MvG logo www.mvgcontact.org

Heiligen der Lage Landen

Home

Komt Heil'gen Komt...

Even in herinnering brengen:

In het eerste hoofdstuk beschreven we hoe in 1837 de eerste zendelingen de Europese drempel overschreden. In 1841 bezocht apostel Orson Hyde Nederland, dat sociaal, cultureel en economisch een sombere periode doormaakte (Horizon I, 2). Twintig jaar later, in 1861, ontscheepten de eerste voltijdse zendelingen in Rotterdam: Elder Schettler en Elder van der Woude. Hun moeizaam werk, de eerste dopelingen en de pijnlijke leerschool werden in het tweede hoofdstuk verteld (Horizon I, 4). Een doorbraak tekende zich vervolgens af in de toetreding van de Nieuwlichters, een vinnige beweging van "heiligen" die heel dicht bij de herstelde waarheid stonden. In mei 1864 reisde de eerste groep Nederlandse kerkleden af naar Zion, de voorlopers van haast zevenduizend Nederlandse emigranten (Horizon I, 5).

Op een kade van Rotterdam stonden de heiligen die in Nederland bleven, of liever achterbleven. De broeders en zusters met wie ze de prille kerk hadden gevormd en met wie ze rijke geestelijke ervaringen hadden gedeeld, wuifden nog vanaf het schip dat nu de haven uitvoer. Op het dek beleefden die mormoonse passagiers het moment intens: er was het afscheid van hun geboorteland dat velen vermoedelijk nooit zouden terugzien; er was de opwinding van een wereldreis die maanden in beslag zou nemen; er was het aangrijpende vooruitzicht op een nieuwe toekomst "in ons Zion ons zo waard, waar zich 't volk van God vergaart." Aan wal streden de achterblijvers ook met hevige gevoelens: de plotselinge eenzaamheid nu de reeds kleine kern nog kleiner was geworden, het verlangen om ook te kunnen vertrekken, het leed om de scheiding.

Hier vond een gebeurtenis plaats die in de komende jaren ontelbare malen herhaald zou worden: het ene deel van de kerkleden vertrok naar Amerika, het andere deel bleef ter plaatse. Zij die vertrokken hadden het goede deel gekozen: zij gaven gehoor aan de roep naar Zion en aan de "vergadering der heiligen."

Die "vergadering" beheerste voor een groot stuk de geschiedenis van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, tot ongeveer in het midden van de 20ste eeuw. Hoewel het op het eerste gezicht meer met de Amerikaanse geschiedenis, dan met de Nederlandse of Vlaamse geschiedenis te maken heeft, is het toch een fenomeen dat onze Lage Landen bijzonder raakt: gedurende jaren zou het kerkelijke leven bij ons getekend worden door de emigratie naar Amerika. Op korte termijn

lijkt het een constante aderlating van bekeerlingen en leiders ten voordele van de kerk in het verre Westen; maar op lange termijn gezien zou de emigratie een groot en standvastig miljoenenvolk vormen van waaruit met veel meer kracht en middelen het zendingswerk in de gehele wereld gevoed zou worden. In dit hoofdstuk willen we daarom dit fenomeen belichten als een integraal deel van het geloof en de ervaringen van elke Europese bekeerling in deze periode.


DE GRONDSLAG: EEN REISROUTE

Op 4 februari 1846 stak een groep huifkarren de Mississipi over op een veerboot. Enkele dagen later vroor de machtige stroom dicht en kon men sneller en talrijker oversteken. De grote uittocht van vijftienduizend heiligen der laatste dagen was begonnen. In de barre winter verlieten deze mannen, vrouwen en kinderen hun prachtige stad, Nauvoo-de-Schone in de staat Illinois. Hun gezellige huizen en bloeiende bedrijven werden nu geplunderd door de vijanden die hen verdreven. Tien kilometer verder sloegen de bannelingen hun eerste kamp op. Achter de schamele beschutting van wagenzeilen en van takkenhutten leden duizenden honger en koude. Als men een nabijgelegen heuvel beklom, kon men in de verte nog de tempel zien, gebouwd met onvoorstelbare offers, en die spoedig ontwijd zou worden door hen die de profeet Joseph in koele bloede vermoord hadden. Daar lag het verleden, nu moest naar de toekomst in het verre westen gekeken worden.

