
Komt Heil'gen Komt...
Even in herinnering brengen:
In het eerste hoofdstuk beschreven we hoe in 1837 de eerste zendelingen
de Europese drempel overschreden. In 1841 bezocht apostel Orson Hyde
Nederland, dat sociaal, cultureel en economisch een sombere periode
doormaakte (Horizon I, 2). Twintig jaar later, in 1861, ontscheepten
de eerste voltijdse zendelingen in Rotterdam: Elder Schettler en Elder
van der Woude. Hun moeizaam werk, de eerste dopelingen en de pijnlijke
leerschool werden in het tweede hoofdstuk verteld (Horizon I, 4). Een
doorbraak tekende zich vervolgens af in de toetreding van de Nieuwlichters,
een vinnige beweging van "heiligen" die heel dicht bij de
herstelde waarheid stonden. In mei 1864 reisde de eerste groep Nederlandse
kerkleden af naar Zion, de voorlopers van haast zevenduizend Nederlandse
emigranten (Horizon I, 5).
Op een kade van Rotterdam stonden de heiligen die in Nederland bleven,
of liever achterbleven. De broeders en zusters met wie ze de prille
kerk hadden gevormd en met wie ze rijke geestelijke ervaringen hadden
gedeeld, wuifden nog vanaf het schip dat nu de haven uitvoer. Op het
dek beleefden die mormoonse passagiers het moment intens: er was het
afscheid van hun geboorteland dat velen vermoedelijk nooit zouden terugzien;
er was de opwinding van een wereldreis die maanden in beslag zou nemen;
er was het aangrijpende vooruitzicht op een nieuwe toekomst "in
ons Zion ons zo waard, waar zich 't volk van God vergaart." Aan
wal streden de achterblijvers ook met hevige gevoelens: de plotselinge
eenzaamheid nu de reeds kleine kern nog kleiner was geworden, het verlangen
om ook te kunnen vertrekken, het leed om de scheiding.
Hier vond een gebeurtenis plaats die in de komende jaren ontelbare
malen herhaald zou worden: het ene deel van de kerkleden vertrok naar
Amerika, het andere deel bleef ter plaatse. Zij die vertrokken hadden
het goede deel gekozen: zij gaven gehoor aan de roep naar Zion en aan
de "vergadering der heiligen."
Die "vergadering" beheerste voor een groot stuk de geschiedenis
van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, tot
ongeveer in het midden van de 20ste eeuw. Hoewel het op het eerste gezicht
meer met de Amerikaanse geschiedenis, dan met de Nederlandse of Vlaamse
geschiedenis te maken heeft, is het toch een fenomeen dat onze Lage
Landen bijzonder raakt: gedurende jaren zou het kerkelijke leven bij
ons getekend worden door de emigratie naar Amerika. Op korte termijn
lijkt het een constante aderlating van bekeerlingen en leiders ten
voordele van de kerk in het verre Westen; maar op lange termijn gezien
zou de emigratie een groot en standvastig miljoenenvolk vormen van waaruit
met veel meer kracht en middelen het zendingswerk in de gehele wereld
gevoed zou worden. In dit hoofdstuk willen we daarom dit fenomeen belichten
als een integraal deel van het geloof en de ervaringen van elke Europese
bekeerling in deze periode.
DE GRONDSLAG: EEN REISROUTE
Op 4 februari 1846 stak een groep huifkarren de Mississipi over op
een veerboot. Enkele dagen later vroor de machtige stroom dicht en kon
men sneller en talrijker oversteken. De grote uittocht van vijftienduizend
heiligen der laatste dagen was begonnen. In de barre winter verlieten
deze mannen, vrouwen en kinderen hun prachtige stad, Nauvoo-de-Schone
in de staat Illinois. Hun gezellige huizen en bloeiende bedrijven werden
nu geplunderd door de vijanden die hen verdreven. Tien kilometer verder
sloegen de bannelingen hun eerste kamp op. Achter de schamele beschutting
van wagenzeilen en van takkenhutten leden duizenden honger en koude.
Als men een nabijgelegen heuvel beklom, kon men in de verte nog de tempel
zien, gebouwd met onvoorstelbare offers, en die spoedig ontwijd zou
worden door hen die de profeet Joseph in koele bloede vermoord hadden.
Daar lag het verleden, nu moest naar de toekomst in het verre westen
gekeken worden.
