
Het zendingswerk sedert de tweede wereldoorlog
Voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog keerden alle zendelingen
terug naar de Verenigde Staten. Toch doopten honderd en twee lokale
zendelingen gedurende de oorlog (1940-1945)135 bekeerlingen in de
Kerk.
Gedurende de eerste jaren na de bevrijding van Nederland kwamen zesenvijftig
elders uit Utah aan. Toch was hun eerste taak niet het bekeringswerk,
maar
de distributie van kerkbenodigdheden en het aanvaarden van wijkplichten.
Vele problemen waren er gedurende de oorlog ontstaan en hieraan moesten
vele uren worden besteed teneinde ze op te lossen.
De zendingspresident ontsloeg alle plaatselijke presidia en ouderlingen
uit Amerika verkregen de jurisdictie in alle wijken. Dit was nodig
ten
gevolge van lokale jaloezie en vreemde gewoonten die de kerk gedurende
de
oorlog waren binnengeslopen. Nederland was het enige zendingsgebied
in de
Kerk dat in de eerste vijf jaar na de oorlog geen lokale leiders had,
belast met wijkzaken.
Dit is waarschijnlijk veroorzaakt doordat zoveel lokale leiders naar
Amerika emigreerden.
Ondanks deze tijdrovende wijkplichten, doopten de zendelingen niettemin
1028 bekeerlingen in de jaren 1946-1950. Dit was een gemiddelde van
2,03 per zendeling. Het was op een na de hoogste score van bekeringen
per zendeling in Europa en de vijfde in alle zendingsgebieden van
de Kerk.
Van 1951 tot 1965 doopten de zendelingen 4697 bekeerlingen. Dit was
een
gemiddelde van. 2,59 per zendeling. In Rotterdam werd op 23 maart
1952 de grootste doopdienst in de geschiedenis van de Kerk gehouden,
Hierbij omhelsden zesenveertig bekeerlingen het mormoonse geloof.
In de honderdenvijf jaar van Mormoonse zendingsactiviteiten in Nederland
(1861-1966), doopten 4665 zendelingen uit Amerika 14,307 bekeerlingen.
Dit is een gemiddelde van 3.1 dopen per zendeling per jaar ofwel 136
dopen per jaar.
In de twintigste eeuw werd het zendingswerk van de Kerk voornamelijk
in de grote steden gedaan. Ook werd er enig bekeringswerk in kleine
platte landssteden gedaan. Gedurende de crisis van 1922 tot 1935 werd
wel aan dacht besteed aan de kleine steden maar dit resulteerde slechts
in enkele bekeerlingen en de zendingspresident verplaatste de zendelingen
naar de grote steden.
Twintigste eeuws zendingswerk verschilde in drie opzichten van dat
in de
negentiende eeuw:
1. de provincie Zeeland werd twee maal voor zendingswerk geopend;
2. het vlaams sprekende gedeelte van Belgie werd een deel van de Nederlandse
zending;
3. Er werd meer werk in Noord Brabant gedaan.
.
Sinds 1900 werd er meer gewerkt in het zuidelijk deel van Nederland,
een deel dat overwegend katholiek is.
De voornaamste steden voor zendingswerk waren Amsterdam, Den Haag
en Rotterdam. Ongeveer 50% van de steden waar het zendingswerk zich
op concentreerde, was het zelfde, waar de negentiende eeuwse zendelingen
hun bekeringswerk deden.
Definitieve vestiging van plaatselijk leiderschap
In 1952 rneldde Don van Dam, zendingspresident, dat vele wijken weer
onder lokaal leiderschap waren geplaatst. In die tijd waren er veertig
zendelingen in Nederland. De helft van hen waren getrouwde paren of
vrouwelijke zendelingen. De meesten van hen waren administratief werkzaam
voordat deze wisseling plaatsvond. Hierna konden zij zich weer meer
op het zendingswerk concentreren.
Later werden vele van deze plaatselijke leiders ontslagen of zij emigreerden.
