MvG logo www.mvgcontact.org

De Kerk van 1872 tot 1940

Home




De Kerk van 1872 tot 1940

Zendingswerk vordert langzaam

De eerste twee mormoonse zendelingen (1861-1863) predikten in vier van de elf Nederlands provincies en doopten drieendertig leden. Later breidde zendingspresident Joseph Weiler het zendingswerk over tien provincies uit. Hij had plaatselijke zendelingen om hem te helpen bij het distribueren van pamfletten in de provincies Noord- en Zuid-Hollad, Noord-Brabant, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Friesland, Groningen en Drente. In 1867, toen Weiler naar de Verenigde Staten terugkeerde, hadden zendelingen uit Amerika negenenvijftig bekeerlingen gedoopt. Na de ondervonden moeilijkheden bij het bekeren van de Nederlanders tot het mormonisme, verklaarden de zendelingen dat het volk verstokt was.

"Hun oren zijn gesloten voor de waarheid en hun harten zijn gehard tegen het werk van God, hetgeen blijkt uit het feit, dat zij geen verlangen hebben om onze leringen te onderzoeken. Enkelen van hen, die wel de waarheid aanvaard hebben, hebben niet de echte waarde en zielskracht van de ware Christen, die nodig is om overeind te blijven om die waarheid te verdedigen."

Gedurende de volgende tien jaar (1867-1877) na Weilers vertrek werden achtenzeventig bekeerlingen gedoopt. In 1877 waren er honderdenveertien leden van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen in Nederland. In diezelfde periode emigreerden honderdzevenenvijftig bekeerlingen naar Amerika. Met honderdenveertien leden in Nederland waren de mogelijkheden tot zendingswerk echter aanzienlijk toegenomen. De zendingspresident, Peter J. Lammers, rapporteerde:

"De zendelingen kunnen hier nu beter leven en werken dan een jaar geleden, want er zijn nu heiligen, en dientengevolge meer huizen waar de zendelingen mogen wonen, dan toen zij hier kwamen. Toen was er slechts een dorp en een stad, waar de heiligen woonden, maar nu kunnen wij per trein reizen van Dedemsvaart naar Zwolle, Olst, Deventer, Zutphen, Doesburg, Borculo en dan via de zee naar Amsterdam en Weesp, en in elke plaats vinden wij huizen van heiligen, waar wij kunnen verblijven en prediken."

Hoewel de condities dus waren verbeterd, was het volk in de greep van corrupte praktijken en daarom tegen het evangelie. Sybren van Dijk, zendingspresident van 1871-1874, beschreef het volk als:

"traag en talmend, werelds en geestelijk karakterloos, uitstellende tot morgen wat zij gemakkelijk vandaag zouden kunnen doen. Velen willen wel kennis van de waarheid hebben, maar iedere arbeid, die nodig is om deze te verkrijgen, stellen zij uit."

In de jaren 1877 en 1878 doopten de zendelingen slechts een enkele bekeerling. De zendingspresident, Bernhard H. Schettler, voelde dat:

"de angstaanjagende onwetendheid, tezamen met oneerlijkheid en onwilligheid om anders dan anderen te lijken, de mensen ertoe bracht zich afzijdig te houden."

Gedurende deze tijd werden de mormoonse vergaderingen verstoord door priesters, regeringsambtenaren, poltie en bepaalde groeperingen uit het volk.

Een ommekeer wordt bereikt

In 1880 begon het zendingswerk echter wat meer vaart te krijgen. De oppositie van de geestelijke overheid was afgenomen en de Kerk had doelmatige publicaties doen verschijnen, die de mensen ertoe brachten naar de zendelingen te luisteren:

"Er is een toenemende belangstelling in Nederland en ouderling van Dijk ziet verlangend uit naar meer hulp om hem bij te staan in zijn werk onder het volk. Onze rechten, voor zover deze het prediken en de verspreiding van het werk betreft, worden nu beschermd. Dit moge blijken uit een gebeurtenis bij onze zondagse bijeenkomst, toen iemand onrust trachtte te veroorzaken. Hij werd prompt door een politieagent, die bij de hand was, gearresteerd."