Onder de krachtige leiding van Brigham Young werden de heiligen voorbereid
op de lange reis naar het Rotsgebergte, waar zij eindelijk in vrede
hun eigen samenleving zouden kunnen vormen. De maatregelen van Brigham
Young getuigden van een groot en gedurfd inzicht: een reisroute werd
dwars door de wildernis uitgestippeld; voorhoedes zorgden voor het banen
van wegen, het slaan van bruggen en het bouwen van veerboten; vooruitgeschoven
groepen bezaaiden grote stukken land zodat latere groepen daar konden
oogsten en hun trekdieren en kudden konden weiden: pleisterplaatsen
werden zorgvuldig uitgekozen en klaargemaakt met omheiningen, waterputten,
korenmolens, voorraadschuren; speciale groepen werden belast met uiteenlopende
zaken zoals onderwijs, postdienst, sanitaire installaties, muziek en
dans, ziekteverzorging, jacht, enz. Gedetailleerde regels werden uitgevaardigd
en stipte dagprogramma's uitgewerkt. Brigham Young voorzag dat het niet
zou gaan om de eenmalige reis van een groep ontheemden, maar om de onafgebroken
exodus van tienduizenden en tienduizenden uit de Oude Wereld. Hij wist
dat hij de grondslag legde van een beweging die tientallen jaren zou
duren.
In juni 1847 kwam de eerste groep in de eenzame en barre streek van
het Grote Zoutmeer aan. "Dit is de plaats," zei Brigham Young.
Onmiddellijk begonnen de heiligen aan de ontginning en ontwikkeling
van een onmetelijk gebied. En tussen dit land in het Rotsgebergte en
de oostelijke staten van de Verenigde Staten lag nu ook een georganiseerde
reisroute om vele andere duizenden te laten komen. De zendelingen die
naar alle delen van de wereld gestuurd werden, verkondigden dan ook
deze roep naar Zion en deze vergadering van de heiligen "naar Zions
schoon en vreedzaam land," zoals een lofzang het enthousiast verkondigde.
HET BLIJVENDE EMIGRATIEFONDS
De emigratie werd grootschalig en praktisch aangepakt. Reeds in december
1847 richtte Brigham Young een schrijven aan de heiligen in Engeland
met de raad het volgende mee te brengen:
"Alle soorten van het beste zaad, van granen, groenten, fruit,
struiken en bomen - alles wat er ook ter wereld groeit en aangenaam
is voor het oog, het hart verheugt of de ziel verblijdt; ook de beste
diersoorten en pluimvee van allerlei aard; tevens de beste gereedschappen
en machines voor het spinnen en weven van katoen, wol, vlas, zijde,
of ook modellen en beschrijvingen ervan; daarbij alle werktuigen en
machines voor landbouw en veeteelt, zoals maïsspellers, dors- en
wanmachines, korrelreinigers, molens en verder alle voorwerpen die bevorderlijk
zijn voor de gezondheid, het geluk en het welzijn van een volk. Indien
het zware machines betreft, die aanzienlijke transportkosten met zich
meebrengen, is het beter in modellen en ontwerpen te voorzien, waardoor
die machines hier vervaardigd kunnen worden" (1).
Vele leden hadden niet de middelen om de verre reis te bekostigen.
Om dit te verhelpen werd in 1849 het "blijvende emigratiefonds"
opgericht - een onderneming zonder winstgevend doel met een kapitaal
waaruit geleend kon worden om te emigreren. Ondanks de armoede en de
pioniersomstandigheden van de heiligen in Salt Lake en omgeving, begonnen
zij onmiddellijk geld bij te dragen om het fonds te starten ten behoeve
van mensen die zij nog nooit gezien hadden. Het zou met de tijd miljoenen
dollars bedragen. In een schrijven van 16 oktober 1849 werd de gebruiksprocedure
van het fonds duidelijk omschreven:
"Dit fonds is bijeengebracht uit vrijwillige bijdragen en het
ligt in de bedoeling het zo te beheren dat het bedrag gelijk blijft
of meer wordt.. Wanneer de heiligen uit verre landen met deze hulp hier
aankomen, dan verplichten zij zich tegenover de kerk zo gauw hun omstandigheden
het toelaten, het ontvangen geld weer terug te betalen. Wie wil kan
tegen een goed loon bij openbare werken in dienst treden en zo zijn
schuld helpen aflossen. Zo gauw de heiligen in hun eigen levensonderhoud
kunnen voorzien en een overschot kunnen kweken, dienen zij dit als afbetaling
te gebruiken en zo zelf het emigratiefonds te versterken... De middelen
uit het fonds moeten dus als een lening en niet als een gift worden
beschouwd. Wie eerlijk is, zal zich hierover verheugen, want hij zal
er graag voor werken en door arbeid onafhankelijk zijn, zonder van liefdadigheid
te moeten leven. Wanneer er leeglopers onder u mochten zijn, dan zullen
zij tijdens de reis allerlei aanmerkingen en eisen hebben en aan het
eind zullen zij niets willen betalen... Het emigratiefonds biedt dergelijke
leeglopers geen hulp. Wij kunnen ze in onze valleien niet gebruiken"
(2).
