Rond de Tweede Wereldoorlog
De eerste wereldoorlog had ons een les geleerd die de zendingspolitiek
beinvloedde, Er was behoefte aan opleiding voor lokaal leiderschap.
In 1937 werden pogingen in het werk gesteld om lokale leden op te
leiden voor wijk-en districtsaangelegenheden. In die tijd waren vier
van de vijftien wijken onder lokale jurisdictie geplaatst:
"Wij streven er naar lokale leden op te leiden om het leiderschap
op zich te nemen en alle verantwoordelijkheid voor het leiden van
de zaken in de wijken en districten te kunnen dragen. Ik ben volledig
voor deze poliltiek, die door President Widtsoe, toen hij president
van de Europazending was, is gevolgd."
Hoewel er moeilijkheden waren met betrekking tot de overgang van het
leiderschap van zendelingen naar lokaal leiderschap, vertoonden kerken
en wijken in het zendingsveld een zekere stabiliteit, welke zij nimmer
te voren hadden gehad en er was een gevoel van saamhorigheid in de
organisatie, Dit was nooit het geval met de voortdurende wisseling
van het leiderschap van de zendelingen.
In 1938 bedreigde oorlog wederom de naties van Europa, In September
begonnen Nederland en andere Europese naties hun verdediging te mobiliseren
tengevolge van spanningen tussen Duitsland en Tsjecho-Slowakije.
Het Amerikaanse consulaat vroeg toestemming aan de zendingspresident,
Franklin Murdock, om de Mormoonse zendelingen te mogen gebruiken voor
het transport van Amerikaanse ingezetenen naar de havens om gereed
te zijn voor evacuatie. Alle zendelingen kregen het advies om in hun
respectievelijke wijken te blijven totdat de spanningen waren opgeheven.
Tijdens de conferentie in Munchen werden de moeilijkheden tussen Duitsland
en Tsjecho-Slowakije echter opgelost, Kort daarna bezocht Joseph Fielding
Smith de Europese zending. Terwijl hij in Europa was, verordonneerde
het Eerste Presidium in Salt Lake City op 24 augustus 1939 de evacuatie
van alle zendelingen uit Duitsland. De zendelingen in de Westduitse
zending kregen instructies om naar Nederland te gaan. Nadat Frankrijk
en Engeland Duitsland de oorlog verklaarden, instrueerde de Nederlandse
zendingspresident de zendelingen om aanstalten te maken Nederland
te verlaten. Zij werden in twee groepen verdeeld. De eerste, die uit
vierendertig zendelingen bestond, vertrok onmiddellijk naar Amerika,
De tweede groep, dertig zendelingen, bleef en ging door met het zendingswerk,
zolang de toestand dat veroorloofde.
Op 15 September 1939 zond het Eerste Presidium in Amerika instructies
naar alle zendelingen in Europa om terug te keren naar de Verenigde
Staten. Verder moesten alle, behalve drie zendingspresidenten, Europa
verlaten. Deze instructies waren in overeenstemming met de aanbevelingen
van de Verenigde Staten en Europese regeringen.
Toen deze instructies Nederland bereikten, vertrok de tweede groep
zendelingen ook naar Amerika. Dit plaatste de totale leiding van de
zending in plaatselijke handen.
Na het vertrek van de zendingspresident werden alle districtsconferenties
afgelast en twee wijken werden opgeheven. Jacob Schipaanboord, Senior
van de gemeente Leiden, werd aangewezen als zendingspresident. Hij
koos Arie D.Jongkees en Pieter Vlam als zijn raadgevers. Zij werden
belast met de supervisie over alle zendingsaangelegenheden en moesten
alle zestien gemeenten van de zending bezoeken. Gedurende de oorlog
werkte dit zendingspresidentschap onder leiding van Franklin Murdock
in Amerika.
Gevolgen van de Duitse bezetting met betrekking tot de zending
in Nederland
Op 10 mei 1940 viel het Duitse leger Nederland binnen. De 14e mei
werd
Rotterdam door de Duitse luchtmacht gebombardeerd. Dit resulteerde
in de dood
van 30.000 inwoners. Dertigduizend onschuldige slachtoffers, waaronder
nauwe-
lijks militairen, kwamen om in het halve uur dat de aanval duurde.
De Duitsers beweerden dat slechts 300 personen waren omgekomen gedurende
deze aanval. Een Rotterdams geestelijke merkte echter tijdens een
herdenking
dienst ironisch op: "Ik breng de driehonderd doden in onze stad
in herinne-
ring, van wie 900 alleen al uit mijn parochie."
