zwijgen? Over dat
stilzwijgen licht Paulus even de sluier op. In zijn eerste brief aan
de Korintiërs spreekt hij de leden van de Korintische gemeente
als volgt toe (Korinthiërs 4:1):
“Maar gij bent van Christus en Christus is van God. Men moet
ons dus beschouwen als helpers van Christus, belast met het beheer van
de ‘geheimen van God’. Welnu, van een beheerder wordt geëist
dat hij betrouwbaar blijft.”
Tot zover Paulus die de leden van de kerk eenvoudigweg gebiedt de geheimen
van God NIET prijs te geven.
Dat niet mogen spreken over een bepaald onderwerp komt in het Nieuwe
Testament regelmatig voor. Zo is er de passage waar Jezus aan Petrus
de vraag stelde wie de apostel wel dacht dat Hij was. En doordat Petrus
het juiste antwoord wist, kreeg hij meteen verdere instructies. Maar
over deze instructies wil alleen Matteüs slechts drie mysterieuze,
haast onbegrijpelijke verzen kwijt (Matteüs 16:17-19).
Mijn besluit! Wij, in deze tijden, weten ook niet goed waarover Christus
het allemaal heeft gehad maar de apostelen wisten het wel. Spijtig genoeg
hebben ze het ons niet verder ‘mogen’ vertellen. Voor de
niet-ingewijden bleef het ‘mysterie van het koninkrijk’
gewoon bestaan.
Tot zover het extract uit ‘De Poorten der Hel’! Maar toch
wil ik nog even die allerlaatste, belangrijke zin herhalen:
Voor de niet-ingewijden bleef het ‘mysterie van het koninkrijk’
gewoon bestaan!
Volgens mij is dat ‘mysterie’ één van de
grootste oorzaken van het ontstaan van al die gnostische werken en sekten
… na de dood van de laatste apostel. In het begin, na de verrijzenis
van Christus, hadden die eerste christenen nog enigszins ‘notie’
genomen van wat er door hun Leermeester over het rijk Gods aan de apostelen
was doorgegeven. Maar achteraf werd het pas duidelijk dat ze hun oren
niet goed genoeg bij de apostelen te luister hadden gelegd. Hun kennis
bleek namelijk grotendeels uit onvervalst giswerk te bestaan. Uiteindelijk
belandde men bij een soort schriftuur dat werd opgesteld door mensen
die bepaalde apostelen het nog hadden ‘horen vertellen’!
Zo had men denkelijk nog horen spreken over een bijkomende informatie
over Mozes! Werd hiermee misschien het boek ‘Mozes’ bedoeld?
En hadden de apostelen ook niet over Abraham gesproken? Komt hier dan
misschien het boek ‘Abraham’ ter sprake? Na de dood van
de laatste apostel duurde het maar enkele jaren of de eerste apocriefe
geschriften werden al boven de doopvont gehouden. Het werk van de ‘gnostici’
had zijn aanvang genomen!
Het feit dat gnostici zo kritisch en soms totaal negatief over de ‘bestaande’
schriftuur van o.a. Mozes en al de andere profeten konden oordelen,
duidt erop dat hun manier van denken duidelijk afweek van de gangbare
bijbelse getuigenis. Gnostici dachten op twee niveaus, ze baseerden
zich op twee werkelijkheden. Enerzijds was er de hoogste God die zich
thuishield in een geestelijke wereld, anderzijds was er de stoffelijke
wereld waarover een lagere godheid heerste. En die lagere godheid was
volgens hen de God van het Oude Testament.
Hier ligt alweer een hemelsbreed verschil met het Mormonisme! Volgens
de kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste dagen is de God
van het Oude Testament niemand minder dan Jezus Christus zelf. Jezus
was de Schepper, de uitvoerder van gans de schepping! En dat werk heeft
Hij foutloos aan zijn Vader ter goedkeuring voorgelegd. Al in het eerste
hoofdstuk van Genesis ‘zag’ God dat zijn schepping ‘goed’
was. Uit het feit dat God ‘zag’ kan men vrijwel besluiten
dat God daarvoor zeker een zintuig heeft gebruikt. En dat wijst erop
dat Hij zeker niet een soort geest is!