Voor het einde van de eeuw zouden zo'n honderdduizend Europese heiligen
van het emigratiefonds gebruik maken om naar Zion te emigreren. Niet
allen betaalden het geleende geld terug: het was onvermijdelijk dat
ook al eens minder standvastige mensen van het systeem gebruik maakten
en, eenmaal in Amerika, van de kerk afhaakten. De kerk stelde geen juridische
vervolgingen in om dan de terugbetaling te eisen. Enkel met lankmoedigheid
en liefde probeerde men deze inactieven tot betere gevoelens te brengen.
DE GROTE BESLISSING
Via de "emigratieagenten" organiseerde de kerk alle praktische
aspecten, waaronder het indelen van de toekomstige emigranten in reisgroepen,
het charteren en inrichten van schepen en het uitrusten van de emigranten
voor de reis over de Amerikaanse vlakten. Dankzij dit zeer efficiënte
systeem kwam de emigratie vanuit Europa snel op gang. Het scenario was
voor bijna iedereen hetzelfde: na hun bekering tot het herstelde evangelie
hoorden de nieuwe heiligen veel over Zion en over de voordelen van de
vergadering in het westen. De beslissing om te emigreren was makkelijker
dan men nu zou denken: in het sociaal gedesintegreerde Europa van de
19de eeuw, met zijn hopeloze klassenconflict, zijn nationalistische
oorlogen en zijn uitzichtloze toekomst voor de kleine man, bood het
open en vrije Amerika een aanlokkelijke aanblik. Daar was er grond,
daar werd men niet uitgebuit door de rijken, daar werd werk gewaardeerd.
Tussen 1821 en 1924 emigreerden 33 miljoen Europeanen naar de Verenigde
Staten. Het was een fenomenale volksverhuizing van de Oude naar de Nieuwe
Wereld. Voor de heiligen lagen de zaken wel wat anders: zij trokken
naar Amerika om er Zion mee op te bouwen en zij hadden de steun van
een goedwerkend systeem dat hen veel hulp bood en ook veel van hen verwachtte.
Eenmaal de beslissing genomen, begon een vrij lange periode van voorbereiding:
sparen, onnodige bezittingen verkopen, reisgoed en uitrusting aanschaffen,
nuttig beroepsmateriaal verzamelen, enz. Op een vastgestelde datum kwamen
de betrokken emigranten dan samen in de vertrekhavens van Liverpool
of London, meestal begeleid door terugkerende zendelingen. Elk jaar
verschenen er aldus duizenden op het appel aan de kaden waar gecharterde
"mormoonse" schepen klaarlagen. De gebeurtenis bleek zo indrukwekkend
qua organisatie en aantal deelnemers, dat "vele Londenaars, waaronder
vele regeringsambtenaren en geestelijken, naar de heiligen der laatste
dagen kwamen kijken en naar hun toebereidselen" (3).
De beroemde schrijver Charles Dickens bevond zich tussen de geïntrigeerde
toeschouwers die in juni 1863 naar het schip "The Amazon"
kwamen kijken. 891 heiligen der laatste dagen waren net aan boord gegaan,
verdeeld over verschillende kerkelijke wijken met elk een presidium
en een wijkraad, heel gedisciplineerd en toch heel hartelijk. Dickens,
die net zoals vele buitenstaanders heel wat lasterpraat over de mormoonse
kerk had gehoord, schreef: "Ik begaf mij aan boord van hun schip
om getuigenis tegen hen af te leggen indien zij het verdienden; en ik
was er van overtuigd dat zij het zeker verdienden. Maar tot mijn grote
verbazing verdienden zij het niet. Daar ik een eerlijk getuige wil zijn,
mag ik mij niet door vooroordelen laten beïnvloeden. Met de beste
wil van de wereld kon ik niet ontkennen dat hier een bijzondere kracht
een bijzondere gebeurtenis tot stand bracht - een gebeurtenis die beter
bekende krachten niet tot stand gebracht hebben..." (4).