Een van de redenen van de vooruitgang in Nederland in de volgende tien jaren (1880-1890) was, dat de zendingspresidenten veel van hun tijd besteedden aan het vertalen en publiceren van kerkliteratuur in de Nederlandse taal.
Een zendeling constateerde dat het zendingswerk zeer was vertraagd, doordat er geen boeken in de Nederlandse taal waren.

"Vele boeken zouden kunnen worden verkocht als wij ze hadden en dat zou ons werk bijzonder vergemakkelijken."

In 1881 versterkte van Dijk de Kerk door al zijn tijd te besteden aan het schrijven en publiceren in de nederlandse taal. In een poging de kerkelijke activiteiten te coordineren en het ledenaantal te versterken, stuurde president van Dijk een periodieke rondzendbrief naar de gemeenten van de Kerk in Zwolle, Deventer, Zutphen, Almelo, Utrecht, Heukelum, Amsterdam en Dedemsvaart.

"Mijn tijd is verdeeld tussen schrijven, het distribueren van pamfletten en tractaten en het houden van bijeenkomsten in de huizen van de leden. Ik schrijf iedere week een octaaf vel papier vol met uittreksels uit de werken van de Kerk, of met mijn eigen geschriften, als dit nodig mocht blijken. Dit papier reist van gemeente naar gemeente en wordt overal met blijdschap ontvangen. Ik heb "Het enige ware Evangelie" vertaald en tweeduizend exemplaren hiervan zullen binnen enkele dagen gedrukt zijn."

Gedurende de drie jaren dat van Dijk president van de zending was, (1880 tot 1882), doopte hij vijftig bekeerlingen. Dit was het grootste aantal door een persoon gedurende de eenentwintigjarige geschiedenis van de zending in Nederland.
Gedurende zijn bestuur werd op 22 augustus 1880 de tweede conferentie van de Kerk in Zwolle gehouden. Zij werd gehouden in een hotel. Er waren ongeveer honderdentwintig aanwezigen. Het doel van de conferenties was om niet-mormonen aan te moedigen het mormonisme te onderzoeken. Er waren ongeveer veertig onderzoekers aanwezig. Na het vertrek van van Dijk bleef de zending zeventien maanden zonder een ouderling uit Utah. Toen de nieuwe zendingspresident arriveerde, vond hij slechts achtenzeventig leden, verspreid over geheel Nederland. Dit aantal werd gevormd door zestien gezinnen. Zes van hen waren schippers. Omdat hij hun waarde als zendelingen aanvoelde, zond Peter J. Lammers hen uit om te bekeren:

"Ik heb zes schippersgezinnen. Zij hebben kleine schepen en gaan van plaats tot plaats, tezelfder tijd het evangelie met zich dragende. Zij zijn als schapen temidden van de wolven."

Door onophoudelijke prediking en publiciteit was de Kerk bekend in heel Nederland:

"Van de Mormonen heeft nu iedereen in het hele land kunnen horen. Ik kan niet naar een dorp of stad gaan of er is wel een of andere krant die mijn komst aankondigt."

Gedurende het presidentschap van Peter J. Lammers (1882-1884) werden zevenenvijftig bekeerlingen gedoopt. Negenendertig werden door hemzelf gedoopt. Evenals zijn voorganger besteedde hij veel tijd aan vertaalwerk. Gedurende zijn presidentschap werden vijf van Orson Pratts tractaatjes, tot een aantal van zesduizend exemplaren gepubliceerd.
Na de terugkeer van president Lammers naar Amerika in 1884 werd Nederland wederom zonder zendeling uit Amerika achtergelaten. Na tien maanden arriveerde John W.F. Volker. Hij vond het land en de kerken in deplorabele toestand. De politieke situatie in Nederland was verschrikkelijk.

"Armoede heerst alom. Alleen in Amsterdam al zijn er vele duizenden mensen zonder werk en zij houden elke week optochten en demonstraties. Soms ontstaan er conflicten met de politie en dan is het vechten geblazen. Zij hebben er geen behoefte aan om naar het Koninkrijk Gods te zoeken. De kerken hier verkeren in slechte staat. Iedere secte heeft twee soorten predikanten, liberaal en orthodox. De kerken hier onderwijzen verdeeldheid en vertellen alles wat de mensen maar graag willen horen. De mensen schijnen werkelijk geestelijk dood te zijn."