Bovendien gingen de gnostici ervan uit dat de mens minstens uit twee
verschillende componenten bestond: een stoffelijke en een geestelijke
component. Volgens sommigen kwam er zelfs nog een derde component in
het spel (zie hierover later). Mormonen gaan er echter vanuit dat bij
de mens lichaam en geest één geheel vormen (de ziel).
Vanuit die optiek zegt Paulus in zijn brief aan de Korinthiërs
dat de ‘hele’ mens sterft en dat God bij de algemene opstanding
de ‘hele’ mens tot leven wekt (1 Korinthiërs:15).
Gnostici bleven er echter heilig van overtuigd dat de geestelijke kern
van hun wezen (een soort lichtvonkje) niet geschapen was door de schepper
van deze wereld maar wel afkomstig was uit een hogere geestessfeer waar
de oppermachtige en goede God huisde. En dat lichtvonkje kwam van de
oppermachtige zelf. Dank zij dat lichtvonkje zouden ze ooit terug één
van wezen worden met deze allerhoogste God.
Dat wat oorspronkelijk één was, zou uiteindelijk terug
één worden!
Om nog onbekende redenen waren die lichtvonkjes uit een hemel van licht
‘gevallen’ en terechtgekomen op deze duistere wereld. En
de lagere godheid, de schepper van de wereld, had daar handig gebruik
van weten te maken. Hardvochtig kapselde hij al die lichtdeeltjes in
aardse lichamen in. Daardoor kwam dat stukje ‘godheid’ als
een gevangene in een stoffelijk lichaam vast te zitten. Een lichaam
dat ongelukkigerwijs ook nog ‘geschapen’ leek te zijn. Dat
die lichtvonkjes ‘niet’ geschapen waren, was voor hen overduidelijk!
Iets dat voortkwam uit de hoogste God, iets dat Zijn zelfde natuur bezat,
kon nooit geschapen zijn. Eén zaak bleef zeker! Ooit zou hun
geest terug opstijgen naar dat goddelijke. En wat zou er gebeuren met
hun stoffelijk lichaam? Van hen mocht dat gerust in het niets verdwijnen!
En een mens die zich daarvan bewust was … wel … die mens
was de gelukkige bezitter van … de ‘gnosis’!
Hielden de gnostici dan geen rekening met de hun omringende wereld?
Toch wel! Maar boven deze vergankelijke wereld voelden zij zich geestelijk
verheven. Zelfs tegenover de lagere schepper van deze wereld (de ‘demiurg’)
voelden ze zich meer(der)waardig. Innerlijk voelden de gnostici zich
in hun leven al uit deze wereld verlost (cfr. de Mormonen die zeggen:
we zijn wel ‘in’ deze wereld maar niet ‘van’
deze wereld). En dat alles dank zij de ‘gnosis’ die ze over
God en de wereld bezaten. Is dat misschien de reden waarom zoveel jonge
christenen de marteldood onvervaard in de ogen durfden te kijken? Tijdens
de christenvervolgingen in Lyon heeft zelfs Irenaeus zich daarover heel
sterk verwonderd! Wat kon die eerste christenen er toch toe bewegen
om zich haast onbevreesd door wilde dieren te laten verscheuren of zich
door een brandstapel te laten verteren? Het antwoord ligt wellicht bij
de gnostici. Dat ene moment van angst en vreselijke pijn moesten ze
(net zoals Jezus) helaas ondergaan. Maar nog geen seconde later zou
dat innerlijk vonkje goddelijkheid terug met zijn oorspronkelijke bron
kunnen verenigd worden. … En dat vooruitzicht opende voor hun
… hemelpoorten.
Kort samengevat! De woorden en daden van de bijbelse God vermeld in
de Pentateuch en de profeten konden de gnostici dus onmogelijk in overeenstemming
brengen met hun voorstelling van de allerhoogste God. Maar in de bijbelse
God konden ze maar al te gemakkelijk het karakter van de demiurg, de
arrogante schepper van het zichtbare, herkennen.
En nu … terug naar het ‘Evangelie van Judas’! …
Of neen! … Eerst gaan we nog even langs bij het apocrief geschrift
van de apostel Johannes! Want ook dat Geheim Boek heeft ons heel wat
te vertellen!