En het comité van toezicht van de House of Commons in London
noteerde: "Wij lieten de mormoonse agent en tussenpersoon voor
de reis voor ons verschijnen en kwamen de schepen die onder zijn bevoegdheid
vallen. Een schip met heiligen der laatste dagen is een familie, die
aan een strenge, maar algemeen aanvaarde discipline onderworpen is.
Alles wat tot verbetering van het comfort, het goede uiterlijke en de
innerlijke vrede bijdraagt, is er aanwezig" (5).
EEN KORST SMAAKTE ALS ZOETE KOEK...
Een zeereis van ongeveer twee weken bracht de heiligen in New York.
Op wat stormweer en zeeziekte na, hadden zij genoten van een periode
van vergaderingen, taal- en evangelielessen, zang, dans en gezellig
vermaak. Zij konden zonder grote problemen per spoor door de oostelijke
staten van de Verenigde Staten reizen tot het punt waar de spoorlijn
ophield (de treinverbinding met Utah kwam pas klaar in 1869). Ze werden
er opgewacht door bevoorradingsagenten van de kerk, die verantwoordelijk
waren voor de verdeling van "huifkarren, ossen, koeien, geweren,
meel, spek en andere nuttige artikelen." Om de kosten voor de emigranten
zoveel mogelijk te drukken, werd al het overbodige vermeden: "Uiteraard
kunnen op de karren alleen de hoognodige bagage, voorraden en gereedschappen
worden meegenomen, en de mensen zelf zullen maar weinig kunnen rijden"
(6). De "karrentreinen" die aldus werden samengesteld waren
soms enorm lang. Een trein van bijvoorbeeld 400 karren, elk getrokken
door acht ossen, strekte zich twee à drie kilometer uit op de
route.
Laten we nu één van de Nederlandse emigranten aan het
woord, zuster Johanna Carolina Lammers, die in 1867 "naar Zion
trok" en veertig jaar later het volgende schreef aan de leden in
Nederland:
"Het was in Mei 1867, dat mijne oude moeder (zij was 75 jaar oud)
en ik, vergezeld van nog acht Nederlanders, naar Zion vertrokken. Wij
voeren met het stoomschip Minnesota' en kwamen na zestien dagen zeereis
behouden te New York aan.
"Wij reisden per spoor van New York naar Council Bluffs, alwaar
toebereidselen voor de reis door de wildernissen gemaakt werden. Toen
alles gereed was vertrokken wij. De karavaan bestond uit 460 zware wagens,
ieder getrokken door acht ossen. Iederen dag legden wij omtrent 20 mijlen
af. Het was een verheven schouwspel als wij des avonds kampeerden. De
wagens werden in een cirkel geplaatst, het vee en de menschen er binnen.
Er werden gewapende wachters omheen geplaatst en vuren ontstoken tot
het bereiden van voedsel. De kapitein ging rond om te zien of alles
in orde was... Wij deden onze gebeden en er heerste eensgezindheid.
Het jonge volkje vermaakte zich met zingen, muziek, enz. Om 9 uur werd
met een hoorn het signaal tot slapen gegeven en alles werd dan rustig.
Gedurende den nacht werd er echter streng gewaakt. Des morgens ten half
zeven werd het signaal geblazen voor het morgengebed. Als het ontbijt
genuttigd was en de vuren uitgedoofd waren, werd de tocht verder gezet.
Mijne oude moeder kon in de wagen op kisten zitten en zoo reizen, maar
aangezien er geen plaats genoeg was voor allen, had ik het genoegen
iederen dag in het heete zand te kunnen loopen. Wij leerden elkaar spoedig
kennen en op zulk eene reis is het niet altijd zonneschijn, maar er
doen zich veel moeilijkheden voor.
"Daarna kwam er eene zwaardere beproeving, de geele koorts brak
in ons midden uit en 42 slachtoffers, groot en klein, vielen als prooi
van die treurige ziekte. De levensvoorraad werd zeer gering en wij moesten
erg zuinig zijn. Ik herinner het mij nog levendig, hoe ik met blijdschap
een korst brood opraapte, die ik in het wagenspoor zag en alhoewel er
reeds vele wagens over gereden waren, zoo smaakte het als zoete koek.