Onder de krachtige leiding van Brigham Young werden de heiligen voorbereid op de lange reis naar het Rotsgebergte, waar zij eindelijk in vrede hun eigen samenleving zouden kunnen vormen. De maatregelen van Brigham Young getuigden van een groot en gedurfd inzicht: een reisroute werd dwars door de wildernis uitgestippeld; voorhoedes zorgden voor het banen van wegen, het slaan van bruggen en het bouwen van veerboten; vooruitgeschoven groepen bezaaiden grote stukken land zodat latere groepen daar konden oogsten en hun trekdieren en kudden konden weiden: pleisterplaatsen werden zorgvuldig uitgekozen en klaargemaakt met omheiningen, waterputten, korenmolens, voorraadschuren; speciale groepen werden belast met uiteenlopende zaken zoals onderwijs, postdienst, sanitaire installaties, muziek en dans, ziekteverzorging, jacht, enz. Gedetailleerde regels werden uitgevaardigd en stipte dagprogramma's uitgewerkt. Brigham Young voorzag dat het niet zou gaan om de eenmalige reis van een groep ontheemden, maar om de onafgebroken exodus van tienduizenden en tienduizenden uit de Oude Wereld. Hij wist dat hij de grondslag legde van een beweging die tientallen jaren zou duren.

In juni 1847 kwam de eerste groep in de eenzame en barre streek van het Grote Zoutmeer aan. "Dit is de plaats," zei Brigham Young. Onmiddellijk begonnen de heiligen aan de ontginning en ontwikkeling van een onmetelijk gebied. En tussen dit land in het Rotsgebergte en de oostelijke staten van de Verenigde Staten lag nu ook een georganiseerde reisroute om vele andere duizenden te laten komen. De zendelingen die naar alle delen van de wereld gestuurd werden, verkondigden dan ook deze roep naar Zion en deze vergadering van de heiligen "naar Zions schoon en vreedzaam land," zoals een lofzang het enthousiast verkondigde.


HET BLIJVENDE EMIGRATIEFONDS

De emigratie werd grootschalig en praktisch aangepakt. Reeds in december 1847 richtte Brigham Young een schrijven aan de heiligen in Engeland met de raad het volgende mee te brengen:

"Alle soorten van het beste zaad, van granen, groenten, fruit, struiken en bomen - alles wat er ook ter wereld groeit en aangenaam is voor het oog, het hart verheugt of de ziel verblijdt; ook de beste diersoorten en pluimvee van allerlei aard; tevens de beste gereedschappen en machines voor het spinnen en weven van katoen, wol, vlas, zijde, of ook modellen en beschrijvingen ervan; daarbij alle werktuigen en machines voor landbouw en veeteelt, zoals maïsspellers, dors- en wanmachines, korrelreinigers, molens en verder alle voorwerpen die bevorderlijk zijn voor de gezondheid, het geluk en het welzijn van een volk. Indien het zware machines betreft, die aanzienlijke transportkosten met zich meebrengen, is het beter in modellen en ontwerpen te voorzien, waardoor die machines hier vervaardigd kunnen worden" (1).

Vele leden hadden niet de middelen om de verre reis te bekostigen. Om dit te verhelpen werd in 1849 het "blijvende emigratiefonds" opgericht - een onderneming zonder winstgevend doel met een kapitaal waaruit geleend kon worden om te emigreren. Ondanks de armoede en de pioniersomstandigheden van de heiligen in Salt Lake en omgeving, begonnen zij onmiddellijk geld bij te dragen om het fonds te starten ten behoeve van mensen die zij nog nooit gezien hadden. Het zou met de tijd miljoenen dollars bedragen. In een schrijven van 16 oktober 1849 werd de gebruiksprocedure van het fonds duidelijk omschreven:

