
HOOFDSTUK 3
DE NIEUWLICHTERS EN DE ROEP NAAR ZION
In 1816 - Napoleon is net verslagen te Waterloo - staat een fris en
rond man, scherp van verstand, aan het roer van zijn beurtscheepje dat
over de Zuid-Hollandse binnenwateren turf en steenkolen vervoert. Schipper
Stoffel Muller is een idealist, diep bewogen door de ellende van het
kleine volk en diep ontgoocheld door de kilte van de gevestigde kerken
tegenover de wanhoop der verworpenen. Hij grijpt naar de pen en schrijft
gloeiende zinnen over sociale rechtvaardigheid. Zijn geschriften steken
Dirk Valk aan, schout van Waddinxveen, die daarbij ook gelooft in de
spoedige komst van het duizendjarig rijk. De derde figuur is Maria Leer,
naaister te Amsterdam, die met ziel en lichaam haakt naar de volheid
van de gemeenschap met God en mensen. Ook zij vindt de echo van haar
verlangens bij Stoffel Muller en wordt de "profetes" van de
beweging. Het trio krijgt weerklank op het Zuid-Hollandse platteland
en sticht hier en daar een "broederschap der volmaakten",
die leven als de eerste christenen, "alle goederen gemeen hebbend",
en naar de ingeving van "het nieuw licht" (1).
De "broeders en zusters" leven van het maken van zwavelstokjes
(de lucifer is nog niet uitgevonden), die zij tot in Friesland toe venten,
overal aanhang wervend. Zij kleden zich sober en gelijk met een bruine
broek of rok van grove stof. Bij de vrouwen omsluit een kapje het hoofd,
waaruit geen haar mag ontsnappen. Zij helpen de armen zoveel zij kunnen,
bekommeren zich geenszins om de voorschriften van de staat en begraven
hun doden zonder rouwbetoon. Het volk valt de "Nieuwlichters"
spoedig lastig met scheldwoorden en mishandeling - die rare "heiligen"
erkennen immers het burgerlijk huwelijk niet, geven hun kinderen niet
aan en weigeren legerdienst.
Stoffel Muller, Dirk Valk en Maria Leer worden voor de rechtbank gesleept.
De mannen willen hun hoed niet afzetten - "dat doen wij alleen
voor God!" Zij spreken daarenboven de rechter aan met "goede
vriend", in plaats van "mijnheer" - "want hun Heer
is een andere". Een advokaat, bewogen door de onrechtvaardige behandeling
van de Nieuwlichters, neemt hun verdediging op: "Het zijn arbeidzame,
zachtmoedige mensen, kinderen van een latere eeuw van vooruitgang op
godsdienstig gebied! Aan de naam van Nieuwlichters, nu een scheldnaam,
zal eenmaal een erenaam worden toegewezen in de geschiedenis!"
(2) De rechters betonen zich "mild": in plaats van de gevraagde
drie jaar dwangarbeid, krijgen Muller, Valk en Leer slechts één
jaar gewone gevangenisstraf "wegens rebellie tegen de machten".
Juichend dankt Maria Leer God dat zij onder de gevangenen "troost
en godsvrucht" zal kunnen brengen.
Zoals Paulus vanuit Rome, schrijven zij opwekkende brieven naar de
broederschappen en zingen zij elke dag in hun cel de psalmen Davids.
Vrijmoedig prediken zij de blijde boodschap tot medegevangenen, cipiers,
regenten van de gevangenis en bezoekende pastoors en dominees. Maria
Leer's vurige christenliefde brengt zieken tot beterschap en krankzinnigen
tot gezond verstand. De Nieuwlichtster geniet van haar opsluiting met
het enthousiasme van een blijde martelaar.
Na het jaar in de gevangenis, ontstaat echter een eerste breuk in de
gemeenschap. Dirk Valk, die meer mijmert over het Godsrijk, dan dat
hij "de teugels der aardsche huishouding" voert, verlaat de
groep met een aantal volgelingen en gaat rustig zitten wachten op de
komst van Jezus. Stoffel en Maria zijn praktischer aangelegd. Zij
kopen in Zwijndrecht (Zuid-Holland) een scheepstimmerwerf en bouwen
er een houten zaal voor de godsdienstoefening op zondag. Ieder mag er
vrij opstaan en zijn getuigenis geven over de komst van het Godsrijk.