Volgens de oude kerkelijke bronnen was het apocriefe evangelie van
Judas oorspronkelijk een Griekse tekst van gnostische origine. In het
midden van de tweede eeuw na Christus zou deze tekst zijn ‘première’
beleefd hebben bij de sekte van de Kaïnieten. In wat geloofde deze
sekte zoal? Blijf steeds goed voor ogen houden dat ‘alle’
gnostici uit die tijd de God van het Oude Testament bestempelden als
een verwaande prutser die nogal onbedacht en doodleuk het werk van een
hogere God had verbrod. Getuige hiervan een ander apocrief geschrift,
namelijk het ‘Geheim boek van Johannes’ (ook ‘apocrief
van Johannes’ genoemd). Welke ‘geheimen’ wou onze
zogenaamde apostel Johannes hierin zoal kwijtraken? Het gaat over de
slaap die God over Adam bracht vooraleer Hij aan de schepping van Eva
kon beginnen.
En hij (de schepper) wilde de kracht die hij hem (Adam) gegeven had,
naar buiten brengen. En hij legde bewusteloosheid (of: ‘trance’)
over Adam. Ik (Johannes) zei hem: ‘Christus, wat is bewusteloosheid?
En hij zei: ‘Het is niet zoals Mozes zei: ‘Hij liet hem
inslapen’, maar hij bedekte zijn waarnemingsvermogen met een sluier.
Hij maakte hem zwaar door een tekort aan waarnemingsvermogen. Hij heeft
immers ook door de profeet gezegd: ‘Ik zal de oren van hun hart
zwaar maken opdat zij niet zullen begrijpen en niet zullen zien’
(Jesaja 6:10)
Ontdek al direct de gnostiek in deze tekst! Een passage uit Genesis
van ‘Mozes’ wordt door de schrijver van het ‘geheim
boek’ ‘gecorrigeerd’ aan de hand van een tekst van
Jesaja (speciaal gedaan voor degenen die Jesaja meer zouden vertrouwen
dan de ‘demiurg’ die alleen maar Mozes wou manipuleren).
Maar wat nu volgt, laat het ergste vermoeden. Hou steeds in gedachten
dat er tussen de hoogste God en de lagere God een soort strijd aan de
gang was. Inzet van die oorlog: het goddelijke licht dat in de kosmos
was ‘gevallen’. In die strijd laat de lagere God zich bijstaan
door een soort planetaire machten, de archonten (zie daarvoor ook ‘het
evangelie naar Maria’). Hier is het van het allergrootste
belang te weten dat de demiurg dat goddelijk licht al in zijn bezit
heeft gekregen. De volgende zet is nu aan de hoogste God om dat ‘licht’
terug in zijn bezit te krijgen. Daarbij gaat hij heel listig te werk.
Hij toont zijn ‘spiegelbeeld’ aan de demiurg en zijn handlangers,
de archonten, en hoopt dat die het beeld zullen willen kopiëren.
… En hij slaagt!
Bij het zien van het spiegelbeeld zegt de schepper tot zijn handlangers:
‘Laten we een mens maken naar het beeld en de gelijkenis van God’.
Hierbij nog even de volgende opmerking! Volgens deze gnostische schrijver
bestaat de mens uit ‘drie’ delen (en dus niet uit twee):
een goddelijk – geestelijk deel, een planetair – psychisch
deel en een aards – stoffelijk deel. Wanneer de planetaire machten
(de archonten) uit hun fijn stoffelijke materie (cfr. het begrip van
een verheerlijkt lichaam in de mormoonse leer), de psychische mens,
Adam, scheppen, blijkt die niet te kunnen opstaan. Dat heeft de hogere
godheid met al zijn listigheid voorzien! Terstond stuurt deze laatste
wat engelen naar de aarde om de lagere schepper de volgende raad te
geven: ‘Blaas iets van uw geest (pneuma), de geest die in jou
is, in Adams gezicht. Dan eerst zal Adam opstaan!’