Ook president Volker gebruikte zijn tijd voor het vertalen van pamfletten en tractaatjes in de Nederlandse taal:

"Ik begon mijn werk in Amsterdam en vertaalde het Evangelie van Christus in het Nederlands. Ik liet er 10.000 exemplaren van drukken. Ik vertaalde andere tractaatjes en preken, welke ik in manuscriptvorm aan de verschillende gemeenten zond, zodat zij deze in hun vergaderingen konden voorlezen teneinde de leden tot getrouwheid aan te sporen. Ik vertaalde de Morgan tractaten 1 en 2, waarvan ongeveer zevenduizend exemplaren elk werden gedrukt, welke bijna allemaal zijn verspreid."

John W.F.Volker presideerde de Nederlandse zending van 1885 tot 1889. Tijdens zijn presidentschap werden driehonderdvijfentwintig bekeerlingen gedoopt. Verder organiseerde hij twee hulporganisaties van de Kerk in de zending. In 1886 organiseerde president Volker de eerste zondagschool met zeven kinderen in de Amsterdamse gemeente. Ultimo 1888 organiseerde hij tevens de eerste zustershulpvereniging in Amsterdam met Zuster C.Crezee als presidente.

Vertaling van het Boek van Mormon

De meest belangrijke bijdrage van J.W.F.Volker aan de Nederlandse zending was zijn vertaling van het Boek van Mormon. Elder Volker begon met het vertalen op 30 juni 1886 en was er op 4 juni 1887 mee klaar. Deze prestatie was opmerkelijk, omdat president Volker slechts vier jaar ervaring in de Engelse taal had. Later vertelde hij aan zijn zoon J.Henry Volker, die later zelf zendingspresident van Nederland zou worden, dat hij zich gesteund wist door God, zonder wiens hulp hij dit werk niet had kunnen volbrengen. Alvorens met zijn vertaalwerk te beginnen, ontving Volker toestemming het Boek van Mormon uit te geven:

"Elder F.A.Brown kwam hier op de 1e maart 1890 aan met instructies om het Boek van Mormon te laten drukken. Ik begon met de correctie van de vertaling en nu is het gereed om te worden gedrukt. Hiermee zal in juli worden begonnen."

Brown contracteerde een zekere Mr.J.Bremer, die tweeduizend exemplaren van het Boek van Mormon uitgaf. Exemplaren van deze eerste editie waren geplaatst in winkels over het gehele land. Brown stuurde een prachtig verguld exemplaar aan de Koning en verzocht hem het aan Koningin Emma te geven. Het Nederlandse Boek van Mormon was de tiende vertaling in een vreemde taal. Het werk van J.W.F.Volker was niet de eerste poging om het Boek van Mormon in het Nederlands te vertalen. In 1862 rapporteerde Paul A.Schettler, eerste zendeling in Nederland, dat hij het Boek van Mormon had vertaald. De heiligen kregen toen instructies delen van het manuscript in hun vergaderingen voor te lezen. Toen elder Schettler zijn vertaling gereed had, bleef het echter ongedrukt. De eerste Nederlandse editie van het boek verscheen in 1890, achtentwintig jaar later en dit was niet de vertaling van Schettler, maar van John W.F. Volker. De vertaling van elder Schettler is waarschijnlijk verloren gegaan of was misschien niet goed genoeg om gepubliceerd te worden. Elder Schettler was namelijk geen Nederlander van geboorte en het is twijfelachtig of een vreemdeling, na een verblijf van een jaar in Nederland een behoorlijke vertaling in het Nederlands zou hebben kunnen schrijven. Na de publicatie van het Boek van Mormon bleek dit van onschatbare waarde te zijn als hulp voor de zendelingen, omdat de onderzoekers nu een officiele uitgave van de Mormoonse Kerk te lezen hadden. Gebrek aan deze belangrijke zendelingenhulp was voor 1890 de voornaamste oorzaak van de trage groei in de zending. Na publicatie van het Boek van Mormon nam het aantal dopelingen toe. De volgende twintig jaar bleken een produktieve tijd voor het bekeringswerk te zijn.
Toen de eerste editie was uitverkocht, werd Volkers' vertaling door de zendingpresident Sylvester Q.Cannon, geholpen door William De Bry, herzien. Deze tweede editie bestond uit 9000 exemplaren en kwam uit 1909. In de loop der jaren werden periodiek andere edities van het Boek van Mormon uitgegeven. Op 27 maart 1952 kwam er een comite bij elkaar om te spreken over de vertaling en publicatie van het Boek van Mormon. Alle vorige edities bevatten vele fouten, voornamelijk veroorzaakt tijdens de correcties. Men was het er over eens dat een van deze boeken zou worden gecorrigeerd, daarna zou een exemplaar naar het Eerste Presidium worden gezonden ter goedkeuring voor het drukken. Alle betrokkenen waren het er over eens, dat dit exemplaar van het Boek van Mormon de uiteindelijke copij zou vormen en dat de correctors daarna niet de vrijheid zouden hebben om veranderingen in deze copij aan te brengen.

