MvG logo www.mvgcontact.org

Heiligen der Lage Landen

Home




HOOFDSTUK 5

1864-1870
" DE DIKKE SCHAAL DOORBREKEN..."


Op het einde van het jaar 1864, na het vertrek van de zendelingen en de emigranten, telt de kerk in Nederland nog maar vijfentwintig leden, waarvan drie ouderlingen en één diaken. Ze bevinden zich daarenboven her en der verspreid, in Amsterdam, Rotterdam, Gorinchem en Leeuwarden - een kleine, verwaaide groep. Ook zijn ze erg arm, want ze kunnen nog niet het minimum opbrengen om aan de emigratie naar Zion deel te nemen.

In vergelijking met andere Europese landen in die vroege jaren zestig, is het zendingssucces in Nederland erg mager uitgevallen, ondanks het hoopvolle lichtpunt met de Nieuwlichters, dat echter te kortstondig is geweest. Ook de algemene religieuze situatie blijkt geen openingen voor een groots opgevat mormoons zendingswerk te bieden: de Hervormde Kerk is in een defensieve strijd met het zich opdringende katholicisme gewikkeld en duldt zeker geen "zieltjeswinners" uit den vreemde. De anti-mormoonse verhalen die Nederland overspoelen zijn zelfs volledig buiten proportie, als men het handjevol lokale leden telt. Dit alles leidt tot de beslissing voorlopig slechts één zendeling naar Nederland te sturen: Joseph Weiler, geboren in Pennsylvania in 1836, en opgegroeid in een gezin dat tot de voortrekkers van de mormoonse pioniers behoort.

Op 1 november 1864 komt de 28-jarige Joseph Weiler in Nederland aan. Het verbaast hem, schrijft hij, dat hij hierheen gezonden wordt, want zijn oorspronkelijke zendingsoproep vermeldt de "Europese zending", met Engeland als bestemming. Hij heeft trouwens eerst gedurende enkele maanden op de Britse eilanden gediend, waar de vertrouwdheid met de taal, de aanwezigheid van vele zendingscollega's en een reeds uitgebreide en goed georganiseerde kerkelijke organisatie voor een aangename en vruchtbare periode hebben gezorgd. Maar nu bevindt hij zich helemaal alleen in Rotterdam: hij verstaat geen woord Nederlands, waardoor hij zelfs niet met de weinige kerkleden kan communiceren. De eenzaamheid en de moeilijkheid van zijn opdracht wegen plots erg zwaar (1).

Toch koestert Elder Weiler een sterk geloof en een positieve houding: hij zet zich vlijtig aan het leren van de taal. Hij noteert in zijn dagboek dat de "g" en de "ch" erg moeilijk uit te spreken zijn. Doch hij leert niet snel genoeg om alle situaties te kunnen voorzien: wanneer hij naar de kapper gaat om zijn bakkebaarden wat te laten bijknippen, gebruikt hij blijkbaar het verkeerde woord en de kapper - o ramp! - scheert enthousiast de bakkebaarden helemaal weg (2).

Het taalprobleem blijkt echter kinderspel in vergelijking met wat Joseph Weiler neervelt, drie weken na zijn aankomst: de gevreesde tyfus, destijds een meestal dodelijke ziekte. Gedurende zes weken ligt hij in comateuze toestand en hij zal erg zwak blijven tot het midden van het daaropvolgende jaar. Zijn dagboek blijft al die donkere maanden praktisch onaangeroerd, tenzij om uiting te geven aan zijn dankbaarheid voor de kerkleden die hem liefdevol verzorgen. En hij betreurt het nogmaals dat hij hen niet in vloeiend Nederlands kan zeggen hoezeer hij hun bijstand waardeert (3).