In 1955 presideerden nog slechts zes geboren Nederlanders over de
zevenen-twintig wijken. Weer leidden de zendelingen de zang in de
vergaderingen, speelden orgel, onderwezen klassen en traden op als
uitvoerende leiders. Toen Spencer W.Kimball, een van de twaalf apostelen,
in 1955 in Nederland was, raadde hij de zendingspresident aan de zendelingen
van hun wijkplichten te ontslaan en wel om de volgende twee redenen:
le. omdat de lokale mensen niet die opleiding kregen die zij zouden
moeten hebben
2e. omdat de zendelingen. zichzelf verontschuldigden dat zij geen
bekerings-
werk konden doen, omdat zij belast waren met het lokale leiderschap.
In die tijd hadden zendelingen in Nederland het laagste aantal, bekeringsuren
per zendeling in Europa. Elder Kimball legde uit:
"Ik ben er zeker van dat zowel de zendelingen als de leiding
van de zending tot veel meer in staat zijn. Sedert 1907 zijn er slechts
12 van deze jaren geweest waarin het bekeringsaantal per zendeling
lager lag dan in 1954. Zij zijn afgenomen van 16 tot 0.75 per zendeling
in 1934 en 1.96 in 1954.
Van 1956 1960 was Nederland op een na de hoogste in uren aan bekeringswerk
per zendeling en de hoogste in het totaal aantal in Europa gewerkte
uren. Verder was de Nederlandse zending de eerste in Europa in het
totale aantal uren en bekeringsuren per zendeling. Gedurende deze
vijf jaren had Nederland het grootste aantal werkuren van alle zendingsareas.
Gedurende deze tien jaren deden de Nederlandse zendelingen ongeveer
tweehonderdenveertig uur per maand aan bekeringswerk. Zij doopten
3,611 bekeerlingen. Hierdoor verhoogden zij het aantal dopen per zendeling
van 1.96 in 1954 tot 2.60.
In I960 zond President David 0.McKay de zendingspresident J.Henry
Volker naar Nederland met bijzondere instructies om zendelingen van
wijkplichten te ontheffen. Op dat tijdstip waren er vierendertig wijken
in de zending. Volker plaatste met succes dertig wijken onder plaatselijke
jurisdictie. Deze wisseling in het leiderschap bereidde Nederland
voor op de vestiging van een ring.
Het bezoek van president David O.Mckay aan Nederland
In mei 1952 bezocht president David 0,McKay, leider van de Mormoonse
Kerk over de gehele wereld, Nederland. De voornaamste reden van zijn
bezoek aan Europa was de toewijding van de Zwitserse Tempel. Het doel
van de komst van President McKay naar Nederland was een bezoek aan
de Koningin. Voor zijn vertrek naar Europa vroeg hij reeds audientie
bij Koningin Juliana. President McKay verbleef in het Palace Hotel
te Scheveningen en vertrok daar vandaan naar Soestdijk, de residentie
van de Koningin, Hij kreeg een grootse ontvangst. President McKay
en Emma, zijn vrouw, legden de gelnteresseerde luisteraars enkele
principes van de Kerk uit, het zendingssysteem, het over de hele wereld
verspreide orgelprogramma en het werkonder het Nederlandse volk. Tot
besluit van deze audientie van een half uur beloofde president McKay
Koningin Juliana een in leder gebonden boek van Mormon. Na zijn terugkomst
in Salt Lake City stuurda hij het Haar. Na ontvangst van het boek
liet Koningin Juliana haar secretaresse een dank betuiging sturen
om haar waardering aan McKay uit ta drukken,
"Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden heeft mij opgedragen
haar grote dank over te brengen voor het prachtig gebonden exemplaar
van het Boek van Mormon.,.. Het is haar verlangen nogmaals te laten
weten hoezeer de discussie gedurende uw bezoek haar heeft geinteresseerd."
De invloed van het bezoek van President McKay aan Nederland is niet
precies te meten, Het was echter voor de Nederlandse Heiligen iets
geweldigs om voor het eerst in hun leven de president van hun Kerk,
die zij beschouwden als een profeet van de Heer, de hand te kunnen
schudden. Mogelijk heeft dit bezoek er indirect toe geleid, dat de
regering drie jaar later de Mormoonse kerk een legale status verschafte.