Arthur Van Schendel zal er later een roman aan wijden - De
Waterman.
Dank zij de tegenstand komt er nu voorspoed. Wanneer drie jonge Nieuwlichters
gearresteerd worden omdat ze dienst weigeren en één van
hen onder de mishandeling in de kazerne sterft, komt een Professor Tydemann
bij Koning Willem I pleiten voor deze vervolgde christenen. De vorst
staat daarop "hun ongestoorde uitoefening van nijverheid en godsdienst"
toe.
In 1830 worden twee vooraanstaanden lid van de Nieuwlichters - Philippus
Mets en Willem Heystek. Zij brengen de nog primaire beweging geld, opvoeding
en achtenswaardigheid. De namen Mets en Heystek zullen een generatie
later betekenisvol worden in de ontmoeting met het mormonisme. Philippus
Mets zorgt voor een sterkere economische draagkracht van de Nieuwlichters.
Hij schenkt de gemeenschap 3.000 gulden en richt een chocoladefabriek
op. De verkoop van de chocolade vervangt al vlug de armoedige zwavelstokjes.
De pakjes chocolade, in het rood gemerkt met mooie letters en een leeuwtje,
gaan overal grif van de hand. De Nieuwlichters beleven hun gouden eeuw.
Willem Heystek wordt de verwoorder van de doctrine: grondig opgevoed,
didactisch aangelegd en met een trefzekere pen, articuleert hij de leer
van de broederschap in een werkelijke catechismus, "De Ware Leer
der Zaligheid" (3). Wanneer de Nieuwlichters later het mormonisme
ontmoeten, weten zij over de Schriften en religieuze inhouden degelijk
mee te praten.
Maar de verhoogde levenstandaard en de scherpere doctrinale omlijning
verstrakken het spontane, het bruusk-natuurlijke van de beweging. De
rijkere leden leggen begrijpelijke beperkingen op aan de "gemeenschap
der goederen", want steeds talrijker armen komen zich met genoegen
en met open hand bij de Nieuwlichters aansluiten. Domme onmin verduistert
al eens het nieuwe licht. In 1833 sterft Stoffel Muller met een berustend
"De zegepraal zal in haar volheid wel voor de eeuwigheid bewaard
blijven." De moeilijkheden nemen toe, de oude droom van eenheid
en gemeenschap valt ten prooi aan de drang naar eigenbezit.
Maria Leer ziet met tranen in de ogen de verflauwing van de hoge idealen.
Men beweert dat zij een ongelukkige poging onderneemt om de ultieme
liefde voor elkaar nieuw leven in te blazen via "de gemeenschap
der vrouwen". Het lokt een crisis uit, waardoor Maria Leer geïsoleerd
raakt en zich terugtrekt uit de gemeenschap (4). Tegen 1850 zijn de
Nieuwlichters, zoals andere utopische pogingen uit die periode, uiteengevallen.
Maar kleine groepjes, verspreid over vele plaatsen van Zuid-Holland,
houden nog krampachtig vast aan droom en doctrine.
DE PADEN KRUISEN
In de eerste week van maart 1863 komen enkele Zwijndrechtse Nieuwlichters,
door toedoen van doctor Muller (familie van Stoffel Muller?), naar de
Amsterdamse vergaderingen van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen
der Laatste Dagen. Elder van der Woude bespreekt met hen een paar leerstellingen,
zoals de eeuwige natuur van de menselijke geest, en hij ontdekt dat
zij op vele punten hetzelfde geloven. De meest betrokken onderzoeker
blijkt een Eelke Alberts Jasper te zijn, schipper van Gorkum, die dagelijks
gesprekken komt voeren met van der Woude en trouw de vergaderingen bezoekt.