En ja hoor! Weerom lukt dat slimmigheidje! Vanaf het moment dat de
schepper ‘zijn’ geestelijke substantie in Adam blaast, is
hij plots wel de zijne kwijt. En niemand minder dan Adam bezit nu die
lichtsubstantie! Wanneer de schepper beseft dat Adam zijn meerdere is
geworden, wordt hij razend jaloers (de jaloerse god). Zonder dralen
bezorgt hij Adam een stoffelijk lichaam waardoor dat licht onverbiddelijk
aan de materie blijft geketend.
Maar de hogere god trekt zich het lot van Adam aan. Hij stuurt een
help(st)er naar beneden die zich in de boom der kennis (de boom van
de gnosis) verbergt. Uiteraard krijgt Adam van de demiurg het verbod
om van die boom te eten. Ondertussen overlegt de lagere god met zijn
trawanten hoe hij zijn ‘lichtkracht’ uit Adam kan recupereren
(heel belangrijk voor de vrouwen! Die lichtkracht wordt als vrouwelijk
voorgesteld). Juist op het moment dat de demiurg die vrouwelijke kracht
(Eva) uit Adam tevoorschijn tovert, wordt Adam wakker. Meteen begrijpt
Adam dat hij en Eva van dezelfde geestelijke natuur zijn. In dit boek
wordt Eva dus niet uit een ‘rib’ van Adam geschapen. Via
een rib kon ze immers nooit over dezelfde geestelijke eigenschappen
als Adam gaan beschikken? En voor onze boze schepper gebeurt er nog
iets vreselijks! Adam en Eva eten zowaar van de boom der kennis en worden
bewust van hun goddelijke afkomst! Van woede zet hij terstond het tweetal
uit het paradijs. En de lagere god blijft de prille mensen maar met
onheil bestoken! Om het licht in hen zoveel mogelijk te ‘vermengen’
met duisternis stuurt hij demonische engelen naar de dochters van de
eerste mensen om met hen te paren. In dat snode plan lukt hij maar gedeeltelijk!
Bij de stammoeders van de gnostici boekte hij immers nooit succes!
Uit dit alles kan men nog een heel belangrijk besluit trekken! Volgens
de gnostici lag het noch bij de hogere godheid, noch bij de lagere ooit
in de bedoeling om een vrouw te scheppen! Na heel wat schermutselingen
en na die fatale ‘fout’ van de lagere god, maakte die vrouw
‘ongewild’ haar intrede op de aarde. Deze opmerking maak
ik heel bewust omdat vooral de Kaïnieten hieruit hun voordeel wilden
halen. Wat weet men nog meer over deze gnostische sekte van de Kaïnieten?
(Deze sekte wordt niet alleen bij Irenaeus vernoemd maar ook in de Panarion
van Epiphanius van Salamis)
Ze erkennen Kaïn, de broedermoordenaar van Abel, als hun voorvader!
Vindt u dat raar? Gnostisch gezien helemaal niet! Want juist met alle
negatieve figuren vermeld in de joodse en christelijke geschriften,
voelden de Kaïnieten zich verwant. En er zijn voorbeelden zat!
Zonet heb ik voor jullie al de (voor hun) ‘positieve’ rol
van de ‘verleidende slang’ uit de doeken gedaan.
En wat gebeurde er tussen Kaïn en Abel? Stel even de volgende
situatie voor. Kaïn bezat de hogere kennis, de beruchte ‘gnosis’,
maar Abel niet. Elke dag brengt zijn broer offerandes aan die ‘verkeerde’,
lagere god. Als oudere broer doet Kaïn zijn plicht. Hij maakt er
zijn jongere broer op attent dat hij zich vergist en dat er nog een
hogere god bestaat die geen interesse heeft in al die ‘stoffelijke’
offers. Maar Abel volhardt in de dwaasheid en het onvermijdelijke volgt:
tussen de twee broers ontvlamt er een hevige ruzie. Volgens de Kaïnieten
is het weer die lagere God die uit gans deze onverkwikkelijke affaire
zijn profijt haalt. In een vlaag van woede laat hij Kaïn zijn broer
vermoorden! Bij de Kaïnieten klinkt het ganse verhaaltje nu heel
doodsimpel! De goede Kaïn liet zich (alweer) door die valse schepper
(ongelukkig genoeg) beduvelen.