De zendingspresident rapporteerde dat het bezoek van president McKay
een grote zegen voor de gehele zending was. In dit verband was de
publiciteit in de kranten, hoewel kort, van groot belang.
Officiele erkenning van de Kerk
Gedurende de twintigste eeuw was de officiele erkenning van de Kerk
door de Nederlandse regering misschien wel de meest belangrijke stap
tot een positieve benadering van het mormonisme in dit land.
De eerste werkelijke poging om officiele erkenning te krijgen vond
plaats in 1936. T.Edgar Lyon, de zendingspresident, wendde zich tot
het Ministerie van Justitie in verband met de herdenking van het vijfenzeventigjarig
bestaan van de Nederlandse zending. Hierop volgde een gunstige reactie,
"Officiele papieren werden naar het Ministerie van Justitie gezonden
om erkenning voor de Kerk te krijgen. Wij kregen diverse malen bezoek
van ministeriele vertegenwoordigers en hun houding leek vriendelijk
en eerlijk te zijn. De Kroon leidt op het ogenblik een grondig onderzoek
naar de leerstellingen van de kerk. Wij verwachten binnenkort een
definitieve beslissing."
De Kerk moest echter nog negentien jaar op de officiele erkenning
van de Nederlandse regering wachten. Deze erkenning hield in dat de
Mormoonse Kerk als een legaal persoon zou worden gezien met alle rechten
van het individu, namelijk het recht om te vervolgen en te laten vervolgen,
om legaten te ontvangen en bezittingen te hebben.
Wettig bestaan garandeerde eveneens vrijstelling van belasting op
gebouwen en bezittingen. Bovendien verhoogde deze erkenning de status
van de Kerk boven die van een onerkende kerk, Erkenning verzekerde
ook de zendelingen van een wettelijke behandeling gedurende hun aanwezigheid
in Nederland. Het betekende tevens dat er minder conflicten met de
politie ontstonden wanneer de zendelingen hun bekeringswerk deden.
In augustus 1953 ontmoetten twee meisjeszendelingen een jonge advocaat,
Mr. Johannes Patty, die een grondig onderzoek naar de Mormoonse Kerk
instelde. Hoewel hij toentertijd niet tot de Kerk toetrad, bood hij
zijn diensten aan de zending aan. Op zijn advies richtte de zendingspresident,
Donovan van Dam, in 1953 een petitle om wettelijke erkenning tot de
Nederlandse regering. Mr. Patty hielp om deze petitie via de juiste
kanalen te leiden teneinde de ontvangst te bestemder plaatse te garanderen.
Hij maakte ook het ontwerp voor de officiele brieven. Bij Koninklijk
besluit van Hare Majesteit, Koningin der Nederlanden, bekrachtigd
door het Ministerie van Justitie, werd de Kerk voor het eerst in de
geschiedenis van de zending op 22 augustus 1955 officieel als een
kerk in Nederland erkend. Voor deze erkenning werd het mormonisme
als een secte beschouwd, rru werd het als Kerk erkend. Dit gaf de
Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen dezelfde
rechten en privileges als andere erkende kerken in Nederland. Dit
betekende dat de Kerk officiele bevoegdheid bezat. De Minister van
Justitie vatte de definitie van deze officieele status als volgt samen:
Het zou de Kerk meer aanzien geven, verlichting inzake Vermogens-belasting,
zendelingen met een Nederlands paspoort zouden vrijstelling van dienstplicht
krijgen, het gaf de mogelijkheid tot het stichten van een Kerkschool
indien dit nodig was en het zou de zendelingen meerdere voordelen
bieden.
Van Dam verklaarde dat deze erkenning de weg voor de vorming van een
ring in Nederland vrijmaakte.
Het Tabernakelkoor bezoekt Nederland
In dezelfde maand dat de regering de Kerk officieel erkende, ontving
het
mormonisme grote publiciteit van de massamedia. Zij kondigden aan
dat het
Mormoonse Tabernakelkoor van plan was Nederland te bezoeken.