Publicatie van andere kerkliteratuur

Leer en Verbonden
15 juni 1908 werd de eerste editie van de Leer en Verbonden uitgegeven. De Nederlandse editie bevatte alles van de Amerikaanse editie met toevoeging van een complete index. Hendrik De Bry vertaalde -in samenwerking met de zendingspresident Sylvester Q.Cannon- de Leer en Verbonden uit het Engels.
De Nederlandse editie van de Leer en Verbonden was de zesde versie in een vreemde taal.
De tweede editie van de Leer en Verbonden werd vertaald in Salt Lake City door het vertalingscomite van de Kerk. Deze editie was gereed in 1953.

De Parel van Grote Waarde
In 1911 werd de Parel van Grote Waarde voor het eerst gepubliceerd.
De vertaling was van William J. de Bry. De Nederlandse vertaling was de vierde versie in een vreemde taal. In 1954 werd het gedrukt in twee kolommen in de nieuwe Nederlandse spelling. De vertaling van deze versie geschiedde ook door het vertaalcomite van de kerk in Salt Lake City. deze uitgave bevatte 2000 exemplaren.

Zendingsperiodiek De Ster
De Ster, publicatie van de Nederlandse Zending, verscheen voor het eerst op 1 juni 1896. Zij werd gepubliceerd onder auspicien van de zendingspresident George S.Spencer. De eerste zeven maanden werd het uitgegeven als maandblad, daarna veranderde dit in een semi-maandblad. In 1932 werd de naam: "De Ster van Nederland".
De Ster werd grotendeels in het belang van de hulporganisaties van de zending gebruikt.

Bulletin
Een zendelingenbulletin werd gepubliceerd onder verschillende namen, zoals "Op Klompen", "Netherlands Centennial", "De Uitdaging", en "De Nieuwe Horizon".

Zangboeken
In 1884 verscheen het eerste Nederlandse zangboek, bevattende vijftig gezangen. Het was zonder muziek. Tweehonderd exemplaren werden in Amsterdam gedrukt. Luizine Hoving hielp de zendingspresident, Peter J. Lammers, met de tekst van de liederen.
De tweede editie bevatte achtenvijftig gezangen en werd in 1892 uitgegeven, eveneens zonder muziek.
In 1893 rapporteerde de president van de Europese zending dat hij tijdens een bezoek aan Nederland had geconstateerd, dat het nodig was de zangboeken te verbeteren.
"De heiligen in deze zending hebben slechts een kleine collectie van onze gezangen in het Nederlands gedrukt, niet genoeg om hen de keuze te bieden die zij nodig hebben. Daarom gebruiken zij ook zangboeken die niet door ons zijn uitgegeven. De keuze uit dit boek, gebruikt tijdens de vergadering die wij bezochten, waren hoofdzakelijk de psalmen van David. Het is aanbevelingswaardig dat enkele leden van onze poetische heiligen, die Nederlands verstaan, onze liederen in die taal vertalen, zodat de hoeveelheid liederen kan worden uitgebreid."
Het derde zangboek, uitgegeven in 1895, bevatte 137 liederen op 200 pagina's. William J.de Bry schreef de woorden bij een aantal van de liederen. Deze editie bevatte muziek voor vier stemmen, verscheen in 1899. Het bevatte 175 liederen. Volgende uitgaven vergrootten het aantal en de variatie in liederen.