En niet alleen Abel wordt bij hun in diskrediet gebracht! Ook Henoch,
Abraham en Mozes worden genadeloos van hun ereschavotje gehaald! Neem
bijvoorbeeld Esaü! Ook Esaü bezat de ‘gnosis’!
Maar voor een simpel bordje linzensoep verliest de sukkelaar zijn eerstgeboorterecht
aan zijn broer! Als hier niet duidelijk de hand van de demiurg te onderkennen
valt!
En de Sodomieten! Wat was er nu verkeerd met de inwoners van Sodoma?
De herenliefde die daar naar hartelust bedreven werd? Is dat het enige
dat hun onder de neus kan worden gewreven? Hadden de Sodomieten, als
eigenaars van de gnosis, wel een andere keuze kunnen maken? Had de hogere
god de vrouw ooit gewild? … Volgens hen … nee! En wie verplichtte
hen om ‘één’ te worden met een stoffelijke
vrouw en niet met een hogere god? … Juist! Weer die vervelende
demiurg! … En was het niet die arrogante schepper, die via zijn
hopeloos gepruts, juist de vrouw op aarde had losgelaten?
Nee hoor! De seksuele keuze van de Sodomieten was, volgens hen, heel
begrijpelijk en terecht te noemen! Het zou me echt niet verwonderen
dat bij de stichting van de Kaïnitische sekte, heel wat homoseksuelen
zich achter hun gedachtegoed schaarden! … Maar de wraak van de
demiurg was ook navenant geweest! … Niet voor niets werd hij een
woedende god genoemd! Roemloos en onbereikbaar voor iedere vorm van
leven, liggen de ruïnes van de stad nu op het diepste punt van
Israël: de bodem van de Dode Zee.
En uiteindelijk belanden wij bij Judas Iskariot!
Ook die zou deel gehad hebben gehad aan de verborgen goddelijke kennis.
Alleen al daarom schrijven de Kaïnieten deze apostel een evangelie
toe … het evangelie van Judas.
Wat staat er in dat evangelie allemaal geschreven?
Laat me één ding direct duidelijk stellen! De volledige
tekst is nog steeds niet op internet verschenen en is, voor zover ik
weet, nog niet op de literaire markt verkrijgbaar. Waarom? De antiekhandelaarster,
Frieda Tchacos, in samenwerking met de National
Geografic Society hebben eerst een documentaire op de markt gebracht
die een beetje ‘hun’ zienswijze moest propageren (en die
tegelijkertijd ook de aankoop- en vertalingskosten moest recupereren).
Heel erg vindingrijk en verhelderend was dat filmpje niet. Maar voor
Jan Publiek zitten er wel de nodige climaxen in. Vooral wachten op de
eerste uitgave in boekvorm, luidt nu vooral de boodschap. (voor nog
meer kritiek, zie ‘kijken
naar de pers’)
Ondanks er in de film nog geen woord werd over gerept, weten sommige
insiders dat de laatste zes bladzijden van het evangelie de lezer een
hemels scenario aanbieden. Hierin wordt een zekere Allogenes door Satan
op de rooster gelegd. Wie is die Allogenes? In het Grieks betekent Allogenes
letterlijk ‘van een ander geslacht’. Als in het ‘evangelie
naar Judas’ dus over Allogenes gesproken wordt, kan daar enkel
maar Jezus mee bedoeld worden. Zoals we reeds weten, beweren ook de
gnostici dat de mensheid uit Adam en Eva afstamt. Hun stoffelijk lichaam
hebben beiden echter van de demiurg bekomen. In Jezus geval is dat klaar
en duidelijk anders verlopen. Hij werd geboren uit ‘de maagd’
Maria (een vrouw die nog niet door een aardse man werd bezoedeld) en
God. Jezus behoorde dus duidelijk tot een ander geslacht. Ook in de
werken van de zogenaamde bibliotheek (codex) van Nag
Hammadi (naam van de vindplaats in de woestijn van Egypte) wordt
er gewag gemaakt over een zekere Allogenes. Volgens een andere sekte
uit die tijd (de Sethianen) is die Allogenes niemand minder dan Seth,
de derde zoon van Adam en Eva. Volgens deze sekte is Seth een goddelijke
incarnatie. Zijn nageslacht (de Sethianen) wordt door hen uiteraard
aanzien als een superieur ras t.o.v. de rest van de wereld. Volgens
mij zijn ook hier weer de figuren van Seth en Jezus gewoon door elkaar
gehaspeld. Over het aandeel van Jezus in de schepping zullen de apostelen
zeker en vast gesproken hebben. Achteraf vervaagde bij de gnostici de
echte waarheid en trad bij hen uiteindelijk nog alleen maar de man Seth
op de voorgrond.