Het beroemde koor was erg bekend in Nederland. In 1951 wijdde de omroep-
vereniging A.V.R.O. een "speciaal klankbeeld van de dag"
aan muziek door
het Tabernakelkoor, becommentarieerd door de locovoorzitter. De A.V.R.O.
herhaalde dit programma, omdat het over het gehele land gunstig werd
ont vangen.
De kranten kondigden de komst van het koor aan als het "700 Mormon
Choir".
Er zouden twee concerten worden gegeven, een in het Amsterdamse Concert
gebouw en een in het Kurhaus in Scheveningen. Het koor kwam op 30
augustus 1955 in Amsterdam aan. Toen het Nederlandse volk zich realiseerde,
dat vele koorleden van Buropese afkomst waren, legden zij "de
rode loper" uit. Het internationale karakter van het koor bleek
een van de voornaamste voordelen op dit tournee te zijn. Vele leden
van Nederlandse afkomst vonden hun familie terug, zoals de Van Tussenbroeks,
de Van Ossens, de Van Ottens, de Wiegel-zusters, de De Haans, Kerns,
Bergouts, Rosendahls en Bergs.
In Amsterdam werd het koor officieel door de Burgemeester welkom geheten.
Hij vermeldde hoe goed het koor door de Britse pers was ontvangen.
Hij sprak er zijn vertrouwen over uit, dat dit ongetwijfeld ook in
Nederland het geval zou zijn. Letterlijk zei hij: "Ik verwelkom
u als Heiligen der Laatste Dagen. Wij hebben hier vele godsdienstige
stromingen, maar wij hebben ook plaats voor u. Wij bezitten in Nederland
een grote religieuze tolerantie."
Hierna draaide hij de kanaallichten aan, zodat het koor kon genieten
van een feestelijk verlichte boottocht door de Amsterdamse grachten.
Tijdens de voorbereidingen voor het concert werd van alle kanten kritiek
uitgeoefend en men veronderstelde dat het koor weinig publiek zou
trekken.
Men hoorde kreten als: "Koren zijn niet erg populair in Nederland
en ze zullen weinig publiek trekken", "Het Concertgebouw
is nog nooit uitverkocht geweest voor een koor", "Koren
zijn geen kassavullers in Europa."
"Toch wisten wij dat het Tabernakelkoor geen moeite zou hebben
met het vullen van concertzalen. Nadat de kassa in Amsterdam was geopend,
waren alle toegangsbiljetten in minder dan twee uur verkocht, terwijl
honderden moesten worden teleurgesteld. Het concertgebouw had een
capaciteit van 2600 plaatsen, terwijl er 3000 plaatskaarten verkocht
waren."
Omdat de verkoop veel beter liep dan was aangenomen, werd van verschillende
kanten verzocht om meerdere concerten in Nederland te organiseren.
Bij beide concerten kreeg het koor een staande ovatie toen het Nederlandse
volkslied door hen in het Nederlands werd gezongen.
Reacties van de Pers
Onmiddellijk na het concert publiceerden honderden kranten artikelen
over
het optreden.
De muziekrecensent van de onafhankelijke Telegraaf, H.J.M.Mueller,
wijdde
een halve kolom aan het concerto "Het koor is werkelijk uitstekend",
zei hij:
"Het is duidelijk, dat de zangers serieus en accuraat studeren.
Zij bezitten
een ontwapenende naiviteit en een hartelijke expressie. Zij hebben
zelf
groot plezier in hun optreden en tonen een ware liefde voor muziek."
De katholieke Volkskrant zei, dat het optreden van het koor alle verwach
tingen overtrof. Het koor zong met grote discipline, de klank was
uitge-
balanceerd en het koor behield zijn grote homogeniteit gedurende de
gehele
avond, maar over het algeheel bracht het geen begeestering,
De Amsterdamse krant "Het Parool" becommentarieerde het
als een bijzonder
koor, dat door het grote aantal stemmen een grote sonoriteit bezat
in
ieder volume, zonder geforceerd aan te doen.