Tijdens de aanval werd de kapel van de Heiligen der Laatste Dagen
in Rotterdam
totaal vernield. Verder vernietigde het bombardement vele huizen en
eigendom
van kerkleden. Teneinde het lijden te verlichten hield het leidende
president-
schap een collecte, die $ 3.962 opbracht. Dit bedrag werd overgedragen
aan
de Z.H.V. in Rotterdam om onder de leden te worden verdeeld,
Kort na de Duitse bezetting werden niet alleen de algemene zendingsconferentie
maar ook de regelmatige plaatselijke kerkdiensten opgeheven. Naderhand
werden
de gewone kerkvergaderingen echter hervat, Tijdens de bezetting werd
speciale
aandacht aan de jeugd besteed.
Gedurende deze tijd werd er speciaal opgelet dat de jeugd actief bleef.
De
jeugdafdelingen en de zondagschoolorganisaties deden bijzonder veel
moeite
om de zaken draaiende te houden. Toch verminderden de activiteiten
gedurende
het seizoen 1942-1943 met 75%.
In 1941 werden in verschillende plaatsen van de zending speciale vergaderingen
gehouden. De tijden verschilden ten gevolge van de verduistering,
maar alle
diensten werden gehouden. Aan priesterschapsvergaderingen werd bijzondere
aandacht besteed en huisonderwijs (de mormoonse wijze om ieder gezin
van de
gemeenten iedere maand te bezoeken) vond regelmatig plaats.
De zendingspresident moest voor Duitse kopstukken verschijnen om de
Mormoonse
kerkaangelegenheden uit te leggen. De Duitsers dachten dat deze kerk
in
Nederland een strict Amerikaanse organisatie was. Dientengevolge besloten
zij
de kerkeigendommen te confisceren als oorlogsbuit.
Spoedig na de nazibezetting dreigden zij de eigendommen van de Kerk
van Jezus
Christus van de Heiligen der laatste dagen in beslag te nemen. Zij
beweerden dat
het Amerikaanse eigendommen waren en dat zij daartoe dus gerechtigd
waren.
Dit was geen ijdel dreigement, want de eigendommen van de Christian
Science
beweging waren reeds op deze gronden in beslag genomen. Door de pogingen
van
president Schipaanboord kon de confiscatie van de kerkeigendommen.
echter worden
voorkomen. Hij overtuigde de Duitse autoriteiten ervan, dat de Nederlandse
zending van Nederlandse oorsprong was, door Nederlanders werd onderhouden
en
dat zij opereerde op democratische basis, waardoor alle nationaliteiten
welkom
waren.
De terugtrekking van de Amerikaanse zendelingen en de Duitse bezetting
ten
spijt, groeide de Kerk steeds. In juli 1941 benoemde het zendingspresident-
schap 102 plaatselijke of huiszendelingen in Groningen, Amsterdam,
Dordrecht
Den Haag, Schiedam, Delft en Utrecht. Zij bezochten onderzoekers en
distribu-
eerden tractaatjes. Door hun inspanningen werden tussen 1940 en 1945
twee-
honderd en vijfenzeventig bekeerlingen gedoopt. Verder werden driehonderd
en negen mannen in het priesterschap aangesteld. Gedurende de Duitse
bezetting
emigreerden er geen leden van de Kerk naar Amerika.
Het presidentschap stelde ook pogingen in het werk om in contact te
blijven
met alle takken van de kerk. Gedurende de bezetting was De Ster de
enige
publicatie die uit mocht komen. Tengevolge van papiertekort kon de
uitgave
hiervan in 1941 echter niet meer worden voortgezet. in de plaats daarvan
werd
een klein blaadje uitgegeven. Het voortschrijdende tekort aan papier
maakte
het echter onmogelijk hiermee door te gaan. Daarom werd er een gestencild
rondschrijven aan alle plaatselijke presidentschappen gestuurd.
Oorlogsgevangene
In 1942 werd Pieter Vlam, tweede raadgever van het zittinghebbende
zendings-presidentschap, door de Duitsers als oorlogsmisdadiger gearresteerd
en naar Polen gestuurd. Tijdens zijn verblijf in verschillende Duitse
concentratie-kampen kreeg hij toestemming om M.I.A.-vergaderingen
te houden en een koor op te richten. Dit gaf hem de gelegenheid het
mormonisme te prediken aan ieder die er in geinteresseerd was. Dit
leidde tot de bekering van J.Paul Jongkees die later de eerste president
van de Hollandse ring, een belangrijke mormoonse regionale kerkelijke
eenheid, werd.