Het evangelie van Judas begint met de volgende woorden: “Het
geheime relaas van de openbaring die Jezus sprak in gesprek met Judas
Iskariot” (pagina 33, regel 1-3). Het manuscript eindigt met de
woorden: “Het evangelie van Judas”(pagina 58, regel 28-29).
Wat zich hier tussenin afspeelt (26 bladzijden) heeft tot de belangrijkste
discussie geleid.
Het is het geheim verslag van de openbaring die Jezus aan Judas Iskariot
vertelde, drie dagen voor hij Pasen vierde. Door Jezus is Judas uitgekozen
als zijn belangrijkste discipel. Alleen hij weet de meest diepgaande
leringen en openbaringen van Jezus op een begrijpelijke manier te ontvangen.
Om de gebeden van zijn andere apostelen (bijv. bij het inzegenen van
het avondmaal), kan Jezus zijn (slappe) lach niet bedwingen (zelfs die
moeite getroost hij zich niet). Zij begrijpen immers niet wie Hij is
en vanwaar Hij komt. Het evangelie vertelt dat, op een dag toen Jezus
met zijn apostelen in Judea vertoefde, Hij hen in eerbiedige afwachting
bij het avondmaal aantrof. Weer lachte Hij en dat viel blijkbaar bij
de apostelen in slechte aarde. Nog steeds lachend zei Hij hen het volgende:
‘Waarom hebben jullie je zo boos laten maken? Laat ieder die
sterk genoeg is opstaan en mij de ware, geestelijke mens van binnen
tonen.” Ze antwoordden: “Wij zijn sterk genoeg." Maar
hun geesten durfden niet op te staan voor hem.
Alleen Judas staat op en kijkt Jezus recht in de ogen (Pag. 35, regel
8-9).
“Ik weet wie u bent en van waar u komt. U bent van de onsterfelijke
wereld van Barbelo (plaats waar de hogere godheid woont, cfr. Kolob
in het Mormonisme). En ik ben niet waardig de naam uit te spreken van
degene die U gezonden heeft” (pag. 35, regels 15-21).
Waarop volgend dialoog tussen Jezus en Judas volgt:
“Stap opzij van de anderen en ik zal je de geheimen van het Koninkrijk
vertellen. Het is een groot en grenzeloos rijk, wat geen engel ooit
heeft gezien en geen gedachte van het hart ooit heeft kunnen bevatten.
En het is nooit bij zijn naam genoemd. Judas zei: “ Meester, in
een visioen zag ik mijzelf. De discipelen stenigden mij tot ik dood
was.” Jezus zei: “Jij zult de apostel worden die vervloekt
wordt door de anderen. Het Koninkrijk der Hemelen ligt binnen je bereik,
maar je zult veel leed moeten ondergaan.” Judas vroeg daarop:
“Maar wat heb ik er dan aan?”
Na deze bekentenis wordt Judas dus persoonlijk door Jezus onderwezen
(zoals Hij ook Petrus ooit op de berg der verheerlijking heeft onderwezen).
Aan het einde van het onderonsje, wordt Judas uitgenodigd om een wolk
te betreden (om getransformeerd te worden?). Op dat moment geeft Jezus
zijn apostel een opmerkelijke maar tegelijk wel erg schokkende instructie:
“De schittering van jouw ster zal alle anderen verduisteren.
Jij zult groter zijn dan hen allemaal. Judas, jij zult de man opofferen
die mij bekleedt. De ster die de weg wijst is jouw ster.” (pagina
56, regel 18-20).
De omschrijving van Judas als ster stamt uit een theorie van Plato.
Bij de geboorte krijgt ieder mens een bepaalde ster toegewezen (zie
ook: de ster van Bethlehem). Die van Judas is volgens de tekst wel ‘de
overtreffende ster’.