Het gezin Jasper bezorgt de zendeling wat levensonderhoud. Spoedig verzoeken
zij gedoopt te worden, maar van der Woude, trouw aan het principe niemand
lichtvaardig te bekeren, stelt dit uit tot de maand mei.
In april 1863 vraagt Jasper met aandrang dat van der Woude naar Rotterdam
zou komen om er te spreken met het lokale groepje Nieuwlichters dat
daar alsnog standhoudt. Van der Woude maakt de reis en de ervaring wordt
overweldigend. De zendeling ontmoet er de drie zonen van Philippus Mets
- Timotheüs, Samuel en Matthys - alsmede de familie Huisman - allen
verstandige en voorspoedige kooplieden die het uiteenvallen van de oorspronkelijke
"broederschap der volmaakten" overleefd hebben. Ook familieleden
van Willem Heystek, de doctrinale denker van de beweging, zijn van de
partij.
Hoewel de Nieuwlichters hun eigen leringen en tradities hebben, die
door predikingen en vervolgingen diep in hen geankerd zitten, ontdekt
van der Woude toch spoedig, tot zijn niet geringe verbazing, dat zij
op fundamentele punten heel dicht bij de herstelde waarheid staan. Zij
geloven in een afval die het jonge christendom getroffen heeft en hopen
vurig op een herstelling van de oorspronkelijke kerk. Ook verzetten
zij zich tegen de sombere kleuren waarmee de gevestigde kerken het leven
als een tranendal en de mens als een verdorven wezen zien. Het aardse
bestaan in eenvoud en vreugde beleven, liefde betuigen aan de medemens
en rotsvast hopen op Gods genade - dat zijn hun krachtlijnen. Nog merkwaardiger
wordt het wanneer blijkt dat deze Nieuwlichters zich soms nog een andere
naam toemeten - "Heiligen der laatste dagen" en dat zij besloten
zijn volgend jaar naar het Rotsgebergte te emigreren (5).
Toch gaat van der Woude niet overhaast te werk temidden van deze wonderbaarlijke
ontwikkeling. Niet alle begrippen van de Nieuwlichters komen met het
mormonisme overeen en de jonge kerk kan zich geen bekeerlingen met nog
vreemde ideeën veroorloven. De rest van april en heel de maand
mei 1863 werkt Elder van der Woude met de Nieuwlichters door prediking
en gesprekken.
' NU ZULLEN WIJ HET WARE KRIJGEN...'
Niet alleen mormoonse bronnen spreken van die toenadering van de Nieuwlichters
tot het mormonisme. De historicus H. P. G. Quack noteert dat in 1863
"een trilling onder de Nieuwlichters te bespeuren was... de tijding
dat hun de roeping van de Geest was gebracht, om naar de Mormonen in
Noord-Amerika te gaan" (6). Professor Quack haalt het boeiend getuigenis
aan van A. J. Oost, predikant te Zutfen, die het verschijnsel te Heukelum
bij Gorkum waarneemt. Deze dominee heeft omgang met verscheidene Nieuwlichters
en meldt hoe de boodschap van "de roep naar Zion" door "de
ruilebuik" wordt overgebracht. "De ruilebuik" is een
schipper, Heystek genaamd (Willem Heystek zelf of familie?), die in
zijn vaartuigje ruilhandel drijft en optreedt als reizende agent voor
de Nieuwlichters.
Een uittreksel uit Professor Quack's verslag van dominee Oost's ervaringen
illustreert die geestelijke opwekking die het mormonisme voor de Nieuwlichters
betekent:
"Een vreemde, onuitsprekende opgewondenheid maakte zich toen van
deze Nieuwlichters meester. 'Wij worden geroepen!', zo klonk het. De
heer Oort, toen hij het eerst er van hoorde, ging dadelijk naar den
ouden Dirk Exalto.
'Is het waar, gaat ge weg?' zo vroeg de predikant.
Reeds het uiterlijk van de boer antwoordde voor hem. Zijn ogen fonkelden
onder zijn grijze wenkbrauwen en zijn handen trokken zenuwachtig aan
zijn pet.