J.Paul Jongkees herinnerde er later aan dat hij tijdens de invasie
van de Duitse troepen in Nederland werd gearresteerd als voormalig
officier van het Nederlandse leger. Later was hij gevangene in oorlogskampen
in Neurenberg, Stanislau Polen en Nieuwbrandenburg.
Daar ontmoette hij Elder Vlam, het enige lid van de Kerk in deze verschillende
kampen. De vergaderingen die Vlam mocht houden, werden door Jongkees
en twaalf andere mannen bijgewoond. Zes van hen werden gedoopt toen
dat mogelijk was. In 1945 werden Vlam en Jongkees door de Russsn bevrijd.
Voedseltekorten en verliezen tengevolge van de oorlog
Op 17 September 1944 begon de bevrijding van Nederland. In april 1945
zetten de Duitsers, in een laatste wanhopige poging om de geallieerde
invasie
in Nederland stop te zetten, zevenhonderd vierkante mijl bouwland
onder
water. Deze poging om de invasie een halt toe te roepen, mislukte.
Daarom
moest het Duitse leger op 5 mei 1945 capituleren. Later werd de Nederlandse
regering weer officieel in Nederland gevestigd.
Na de Duitse overgave leed Nederland aan ernstige voedseltekorten,
Dit
had drie oorzaken:
1. De Duitse bezettingstroepen hadden alle Nederlandse voedselreserves
in beslag genomen.
2. De Duitsers hadden een vierde deel van het Nederlandse bouwland
onder water gezet. Dit verhinderde elke mogelijkheid om nieuwe gewassen
te telen in voldoende hoeveelheden om aan de vraag tegemoet te komen.
3. De Britse aanval op Arnhem in September 1944. De Nederlanders steunden
deze aanval door een complete transportstaking. Als tegenmaatregel
besloten de Duitsers de Nederlanders te onderwerpen door hen uit te
hongeren. De dichtbevolkte streken langs de Noordzee waren volkomen
geisoleerd van de landbouwgebieden, die hen van voedsel moesten voorzien.
Geen enkele verplaatsing naar dit gebied was toegestaan. De voedselrantsoenen
werden verlaagd tot twee sneetjes brood en twee aardappelen per persoon
per dag. Brandstof-voorziening was in het geheel niet mogelijk en
de bevolking verbrandde bomen, afval en hun eigen meubilair in een
wanhopige poging om zich warm te houden. In de eerste twaalf weken
van 1945 stierven er meer dan twaalfhonderd mensen als gevolg van
de koude en de honger. Het was niet ongewoon de mensen in de straten
ten gevolge van volkomen uitputting dood te zien neervallen. Ook de
kerkleden leden in deze tijd aan voedseltekort. Van de verschillende
wijken vertrokken vele leden naar plaatsen waar meer en betere voedings-middelen
voorradig waren. De Kerk stelde pogingen in het werk om de verhongering
van de leden te voorkomen door het distribueren van voedsel. Leden
van het priesterschap en de zustershulpvereniging werkten hiervoor.
Het zendings-hoofdkwartier was juist in deze periode naar Utrecht
verhuisd omdat de kuststrook van Den Haag was geevacueerd.
In de vijf jaar van Nazibezetting leed Nederland een verlies, half
zo groot als de vooroorlogse nationale inkomsten van eenentwintig
biljoen dollar. In deze periode werden ongeveer vierhonderdduizend
huizen vernietigd of zwaar beschadigd, tweehonderdduizend huizen geplunderd,
zesduizend boerderijen vernield en zevenhonderd vierkante mijl land
onder water gezet. De helft van de bossen werd vernietigd en de levensmiddelenvoorraad
met veertien procent verminderd. Het treinmaterieel, alsmede de helft
van de fietsen en bijna alle motorvoertuigen werden in beslag genomen.
Dekens, kleding, huishoudelijke
artikelen etc. werden zoveel mogelijk weggevoerd. Alle Nederlandse
oorlogs-voorraden aan voedsel en materieel werden gebruikt voor de
Duitse oorlogsmachine. In vele gevallen werden hele fabrieken ontmanteld
en naar Duitsland verscheept ,
De regering berekende dat alleen de herbouw van Rotterdam al 240 miljoen
dollar zou kosten. Tijdens de wederopbouwperiode diende een Nederlandse
delegatie bij het geallieerde Herstellings Comite in Parijs een rekening
in van $ 14.148.000.000.
