HOOFDSTUK 2
DE OOGST VANGT AAN
Op een zomerse maandag, 5 augustus 1861, ontschepen Elder Schettler
en Elder van der Woude in de altijd drukke haven van Rotterdam. Nederland
ligt voor hen als een groot vraagteken: hoe hier het werk vruchtbaar
aan te pakken en ontelbaren tot de herstelde waarheid brengen? Zij bidden
vurig en nederig en wijden zichzelf volledig toe aan de arbeid van de
Heer. Dan, zoals gebruikelijk in het zendingswerk van die periode, gaan
zij tijdelijk uit elkaar om op verschillende plaatsen de boodschap te
kunnen brengen.
Elder Schettler trekt naar Zeist, nabij Utrecht, waar hij verre familie
heeft wonen. Schettler ontdekt dat zijn verwanten, net zoals vele Nederlanders,
reeds van het mormonisme gehoord hebben - en allesbehalve in positieve
zin: "Mijn oude vrienden en verwanten, die het vrij goed maken,
ontvingen mij heel hartelijk; maar na enkele dagen, toen ik hen een
weinig over onze leerstellingen onderwezen had, ontdekten zij dat ik
mij bij de mormoonse kerk had aangesloten, hoewel ik het woord nooit
vermeld had. Het werd toen erg moeilijk hen te laten luisteren naar
redelijke taal, omdat men zeer bevooroordeeld staat tegenover ons, en
dit door de meest lage en schandelijke verhalen in Nederlandse en Duitse
kranten. Ik voerde wel enkele interessante gesprekken met hun predikant
en enkele van hun geleerde mannen, die mij persoonlijk kenden, en zij
konden de leerstellingen die ik naar voor bracht niet weerleggen. Ten
slotte zeiden zij mij dat zij overtuigd waren van de eerlijkheid van
mijn bedoelingen, maar dat ik misleid was en een fanaticus was geworden"
(1).
De "lage en schandelijke verhalen" circuleren inderdaad reeds
volop. Vanuit Amerikaanse protestantse kringen, gevoed door de verzinsels
van hen die de heiligen telkens hadden verjaagd en uiteindelijk Joseph
en Hyrum Smith hadden vermoord, worden allerlei leugenschriften over
het mormonisme verspreid. De nieuwe afzondering van de kerk in het nog
mysterieuze Rotsgebergte, het sensatieborduursel rond het meervoudig
huwelijk, de haat om het groeiend succes van het mormoonse zendingswerk,
en gewoon de geest van een nieuwe journalistieke tijd die tuk is op
prikkelende avonturen uit vreemde landen, dit alles draagt er toe bij
het onbekende mormonisme tot een voorwerp van spot en hoon te maken.
Naast de krantenberichten kunnen de Nederlanders van 1861 ook reeds
over de mormoonse kerk lezen in het boek van W. K. Kirberger, "Geschiedenis
van den Oorsprong en de Lotgevallen der Mormonen", gepubliceerd
in Amsterdam in 1855. Deze auteur geeft slechts weer wat hij uit Amerikaanse
bronnen kon halen, in het bijzonder de geschriften van Mayhew en Gunnison,
die evenmin ooit échte heiligen der laatste dagen hadden gezien.
Kirberger maakt zijn standpunt al heel duidelijk bij de eerste zinnen:
"Hoe vreemd! De Amerikaan, die zijn oog alleen op aardse zaken
gericht houdt,valt sneller ten prooi aan leugen en bedrog dan iemand
anders. Alles wat vreemd en ongewoon is in de weegschaal der Amerikaanse
secten, werd samengebracht in het mormonisme" (2). Het imago dat
aldus reeds rond het mormonisme hangt, verklaart waarom de zendelingen
vaak aarzelen hun kerkelijk lidmaatschap onmiddellijk bekend te maken.
Zij willen de kans krijgen tenminste iets te zeggen.
Elder van der Woude volgt ondertussen een gelijkaardig pad door eerst
bekenden op te zoeken. Hij trekt naar zijn eigen directe familie in
Amsterdam - twee zusters en hun echtgenoten die blij zijn hem weer te
zien na de lange afwezigheid. Zij zijn echter minder geïnteresseerd
in zijn evangelische boodschap dan in het beloofde land Amerika - de
plaats waar vele duizenden uit Europa heentrekken. Van der Woude kijkt
rond naar mogelijkheden om het herstelde evangelie in Amsterdam te verkondigen:
hij zoekt de gemeente van een "afgescheiden kerk" op, waar
hij hoopt succes te zullen boeken zoals destijds de zendelingen in Engeland.