"Dit fonds is bijeengebracht uit vrijwillige bijdragen en het ligt in de bedoeling het zo te beheren dat het bedrag gelijk blijft of meer wordt.. Wanneer de heiligen uit verre landen met deze hulp hier aankomen, dan verplichten zij zich tegenover de kerk zo gauw hun omstandigheden het toelaten, het ontvangen geld weer terug te betalen. Wie wil kan tegen een goed loon bij openbare werken in dienst treden en zo zijn schuld helpen aflossen. Zo gauw de heiligen in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien en een overschot kunnen kweken, dienen zij dit als afbetaling te gebruiken en zo zelf het emigratiefonds te versterken... De middelen uit het fonds moeten dus als een lening en niet als een gift worden beschouwd. Wie eerlijk is, zal zich hierover verheugen, want hij zal er graag voor werken en door arbeid onafhankelijk zijn, zonder van liefdadigheid te moeten leven. Wanneer er leeglopers onder u mochten zijn, dan zullen zij tijdens de reis allerlei aanmerkingen en eisen hebben en aan het eind zullen zij niets willen betalen... Het emigratiefonds biedt dergelijke leeglopers geen hulp. Wij kunnen ze in onze valleien niet gebruiken" (2).

Voor het einde van de eeuw zouden zo'n honderdduizend Europese heiligen van het emigratiefonds gebruik maken om naar Zion te emigreren. Niet allen betaalden het geleende geld terug: het was onvermijdelijk dat ook al eens minder standvastige mensen van het systeem gebruik maakten en, eenmaal in Amerika, van de kerk afhaakten. De kerk stelde geen juridische vervolgingen in om dan de terugbetaling te eisen. Enkel met lankmoedigheid en liefde probeerde men deze inactieven tot betere gevoelens te brengen.


DE GROTE BESLISSING

Via de "emigratieagenten" organiseerde de kerk alle praktische aspecten, waaronder het indelen van de toekomstige emigranten in reisgroepen, het charteren en inrichten van schepen en het uitrusten van de emigranten voor de reis over de Amerikaanse vlakten. Dankzij dit zeer efficiënte systeem kwam de emigratie vanuit Europa snel op gang. Het scenario was voor bijna iedereen hetzelfde: na hun bekering tot het herstelde evangelie hoorden de nieuwe heiligen veel over Zion en over de voordelen van de vergadering in het westen. De beslissing om te emigreren was makkelijker dan men nu zou denken: in het sociaal gedesintegreerde Europa van de 19de eeuw, met zijn hopeloze klassenconflict, zijn nationalistische oorlogen en zijn uitzichtloze toekomst voor de kleine man, bood het open en vrije Amerika een aanlokkelijke aanblik. Daar was er grond, daar werd men niet uitgebuit door de rijken, daar werd werk gewaardeerd. Tussen 1821 en 1924 emigreerden 33 miljoen Europeanen naar de Verenigde Staten. Het was een fenomenale volksverhuizing van de Oude naar de Nieuwe Wereld. Voor de heiligen lagen de zaken wel wat anders: zij trokken naar Amerika om er Zion mee op te bouwen en zij hadden de steun van een goedwerkend systeem dat hen veel hulp bood en ook veel van hen verwachtte.

Eenmaal de beslissing genomen, begon een vrij lange periode van voorbereiding: sparen, onnodige bezittingen verkopen, reisgoed en uitrusting aanschaffen, nuttig beroepsmateriaal verzamelen, enz. Op een vastgestelde datum kwamen de betrokken emigranten dan samen in de vertrekhavens van Liverpool of London, meestal begeleid door terugkerende zendelingen. Elk jaar verschenen er aldus duizenden op het appel aan de kaden waar gecharterde "mormoonse" schepen klaarlagen. De gebeurtenis bleek zo indrukwekkend qua organisatie en aantal deelnemers, dat "vele Londenaars, waaronder vele regeringsambtenaren en geestelijken, naar de heiligen der laatste dagen kwamen kijken en naar hun toebereidselen" (3).

De beroemde schrijver Charles Dickens bevond zich tussen de geïntrigeerde toeschouwers die in juni 1863 naar het schip "The Amazon" kwamen kijken. 891 heiligen der laatste dagen waren net aan boord gegaan, verdeeld over verschillende kerkelijke wijken met elk een presidium en een wijkraad, heel gedisciplineerd en toch heel hartelijk. Dickens, die net zoals vele buitenstaanders heel wat lasterpraat over de mormoonse kerk had gehoord, schreef: "Ik begaf mij aan boord van hun schip om getuigenis tegen hen af te leggen indien zij het verdienden; en ik was er van overtuigd dat zij het zeker verdienden. Maar tot mijn grote verbazing verdienden zij het niet. Daar ik een eerlijk getuige wil zijn, mag ik mij niet door vooroordelen laten beïnvloeden. Met de beste wil van de wereld kon ik niet ontkennen dat hier een bijzondere kracht een bijzondere gebeurtenis tot stand bracht - een gebeurtenis die beter bekende krachten niet tot stand gebracht hebben..." (4).