Natuurlijk verscheen er ook slechte kritiek in verschillende kranten.
Een verslaggever meldde: "Aan dit gedisciplineerde materiaal
zou meer
expressie moeten worden tegevoegd en meer artisticiteit ."
Een andere schrijver meldde: "Ondanks alles bleef het koor eentonig."
De Nederlandse zendingspresident, Donovan Van Dam, verklaarde dat
het op
treden van het koor van verreikende invloed cp het zendingswerk was.
"Wij hoorden hoe mensen over het concert spraken. Zij zeiden,
dat het een
zeer speciale belevenis was geweest. In twee bijzondere gevallen volgde
bekering tot de Kerk na het koorbezoek. Ja, de leden van het koor
(hebben
tijdens hun bezoek aan Europa in 1955 machtig zendingswerk gedaan.
"
Later meldde hij:
"Er waren enkele directe en opmerkelijke resultaten als gevolg
van het bezoek van het koor. Niet alleen in de gevoelens en geestkracht
in de zending en in de gunstige recensies en publiciteit, maar ook
door bekeerlingen tot de kerk."
Een voorbeeld van een onmiddellijke bekering tot de Kerk tengevolge
van het bezoek van het koor aan Nederland betrof een zekere heer Bartelles.
"Bartelles in Den Helder was een van onze onderzoekers, die er
plezier in had om met ons te bekvechten en de waarheid van het evangelie
te bestrijden. Hij was een intelligent man. Hij had behoord tot het
Leger des Heils en had voor deze instelling twee zendingen vervuld,
een in Indonesie en een in Denemarken. Wij zendelingen voelden dat
hij niet de ware onderzoekersgeest bezat, zodat wij op het punt stonden
om hem te laten vallen. In feite inspireerde hij ons zo weinig, dat
wij niet eens de moeite namen om hem van het naderende bezoek van
het koor te vertellenj wij wendden ons tot die mensen, die voor ons
veel-belovender in hun houding waren. Op een dag was de heer Bartelles
op zijn werk. Het was lunchpauze en een jonge bediende pakte zijn
lunch, die in krantenpapier gewikkeld was, uit. Toen hij de krant
op de tafel uitspreidde, zag Bartelles een advertentie voor het concert
van het Tabernakelkoor op 31 augustus in Amsterdam, een stad die enkele
uren treinreizen van Den Helder verwijderd was. Bartelles kwam direct
naar ons toe om om kaartjes te vragen. Dit verbaasde ons erg, Hij
bezocht het Amsterdamse concert en nam de volgende dag contact met
ons op; er had een complete verandering in hem plaatsgevonden. In
een gesprek met ons zei hij: "Ik voelde dat de koorleden niet
voor het publiek zongen, Zij zongen voor God." Hij vertelde hoe
de muziek hem tot in het diepst van zijn hart had getroffen en hem
een getuigenis had gegeven van de waarheid van het herstelde evangelie.
De tranen stroomden hem over de wangen toen hij vroeg om gedoopt te
mogen worden. Wij zullen nooit de nederigheid, die hij die dag toonde,
noch de kracht van zijn vurige getuigenis, vergeten. Er waren twee
zendelingen, 400 zangers en Gods geest nodig om Bartelles uit Den
Helder te bekeren, maar hij is bekeerd en is een trouw lid van die
goede kleine gemeente in het noordelijke topje van Nederland."
De Avro zond het Amsterdamse concert uit. Klaarblijkelijk werd de
leiding geimponeerd door de reacties van het publiek, want zij bleef
aandacht aan de Kerk besteden. In 1956 gaf zij een 25 minuten durend
programma over de Kerk. Het bestond uit een rondetafeldiscussie, geleid
door een professor van de Leidse universiteit. De gemeentepresident
van Den Haag vertegenwoordige de Kerk. Hij gaf een introductie van
vier minuten, waarna hij vragen beantwoordde, die gesteld werden door
een panel van predikanten van verschillende stromingen in Nederland.