Ook neemt hij contact met een tot het christendom bekeerde jood, een
zekere heer Zwart die zelf openbaar predikt op de "Erte Markt".
Maar die eerste pogingen leiden tot niets (3).
Na enkele dagen komt Elder Schettler van Zeist terug en voegt zich
bij zijn collega in Amsterdam. De eerste ontgoocheling over het moeizaam
begin doet zich voelen. De twee zendelingen komen in aanraking met een
andere tot het christendom bekeerde jood, een vroegere rabbijn, de heer
Meyerse, die "heel ijverig naar de waarheid lijkt te zoeken".
Meyerse schijnt geen lid van de kerk te zijn geworden, maar hij introduceert
de zendelingen bij "twee private verenigingen van mensen in deze
stad die dezelfde principes als wij aanhangen, en die enkel samenkomen
om de Bijbel te lezen, aangezien zij niet in het gezag van de predikanten
geloven."
Op zondag 18 augustus 1861 worden de zendelingen uitgenodigd om twee
vergaderingen van de verenigingen - vermoedelijk de "Orde van de
Liefde" - bij te wonen. Zij stellen zich voor als "vrienden
van de Bijbelse waarheid, uit Amerika". Weer weegt de vrees meteen
te worden geweigerd indien zij zich als "mormonen" aanbieden.
Van der Woude wordt zelfs verzocht even het woord te nemen op de vergadering.
Wanneer de elders vernemen dat de leden van de vereniging door onderdompeling
dopen, vragen zij door welk gezag dit dan wordt gedaan. "Zij beloofden
de vraag te bestuderen en te beantwoorden over enkele dagen, en ook
of zij ons toestemming zouden geven in hun vergaderingen te prediken."
Het prediken in vergaderingen van afgescheiden en private groepen is
inderdaad een standaardbenadering in het mormoonse zendingswerk van
de negentiende eeuw. Reeds dertig jaar had dit systeem goed gewerkt,
zowel in de Verenigde Staten als in delen van Europa.
Bij het buitengaan riskeert Elder Schettler het een exemplaar achter
te laten van het krachtig pamflet, "Voice of Warning" (Een
stem tot waarschuwing), van Parley P. Pratt, "aangezien er enkelen
in staat waren de Engelse taal te lezen" (4). Het resultaat laat
niet lang op zich wachten. Zo gauw de leden van de verenigingen door
hebben tot welke godsdienst de zendelingen behoren, sturen ze Elder
Schettler de "Voice of Warning" terug, "met de boodschap
dat de vereniging weigert hem te helpen in het verspreiden van het mormonisme,
aangezien zij geen enkel ander boek dan de Bijbel als goddelijk aanvaarden."
Schettler laat zich niet uit het lood slaan en stuurt meteen verschillende
brochures getiteld "Authenticity of the Book of Mormon", en
ook enige andere geschriften die hij vertaalde in het Nederlands, "met
citaten uit de Bijbel, die de waarheid van onze leringen bewijzen."
Maar de tegenzet volgt onmiddellijk. De leden van de verenigingen en
de predikanten die er van horen waarschuwen de mensen "niet te
praten met deze vreselijke mormonen die naar Holland zijn gekomen om
het volk te verleiden" (5).
Op 21 augustus 1861 scheiden de zendelingen weer. Schettler blijft
in Amsterdam om de reeds gelegde contacten te onderhouden, terwijl van
der Woude noordwaarts trekt naar Broek, Dokkum, Akkerwoude en omliggende
gemeenten. Onze zendeling is immers afkomstig uit Friesland en heeft
er nog talrijke verwanten wonen. We laten hem aan het woord, zoals hij
zijn ervaringen beschrijft in een brief van 18 oktober 1861 aan President
Cannon:
"Ik verliet Amsterdam op 21 augustus per schip naar Workum in
Friesland, waar ik de dag daarna aankwam. Ik vond mijn verwanten in
goede gezondheid; zij waren verheugd me weer te zien. Heel vlug bracht
ik hen in aanraking met het evangelie, zodat zij er goed over voelden
en de weg voor mij openden om op de avond van de 23ste voor het eerst
te kunnen prediken in Workum. Deze prediking veroorzaakte nogal wat
opschudding in de stad. Er kwam heel veel volk naar toe en sommige predikanten
wilden mij verhinderen te spreken. Ik heb het druk gehad. Op de 28ste
had ik een lang gesprek met een predikant die zijn leringen probeerde
te bewijzen met de Schriften, en onze leringen als vals voorstelde;
maar hij slaagde er niet in. Hij was beschaamd, en kon uiteindelijk
geen woord meer zeggen en verliet de vergadering. "De 29ste verliet
ik Workum en begaf mij naar Leeuwarden waar ik 's avonds aankwam en
daar een vereniging vond die zichzelf de "Redding van het volk"
noemt. Ik ging naar hun vergadering en ontdekte dat zij hun kinderen
inzegenen en niet geloven in de kinderdoop; maar toch waren zij gekant
tegen de mormonen omwille van het meervoudig huwelijk en andere zaken,
zodat ik niets goeds kon verrichten.