En het comité van toezicht van de House of Commons in London noteerde: "Wij lieten de mormoonse agent en tussenpersoon voor de reis voor ons verschijnen en kwamen de schepen die onder zijn bevoegdheid vallen. Een schip met heiligen der laatste dagen is een familie, die aan een strenge, maar algemeen aanvaarde discipline onderworpen is. Alles wat tot verbetering van het comfort, het goede uiterlijke en de innerlijke vrede bijdraagt, is er aanwezig" (5).


EEN KORST SMAAKTE ALS ZOETE KOEK...

Een zeereis van ongeveer twee weken bracht de heiligen in New York. Op wat stormweer en zeeziekte na, hadden zij genoten van een periode van vergaderingen, taal- en evangelielessen, zang, dans en gezellig vermaak. Zij konden zonder grote problemen per spoor door de oostelijke staten van de Verenigde Staten reizen tot het punt waar de spoorlijn ophield (de treinverbinding met Utah kwam pas klaar in 1869). Ze werden er opgewacht door bevoorradingsagenten van de kerk, die verantwoordelijk waren voor de verdeling van "huifkarren, ossen, koeien, geweren, meel, spek en andere nuttige artikelen." Om de kosten voor de emigranten zoveel mogelijk te drukken, werd al het overbodige vermeden: "Uiteraard kunnen op de karren alleen de hoognodige bagage, voorraden en gereedschappen worden meegenomen, en de mensen zelf zullen maar weinig kunnen rijden" (6). De "karrentreinen" die aldus werden samengesteld waren soms enorm lang. Een trein van bijvoorbeeld 400 karren, elk getrokken door acht ossen, strekte zich twee à drie kilometer uit op de route.

Laten we nu één van de Nederlandse emigranten aan het woord, zuster Johanna Carolina Lammers, die in 1867 "naar Zion trok" en veertig jaar later het volgende schreef aan de leden in Nederland:

"Het was in Mei 1867, dat mijne oude moeder (zij was 75 jaar oud) en ik, vergezeld van nog acht Nederlanders, naar Zion vertrokken. Wij voeren met het stoomschip Minnesota' en kwamen na zestien dagen zeereis behouden te New York aan.

"Wij reisden per spoor van New York naar Council Bluffs, alwaar toebereidselen voor de reis door de wildernissen gemaakt werden. Toen alles gereed was vertrokken wij. De karavaan bestond uit 460 zware wagens, ieder getrokken door acht ossen. Iederen dag legden wij omtrent 20 mijlen af. Het was een verheven schouwspel als wij des avonds kampeerden. De wagens werden in een cirkel geplaatst, het vee en de menschen er binnen. Er werden gewapende wachters omheen geplaatst en vuren ontstoken tot het bereiden van voedsel. De kapitein ging rond om te zien of alles in orde was... Wij deden onze gebeden en er heerste eensgezindheid. Het jonge volkje vermaakte zich met zingen, muziek, enz. Om 9 uur werd met een hoorn het signaal tot slapen gegeven en alles werd dan rustig. Gedurende den nacht werd er echter streng gewaakt. Des morgens ten half zeven werd het signaal geblazen voor het morgengebed. Als het ontbijt genuttigd was en de vuren uitgedoofd waren, werd de tocht verder gezet. Mijne oude moeder kon in de wagen op kisten zitten en zoo reizen, maar aangezien er geen plaats genoeg was voor allen, had ik het genoegen iederen dag in het heete zand te kunnen loopen. Wij leerden elkaar spoedig kennen en op zulk eene reis is het niet altijd zonneschijn, maar er doen zich veel moeilijkheden voor.

"Daarna kwam er eene zwaardere beproeving, de geele koorts brak in ons midden uit en 42 slachtoffers, groot en klein, vielen als prooi van die treurige ziekte. De levensvoorraad werd zeer gering en wij moesten erg zuinig zijn. Ik herinner het mij nog levendig, hoe ik met blijdschap een korst brood opraapte, die ik in het wagenspoor zag en alhoewel er reeds vele wagens over gereden waren, zoo smaakte het als zoete koek.