Dus terwijl de andere discipelen hun tijd verspillen aan inferieure
activiteiten (zoals het ritueel offeren van dieren op Joodse wijze),
zal Judas dat offer brengen dat uiteindelijk de verlossing van de mensheid
zal veroorzaken. Hij zal de aanzet geven om het offer van het fysieke
lichaam van Jezus mogelijk te maken. Alleen Judas zal ervoor zorgen
dat Jezus in staat wordt gesteld om zijn missie te voltooien. Op deze
manier wordt Judas plots de grootste aller apostelen.
Daarna wordt Jezus overdragen aan de Joodse priesters:
“De heersende priesters mopperden omdat hij (Jezus) in de gastenkamer
was gegaan om te bidden. Echter sommige schriftgeleerden stonden daar
voorzichtig op wacht om hem te arresteren tijdens het gebed, want ze
waren bang voor de mensen, daar Jezus door iedereen gezien werd als
profeet. Ze benaderden Judas en zeiden tot hem: ‘Wat doet u hier?
U bent de discipel van Jezus.’ Judas antwoordde hen zoals ze wensten;
en Judas ontving wat geld (waar hij dus niet naar gevraagd had) en droeg
hem (Jezus) aan hen over” (pagina 58, regel 9-26).
Over een proces, executie of wederopstanding wordt nergens gewag gemaakt.
Het evangelie van Judas vertelde wat het moest vertellen! De gehoorzaamheid
van Judas en hoe deze gehoorzaamheid Jezus hielp in het vervullen van
zijn verlossende missie. Judas transformeerde van een misdadiger naar
een held, van een verrader naar een heilige.
In het Judas Evangelie wordt er ook nog een ander typisch gnostisch
fenomeen uit de doeken gedaan: het schijnlichaam van Jezus Christus
dat zich in een oogwenk aan elke situatie kon aanpassen. In het evangelie
van Judas wordt er gezegd ‘dat Jezus vaak aan zijn discipelen
verscheen niet als zichzelf. Soms was het alsof Hij als een kind in
hun midden was.’ Volgens de schrijver(s?) van het Judas Evangelie
‘verscheen’ Jezus dus ook aan de apostelen ‘voor’
zijn kruisdood.
Maar Jezus’ lichaam was geen schijnlichaam. Hierop hebben reeds
de eerste christelijke schrijvers in de eerste eeuw fel gereageerd.
Zo lezen we in de tweede brief van Johannes:
“Want veel verleiders zijn tot de wereld uitgegaan; zij loochenen
de komst van Jezus Christus in het vlees. Dat is het kenmerk van de
verleider en de antichrist. Neemt u in acht, anders zult gij, in plaats
van het volle loon te ontvangen, de vruchten van onze arbeid verliezen.
Al wie te ver wil gaan en niet blijft bij de leer van Christus, heeft
God niet. Wie bij die leer blijft, hij heeft zowel de Vader als de Zoon.”
(2Joh.1,7-9).
In het ‘Evangelie van Judas’ heeft Judas vanuit zijn zogenaamde
hogere kennis ingezien dat Jezus ons alleen maar kan verlossen wanneer
Hijzelf verlost wordt van zijn (minderwaardig) lichaam. Zegt Jezus immers
niet: ‘Jij zult de mens offeren die mij bekleedt.’ (Alleen
het lichaam dus … en niet de geest). Door Jezus over te leveren,
heeft Judas zogezegd bijgedragen aan de bevrijding van Jezus' ware zelf
uit Zijn sterfelijke lichaam.
‘Het is volbracht.’ Daarop boog Hij het hoofd en gaf de
geest.’ (Johannes 19:30) Volgens onze huidige mening geeft Christus
hier aan dat alleen Hij in staat was het verzoeningswerk te verrichten.
Maar ook gnostisch is deze tekst enigszins uitlegbaar! Christus geeft
hier zogezegd de omstanders te kennen dat het lichtvonkje goddelijkheid
hem verlaten heeft. Zo dadelijk zal zijn geest zich bij die van de hogere
God voegen. (Hij ‘gaf’ letterlijk Zijn geest aan de geest
van de Vader zodat die beiden één konden worden).