Analyse van het effect van de twee wereldoorlogen op de zending
De twee wereldoorlogen illustreren, dat politieke, sociale en eeonomische
krachten de groei en ontwikkeling van de Kerk beTnvloedden. Tijdens
beide oorlogen werden kerkeigendommeri vernield. Beide oorlogen maakten
het noodzake lijk dat de mormoonse zendelingen werden teruggetrokken,
Gedurende de eerste wereldoorlcg bleven er enkelen en anderen kwamen
de plaats innemen van hen die waren ontslagen.
De twee oorlogen hadden zowel een positief als een negatief effect
op de zending. Het positieve was, dat er omstandigheden werden geschapen,
waarin he lokale leiderschap zich kon ontwikkelen. Dit zou de zending
hebben kunnen versterken, als de oorlogsomstandigheden niet tot emigratie
hadden geleid. De toenemende emigratie was misschien wel de grootste
negatieve invloed. In de eerste vier jaren, volgende zowel op de eerste
als op de tweede wereldoorlog, was er een totaal aantal dopen
van 1607. Tezelf- dertijd einigreerden 1583 leden. Dit betekent een
netto groei van slechts vierentwintig leden.
De Nederlandse zending sedert de tweede wereldoorlog
Toen de Nederlandse zending eenmaal heropend was, gebeurden er vier
belangrijke dingen die hielpen om de image van de Kerk van Jezus Christus
van de Heiligen der Laatste dagen in het naoorlogse tijdvak te vormen.
Deze gebeurtenissen waren de introductie van het Kerkwelvaartsplan,
het , bezoek van president David 0 McKay, de officiele erkenning van
de Kerk door de Nederlandse regering en het bezoek van het Mormon
Tabernacle Choir. Deze gebeurtenissen culmineerden in de organisatie
van de Hollandse Ring, een regionale administratieve eenheid. De Hollandse
Ring was de eerste Ring in de kerk, die een vreemde taal sprak en
de eerste op het Europese vasteland.
Heropening van de zending
Op 28 februari 1946 kwam Cornelius Zappey in Rotterdam aan. Hij was
de nieuw benoerade Nederlandse zendingspresident. Op de Amsterdamse
districtsconf erenti werden president Jacob Schipaanboord Sr«,
Arie Jongkees en Pieter Vlam eervol ontslagen als waarnemend presidentschap
van de Nederlandse zending.
Toestand van de Kerk
President Zappey vond de Kerk in een deplorabele toestand ten gevolge
van oorlog en bezetting. Hij ondervond, dat ongunstige praktijken
de kerk waren binnengeslopen. In sommige wijken werden kaarsen aangestoken
en op de : avondmaalstaf el gezet. Dit was een toevoegsel aan het
sacrament van het avondmaal. In een andere wijk had de presiderende
ouderling de gewoonte aange nomen om een zwart gewaad als symbool
van zijn priesterschap om te slaan, als hij de vergadering voorbereidde.
In weer een andere wijk had de plaatse-lijke leider een nieuwe manier
van zingen gelntroduceerd, die hij uit een andere kerk, waartoe hij
had behoord, had meegebracht. Hij zong een solopartij en de vergadering
moest deze daarna herhalen. De Rotterdamse wijk had een soort militair
bewind ingesteld. Leiders van de wijk trachtten te voorkomen dat de
zendingspresident met de leden sprak en hen de hand schudde. Gedurende
een vergadering merkte hij dat de leden op een militaire manier opstonden
totdat hij de hal had bereikt.
Deze praktijken waren vanaf 1942 zo langzamerhand de Kerk binnenggeslopen.
Gedurende de eerste drie jaren na de terugtrekking van de zendelingen
bleef
de Kerk in Nederland nog per post in contact met de Kerk in Salt Lake
City.
Nadat de Verenigde Staten Duitsland echter de oorlog hadden verklaard,
waren
alie contacten met de autoriteiten in Amerika verbroken.