In juni 1865 is hij nog maar net aan de beterende hand, wanneer het bericht hem bereikt dat de Europese zendingspresident, Brigham Young jr., tweede zoon van de president van de kerk, een bezoek plant aan het Nederlandse zendingsgebied, samen met enkele ouderlingen uit Zion. Ondanks zijn nog erg zwakke conditie, begeeft Joseph Weiler zich naar de Rotterdamse kade en verwelkomt er de groep kerkleiders, waaronder David P. Kimball, een zoon van Heber C. Kimball, Heber John Richards en W. P. Nebeker. Voor Elder Weiler, die acht maanden in eenzaamheid en ziekte heeft doorgebracht, is de ontmoeting een aangrijpende gebeurtenis die hij als volgt in zijn dagboek beschrijft:

"Alleen iemand die zoals ik eenzaam in een vreemd land heeft verbleven zonder er de taal te spreken, kan de vreugde beschrijven toen ik hen zag. We aten samen, of liever ik zag hen eten, want ik kon nog niet veel verdragen. Ik gaf Brigham Young jr. een kort overzicht van mijn werkzaamheden en van de toestand in de Nederlandse zending. Hij zei dat hij het Hollandse klimaat niet erg geschikt voor mij achtte en dat hij President Daniel H. Wells in Liverpool geschreven had mij naar Engeland over te plaatsen. Ik was zo moe dat ik niet kon liggen, noch staan of zitten en ik leed zo'n erge pijn dat ik de broeders vroeg mij een zegen te geven, hetwelk zij deden. Zij beloofden mij dat ik mijn gezondheid en kracht zou herwinnen en dat ik vanaf dit ogenblik zou beginnen te genezen. Doodmoe ging ik eindelijk naar bed" (4).

Elder Weiler waardeert de bezorgdheid van Brigham Young jr. en diens intentie hem naar Engeland te laten overplaatsen (5). Enkele dagen later zendt hij echter zelf een brief naar het Europese zendingskantoor te Liverpool, waarin hij smeekt in Nederland te mogen blijven. Het is het eerste teken van de groeiende liefde die Elder Weiler voor het Nederlandse gebied voelt. Ondanks de fysische beproeving en de taalhandicap van de voorbije acht maanden, is de band tussen hem en het land gegroeid. Met al zijn inzet en met grote moed neemt hij het op zich zijn zendingsplicht uit te voeren, nu zijn gezondheid eindelijk terugkeert.

Een eerste grote stap in het verstevigen van het zendingsgebied is de organisatie van een "onafhankelijke zending". Tot nog toe was Nederland gewoon een deel van een zending die ook Duitsland, Zwitserland en een deel van Italië besloeg. Voor één zendingspresident was het echter geografisch onmogelijk de behoeften van zendelingen en leden in zo'n groot gebied te overzien en hulp te bieden waar nodig. Elder Weiler wordt dus aangesteld als zendingspresident van het Nederlandse gebied - een gebied waarin hij voorlopig de enige zendeling is!


NEDERLAND VAN 1865 TOT 1870

Charles Boissevain, later hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad, maakt in London kennis met een "vélocipède." Enthousiast brengt hij in 1865 de hoge fiets naar Nederland en maakt een eerste rondje door Rotterdam. De geschokte toeschouwers smijten hem koolstronken naar het hoofd - naar dat "vehikel des duivels." Doch de welgestelde snobs zien er het originele en plezierige van in. "Nee, cher ami, een vélocipède is geen dansmeisje, maar een ding op wielen waar je op zit. Verrukkelijk! Vraiment exquis! En het gaat reuze-snel." De fiets wordt een sensatie en iedereen die het kan betalen rijdt al spoedig met hoge hoed door het park. Schichtige paarden gaan aan het steigeren bij het horen van het onbekende geratel en menig koetsier geeft een voorbijsnorrend fietser een lel met zijn zweep.