'Of ik ga, man? De gehele wereld houdt mij niet vast. Nu zullen wij
het ware krijgen. Nu weten wij, waar de echte liefde is.'
Toen de predikant hem ernstig vroeg, of hij het op zijn geweten durfde
nemen, niet alleen zichzelf, maar zovelen met hem een onzekere toekomst
te doen tegengaan, herhaalde hij slechts: 'Wij worden geroepen.'
De predikant liet nog niet af, en voerde tegenwerpingen aan. Des te
beslister bleef echter Dirk Exalto. Niet achteruit te zien was zijn
woord:
'Gedenk de vrouw van Lot,' zo klonk het uit zijn mond. 'Begrijpt ge
het nu?' vroeg hij eindelijk met zekere fierheid.
'Neen, Dirk,' was het antwoord.
'Nu, hoor dan mijn woord! Het loopt hier in deze vervloekte oude wereld
op zijn eind. Het geklaag der arbeiders schreeuwt tot Gods troon. De
rijken zullen jammeren en schreien, want de maat is hier vol. Maar bij
de Heiligen der laatste dagen in Utah komt de zaligheid. Dààr
heerst de gelijkheid, de liefde. Dààr is ieder arbeider.
Wie er niet heen gaat, is verloren!'" (7).
Duidelijk wordt hier de roep naar Zion ook vermengd met de socialistische
en communistische idealen van een klasseloze maatschappij, die precies
in die periode velen in beroering zet. Men mag ook niet vergeten dat
Amerika sinds lang, in de ogen van religieuze minderheden en sociale
verworpenen, het land van belofte is, waar vrije godsdienstuitoefening
en de opbouw van een volmaakte maatschappij wortel kunnen schieten.
Reeds bij het prille ontstaan van de Nieuwlichters, in de jaren 1820,
voelden Stoffel Muller en Maria Leer sympathie voor een grote groep
Duitsers die naar Amerika trokken om er het Godsrijk te stichten (8).
Zijzelf werd tijdens haar proces vergeleken met Anna Lee, die jaren
daarvoor Engeland was ontvlucht en in Amerika de Quakers tot hun beroemde
beweging inspireerde. En reeds bij een breuk in de gemeenschap der Nieuwlichters
zelf, omstreeks 1833, waren een aantal naar Amerika getrokken (9). Voor
de overblijvende Nieuwlichters in 1863 krijgt Amerika echter een nieuwe
betekenis: het Koninkrijk Gods werd er reeds gevestigd, in overeenstemming
met hun hoop op een herstelling van de kerk door goddelijke openbaring.
" WE BELEEFDEN EEN HEERLIJKE TIJD..."
Elder van der Woude tracht het laaiend enthousiasme in goede banen
te leiden door steeds eerst degelijk onderwijs te verstrekken. In mei
1863 wordt het gezin Jasper gedoopt. In juni bekomt van der Woude kostbare
hulp van John L. Smith, president van de Zwitsers-Duitse zending, onder
wiens gezag het Nederlands gebied werd geplaatst, en die via Rotterdam
een groep van zeventig Zwitserse emigranten begeleidt naar Liverpool.
Timotheüs Mets, die als leider voor de groep Nieuwlichters optreedt
en het Engels goed beheerst, voert diepgaande gesprekken met John L.
Smith. Wanneer President Smith drie dagen later weer door Rotterdam
komt om naar Basel terug te keren, worden de gesprekken voortgezet.
President Smith noteert in zijn dagboek, juni 1863:
"Op de 10de nam ik de trein vanuit Liverpool naar Hull en op de
11de de stoomboot voor Rotterdam, waar ik de 12de aankwam. Daar bracht
ik geruime tijd door met de heer Timotheüs Mets, leider van de
Nieuwlichters, en samen met hem bezocht ik veel van zijn mensen, gaf
hun een geschiedenis van de heiligen der laatste dagen en van Joseph
de Profeet. Zij waren zeer geïnteresseerd en verscheidenen drukten
hun geloof uit in mijn woorden en wensten gedoopt te worden. Ik gaf
hun de raad niets overhaast te doen, alles te onderzoeken en de waarheid
vast te grijpen, en ik zei hun wat zij moesten doen om een getuigenis
te ontvangen. Ik bracht de dagen en nachten aldus nuttig door, zaaide
het goede zaad en bad tot mijn hemelse Vader dat het wortel mocht schieten"
(10).