"Op de 31ste verliet ik Leeuwarden en ging naar Dokkum bij mijn
verwanten, waar ik het mormonisme bekendmaakte tot 18 september. Op
die dag predikte ik in de schuur van een boer en er was zeer veel volk.
Zij waren zeer verheugd mij te horen en vroegen mij de volgende dag
opnieuw te prediken in een andere schuur in Broek bij Akkerwoude, waar
er een grote gemeente is. Er zijn hier vele eerlijke mensen die naar
waarheid zoeken; maar omwille van de valse geruchten over het mormonisme,
is het moeilijk veel vooruitgang te boeken" (6).
In zijn dagboek noteert van der Woude heel wat details over de ervaringen
met zijn verwanten. In zijn prediking gebruikt hij de Bijbel, waarbij
hij vaak de parabel van de tien maagden citeert om de ontdekking van
de herstelde waarheid te illustreren. Heel langzaam dringt het licht
bij zijn verwanten door. Van der Woude moet telkens weer naar alle mogelijke
tegenargumenten luisteren en deze weerleggen. Hij werkt echter geduldig
verder met zijn familieleden, laat de Geest getuigen, tot hij eindelijk
in zijn dagboek kan noteren:
"... dinsdag 1 oktober te Broek
onder Akkerwoude gedoopt Gerrit A. van der Woude en vrouw Bouwdina
van der Woude, geboren Potgieter en Elisabeth Wolters, geboren Monsina,
vrouw van Dirk Wolters" (7).
Vijfenzeventig jaar later, in 1936, zou een jonge geschiedkundige,
T. Edgar Lyon, die in Nederland als zendingspresident diende, de stappen
van Anne van der Woude in Friesland nasporen. Hij vond drie stokoude
boeren die zich nog herinnerden hoe zij als kind de eerste mormoonse
doopplechtigheid in Nederland hadden meegemaakt. Zij toonden President
Lyon het huis in Broek waar Gerrit van der Woude en zijn vrouw gewoond
hadden en de plaats waar zij gedoopt werden. Lyon ontmoette zelfs een
achterkleinzoon van de eerste Nederlandse bekeerlingen. In tegenstelling
tot de meeste bekeerlingen daarna, zijn de van der Woudes niet naar
Utah geëmigreerd en zijn zij er schijnbaar ook niet in geslaagd
hun nieuwe geloof door te geven aan hun kinderen en kleinkinderen. Op
de plaats van de eerste doop liet President Lyon een herdenkingsmonument
oprichten (8).
DE NEDERLANDSE SFEER IN 1861
Nederland verandert. De grondwetshervorming van 1848 vult eindelijk
de parlementaire gangen met nieuwe stemmen. De ministers krijgen échte
verantwoordelijkheden - zij zijn niet meer de simpele uitvoerders van
's konings bevelen. En die ministers worden benoemd "naar de meerderheid
des volks". Maar de nieuwe politieke wereld is toen niet rijper
dan nu: men kan elkaar beschreeuwen en men doet het graag. Kooplieden
en intellectuelen vormen de liberale kern. Hun aangebeden leider is
Jan Rudolph Thorbecke, onbaatzuchtig en onomkoopbaar, wat stuurs naar
buiten maar toegewijd en gevoelig. Zijn persoonlijkheid zal twintig
jaar lang de politiek beheersen. In 1861-62 beleeft hij net de hoogtepunten
van zijn carrière. In de trein van de liberalen rijden de conservatieven
mee, wel wat aarzelend en kijvend. Zij spreken graag over "het
noodzakelijke herstel der heerlijke rechten", zijn hartstochtelijk
hervormd en vurig anti-ooms. Aan het portier morrelt tevens een nieuwe
figuur, de "vertegenwoordiger des volks" Groen van Prinsterer,
aristocratisch idealist die meer evangeliebelijder dan staatsman is.
Van een socialistische beweging, die enige wetgevende inspraak zou hebben,
is nog geen sprake. Er zijn zelfs nog geen eigenlijke partijen en op
de banken van de kamer weet men nog niet van "links" of "rechts".