Een ander vervoermiddel is tegen 1865 al beter ingeburgerd: de tuffende stoomtrein. Wie in de derde klasse "waggons" rijdt, zit in de open lucht en stapt er zwartberoet uit. De eerste-klasser daarentegen zit niet alleen mooi afgedekt, maar kan ook nog een koperen kruik met heet water krijgen. Speciale wegwachters verzamelen langs de spoorbaan losgeraakte bouten en bagage die van de wagons is gevallen. "Af te halen aan het station tussen drie en vijf uur des namiddags." Toch zijn er nog heel wat tegenstanders van dit "gedrocht der werktuigkunde," dat landbouwgronden doet onteigenen en dat, volgens sommige zwartgekousde dominees, alleen maar "zinnelijk genot in de snelheid" oplevert. Ook wordt er gewezen op het nadeel dat "de doorreizende vreemdelingen ons landje in weinige uren als het ware doorvliegen en in geen de minste verteeringen behoeven te vervallen." Doch de trein zet door en doorkruist al spoedig geheel Nederland. De ontwikkeling wordt gekenmerkt door een enorm bouwprogramma. Alleen al voor de lijn van Amsterdam naar Rotterdam worden er achtennegentig bruggen geconstrueerd.

Onder de werklieden woelt de nieuwe geest van het socialisme. "Boekdrukkunst!" heet de eerste vakbond die de Amsterdamse typografen in 1866 stichten. "Zoiets moeten wij ook hebben" klinkt het bij de wevers, bij de diamantarbeiders, bij de sjouwers, de slagers, de schuitenvoerders, metselaars en timmerlieden. Men vergadert, men balt de vuist, men komt op straat. Al die woelige groepen smelten in 1870 samen tot het Algemeen Nederlands Werklieden Verbond.

De kritiek op de kinderarbeid wordt steeds luider. En de goegemeente geeft toe, hypocriet en met mondjesmaat. Zo leest men in 1870 aan een fabriekspoort in het katholieke Maastricht: "Voor 't vervolg zullen geene kinderen in de fabriek aangenomen worden, welke de Eerste Heilige Communie niet gedaan hebben." In die tijd doet een kind zijn eerste communie rond de leeftijd van tien jaar. Op de wezenlijke sociale veranderingen zullen we nog even moeten wachten. "Das Kapital" van Karl Marx is nog maar een paar jaar verschenen.

Ook de vrouwen komen in beweging en roepen om meer rechten. Dominee Ten Kate ziet het met ontzetting aan en doet die "schandalige drangen" met enkele dichtregels af:

"Hij___ zelfstandig als een ceder,
die op eigen wortel steunt;
Zij afhankelijk als klimop,
die zich aan zijn takken leunt.
Hem de mensen; haar de kinderen;
hem de wereld; haar het huis;
En voor beiden: liefdes volheid,
als Gods liefde, sterk en kuis..."

Maar zo ziet de doktersdochter Aletta Jacobs uit Sappemeer het niet. Na de meisjeschool heeft ze examen gedaan voor apothekersassistente en leert vlijtig Latijn en Grieks. Ze stuurt een verzoekschrift naar eerste minister Thorbecke en dankzij diens persoonlijk ingrijpen mag Aletta naar de universiteit te Groningen om er medicijnen te bestuderen. De pers is verontwaardigd: "Zij doet het alleen om met mannen in aanraking te komen!" En het Leidse studentenblad stuurt de Groningse studenten een oproep: "Maak haar het leven zuur! Dan zal zij haar biezen wel pakken en tevens andere vrouwen afschrikken, die haar noodlottig voorbeeld willen volgen!" Maar Aletta vecht door en haalt uiteindelijk de doctorsbul. Nu schrijven de studenten: "Mejuffrouw Jacobs heeft in ons vertrouwen gesteld. Dat vertrouwen is niet beschaamd geworden en de studenten mogen daar trots op zijn!"