Deze afwijkingen, die de kerk waren binnengeslopen werden door drie
dingen
veroorzaakt:
1. tengevolge van het lidmaatschap van de leden van andere kerken,
voordat zij tot de mormoonse kerk toetraden,
2. cmdat alle religieuze groepen zich in een grote broederschap hadden
verenigd om de Duitsers te bestrijdden. Hierdoor ontstond een grcte
tolerantie tussen katholieken, protestanten en mormonen, hetgeen aanleiding
was tot het aannemen van afwijkende gewoonten en 3. doordat er geen
contact met de autoriteiten in Salt Lake City of het waarnemende presidium
in Nederland mogelijk was.
Getrouwe Heiligen zagen dit verschijnsel als een voorbeeld van wat
er kan gebeuren als zij worden afgesneden van de heilige leiding in
nun Kerk, de profeet.
Zappey ontdekte ook dat er een scheuring in de Mormoonse kerk in Nederland
was opgetreden. Een Nederlandse Heilige was na een verblijf van meerdere
jaren in Amerika naar Nederland teruggekeerd. Toen hij in de Verenigde
Staten was werd hij geordend tot hogepriester, een ambt in het priesterschape
Toen hij ontdekte, dat de waarnemende zendingspresident "slechts"
een ouderling was, een lager ambt in het priesterschap, kende hij
zichzelf het, recht toe de Kerk in Nederland te leiden. Hij slaagde
er in het vertrouwen van 30% van de leden in Utrecht voor zich te
winnen. Hij werd daarvoor door de Kerk ge-excommuniceerd. Na het vertrek
van president Zappey werd hij in zijn lidmaatschap hersteld.
Ook merkte de zendingspresident op, dat haat en wantrouwen de atmosfeer
in alle wijken bedierf. Deze spanningen werden veroorzaakt door de
tegenwoordigheid van twee politieke stromingen in de Kerk. De ene
groep bestond uit leden die met de Duitse zaak sympatiseerden. De
andere groep rebelleerde tegen het Duitse regime. Hoewel allen leden
van de Mormoonse Kerk waren, weigerde elke groep om met een lid van
de andere groep te spreken. Gedurende de vergaderingen zaten zij ieder
aan een andere kant van de kapel. Als het sacrament eerst aan de sympatisanten
werd aangeboden, weigerden hun tegenstanders (Nederlanders) dit, omdat
zij geloofden dat het verkeerd zou zijn van het avondmaal te nemen
met haat in hun harten.
Vele leden van de Mormoonse Kerk zochten naar mogelijkheden om een
prive" gesprek met de zendingspresident te hebben om hun overtredingen
op te biechten. Tengevolge van trouweloosheid hadden gedurende de
oorlog enkele excommunicaties plaatsgevonden-
Toen Zappey zijn rondreis door de zending beeindigde, ontdekte hij
dat het zendingshuis in Den Haag grotendeels was vernietigd en dringend
gerepareerd moest worden. Kerkliteratuur ontbrak in de gehele zending,
de leden waren over een groot gebied verspreid. In verband met de
voedselschaarste wilde de regering niet toestaan dat er zendeiingen
uit Amerika het land binnenkwamen. Omdat reizen onmogelijk was, bezochten
vele leden vergaderingen van andere kerken in hun omgeving. Duitse
soldaten hadden de Nederlanders alles wat zij bezaten, afhandig gemaakt.
Aan het eind van de bezetting werd gerapporteerd dat de meeste leden
niet naar de Kerk konden komen omdat zij totaal geen kleding meer
bezaten.
In mei en juni 1946 bezocht een mormoons militair de Amsterdamse en
Rotterdamse wijken. Hij beschreef het lijden als volgt:
"Deze twee wijken lijden acuut honger en alle gemeenschappelijke
pogingen en opofferingen ten spijt, stierven vijf of zes van de wijkleden
van de honger. Het scheen ongelooflijk, totdat ik hoorde van die laatste
verschrikkelijke hongerwinter. Tarwe werd verkocht voor $ 1500 per
schepel. Een van de leden liep met enkele van zijn kinderen van Rotterdam
naar Groningen, ongeveer 150 mijl, in het koudste weer, om aan de
hongerdood te ontkomen. In Amsterdam was het dagelijkse rantsoen verlaagd
tot een tiende van de normale behoefte."