De welwillende houding van de Avro tegenover de Kerk bleek ook uit
televisiefaciliteiten. In 1963 zond de Avrotelevisie een programma
van twintig minuten uit, getiteld "Meer dan muziek". Een
kwartet van Mormoonse zendelingen zong een medley van Nederlandse
kinderliedjes, bekend bij iedereen in Nederland. Later was er een
vraaggesprek tugsen de locovoorzitter en de Nederlandse Zendingspresident,
Don Van Slooten. Zij discussieerden over de basisprincipes van de
Kerk. Het programma eindigde met het getuigenis van de leden van het
kwartet.
Organisatie van de eerste ring in Europa
Zes jaar na het bezoek van het Tabernakelkoor werd de Hollandse ring
in Nederland georganiseerd. Een ring is een regionale afdeling in
de organisatie van de Mormoonse Kerk. Deze gebeurtenis betekende twee
primeurs in de geschiedenis van de Kerk:
1. De Hollandse ring was de eerste ring in een land waar een andere
taal dan de Engelse werd gesproken;
2. Het was de eerste ring, gevestigd op het Europese vasteland.
Deze gebeurtenis vond plaats 100 jaar na aankomst van de eerste Mormoonse
zendelingen in Nederland,
De eerste openbare suggestie omtrent een mogelijke ring in Nederland
vond plaats op 1 mei I960. Toen zei Alvin R.Dyer, assistent van de
Raad van Twaalven, tijdens een toespraak tot de plaatselijke leiders
van de hulporganisaties in de Nederlandse zending:
"De Heere heeft gezegd dat er drie ringen van Zicn in Europa
zullen zijn en u hoeft niet verbaasd te zijn als u een van die drie
bent."
Twee maanden later, op 25 juli, merkte president Dyer op, dat er plannen
waren om de "Amsterdamse ring" te vestigen. Het was de bedoeling
van de leiders in Salt Lake City, dat deze ring de Amsterdamse, Haagse
en Rotterdamse districten zou omvatten. Hij instrueerde J.Henry Volker,
de zendingspresident, hem de namen van leden te doen toekomen, die
leiders konden worden in een groter Amsterdams district, dat geschikt
moest worden gemaakt voor een ringorganisatie. Het doel van dit vergrote
district was het trainen van de leiders voor de geplande ring.
In december I960 opperde President Henry D.Moyle, lid van het eerste
presidentschap van de Mormoonse Kerk, de mogelijkheid van een ring
in Nederland tegenover de Nederlandse zendelingen:
"Alvorens de meesten van jullie je zending beeindigd zullen hebben,
zullen er meer ringen in Europa zijn dan jullie voor mogelijk houden.
Ik ben er zeker van dat in dit gebouw (de Haagse kapel) binnen niet
al te lange tijd een ring gevestigd zal zijn."
Deze voorspelling werd op 12 maart 1962 vervuld met de organisatie
van de Hollandse Ring. In het begin werd deze nieuwe Hoilandse ring
de "Amsterdamse Ring" genoemd. De leiders in Salt Lake City
veranderden de naam echter in "Hollandse Ring" omdat zij
twee provincies omvatte, namelijk Noord- en Zuid-Holland en niet alleen
het Amsterdamse district. Bovendien was er in Amsterdam in die tijd
geen gebouw, dat als ringgebouw zou kunnen functioneren.
De vorming van de eerste niet-engels sprekende ring van de Heiligen
der Laatste Dagen werd geeffectueerd onder leiding van Hugh B.Brown
van de Raad der Twaalf Hij werd bijgestaan door Alvin R.Dyer en Nathan
E.Tanner, assistenten van het Quorum der twaalf apostelen. De Hollandse
ring was de driehonderdzesentwintigste van de Mormoonse Kerk. De nieuwe
ring omvatte vijf wijken: Amsterdam-Oost, Amsterdam-Wests Den Haag,
Rotterdam-Zuid en Rotterdam-Noord. Zij omvatte ook zelfstandige gemeente
te Delft en de afhankelijke gemeenten te Leiden, Schiedam en Vlaardingen.