Politiek beleeft Nederland in deze vijf jaar een hachelijk internationaal avontuur rond het bezit van Limburg en Luxemburg. De twee provincies zijn gedeeltelijk Pruisisch bezit en Kaiser Wilhelm I, opgezweept door zijn kanselier Bismarck is volop bezig - "met bloed en staal!" - het Duitse rijk tot machtige eenheidsstaat te maken. In 1866 maakt Pruisen in een Blitzkrieg Oostenrijk een kopje kleiner, tot grote ontsteltenis van het kleine Nederland. "Straks worden wij nog door het bezit van Limburg en Luxemburg in een oorlog gesleept!" Koning Willem III probeert Luxemburg al gauw aan Napoleon III te verkopen - voor een kleine vijf miljoen gulden is hij al tevreden -, maar woest zegt Bismarck: "Nein! Nein! Nein!" Hevig verontrust beginnen de Nederlanders schietverenigingen en weerbaarheidstroepen op te richten, zo manhaftig als ze aftands zijn. Gelukkig lost een internationale conferentie te London het een en ander op. Nét op tijd: in 1870 breekt de Frans-Duitse oorlog uit, waaraan Nederland mooi ontsnapt.


DE EERSTE ZENDINGSCONFERENTIE

In september 1865 noteert Elder Joseph Weiler in zijn dagboek dat hij "in gebroken Nederlands" spreekt. Spoedig krijgt hij meer vertrouwen in zijn taalkundige capaciteiten en begint steeds vlotter met leden en niet-leden te converseren (6). Daar de leden erg verspreid wonen, is Elder Weiler verplicht vaak te reizen. Zo ontmoet hij te Leeuwarden twee toegewijde broeders, Sybren van Dijk en Pieter Lammers, met wie hij al veel gecorrespondeerd heeft. Hij vertelt ons niet veel van deze jonge kerkleden, maar de vrouw van broeder van Dijk maakt wel indruk op hem:

"De vrouw van broeder van Dijk is vreselijk tegen de kerk gekant. Ze zei dat ik geen voet in haar huis zou zetten en aangezien zij de baas was, gelijk de meeste vrouwen in dit land, moest ik een hotel opzoeken... 's Avonds bezocht ik toch broeder van Dijk. Zijn vrouw had mij niets te zeggen, zij is werkelijk de meest onvriendelijke persoon die ik ooit in Nederland ontmoet heb" (7).

Het incident leidt Elder Weiler niet af van zijn doel. Hij houdt enkele instructievergaderingen over zendingswerk met de lokale broeders en toont hen hoe de prediking aan te pakken (8). De broeders ontdekken dat het verspreiden van het evangelie een van de belangrijke verantwoordelijkheden van priesterschapdragers is. Na tien dagen samen vergaderen en werken, wordt het bezoek besloten met een gezellige avond bij broeder van Dijk - en het komt wel gelegen dat z'n vrouw die avond naar haar ouders moet. Elder Weiler krijgt van de leden een mooie ronde kaas als geschenk voor de heiligen in Amsterdam - teken van de groeiende gemeenschapszin die deze eerste kerkleden bindt (9).

Omstreeks die tijd wordt een tweede zendeling naar Nederland gestuurd, Francis A. Brown, die in Gorinchem zijn standplaats neemt. Elder Weiler bezoekt hem om te ontdekken dat de geestelijke instelling van Elder Brown allesbehalve positief is. Hij kan de pas aangekomen zendeling best begrijpen: het is ontmoedigend om zelfs je gastheer en gastvrouw niet te kunnen bedanken in hun eigen taal. Voor Elder Brown lijkt Elder Weiler een taalgenie en hij moet wel denken dat hij het zelf nooit zover zal brengen. Doch ook voor hem gaat die moeilijke periode voorbij en spoedig werkt hij ijverig mee.