"De reis duurde erg lang, de zomer ging voorbij en de winter begon
zich duidelijk te vertonen. Mijne schoenen waren zoo erg versleten,
dat mijne teenen er door kwamen en zoo moest ik in de sneeuw loopen.
Mijn teenen waren eenmaal bevroren en de broeders moesten mij helpen.
Ik moest in de sneeuw gaan zitten zoodat zij beter werden. Iedere winter
zijn zij nog steeds pijnlijk.
"Eenmaal kwamen er drie wilde Indianen uit de bergen naar ons
toe en vroegen om geschenken. Zij waren geheel naakt en met harige huiden
bedekt. Zij geleken veel op beren en wij waren erg bevreesd. Toen wij
hun van levensmiddelen en andere geschenken voorzien hadden, vertrokken
zij weer.
"Ik zal niet verder over mijne ondervindingen uitwijden, maar
wil mijn getuigenis geven, dat ik mij steeds verheugd gevoelde en nooit
murmureerde of klaagde, maar altijd dankbaar was, waardig te zijn naar
Zion te mogen optrekken, aldaar groote zegeningen te ontvangen en in
het geloof versterkt te worden. Het duurde zeven maanden eer wij in
de valleien der bergen aankwamen. Groot was de vreugde der broederen
die ons tegemoet kwamen met groote potten soep, zoodat wij allen verkwikt
werden.
"Groot is de genade en liefde des Heeren over Zijne kinderen,
die Hem willen vreezen en gehoorzamen. Broeders en zusters, weest standvastig
in het Evangelie en weet dat wat u ook mag overkomen, het altijd tot
uw welzijn zal wezen als gij blijft volharden. Ik hoop dat wij allen
getrouw zullen blijven. Uw nederige zuster in het Evangelie, Johanna
Carolina Lammers."
Het is aan zo'n getuigenis dat men de geest en het geloof van deze
eerste Nederlandse heiligen kan meten.
Bij het binnentreden in Salt Lake werden de emigranten onthaald met
een fanfare en met feestelijkheden, waarbij Brigham Young hen meestal
persoonlijk kwam begroeten. Toch betekende hun aankomst aldaar niet
het eindpunt van hun reis: de vestiging van Zion beperkte zich immers
niet tot Salt Lake en de omliggende streek, maar zij omvatte een enorm
kolonisatiegebied dat zich spoedig uitstrekte van Canada tot Mexico.
Nieuwe mormoonse nederzettingen werden voortdurend gesticht, steeds
verder naar het noorden en naar het zuiden. Elke groep kolonisten die
vanuit Salt Lake vertrok werd zorgvuldig georganiseerd: een wijkpresidium
("bisschap") aan het hoofd, verder boeren, kleermakers, molenaars,
timmermannen, metselaars, een smid en een arts, allen met hun gezinnen.
Zij begaven zich naar onontgonnen gebieden, vakkundig uitgezocht door
verkenners. De spaden braken de grond open, irrigatie bracht water aan
en overal begon de woestijn te bloeien als een roos.
BETEKENIS VAN DE VERGADERING
De vergadering der heiligen was een fenomeen dat vooreerst religieus
geïnspireerd was. Reeds in 1830, het jaar van de stichting van
de kerk, werd door openbaring verkondigd:
"En gij zijt geroepen om de vergadering van Mijn uitverkorenen
tot stand te brengen; want Mijn uitverkorenen horen Mijn stem, en verstokken
hun hart niet. Daarom is het gebod van de Vader uitgegaan, dat zij op
één plaats in dit land moeten worden vergaderd om hun
hart voor te bereiden en in alle dingen voorbereid te zijn op de dag,
wanneer rampspoed en verwoesting over de goddelozen worden gezonden"
(7).
Voor de heiligen betekende de vergadering bijgevolg een zich veilig
stellen door afzondering van de goddeloze wereld, en de mogelijkheid
een vredesrijk te stichten volgens eigen sociale en economische normen.
Keer op keer hadden zij dit geprobeerd en telkens werden zij verdreven,
van New York naar Ohio, van Ohio naar Illinois, van Illinois naar Missouri.