Status van de Nederlandse Zending tijdens de eeuwwisseling

Tengevolge van de toeneming van het aantal publicaties van de kerkliteratuur in de jaren 1880-1890, konden de zendelingen effectiever werken. Van 1890 tot het einde van de eeuw doopten zij 1326 bekeerlingen. Dit was het dubbele van het aantal dopelingen van de voorgaande negenentwintig jaren. Tot 1890 waren er namelijk slechts 624 mensen gedoopt. In 1897 ging Nederland in Europa voorop wat het gemiddelde aantal dopen per zendeling per jaar betrof. De Europese zendelingen doopten er gemiddeld 1,5 elk gedurende dit jaar, terwijl de Nederlandse zendelingen er gemiddeld vier doopten. Ook in 1903 had de Nederlandse zending het hoogste aantal dopen per zendeling van geheel Europa. Tezelfdertijd warende kosten van de zendelingen het laagst. Dit was een gevolg van het feit, dat zij bij de leden konden wonen. Vroeg in 1903 bezocht Francis R.Lyman, een apostel, Nederland en adviseerde de zendelingen te proberen de beschikking te krijgen over Districtsvergaderruimte, en zich meer onder het volk te begeven. Als gevolg hiervan bereikten de zendelingen dat jaar een gemiddelde van acht dopen per zendeling. De zendingspresident, Sylvester Q.Cannon, zei, dat het succes van de zendelingen een gevolg was van het feit, dat zij in de huizen van het volk leefden.

"Er zijn verscheidene omstandigheden in Nederland, die gunstig zijn voor de verspreiding van het evangelie. Het is redelijk te veronderstellen, dat dit in sommige gevallen te danken is aan het feit, dat de elders leven, zoals zij leven."

Tijdens de eeuwwisseling bestond de Nederlandse Zending uit twee landen, namelijk Nederland en Belgie. Toentertijd was de zending verdeeld in zes districten, waarvan vier in Nederland en twee in Belgie. Districtshoofdkwartieren bevonden zich in Rotterdam, Amsterdam, Groningen, Arnhem, Luik en Brussel.
In deze zes districten waren tien gemeenten. Zeven daarvan in Nederland en drie in Belgie. De gemeenten Rotterdam en Amsterdam bestonden uit meer dan vierhonderd leden elk, terwijl het ledental van Groningen, Arnhem en Dordrecht bestonden uit 100 personen elk. In 1900 bestond de Nederlandse zending negenendertig jaar. In deze periode hadden 177 zendelingen uit Amerika bekeringswerk in Nederland gedaan. Zij waren er in geslaagd 1950 mensen in de Kerk te dopen. Hiervan bleven er 1664 in Nederland. 652 waren er naar Amerika geemigreerd. Klaarblijkelijk werden de boeken van voor 1900 niet accuraat bijgewerkt, in het bijzonder niet tussen 1868 en 1879, want dit geeft een verschil te zien van 364.
Bij het begin van de twintigste eeuw verklaarde de zendingspresident, Sylvester Q.Cannon, dat er nog slechts twee of drie steden van aanzienlijke omvang in Nederland waren, waar hett Evangelie nog niet was gepredikt.
Negentiende-eeuwse zendelingen hadden voornamelijk in grote steden gewerkt. De voornaamste steden van zendingsactiviteiten waren Zwolle, Dedemsvaart, Amsterdam, Deventer, Alemelo, Zutphen, en Leeuwarden. Ongeveer 25% van de steden die openstonden voor het zendingswerk waren kleine provinciestadjes. De zendelingen concentreerden hun pogingen in de provincies Noord- en Zuid-Holland, Utrecht, Friesland, Groningen en gelderland. In Zeeland werd niet eens geprobeerd om zendingswerk te doen, omdat men daar overwegend Katholiek was.
In die tijd werden de Nederlanders als "zeer godsdienstig" beschreven.

"Wat betreft het religieuze karakter van het volk is het niet moeilijk om toegang tot hen te krijgen. Het evangelie wordt voornamelijk aan de hand van de Bijbel gepredikt, in welk boek het volk verwonderlijk goed thuis is. Werkelijk, in dit opzicht vindt dit volk zijns gelijke niet. De elders moeten dientengevolge terdege omtrent de Bijbel zijn geinformeerd."