In oktober 1865 ontvangt Elder Weiler een brief van Brigham Young jr. met instructies meer plaatselijke broeders voor te bereiden op het ontvangen van het Melchizedekse priesterschap en hen op zending te roepen. Het is immers evident dat deze lokale leden beter kunnen communiceren met de bevolking en dus meer succes moeten boeken. Om instructies kracht bij te zetten, wordt de eerste "Nederlandse zendingsconferentie" georganiseerd te Gorinchem op 22 oktober 1865 in een gehuurd, maar "respectabel" schoollokaal. Leden en vrienden komen er naar toe van Amsterdam, Est, Heukelom, Rotterdam en natuurlijk van de omliggende streek. Elder Weiler en broeder van Steeter geven de belangrijkste toespraken. In een brief aan Brigham Young jr. brengt Elder Weiler verslag uit:

"Na de conferentiesessie vroegen verscheidene personen om gedoopt te worden, gewillig als ze waren om gehoorzaam te buigen voor de geboden van God. Om vijf uur in de namiddag kwamen we allen samen in het huis van broeder Jan van der Pol, om de kandidaten voor te bereiden op de doop. De Geest des Heren vulde de kamer en ik weet zeker dat een ieder Zijn heilige invloed voelde. Om acht uur 's avonds gingen we naar de rivier, toen het reeds donker was, want de wetten van dit christelijke land staan ons niet toe in het volle daglicht God te aanbidden. Net zoals weleer de gevangenisbewaker en zijn gezin in Christus begraven werden door de doop, werden deze vier gedoopt terwijl ze hun zonden beleden. Vervolgens keerden we terug naar het huis en woonden de verordening van de bevestiging bij, waarna de nieuwe leden opstonden en God prezen voor Zijn goedheid, dat Hij hen het Evangelie had gezonden door de gave van de Heilige Geest... (10).

Tijdens de conferentie wordt het priesterschap aan verschillende broeders verleend, waarbij het totaal aantal ouderlingen in Nederland op minstens zeven komt. Een van de nieuwe ouderlingen, Pieter Lammers, wordt meteen op zending geroepen "... om samen met ons in de bediening te arbeiden en het Werk des Heren te verspreiden in zijn vaderland." Een andere ouderling, Willem Verhey, wordt aangesteld als gemeentepresident te Gorinchem (11).

Het verslag van Weiler meldt ook dat de conferentie "veel opwinding in de stad" heeft veroorzaakt en dat een aantal mensen meer willen weten over het evangelie. Elder Brown en Elder Weiler zijn zelf zo opgewonden dat zij een toekomst bezingen "waar er honderden en zelfs duizenden" Nederlanders zullen toetreden. Doch tegelijkertijd klagen zij over hun gebrek aan taalvaardigheid en over het gebrek aan leesmateriaal in het Nederlands. "Het werk wordt erg vertraagd omdat we geen Nederlandse boeken hebben. We zouden er stapels kunnen verkopen en dit zou het werk erg vergemakkelijken" (12).

Het was een volledig gerechtvaardigde klacht en aan de juiste persoon gericht. Toen de vader van Brigham Young jr., President Brigham Young, in 1840 als zendeling in Engeland aankwam, besteedde hij zijn tijd eerst aan het voorbereiden en uitgeven van publikaties: het Boek van Mormon, allerlei brochures en een Lofzangenboek. Vervolgens besefte hij de kracht van een tijdschrift dat regelmatig nieuws, berichten en godsdienstige informatie kon verspreiden: de Millenial Star zou gedurende vele jaren een kostbaar werktuig voor het zendingswerk worden. Met reden klaagt Joseph Weiler dus over het gebrek aan geschikt materiaal. Het is een zware handicap in de vooruitgang van het werk. Vermoedelijk beletten drukkosten, gebrek aan goede vertalers en het nog te kleine aantal leden, dat er in deze toestand spoedig verandering komt.

Het succes van de zendingsconferentie te Gorinchem inspireert de ouderlingen om een nieuwe en meer gedurfde vorm van zendingswerk uit te proberen: het van huis tot huis gaan om de boodschap te brengen. Daarvoor gebeurde het zendingswerk steeds via persoonlijke introducties op afspraak of door openbare vergaderingen. In 1865 is dit directe aanspreken van onbekenden een nieuwigheid die de zendelingen met enthousiasme uitproberen (13). Jaren later zullen andere zendelingen bidden dat ze een betere methode mogen vinden!