Eerst denkend aan het welzijn van de mensen en niet aan zijn eigen
glorie, keert President Smith terug naar Zwitserland, zonder één
van zijn nieuwe Nederlandse vrienden te hebben gedoopt. Net zoals President
Cannon, weet hij dat eerst volledig inzicht en volledige bekering nodig
zijn om standvastigheid te waarborgen. En ook Elder van der Woude huldigt
moedig en nederig het principe van geduld: begin juni 1863 komt een
einde aan zijn zendingsperiode. Na een brief met instructies van President
Cannon uit London te hebben gekregen, neemt ook hij afscheid van zijn
nieuwe vrienden en van zijn familie en reist hij naar Engeland. Daar
voegt hij zich, volgens de gegeven instructies, bij een groep Europese
Heiligen die naar Zion emigreren. Met het stoomschip The Amazon varen
zij naar New York. Elder van der Woude, uit Salt Lake City vertrokken
in april 1861, had een eervolle zending volbracht. De Nederlandse verdiensten
van Elder Schettler, die naar de Zwitsers-Duitse zending was overgeplaatst,
zijn niet vergeten. In juli 1863 stuurt President John L. Smith de Pruisische
zendeling tijdelijk naar Nederland terug om er in Rotterdam het merkwaardige
werk met de Nieuwlichters verder te zetten. De tijd is rijp om Timotheüs
Mets te dopen en Elder Schettler leidt hem het water in. Ook treden
er enkele mensen toe in Gorinchem, waar Schettler eveneens doopt.
Tegen de maand oktober is een grotere groep Nieuwlichters voldoende
onderwezen. Broeder Mets stuurt wat geld aan President John L. Smith
met het verzoek de toetreding van deze groep Nieuwlichters te komen
leiden. President Smith, op reis in Zuid-West Duitsland, aanvaardt de
uitnodiging en komt op 15 oktober te Rotterdam aan. De rest van de maand
besteedt hij aan het verder onderwijzen van het evangelie en aan het
beantwoorden van vragen. De doopdatum wordt gesteld op 1 november 1863.
President Smith noteert in zijn dagboek:
"Gisteravond <31 oktober 1863> kreeg ik een brief van de
heer Heystek dat de wind te hard was en dat de plechtigheid niet kon
doorgaan. Broeder T. Mets vroeg me of ik niet beter het bericht kon
rondsturen dat de mensen niet hoefden te komen. Een volle minuut keek
ik hem aan en antwoordde toen: 'Nee, laat ze komen; mijnheer Heystek
zal hier zijn en wij zullen een fijne dag hebben'. Deze ochtend was
de wind inderdaad gaan liggen en leek het net lente. Mijnheer Heystek
kwam aan met de boot en vijfentwintig mensen gingen aan boord. Hij voer
naar een rustige inham waar we niet gestoord zouden worden, legde een
loopplank naar de kant en ankerde de boot vast. Na een korte vergadering,
stapte ik in het water en broeder T. Mets leidde de mensen één
voor één naar me toe. Ik doopte twaalf mannen en negen
vrouwen, waarna we in het ruim samenkwamen en ik hen bevestigde als
leden van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.
Ik ordende Timotheüs Mets tot priester en stelde hem aan om te
presideren. We beleefden een heerlijke tijd, die we ons lang zullen
herinneren, want de Heer stortte zijn Geest rijkelijk over ons uit en
allen verheugden zich. Nadien gingen we terug naar het huis van broeder
Mets en vergaderden tot laat in de nacht" (11).
Tot die groep dopelingen behoren onder meer de eerder vernoemde Willem
Heystek, Dirk Exalto en Samuel Mets. Kerkleden van nu, wier mormoonse
wortels tot deze voorouders teruggaan, zullen ongetwijfeld met genoegen
de namen van deze bekeerlingen raadplegen (12).