Belangrijke organisatorische ontwikkelingen

Ontstaan van conferenties
In 1893 bezocht de president van de Europese zending Nederland. Hij liet instructies achter dat in de gehele zending regelmatig kwartaalconferenties voor de zendelingen moesten worden gehouden. Twee hiervan waren algemene conferenties voor alle leden van de Kerk teneinde de leden in de diverse gemeenten van de zending de gelegenheid te geven om beter te worden geinformerd. In die tijd waren er tien gemeenten in de zending. In overeenstemming met deze instructies werden de eerste zondag van maart, juni, september en december vastgesteld als data voor de kwartaalconferenties.

Het ontstaan van districten
Een andere organisatorische ontwikkeling ontstond op 1 november 1897.
De zending was verdeeld in zes districten, namelijk Rotterdam, Amsterdam, Groningen, Arnhem, Luik en Brussel. De twee laatste districten lagen in Belgie. Om verwarring te voorkomen, realiseerde het Eerste Presidium van de kerk in Amerika een verandering in de zending. Het woord "district" kwam in de plaats voor "conference" als het betrekking had op een territoriaal gedeelte van de zending.

Een nieuwe emigratiepolitiek
In de negenendertig jaar van het bestaan van de zending emigreerden ongeveer 632 bekeerlingen naar Amerika. ten tijde van de eeuwwisseling was de emigratie nog toegenomen. In het begin van de twintigste eeuw adviseerde de zendingspresident, Willard R.Cannon, de kerkleden echter om in Nederland te blijven, aangezien er geen meer doelmatige weg was om het evangelie te verkondigen dan door grote, actieve wijken. In 1903 adviseerde de Europese zendingspresident de leden eveneens, om in Nederland te blijven. In een boodschap gedurende een conferentie in Nederland zei hij:
"Wij wensen dat u hier blijft. Wij willen dat het priesterschap hier blijft. Wij willen dat de zusters in Nederland blijven. Dit alles om het geloof hier te helpen versterken."

Het succes van de zendelingen gedurende de eerste wereldoorlog
Na de eeuwwisseling constateerde de zendingspresident een meer positieve belangstelling in religie onder het Nederlandse volk. Later merkte een andere zendingspresident op, dat het Nederlandse volk een eerlijke en open houding tegenover de Kerk toonde. Dit, tezamen met een grote toename aan zendelingen, was er oorzaak van dat gedurende de volgende dertien jaar een snelle groei van de zending plaatsvond. Van 1901 tot het begin van de eerste wereldoorlog in 1914 doopten de zendelingen 2829 bekeerlingen. Dit was een gemiddelde van 217 dopen per jaar.
Hoewel Nederland niet betrokken was bij de eerste wereldoorlog, werd wel de economie hierdoor beinvloed. In de oorlogsjaren was er slechts een gemiddeld aantal van twaalf zendelingen uit Amerika voor het zendingswerk in Nederland. Door dit verlaagde aantal nam het aantal dopen eveneens af. Na beeindiging van de eerste wereldoorlog was er een golf van dopen. In 1920 waren er 54 dopelingen, maar in 1921 waren dit er 231.
De volgende acht jaren slaagden de zendelingen er in om vele bekeerlingen tot de Kerk te brengen. Daarna bereikte de kerk tussen 1930 en 1945 een dieptepunt. Dit werd veroorzaakt door de depressie en de tweede wereldoorlog.

De 75-ste verjaardag van de zending
De Nederlandse zending vierde in 1936 haar 75-jarige bestaan.
Op 12 november werd in Broek in Friesland een monument onthuld ter herinnering aan de eerste dopen in de zending. Veel gunstig krantencommentaar en publiciteit versterkten het doel van het monument: het publiek bekend te maken met de Mormonen.
In deze driekwart eeuw van zendingswerk in Nederland hadden 800 zendelingen in Nederland bekeringswerk gedaan. Dit resulteerde in het dopen van meer dan 7650 bekeerlingen. Voor de twintigste eeuw waren dat er 1950, van 1900 tot 1936 echter meer dan 5700. In 75 jaar werden er dus ongeveer 8000 bekeerlingen gedoopt. Van deze 8000 bekeerlingen emigreerden er 3400 naar de Verenigde Staten. Voor 1900 verlieten meer dan 700 van hen Nederland en na 1900 ongeveer 2700. De meesten van hen vestigden zich in Utah.
Slechts drie jaar na de viering van het 75-jarig bestaan leed de Nederlandse Zending een groot verlies. In 1939 werden namelijk alle Amerikaanse zendelingen teruggeroepen naar de Verenigde Staten. De zending zou de eerste zeven jaar zonder zendelingen uit Zion blijven. De terugtrekking van de zendelingen werd veroorzaakt door de tweede wereldoorlog. Dit was echter niet de eerste keer dat de zendelingen uit Nederland werden teruggeroepen. In de eerste wereldoorlog moest ook het grootste deel van de zendelingen naar Amerika terugkeren. Gedurende deze twee wereldoorlogen werd de zending onder toezicht van de plaatselijke leden achtergelaten.