Hulp van de Kerk voor Nederland
De eerste problemen, waarmee President Zappey zich na de reorganisatie
van
de zending geconfronteerd zag, was de verhongering en de haat en het
wantrouwen tussen de leden. Hij voerde een thema in "Hebt uw
naaste lief",
dat in de geheie zending werd gepredikt. Zappey haalde ook de Nederlandse
regering over om zendelingen het land in te laten. In mei 1946 kwamen
er
elf elders uit Amerika aan. Dit waren de eerste mormoonse zendelingen
sinds
1939 die hier bekeringswerk kwamen doen.
Ook begon, onder supervisie van Zappey, de Kerk onmiddellijk te werken
om het lijden van de leden te verzachten. De zendingspresident vroeg
overal
om opslagruimte voor hulpgoederen uit Amerika. Op wonderbaarlijke
wijze
ontmoette Zappey op een straathoek een heer, die net een grote opslag-
plaats in Rotterdam had laten bouwen. Hij bood deze ruimte aan de
Kerk
aan zonder enige huur.
Spoedig arriveerde uit Amerika 11.134 dozen, bevattende 640.767 pond
voedsel, fruit en kleren. Eens per week verdeelden zendelingen vanuit
deze opslagplaats voedsel en kleren onder de leden.
Toen de welzijnsgoederen waren aangekomen en werden gedistribueerd,
was
het alsof er een wonder in de Kerk gebeurde, Een week voordat de goederen
aankwamen, zagen de leden er uit als bedelaars. De week daarop, na
de
distributie, leken zij miljonairs. Leden van de Nederlandse regering
kwamen
naar Zappey en zeiden: "Luister, jullie volk is gekleed als miljonairs,
"
maar wat gebeurt er met het onze?" Daarom stuurde de Kerk in
Salt Lake City
een scheepslading welzijnsgoederen naar het Rode Kruis in Nederland.
De zendingspresident meldde, dat de informatie over de pogingen van
de
Kerk om de honger te verlichten, de Nederlandse houding tegenover
het
mormonisme veranderde.
"Sinds mijn laatste zending 22 jaar geleden is de houding van
het volk tegenover onze Kerk zeer veranderd. Het is veel gemakkelijker
om het evangelie uit te leggen. Mannen en vrouwen van alle leeftijden
en standen zijn gewillig om de tijd te nemen en te luisteren. Zij
vonden het allemaal wonderbaarlijk om van Gods plan, om te zorgen
voor allen die in nood verkeerden, te horen."
Van de welzijnszorg in Salt Lake City en andere opslagplaatsen, werd
voedsel en kleren, door de Nederlandse regering geschat op een totaal
van meer dan $ 1.000.000, naar het Nederlandse volk gestuurd. In het
begin geschiedde dat per pakketpost. Daarna bij karladingen vol.
Nadien werd door de Nederlandse Heiligen een bronzen plaquette naar
het
eerste presidentschap gestuurd als dank voor hun hulp, Ook de Minister
van Buitenlandse Zaken van Nederland decoreerde president Zappey met
de
medaille van dankbaarheid vcor het vele welzijnswerk dat de Kerk onder
de
Nederlanders had gedaan.
Nederlandse welzijnszorg voor Duitsland
In een poging om de haat tussen de Heiligen compleet uit te roeien,
begon de zendingspresident welzijnsboerderijen van de Kerk onder de
Nederlanders te stichten. Door dit te doen hoopte Zappey de twee politieke
groeperingen
in de Kerk tot verzoening te brengen. Leden pootten aardappelen langs
de
spoorrails, in kleine achtertuintjes en in gehuurde velden, welke
gewoon-
lijk werden gebruikt voor het telen van tulpebollen.
De priesterschap ging aan het werk en binnen korte tijd had elk quorum
een behoorlijk stuk land voor dit project gevonden. Er werd aanbevolen
om
aardappelen en groene groenten, bonen, wortelen en kolen te planten.
Aardappelen zijn het basisvoedsel in Nederland en brengen gewoonlijk
een rijke oogst op. In vele wijken werd van het poten van aardappelen
een speciale gebeurtenis gemaakt en de wijkleden kwamen in groten
getale op, Er werd gezongen, gesproken en gebeden en tot besluit werden
de aardappelen aan de grond toevertrouwd,
Toen de leden de aardappeloogst rooiden, waren er vele tonnen meer
dan zij nodig hadden, Toevalligerwijs bezocht de Duitse zendingspresident
Nederland . en vertelde van de honger in Duitsland. Als gevolg daarvan
besloten de Nederlandse heiligen wat van hun aardappelen naar nun
"broeders" in Duitsland te sturen. Gedurende de eerste week
van november verlieten tien grote trucks Nederland met bestemming
Duitsland. Zij bevatten zeventig ton aardappelen van de Nederlandse
kerkleden voor de heiligen in Duitsland. President David 0. Mckay,
president van de Kerk, zei van deze geste:
"Dit is een van de grootste bewijzen van ware naastenliefde,
ooit onder mijn aandacht gebracht. Wij kunnen de Nederlandse heiligen
feliciteren dat zij het kunnen opbrengen om deze welzijnszorg te verlenen
aan de leden van de Kerk in een land, dat hun zoveel lijden en narigheid
heeft bezorgd in de afgelopen jaren."