Tegen het einde van 1863 telt de kerk in Nederland reeds een flinke
kern. Het heeft twee en een half jaar werk gekost. De roep naar Zion
weerklinkt nu sterk onder de heiligen en de meesten bereiden zich voor
te emigreren. In mei 1864, na een grondige voorbereiding, staat een
groep van 58 personen (31 volwassenen en 27 kinderen) klaar om te vertrekken.
Ook hiervan geven we de namen ter attentie van hun eventuele nakomelingen
(13). Van Rotterdam varen zij eerst naar Liverpool - dé vertrekhaven
voor de Europese Heiligen. Daar gaan zij aan boord van de SS Hudson
die op 1 juni het anker licht voor de Verenigde Staten. Zij vormen de
eerste groep Nederlandse Heiligen die de grote overtocht maken, op een
totaal van haast zevenduizend in de komende honderd jaar.
Volgend nummer: De tocht naar het
Beloofde Land
Voetnoten
(1) H. P. G. Quack, "De Zwijndrechtse Broederschap, godsdienstig
communisme in de eerste helft onzer eeuw," in De Gids (1892), 231-264.
D. N. Anagrapheus, De Zwijndrechtse Nieuwlichters, 1816-1832 (Amsterdam:
Elsevier, 1892). G. P. Marang, De Zwijndrechtse Nieuwlichters (Dordrecht:
H. De Graaf, 1909). Id., "Nieuw licht over de Zwijndrechtse Nieuwlichters,"
in Nederlands Archief van Kerkgeschiedenis, XXVIII (1936), 129-153.
Wim Zaal, Gods onkruid: Nederlandse sekten en messiassen (Amsterdam:
Meulenhoff, 1972), pp. 19-44. Is. J. Reedijk, De Zwijndrechtse Nieuwlichters
(Zwijndrecht: Plancken en Zn., 1938). Drs. N. van der Blom, "Maria
Leer groet Erasmus", in Rotterdams Jaarboekje 1962 (Rotterdam:
W. L. & J. Brusse, 1962), pp. 247-282.
(2) Anagrapheus, p. 69.
(3) Willem Heystek, De Ware Leer der Zaligheid (Dordrecht: J. de Vos
en Comp., 1834).
(4) Professor Quack onderzocht of "de gemeenschap der vrouwen"
van bepaalde Nieuwlichters invloed heeft gehad op hun interesse voor
het mormonisme, aangezien het meervoudig huwelijk hen in die zin kon
aantrekken. Hij concludeert echter dat het juist diegenen waren die
"de gemeenschap der vrouwen" verwierpen, die overgingen tot
de mormoonse kerk. De huwelijksmoraal van de Heiligen der Laatste Dagen
staat immers lijnrecht tegen "vrije liefde": "streng
werd op het huwelijk toegezien en echtbreuk werd zwaar gestraft"
(geciteerd in Marang, De Zwijndrechtse Nieuwlichters, o.c., p. 236.
(5) Quack, 260. Van der Woude, Journal, 25 April 1863.
(6) Quack, 259, 261.
(7) Quack, 261-262.
(8) Anagrapheus, p. 43.
(9) Anagrapheus, p. 103.
(10) John Lyman Smith, Personal Journal, June 1863.
(11) Ibid.
(12) Gedoopte mannen: Johannes Jacobus Huisman (57), William Heysteck
<Willem Heystek> (63), Bastiaan Keyser (64), Cornelius Dirk Exalto
(63), Huibert van Dam (62), Juan Cornelis van Dam (34), Pieter Olivier
(37), Aart Kuik (38), Jacob Willem Kannegieter (28), Samuel Mets (26),
Willem Heysteck (18), Dirk Bockholt (20). Gedoopte vrouwen: Geertje-Marrigje
van Eck Exalto (62), Maartje van Dam (34), Neeltje Leuven Olivier (37),
Geertje de Jong Kuik (31), Susanna Kannegieter (25), Anna Tol (52),
Johanna Christina Huisman (26), Anna Mets (19).