De beide wereldoorlogen
De invloed van de beide wereldoorlogen op de Mormoonse kerk tonen aan dat politieke, sociale en economische crises van betekenis voor de ontwikkeling van de activiteiten van de Nederlands zending waren.

De eerste wereldoorlog
Op 29 juli 1913 verklaarde Oostenrijk Servie de oorlog. Dit zette geheel Europa in beweging, omdat iedereen een algemene oorlog verwachtte. Daarom begonnen alle belangrijke landen in Europa hun militaire machten te mobiliseren. Nederland had 200.000 soldaten, die gedurende de volgende vier jaren onder dienst bleven.
Gedurende de oorlog bekleedde Nederland een neutraliteitspositie. De ministers van buitenlandse zaken, justitie, marine, oorlog en de kolonieen drongen er bij de Koningin op aan bekend te maken aan iedereen die er belang bij had, dat de Nederlandse regering in de oorlog, die tussen Engeland en Duitsland was uitgebroken, een stricte neutraliteit zou bewaren. Het volk stemde met deze neutraliteitsverklaring in, want het garandeerde hen privileges boven andere landen.

De invloed van de oorlog op Nederland
Niettegenstaande Nederlands neutraliteit, beinvloedde de oorlog wel degelijk haar economie:
"Bij de duizenden Nederlanders die tengevolge van de oorlogsomstandigheden zonder werk zijn en die door speciale comite's worden geholpen, voegen zich nu ook nog de vluchtelingen uit Belgie en speciaal uit Antwerpen, die het land overspoelen."
De stroom van vluchtelingen veroorzaakte in Nederland problemen met betrekking tot voedsel en behuizing, die hier even accuut waren als die in de landen die bij de oorlog waren betrokken. De prijzen van voedsel verdubbelden. Dit werd grotendeels veroorzaakt door de weigering van de Westindische kolonies om voedsel naar Nederland te verschepen, omdat het gevaarlijk was de zeeen te bevaren. Een tekort aan meel veroorzaakte en daling in de Nederlandse broodvoorziening; dit resulteerde in het stelen van brood en het breken van winkelruiten tijdens de relletjes, die vooral in Rotterdam en andere grote steden van Nederland regelmatig voorkwamen.
Een vaak voorkomende verschrikking was tijdens de oorlog de "plotselinge dood" te wijten aan uitputting of onvoldoende voedsel.
Toen de Verenigde Staten aan de oorlog gingen deelnemen, werd de verhouding tussen Amerika en Nederland gespannen. De Verenigde Staten legden een embargo op Nederlandse schepen:
"De verhouding tussen de Verenigde Staten en Nederland wordt hoe langer hoe meer gespannen. De laatste tijd probeert Amerika ons niet meer met argumenten of overreding te overtuigen, maar door onze bevoorrading te onthouden. Zij stelt onze schepen onder arrest door het weigeren van brandstof."
Het vasthouden van Nederlandse schepen deed de toch al bestaande voedseltekorten in Nederland nog toenemen. Toen de oorlogvoerende landen de wapenstilstand tekenden en de gevechten werden beeindigd, was Nederland getroffen dor hoge prijzen, gereduceerde lonen, voedseltekorten, grote werkeloosheid en lege kerken.
Voedseldistributie en een gebrek aan voldoende voedingmiddelen en de pogingen die werden gedaan om dit tekort aan te vullen, vergden zoveel tijd van de gezinnen, dat zij geen tijd overhadden, noch in de stemming waren om over godsdienst te praten. Angst voor de toekomst verorzaakte een depressie, ontevreden en antireligieus gevoel. Alle kerken leden onder de invloed hiervan.