"De reis duurde erg lang, de zomer ging voorbij en de winter begon zich duidelijk te vertonen. Mijne schoenen waren zoo erg versleten, dat mijne teenen er door kwamen en zoo moest ik in de sneeuw loopen. Mijn teenen waren eenmaal bevroren en de broeders moesten mij helpen. Ik moest in de sneeuw gaan zitten zoodat zij beter werden. Iedere winter zijn zij nog steeds pijnlijk.

"Eenmaal kwamen er drie wilde Indianen uit de bergen naar ons toe en vroegen om geschenken. Zij waren geheel naakt en met harige huiden bedekt. Zij geleken veel op beren en wij waren erg bevreesd. Toen wij hun van levensmiddelen en andere geschenken voorzien hadden, vertrokken zij weer.

"Ik zal niet verder over mijne ondervindingen uitwijden, maar wil mijn getuigenis geven, dat ik mij steeds verheugd gevoelde en nooit murmureerde of klaagde, maar altijd dankbaar was, waardig te zijn naar Zion te mogen optrekken, aldaar groote zegeningen te ontvangen en in het geloof versterkt te worden. Het duurde zeven maanden eer wij in de valleien der bergen aankwamen. Groot was de vreugde der broederen die ons tegemoet kwamen met groote potten soep, zoodat wij allen verkwikt werden.

"Groot is de genade en liefde des Heeren over Zijne kinderen, die Hem willen vreezen en gehoorzamen. Broeders en zusters, weest standvastig in het Evangelie en weet dat wat u ook mag overkomen, het altijd tot uw welzijn zal wezen als gij blijft volharden. Ik hoop dat wij allen getrouw zullen blijven. Uw nederige zuster in het Evangelie, Johanna Carolina Lammers."

Het is aan zo'n getuigenis dat men de geest en het geloof van deze eerste Nederlandse heiligen kan meten.

Bij het binnentreden in Salt Lake werden de emigranten onthaald met een fanfare en met feestelijkheden, waarbij Brigham Young hen meestal persoonlijk kwam begroeten. Toch betekende hun aankomst aldaar niet het eindpunt van hun reis: de vestiging van Zion beperkte zich immers niet tot Salt Lake en de omliggende streek, maar zij omvatte een enorm kolonisatiegebied dat zich spoedig uitstrekte van Canada tot Mexico. Nieuwe mormoonse nederzettingen werden voortdurend gesticht, steeds verder naar het noorden en naar het zuiden. Elke groep kolonisten die vanuit Salt Lake vertrok werd zorgvuldig georganiseerd: een wijkpresidium ("bisschap") aan het hoofd, verder boeren, kleermakers, molenaars, timmermannen, metselaars, een smid en een arts, allen met hun gezinnen. Zij begaven zich naar onontgonnen gebieden, vakkundig uitgezocht door verkenners. De spaden braken de grond open, irrigatie bracht water aan en overal begon de woestijn te bloeien als een roos.


BETEKENIS VAN DE VERGADERING

De vergadering der heiligen was een fenomeen dat vooreerst religieus geïnspireerd was. Reeds in 1830, het jaar van de stichting van de kerk, werd door openbaring verkondigd:

"En gij zijt geroepen om de vergadering van Mijn uitverkorenen tot stand te brengen; want Mijn uitverkorenen horen Mijn stem, en verstokken hun hart niet. Daarom is het gebod van de Vader uitgegaan, dat zij op één plaats in dit land moeten worden vergaderd om hun hart voor te bereiden en in alle dingen voorbereid te zijn op de dag, wanneer rampspoed en verwoesting over de goddelozen worden gezonden" (7).