Daarom zal Judas Hem dan ook overleveren. Door alleen het lichaam van
Jezus te offeren wordt Satan een rad voor de ogen gedraaid. In sommige
gnostische werken zit de geest van Christus bovenop het kruis …
en lacht! … Terwijl het lichaam onder hem zijn laatste stuiptrekkingen
vertoond. Dit heeft niets meer met het christendom te maken! Hier wordt
het christendom en het werk van Christus helemaal verminkt!
In de gnostiek is er dus helemaal geen plaats voor plaatsvervangend
lijden (en er bestaat dus zeker geen plaatsvervangend werk) en wederopstanding.
Alleen hoe Jezus iemand leert zijn ware, innerlijke zelf te ontdekken
… dat is bij de gnostici van primordiaal belang. Vanuit zijn goddelijke
kennis verricht Judas een goede daad door Jezus over te leveren en zo
mee te werken aan de heilsgeschiedenis. Dat laatste zou nog enigszins
kunnen aansluiten met een zinsnede uit Mattheüs waar Jezus zegt
dat de Mensenzoon MOEST uitgeleverd worden! … Maar daar staat
ook bij dat degene die Hem overlevert beter nooit geboren was (Mt 26,24).
Trouwens! Reeds in het Nieuwe Testament, ondermeer in de eerste brief
aan Timoteüs, wordt een zogenaamde geheime kennis veroordeeld als
een afwijking van het echte geloof:
“Timoteüs, bewaar wat u is toevertrouwd, en keer u af van
het profaan en leeg geredeneer en de opwerpingen van de zogenaamde gnosis;
sommigen die haar verkondingen, zijn het spoor van het geloof reeds
bijster geraakt”. (1Tim.6,20-21)
(Om meer fragmenten uit het Judas Evangelie te lezen, klik
hier.)
Ik hoop dat ik met deze bijdrage enigszins heb kunnen schetsten in
wat voor hectische toestanden de prille Kerk van Jezus Christus verzeild
was geraakt na de dood van de laatste apostel. Ik ben er zeker van dat
geen enkele kerk van deze tijd, ook niet de Kerk van de heiligen der
Laatste dagen, zich zal kunnen terugvinden in hetgeen ik hier zo goed
mogelijk heb proberen te verwoorden. Ik kan er alleen maar op wijzen
dat in zulke materies de hulp van een levende profeet echt noodzakelijk
wordt. Alleen een levende profeet bezit dat noodzakelijke rechtstreekse
kanaal met de (goede) Godheid. Alleen via hem bekomen wij juiste kennis
om in het Rijk van God te kunnen komen!
Alleen via een levende profeet kan men ‘gnosis’ bezitten!
In de film geproduceerd door National Geografic Society geeft de antiekhandelaarster
Frieda Tchacos een nogal emotionele getuigenis. Het klonk ongeveer als
volgt:
‘Ik voelde dat Judas probeerde om via mij eerherstel van de wereld
te bekomen. Daarom heb ik dat evangelie aangekocht en laten vertalen
…’
Bij het horen van zo’n klinkklare onzin, kon ik een pijnlijke
glimlach niet onderdrukken. Merkelijk waren voor haar geld en kijkcijfers
dan toch belangrijker dan de waarde van een evangelie.
En blijkbaar had onze keiharde zakenvrouw nog nooit over die demiurg
gehoord. Zou die lagere godheid van haar ook zo’n rehabilitatie
als Judas gekregen hebben? Enerzijds was hij volgens de gnostici wel
de man van wie ook de vrouw haar hoge goddelijke status had verkregen.
Anderzijds was haar goddelijke oorsprong ook wel te danken aan wat geklungel
van op ‘hoger niveau’.
Gelukkig was er ook nog Adam die Eva direct na haar ‘creatie’
als zijn gelijke aanvaardde. En ook de gnostici beaamden dat laatste
volmondig! In hun schriftuur zou de gelijkwaardigheid tussen man en
vrouw voor eeuwig en altijd hoog in hun vaandel worden geschreven.
Eigenlijk heeft Adam van Frieda Tchacos een serieuze pluim tegoed!
… En niet Judas!
Dec.2006