Tijdens de wintermaanden in de overgang van 1865 naar 1866 besteden de zendelingen nog veel tijd aan het rondreizen van het zendingsgebied. In november worden er zeven nieuwe leden gedoopt in Rotterdam; anderen bekennen aan de zendelingen dat zij de moed missen om de stap te zetten (14). De zendelingen worden uitgenodigd om te komen prediken in Utrecht en in Gelderland. Eén kerklid wordt geëxcommuniceerd wegens "onchristelijk gedrag" (15).

De gezondheid van Elder Weiler laat nog steeds te wensen over en in de lente van 1866 volgt hij de raad op enkele maanden te rusten in Zwitserland. Wanneer hij in augustus terugkeert, onderneemt hij een tour door het zendingsgebied: alle leden staan nog sterk in het evangelie en er zijn zelfs twaalf nieuwe leden bijgekomen. Twee brochures zijn vertaald en uitgegeven, één door Sybren van Dijk, "Een uitnodiging tot allen die het eeuwige leven wensen" en een ander door Francis Brown, "Begrijpt u wat u leest?" De brochures leggen enkele basisleerstellingen van de kerk uit. Enkele maanden later zal de bekende brochure van Parley P. Pratt, "Een stem tot waarschuwing," vertaald en verspreid worden. De vermoedelijke vertaler is Sybren van Dijk, een toegewijde, intelligente en belezen heilige, die onschatbare diensten bewijst als vertaler en als zendeling en later een heel efficiënte zendingspresident zal worden. Een andere kostbare kracht is de nu voltijdse zendeling Pieter Lammers, die naar Amsterdam is overgeplaatst en er de aandacht van niet-leden tracht op te wekken. Men maakt ook vooruitgang in Zwolle waar een kleine secte, die zichzelf "Christenen" noemt, interesse in het herstelde evangelie betoont. Er zijn daar reeds vier leden gedoopt. Over het algemeen gezien mag Elder Weiler wel tevreden zijn met de bereikte resultaten.


" DE DIKKE SCHAAL DOORBREKEN..."

Doch er hangen ook dreigende wolken in de lucht. "Vele boeken," schrijft Elder Francis Brown, "worden tegen ons gepubliceerd en de kranten staan vol met allerlei leugens, om vooroordelen tegen de waarheid in de geest van de mensen te planten, en gelijk de Galileërs van vroeger, wordt overal kwaad over ons gesproken" (16). Francis Brown klaagt "de dikke schaal van de tradities" aan, die doorbroken moet worden. Hij overdrijft niet. Zendingswerk verrichten in het 19de eeuwse Nederland is geen sinecuur. Toch, hoewel er minder bekeerlingen gedoopt worden dan in andere landen, hebben de zendelingen niet zoveel last van openlijke tegenstand, zoals bijvoorbeeld in Engeland, Noorwegen of Denemarken, waar opstootjes, vervolgingen en gevangenisstraffen met de prediking van het herstelde evangelie gepaard gaan.

De lezers van de "Millenial Star" krijgen ook informatie over Nederland door een lange brief van de derde zoon van President Brigham Young, John Willard Young, die in 1866 een bezoek aan ons land brengt. Als ingenieur is hij gefascineerd door de aardrijkskunde - "hier bebouwen sommigen het land vijf meter onder de spiegel van de oceaan!" -, door de scheepsbouw, de aanleg van de dijken, de windmolens en de stadskanalen. John Willard en diegenen die hem vergezellen schrijven zelfs hun namen in het huisje te Zaandam waar ooit Peter de Grote als scheepstimmerman werkte. Hij is ook onder de indruk van het commercieel-gonzende Amsterdam, maar besluit toch dat het "één der meest verdorven steden ter wereld is" (17).