Later werden door de Nederlandse Heiligen nog eens negentig ton aardappelen
en zestig ton haring naar Duitsland gezonden. Ook deze aardappelen
kwamen van de plaatselijke welzijnsboerderijen. De haring was gekocht
met ontvangen donaties.
Welzi.jnszorg voor het overstroomde Nederland
In 1955 werd Nederland door een overstroming getroffen, die een groot
deel van de provinoies Zeeland en Zizid-Holland onder water zette,
De overstroming dwong 300.000 mensen te evacueren en kostte 2000 mensen
het leven. Hierbij werden geen eigendommen van de Mormoonse Kerk beschadigd,
Toch verzamelden vierentwintig wijken van de Nederlandse zending kleren
en geld, welke werden afgedragen aan hulporganisaties. De heiligen
boden het Rode Kruis alle kerkgebouwen in de door de overstroming
getroffen gebieden aan. Da Nederlandse zending gaf het Rode Kruis
ook meer dan 4000 pond sterling. In Utah vormden voormalige Nederlanders
en zendelingen een overstromings-hulpcomite* en stuurden aan Koningin
Juliana een cheque van $ 17.830,92 om de ergste nood te lenigen. Verder
werden honderden quilt-dekens naar Nederland gezonden door het Welzijnscomite
in Salt Lake City.
De uitwerking van de welzijnszorg op Nederland
Het welzijnsprogramma in Nederland verbeterde het aanzien van het
mormonisme in Nederland, Propaganda tegen de Kerk verminderde en vele
deuren gingen open voor de boodschap van de Herstelde Kerk. De president
van de Europese Zending, Ezra T.Benson, verklaarde:
"Er was grote vreugde toen de welzijnsvoorraden hier aankwamen.
Het was ook voor de militaire autoriteiten en anderen een grote verrassing
toen de voorraden uit Zion hier aankwamen, nadat overeenkomsten waren
gesloten en een telegram naar Zion was gestuurd, om met de verschepingen
een aanvang te maken. Zij konden nauwelijks geloven dat er een kerk
bestond, die zulke enorme voorraden goederen bezat, gereed voor verzending
naar de lijdende bevolking van Europa. Ongeveer vijftig wagonladingen,
dat betekent meer dan 200 Europese wagonladingen, of wel tweeduizend
ton en ik ben er zeker van dat wanneer de kosten van transport ook
mee werden geteld, het geheel meer dan driekwart miljoen dollar zou
hebben gekost. Het grootste deel hiervan ging natuurlijk naar die
landen, die er het meest behoefte aan hadden, zoals Duitsland, Oostenrijk,
Nederland, Noorwegen en Belgie. De rest ging naar de overige landen,
wanneer daaraan behoefte bestond.
De leiders van de mormoonse kerk ontvingen brieven met dank-betuigingen
van Nederlandse leden uit geheel Nederland. Uittreksels van de volgende
twee brieven typeren hun gevoelens: "Met deze brief wiilen wij
u hartelijk danken voor de doos met mooie quiltdekens die u ons gestuurd
heeft. Zij kwamen precies op tijd want het is nu vreselijk koud in
Nederland. Het vriest, het sneeuwt, we zijn nu in hartje winter. Wij
hebben niet genoeg om de kachel te stoken en daarom gaan we vroeg
naar bed." "Het pakket dat u ons stuurde ontvingen wij in
grote dank. Ik kon niet eerder dan 10 juni 1945 naar Nederland terugkeren,
na drie jaar gedwongen arbeid in Duitsland. Toen ik thuis kwam, was
mijn vader reeds van honger gestorven net als vele anderen van mijn
volk. De Duitsers hadden alles weggevoerd, voedsel, kleding, klokken,
fietsen, radio's enz. Nog eens mijn hartelijke dank en moge God u
zegenen."