Het effect van de oorlog op de zending
De eerste wereldoorlog had een ongunstige invloed op de vorderingen van de Nederlandse zending. Kort voor het uitbreken van de oorlog ontvingen lokale leden aanwijzingen hoe zij over gemeenten en districten moesten presideren. Dit was een voorzorgsmaatregel voor het geval dat de Mormoonse zendelingen naar Amerika zouden moeten terugkeren. In 1914 vertrokken tengevolge van de mobilisatie van de Nederlandse en Europese strijdkrachten de meeste zendelingen uit Nederland. Vierenvijftig van de drieenzestig zendelingen werden weggestuurd en naar Engeland gezonden. Later werden deze zendelingen naar de zendingen in Oostelijke en Noordelijke staten gestuurd. Negen elders bleven in Nederland om de zendingspresident, Le Grand Richards, te helpen bij het presideren over de zending. Na het vertrek van de zendelingen kregen lokale leiders de volledige jurisdictie over wijken en districten:

"Lokale broeders zijn geroepen om over de meeste wijken te presideren en zij tonen zich daarin zeer energiek, niettegenstaande de ontmoedigende omstandigheden hier, die veroorzaakt zijn door de afwezigheid van de zendelingen, hetgeen een grote teruggang in het werk veroorzaakt."

Tengevolge van het tekort aan zendelingen werd niet alleen het werk onder de vreemdelingen minder, maar ook het aantal dopen. Deze namen af van 122 in 1913 tot 85 in 1914. De vrouwelijke leden versterkten de uitgedunde zendingsgelederen door het distribueren van tractaatjes en pamfletten onder niet-leden voor hun rekening te nemen. De daling van het aantal bekeerlingen werd ook veroorzaakt door de onverschilligheid tegenover religie onder het volk:

"In plaats dat het gevaar, dat voor hen ligt, het volk tot bezinning brengt, schijnen de tegenwoordige omstandigheden hen min of meer onverschillig tegenover godsdienst te maken en het is niet ongewoon om de mensen te horen rebelleren tegen hun Schepper en zelfs zijn bestaan volledig te horen ontkennen."

Gedurende de oorlog vaardigde de Nederlandse regering restricties uit met betrekking tot het aantal zendelingen dat het land binnen mocht komen. Het voedseltekort in dit land was hier mede een van de oorzaken van. Ondanks de achteruitgang in de groei van de zending bleek de Nederlandse neutraliteit gunstig voor de Kerk:

"Door de oorlog was het zendingsbureau in Rotterdam een centrale plaats voor de elders in Duitsland. de zendelingen die Duitsland verlieten, werden hier geholpen en de communicatie met het hoofdkwartier van hun zending bleef bestaan. Er werd hun geld gezonden en ook ontvingen zij telegrafisch informatie. Dit was allemaal mogelijk door de neutraliteitspositie van nederland in dit grote conflict."

Toen het voedseltekort en probleem onder de Heiligen in Nederland werd, verlichtte de Kerk het lijden door het houden van collectes in de grote wijken teneinde te kunnen voorzien in de noden van de armen en werklozen.
Gedurende deze oorlogsjaren vol beproevingen emigreerden 393 leden van de Mormoonse kerk naar Amerika. velen van deze emigranten waren lokale leiders.

Succes van de zendelingen gedurende en na de eerste wereldoorlog
De ondervonden moeilijkheden gedurende de oorlog ten spijt, schreed de vooruitgang van de zending langzaam voort. Een gemiddeld aantal van elf zendelingen werkte ieder jaar van 1914-1919 in Nederland. In deze vijf jaar doopten de zendelingen 579 bekeerlingen of wel 10,8 per zendeling per jaar.
Na de wapenstilstand trok de Nederlandse regering haar restrictie met betrekking tot het aantal zendelingen in. In 1920 nam hun aantal toe tot twintig. De negen jaren, die op de oorlog volgden bleken succesvolle jaren voor het bekeringswerk. Van 1921 tot 1929 doopten de zendelingen 1712 nieuwe leden. Van 1930 tot 1945 ging de zending echter langzaam vooruit. Dit werd voornamelijk veroorzaakt door de depressie en de tweede wereldoorlog.