John Willard beschrijft de ontwikkeling van de zending sinds 1864 en feliciteert de zendelingen voor hun uitmuntende diensten. Ondanks alle mogelijke moeilijkheden - de taal, het gebrek aan publikaties, de soms primitieve levensomstandigheden - hebben zij hun uiterste best gedaan. Vooral Pieter Lammers wordt gelauwerd: "Ik kan u zeggen dat hij de Heilige Geest in grote mate bezit, en dat hij in elk opzicht een waardig ouderling is" (18). Doch John Willard versterkt ook het negatieve kerkbeeld dat in die jaren Nederland overheerst:

"De mensen zijn er verwoed tegen de doop gekant. En om met de woorden te spelen, het moet ons niet verwonderen: want door de bouw van hun dijken vechten zij voortdurend tegen de onderdompeling van hun land. Natuurlijk is dit niet de reden voor hun afkeer van de doop, maar zij wensen blijkbaar niets méér dan wat ze al hebben, gewoon omdat ze niet beseffen dat er nog iets is buiten de enge grenzen van hun dijken" (19).

Op 28 maart 1867 ontvangt Joseph Weiler het bericht dat hij eervol ontheven wordt uit zijn zendingsroeping en dat Francis Brown als nieuwe zendingspresident aangesteld is. Op de vooravond van zijn vertrek uit Nederland schrijft hij nog een brief aan Brigham Young jr. om een laatste verslag uit te brengen. Zoals het reeds een beetje de gewoonte wordt, klaagt hij over het matig succes in het zendingswerk. Toch verheugt hij zich in de weinigen "wier ogen geopend zijn en wier harten het glorievolle licht van het evangelie begrepen hebben, zoals het geopenbaard is door de profeet Joseph Smith. Zij zijn niet bevreesd om voor de wereld te getuigen dat de Here God is, dat Brigham Young zijn profeet op aarde is en dat Utah de vergaderplaats is voor het verspreide Israël" (20).

Evenals de meeste zendelingen voor en na hem, beseft Weiler hoeveel zijn zending voor hemzelf heeft betekend, ondanks al de beproevingen: "Mijn liefde voor de waarheid is sterker geworden, mijn verlangen om nederig en standvastig te zijn is gegroeid, mijn hoop is verruimd, mijn geloof is krachtiger, en het licht van het evangelie is zuiverder en heiliger geworden. Dit geeft u een beetje een idee van mijn huidige gevoelens wat de toekomst betreft..." (21).

Op 4 mei 1867 verlaat Weiler Nederland. Met hem vertrekken tien heiligen - acht volwassenen en twee kinderen - "vanuit deze zending naar het beloofde land" (22). In Engeland voegen zij zich bij zeshonderdzestig andere Europese kerkleden die naar Zion emigreren. Met hen zingen zij het "Emigratielied":

O vreugde-dag wanneer we gaan,
We zijn op weg, we zijn op weg!
Zo blij en vrij, kom ruimt nu baan,
We zijn op weg, we zijn op weg!
Kom haast u toch en talm niet meer
We zijn op weg, we zijn op weg!
We roepen het uit, keer op keer,
We zijn op weg, we zijn op weg!

MAGERE JAREN

Na het vertrek van Joseph Weiler worden de archieven erg schaars om ons te vertellen wat er in Nederland gebeurt. De twee volgende zendingspresidenten, Francis Brown en Marcus Holling, houden er praktisch geen correspondentie op na met het hoofdkantoor in Engeland. Bijgevolg verschijnt er evenmin wat in de "Millenial Star" over de Lage Landen. De dagboeken van de twee zendingspresidenten hebben wij niet kunnen localiseren.

Gedurende de rest van 1867 werkt President Brown samen met de broeders Lammers en van Steeter in Noord Brabant, Zeeland, Zuid Holland, Utrecht, Gelderland, Friesland, Groningen en Overijssel - maar overal met heel matig succes. Een nieuwe zendeling uit Amerika voegt zich bij hen, Marcus Holling, die in 1867 zendingspresident wordt, bij het vertrek van Francis Brown. In tegenstelling tot Elder Weiler, verlaat Elder Brown Nederland met een bittere nasmaak: hij heeft blijkbaar veel moeite met de taal gehad, en is niet te spreken over de "onderdrukking door de Calvinistische leer en de walgelijke slavernij van het volk" (23).