Ook daar werden zij mishandeld en opgejaagd. Het verlangen naar de uiteindelijke,
ongestoorde plaats werd steeds groter. Het is in dit licht dat men de
emotionele pleitrede kan begrijpen, die de leiders van de kerk in 1847
uitzonden, toen zij in het hart van de winter halfweg tussen Nauvoo
en het Rotsgebergte kampeerden:
"Het koninkrijk dat wij stichten is niet van deze wereld, doch
is het koninkrijk van de grote God. Het is het resultaat van rechtschapenheid,
van vrede, van zaligheid voor iedere ziel die het wil ontvangen van
Adam af tot aan zijn laatste afstammeling... Kom dan, o heiligen der
laatste dagen, en alle gij groten en kleinen, wijzen en ongeleerden,
rijken en armen, edelen en onedelen, verhoogden en vervolgden, heersers
en onderdanen, die de deugd liefhebben en ondeugden haten, en help ons
dit werk te doen, dat de Here van onze hand eist..." (8).
Het is waar dat deze vergadering der heiligen de leden wegtrok uit
landen waar de kerk tegelijkertijd probeerde wortel te schieten. Telkens
weer scheen het vertrek van de besten de plaatselijke basis te ontwrichten
in het voordeel van de grote kerk in Amerika. Op afstand bleek het de
juiste politiek: de jonge gelovigen werden door de inzet en de offers
van de emigratie beproefd en gesterkt in hun geloof; zij kwamen terecht
in een gemeenschap waar zij de leer en de werking van de kerk terdege
in zich konden opnemen; zij stonden niet meer als een kwetsbare minderheid
bloot aan vervolgingen en verleidingen; zijzelf, hun kinderen en kleinkinderen,
die in de sterke traditie van de kerk opgroeiden, keerden voor een deel
terug naar de landen van oorsprong, als zendelingen en als kerkleiders.
Zo tekent zich ook de geschiedenis van de kerk in onze Lage Landen
af: van de haast zevenduizend Nederlanders die naar Zion emigreerden
keerden er heel wat terug als krachtige en ervaren heiligen om hier
de groei van de kerk tijdelijk te stimuleren. Ook hun kinderen, kleinkinderen
en achterkleinkinderen kwamen en komen nog naar Nederland en Vlaanderen,
met een diepe liefde voor het land van oorsprong.
De geschiedenis toont hoe kostbaar hun aanwezigheid en hun ervaring
zijn. Bekeerlingen die niets van de kerktradities afweten en nooit hebben
gedeeld in het grotere mormoonse gemeenschapsleven, veroorzaken soms
veel moeilijkheden en afwijkingen in jonge lokale gemeenten en wijken.
Dan is er behoefte aan standvastige en evenwichtige heiligen die weten
hoe het hoort: zij die in de mormoonse bakermat in het Amerikaanse westen
verbleven hebben en er het echte kerkleven in zich opgenomen hebben,
kunnen een grote hulp betekenen om leiders te trainen en de juiste richting
aan te duiden. Wanneer men aldus de geschiedenis van de kerk in Nederland
en Vlaanderen doorloopt, ontdekt men gauw de impact die de "vergadering
der heiligen" op termijn gehad heeft: vanaf 1870 keren regelmatig
geëmigreerde Nederlanders of hun directe nakomelingen als zendingspresidenten
terug: Sybren van Dijk, Peter Lammers, Frederik Peters, Zwier Koldewyn,
Timotheus Mets, Fred Pieper, Frank Kooyman, Jacob Schipaanboord, Don
van Dam, Don van Slooten, Peter Dalebout, Neil Kooyman, John Limburg,
John Roghaar. Zij zijn deel van een doelmatige historische beweging,
die maakt dat Zion nu in elk deel van de wereld volwaardig uitgebouwd
kan worden.
Volgend nummer:
Het zendingswerk van 1864 tot 1870.
Voetnoten:
(1) Millenial Star, X (1847), 8188.
(2) James A. Little, From Kirtland to Salt Lake City (Salt Lake City:
Deseret News Press, 1909), p. 216.
(3) Richard L. Jensen & Gordon Irving, Mormons on the Ship Amazon
(unpublished manuscript), p. 5.
(4) Charles Dickens, The Uncommercial Traveller, pp. 209-213.
(5) Edinburgh Review, January 1862.
(6) Millenial Star, XVII (1854), 218.
(7) Leer en Verbonden 29:7-8.
(8) Millenial Star, X (1847), 81-88.