(13) Willem de Huis, Bertha H. de Huis, Cornelis Dirk Exalto, Geertje
Exalto (geboren van Eck), Huibert van Dam, Jan Cornelis van Dam, Marrigje
Exalto en kinderen Huibert, Geertje, Jaantje en Dirkje; Pieter Olivier
en (Neeltje) Netje Olivier (geboren Leuven) en kinderen Pieter, Christina,
Mathys, Roelof en Netje; Willem Heystek en Catherina Heystek (geboren
van Dyk) en kinderen Willem en Catharina; (Aarb) Kuik, Geertje K. Kuik,
Jacob Willem Cannegieter (ook: Kannegieter), Susanna K. Cannegieter,
Bastiaan W. Keiser, Elizabeth Anna de Waard Keiser en kinderen Anna
en Bastiaan; Johannes Jacobus Huisman, Johanna Christina Huisman, Johanna
H. Huisman, O. L. Mets, Timotheus Mets, Lydia K. Mets, Elizabeth Mets,
Anna Christina Mets; Anneke Hak en kinderen Abrahamina, Anneke, Sophia
Maria, Jacob, Catherina Helena en Adriana Elizabeth; Christina Huysman,
Johanna C. Huysman, Anna C. Tol, Johannes Hendrik Dykman en kinderen
Johannes, Maria, Hendrik, Alida en Christina; Jacoba C. Smuling (Smeeling?),
Eelke Albert Jasper, Elizabeth Dekkers Jasper, Wemeltje Jasper, Cornelis
Jasper, en Dirk Bockholt.
Teksten foto's:
7.1
Portret van de thans oude Maria Leer, omstreeks 1862, toen haar vroegere
geloofsgenoten het mormonisme aanvaardden.
Zwavelstokjes verkopen (midden 19de eeuw): het beroep van de vroege
Nieuwlichters.
Het Noord-Hollands kanaal bij het IJ. Via de grote waterwegen voeren
de Nieuwlichters met hun waren en hun boodschap rond.
Zo bestudeerde een gezin de Schriften in de jaren 1860: "Lezing
van de Bijbel",
Schilderij van Eugène De Block, 1869, Copyright A.C.L., Brussel.
Het Noord-Hollands kanaal bij het IJ. Via de grote waterwegen
voeren de Nieuwlichters met hun waren en hun boodschap tot medegevangenen,
cipiers, regenten van de gevangenis en bezoekende pastoors en dominees.
Maria Leer's vurige christenliefde brengt zieken tot beterschap en krankzinnigen
tot gezond verstand. De Nieuwlichtster geniet van haar opsluiting met
het enthousiasme van een blijde martelaar.
Na het jaar in de gevangenis, ontstaat echter een eerste breuk in de
gemeenschap. Dirk Valk, die meer mijmert over het Godsrijk, dan dat
hij "de teugels der aardsche huishouding" voert, verlaat de
groep met een aantal volgelingen en gaat rustig zitten wachten op de
heden en sociale verworpenen, het land van belofte is, waar vrije godsdienstuitoefening
en de opbouw van een volmaakte maatschappij wortel kunnen schieten.
Reeds bij het prille ontstaan van de Nieuwlichters, in de jaren 1820,
voelden Stoffel Muller en Maria Leer sympathie voor een grote groep
Duitsers die naar Amerika trokken om er het Godsrijk te stichten (8).
Zijzelf werd tijdens haar proces vergeleken met Anna Lee, die jaren
daarvoor Engeland was ontvlucht en in Amerika de Quakers tot hun beroemde
beweging inspireerde. En reeds bij een breuk in de gemeenschap der Nieuwlichters
zelf, omstreeks 1833, waren
8.1
een aantal naar Amerika getrokken (9). Voor de overblijvende Nieuwlichters
in 1863 krijgt Amerika echter een nieuwe betekenis: het Koninkrijk Gods
werd er reeds gevestigd, in overeenstemming met hun hoop op een herstelling
van de kerk door goddelijke openbaring.