J.Paul Jongkees, eerste raadgever in het zendingspresidentschap, werd
geroepen als ringpresident. Bernard W.Lefrandt en Gerard Stoove stonden
hem als raadgevers in het presidentschap terzijde.
Gevolgen van de ringorganlsatie op de zending
Toen de ring werd georganiseerd kwamen er diverse veranderingen in de
Nederlandse zending. Van de vierendertig gemeenten in de zending kwamen
er negen onder de jurisdictie van de ring. De overige vijfentwintig
bleven in de zending. Op het moment van de vestiging van de ring waren
er in totaal 4581 leden in de zending. 2500 van dese leden ofwel meer
dan 50% van het totale ledental maakte deel uit van de nieuwe ring.
Het belangrijkste effect hiervan op de zending was de uitdunning van
het leiderschap. In feite ging 90% van de plaatselijke leiders over
naar de ring en er bleef slechts 10% van de leiders over om over iets
minder dan 50% van het totale ledental in Nederland te presideren. Voor
de organisatie van de ring waren 30 van de 34 gemeenten geplaatst onder
jurisdictie van plaatselijke leiders. Erna moesten vele gemeenteleiders
worden ontslagen om vacatures in het zendingspresidentschap te vervullen.
J.Henry Volker vatte het gevolg van de organisatie van de ring op de
Mormoonse kerk in Nederland als volgt samen:
"Het brengt de werkelijke gang van zaken in de Kerk tot het Nederlandse
voik. Tot de organisatie van de ring hadden de zendelingen overal voor
gezorgd. Het belangrijkste van de organisatie van de ring is dat de
leden nu op eigen benen moeten staan. Binnen eigen grenzen draagt de
Kerk in Nederland nu haar eigen verantwoordelijkheid voor de gang van
zaken."
Zij werd niet langer financieel volkomen geleid door de Kerk in Amerika.
Dit betekende dat zij zelf voor een financiele basis moest gaan zorgen.
De leden moesten zich gaan realiseren dat het hun eigen kerk was en
niet een kerk van Amerika.
"Het is een kerk in Nederland. Het is een universele kerk, geen
Amerikaanse kerk. Het is een wereldkerk. De leiders, die zijn aange-wezen,
dragen nu zelf de verantwoordelijkheid voor de organisatie, evenals
de leden, die de plicht hebben deze leiders te ondersteunen."
Het leerde deze mensen wat het priesterschap werkelijk betekende. Dat
het priesterschap de overheersende kracht is, die de Kerk leidt.
"Het is gebleken, dat er zich geboren leiders onder de Nederlandse
Mormonen bevinden. Dit leiderschap kan worden ontwikkeld. Er is veel
jaloezie weggenomen, die voordien bestond. De mensen realiseren zich
nu dat de leiders direct zijn aangewezen en geroepen door de president
en de algemene autoriteiten van de kerk en niet door de zendingspresident.
Zij voelen dat het nu hun kerk is en dat zij iets hebben, dat zij zelf
moeten opbouwen."
President Van Slooten, zendingspresident van 1962 - 1965 vatte het effect
van de ring op de Mormoonse kerk in Nederland als volgt samen:
1. de ontwikkeling van meer ringleiders moet ter hand worden genomen.
2. de financiele behoeften van de Nederlandse Mormoonse Kerk nemen toe.
3. er bestaat behoefte aan grotere geestkracht.
4. de leden moeten in staat worden gesteld hun patriarchale zegen te
ontvangen.
5. Er moeten voorzieningen worden getroffen voor een regelmatig en direct
contact met algemene autoriteiten op maandelijkse basis.
6. het introduceren van vele kerkprogramma’s, zoals huisonderwijs,
en programma' s voor gezinsavonden, moet snel plaatsvinden.
Al deze voorzieningen, de kerkleden in Nederland aangeboden, rechtvaardigen
de verklaring van Henry D.Moyle, lid van het eerste presidentschap:
"De Heere wenst dat het Nederlandse volk zich kan verheugen in
de volle zegen van het evangelie en dat kan alleen maar als er hier
een ring van Zion is gevestigd."