President Holling zal nu gedurende twee jaar de zending leiden, tot 1869. Die periode kenmerkt zich door de verdere emigratie van leden die reeds geruime tijd de lasten van het lokale kerkwerk dragen. Op 19 juni 1868 wordt Hendrik van Steeter ontheven van zijn zendingstaak om naar Amerika te kunnen vertrekken. Zijn vrouw en zijn kinderen zijn reeds in 1866 afgereisd. Een jaar later, op 20 augustus 1869, scheept de grootste groep heiligen sinds het vertrek van de Nieuwlichters zich in. Onder de acht gezinnen bevinden zich Pieter Lammers en Sybren van Dijk. De vrouw van deze laatste, die enkele jaren voorheen zo tegenstribbelde, vergezelt hem, samen met de kinderen (24).

Het aantal lokale leden staat weer op het peil van vijf jaar daarvoor - een twintigtal.

Wanneer Marcus Holling in 1869 ontheven wordt, stuurt men niet onmiddellijk een nieuwe zendeling om hem te vervangen. De presiderende verantwoordelijkheid wordt overgedragen aan een lokale broeder - Jan Krumperman uit Zwolle. Hoewel we geen verslag over zijn activiteiten hebben, mogen we aannemen dat hij de zaken goed bijhoudt tot de aankomst van de nieuwe zendingspresident, niemand minder dan de pas geëmigreerde Sybren van Dijk, één der meest bekwame en succesvolle heiligen die ooit in Nederland werkte.

Volgend nummer:
Het werk onder Sybren van Dijk


12

Voetnoten:
(1) Joseph Weiler, Journal, 3 November 1864.
(2) Ibid., 19 November 1864.
(3) Ibid., 20 April 1865.
(4) Ibid., 7 June 1865.
(5) Netherl. Mis. Hist. (NMH), 13 June 1865.
(6) Weiler, 3 September 1865.
(7) Weiler, 11 September 1865.
(8) NMH, 13 June 1865.
(9) Ibid., 19 September 1865.
(10) Millenial Star, vol. 27, pp. 702-703.
(11) Ibid.
(12) Ibid.
(13) NMH, 26 October 1865.
(14) Millenial Star, vol. 28, pp. 813-814.
(15) NMH, 24 December 1865.
(16) Millenial Star, vol. 28, p. 814.
(17) Ibid., vol. 29, p. 109.
(18) Ibid., p. 111.
(19) Ibid., p. 110.
(20) Ibid., pp. 314-315.
(21) Ibid., p. 315.
(22) Ibid.
(23) Ibid., p. 797.
(24) NMH, 20 August 1869.

13

Teksten foto's:

D e vélocipède:
v oor snobse burgerij en stoere knapen.

A letta Jacobs:
" Maak haar het leven zuur!"

Elder Joseph Weiler

Elder Francis Brown

Elder Marcus Holling

De vélocipède: voor snobse burgerij en stoere knapen.

Amsterdams straatbeeld in de jaren 1860.

Stoomboten en stoomtreinen, onder en boven nieuwe bruggen.


Al vele jaren lid van de kerk?

In een kist op zolder, in een doos in de kelder: ze liggen daar, vergeelde foto's, oude verslagen, verweerde boeken en brochures, stille getuigen van de kerk in vroegere dagen. Wilt u dit materiaal een nuttige en veilige bestemming geven? Schenk het aan het historisch archief van het Fonds Horizon, dat nauw samenwerkt met geschiedkundigen van het historisch departement van de kerk en met het Centrum voor internationale en lokale studies van de Brigham Young Universiteit.

O p die wijze schrijft u zelf een stuk kostbare geschiedenis mee.