Voor de heiligen betekende de vergadering bijgevolg een zich veilig stellen door afzondering van de goddeloze wereld, en de mogelijkheid een vredesrijk te stichten volgens eigen sociale en economische normen. Keer op keer hadden zij dit geprobeerd en telkens werden zij verdreven, van New York naar Ohio, van Ohio naar Illinois, van Illinois naar Missouri. Ook daar werden zij mishandeld en opgejaagd. Het verlangen naar de uiteindelijke, ongestoorde plaats werd steeds groter. Het is in dit licht dat men de emotionele pleitrede kan begrijpen, die de leiders van de kerk in 1847 uitzonden, toen zij in het hart van de winter halfweg tussen Nauvoo en het Rotsgebergte kampeerden:

"Het koninkrijk dat wij stichten is niet van deze wereld, doch is het koninkrijk van de grote God. Het is het resultaat van rechtschapenheid, van vrede, van zaligheid voor iedere ziel die het wil ontvangen van Adam af tot aan zijn laatste afstammeling... Kom dan, o heiligen der laatste dagen, en alle gij groten en kleinen, wijzen en ongeleerden, rijken en armen, edelen en onedelen, verhoogden en vervolgden, heersers en onderdanen, die de deugd liefhebben en ondeugden haten, en help ons dit werk te doen, dat de Here van onze hand eist..." (8).

Het is waar dat deze vergadering der heiligen de leden wegtrok uit landen waar de kerk tegelijkertijd probeerde wortel te schieten. Telkens weer scheen het vertrek van de besten de plaatselijke basis te ontwrichten in het voordeel van de grote kerk in Amerika. Op afstand bleek het de juiste politiek: de jonge gelovigen werden door de inzet en de offers van de emigratie beproefd en gesterkt in hun geloof; zij kwamen terecht in een gemeenschap waar zij de leer en de werking van de kerk terdege in zich konden opnemen; zij stonden niet meer als een kwetsbare minderheid bloot aan vervolgingen en verleidingen; zijzelf, hun kinderen en kleinkinderen, die in de sterke traditie van de kerk opgroeiden, keerden voor een deel terug naar de landen van oorsprong, als zendelingen en als kerkleiders.

Zo tekent zich ook de geschiedenis van de kerk in onze Lage Landen af: van de haast zevenduizend Nederlanders die naar Zion emigreerden keerden er heel wat terug als krachtige en ervaren heiligen om hier de groei van de kerk tijdelijk te stimuleren. Ook hun kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen kwamen en komen nog naar Nederland en Vlaanderen, met een diepe liefde voor het land van oorsprong.

De geschiedenis toont hoe kostbaar hun aanwezigheid en hun ervaring zijn. Bekeerlingen die niets van de kerktradities afweten en nooit hebben gedeeld in het grotere mormoonse gemeenschapsleven, veroorzaken soms veel moeilijkheden en afwijkingen in jonge lokale gemeenten en wijken. Dan is er behoefte aan standvastige en evenwichtige heiligen die weten hoe het hoort: zij die in de mormoonse bakermat in het Amerikaanse westen verbleven hebben en er het echte kerkleven in zich opgenomen hebben, kunnen een grote hulp betekenen om leiders te trainen en de juiste richting aan te duiden. Wanneer men aldus de geschiedenis van de kerk in Nederland en Vlaanderen doorloopt, ontdekt men gauw de impact die de "vergadering der heiligen" op termijn gehad heeft: vanaf 1870 keren regelmatig geëmigreerde Nederlanders of hun directe nakomelingen als zendingspresidenten terug: Sybren van Dijk, Peter Lammers, Frederik Peters, Zwier Koldewyn, Timotheus Mets, Fred Pieper, Frank Kooyman, Jacob Schipaanboord, Don van Dam, Don van Slooten, Peter Dalebout, Neil Kooyman, John Limburg, John Roghaar. Zij zijn deel van een doelmatige historische beweging, die maakt dat Zion nu in elk deel van de wereld volwaardig uitgebouwd kan worden.

Volgend nummer:
Het zendingswerk van 1864 tot 1870.

Voetnoten:

(1) Millenial Star, X (1847), 8188.
(2) James A. Little, From Kirtland to Salt Lake City (Salt Lake City: Deseret News Press, 1909), p. 216.
(3) Richard L. Jensen & Gordon Irving, Mormons on the Ship Amazon (unpublished manuscript), p. 5.
(4) Charles Dickens, The Uncommercial Traveller, pp. 209-213.
(5) Edinburgh Review, January 1862.
(6) Millenial Star, XVII (1854), 218.
(7) Leer en Verbonden 29:7-8.
(8) Millenial Star, X (1847), 81-88.