De kamerleden gaan zitten waar er plaats is en waar men goed kan luisteren
naar de vlammende pleidooien. Op de regeringstafel staan kaarsenkandelaars.
Een hardhorend kamerlid, de heer Saaymans, heeft eens, toen hij te dicht
bij de kaarsvlam kwam om de minister toch maar goed te verstaan, zijn
haardos helemaal geschroeid.
De kamerleden schenken aandacht aan wat Nederland bezighoudt: de aanleg
van eentelegraafnet door heel het land, waardoor de postduiven kunnen
thuisblijven; het op orde brengen van de armenzorg, die daarvoor door
3.700 verschillende instellingen werd gedaan; de angst voor de kuren
van Napoleon III in Frankrijk; de dreigende opkomst van het katholicisme,
voor protestants Nederland "de grote hoer van Babel"; de strijd
tussen staatschool of vrije school; de exploitatie van de nieuwe spoorwegen;
de perikelen in de kolonies; het toezicht op de uitoefening van de geneeskunde,
want de verwarring tussen échte heelmeesters en kwakzalvers geeft
vaak aanleiding tot spijtige ongelukken.
1861 is het jaar van een grote watersnood: Bommelerwaard en aanpalende
gebieden staan blank en net als koning Willem III het getroffen gebied
bezoekt breekt er nog een dijk bij Leeuwen. De slachtoffers worden ondergebracht
in Heusen en 's Hertogenbosch. De vorst schenkt 45.000 gulden voor de
heropbouw en doet er nadien nog eens 30.000 bij voor de getroffen families.
De zee is echter niet alleen de vijand van de mens: in Scheveningen
wordt een kasteel van een badhuis gebouwd, want zeewater is "grenzeloos
geneeskrachtig". Voor het eerst waagt men zich ook al in zee zelf.
Een paard trekt de badkoets in zee en men stapt het water in, gekleed
in een badpak van donkere wol, aan de hals nauw gesloten en reikend
tot de knie. Schrijft de krant: "Een militaire macht moet het strand
tot op verren afstand tegen nieuwsgierigen bezetten, want talrijke onfatsoenlijke
jongelieden gebruiken kijkglazen om zich in de aanblik der dames te
verheugen."
1861 is ook het jaar dat de "nationale" dichter Tollens sterft.
Willem III komt naar Rotterdam om er in het park een door de beeldhouwer
Strackée vervaardigd marmeren standbeeld te onthullen.
Belangrijk voor onze geschiedenis is een zicht op de godsdienstige
situatie van Nederland bij het begin van het mormoonse zendingswerk.
Centraal is er de Hervormde Kerk, een ingewikkeld en niet erg samenhangend
geheel, weliswaar bestuurd door een nationale synode, maar zich verward
vertakkend over provinciale en klassikale besturen heen tot kerkraden
en plaatselijke gemeenten. Via zijn ambtenaren heeft de koning echter
een flinke hand in het kerkelijk bestuur dat trouwens tot taak heeft
"onder handhaving de leer, de bewaring van orde en eendracht, en
de aankweeking van liefde voor Koning en Vaderland" (9).
Naast de hervormden, worden ook als aanvaardbare overtuigingen beschouwd
de doopsgezinden, de remonstranten, de lutheranen en de Israëlieten.
Tot een zekere grens mogen de rooms-katholieken, zolang ze zich als
rustige minderheid gedragen, ook in de zon lopen. Het nieuwe volkslied
zingt immers:
Wij leven vrij, wij leven blij,
Wij dienen éénen God.
Wat ooit 't verschil in 't dienen zij,
De wet laat ied'ren godsdienst vrij.
Vereend als broeders juichen wij:
Gezegend is ons lot!
Van een opwekkende, geestelijke verdieping bij deze gevestigde godsdiensten
kan men echt niet spreken. De meerderheid gelooft wel, maar meer in
de zin van een vanzelfsprekende aanvaarding van een aantal morele beginselen.
De protestantse leiders vermijden zelfs heel bewust over doctrinale
geschillen te spreken, want tegenover de steeds dreigende opkomst van
de rooms-katholieken moet het protestantisme zich handhaven door eendracht.
Predikanten die het bijgevolg wagen op hun ééntje een
eigen pad te bewandelen én aanhang verwerven worden prompt geschorst.
De regel "de wet laat ied'ren godsdienst vrij" wordt slechts
binnen bepaalde grenzen toegepast. De meest koppige predikanten beginnen
een "afgescheiden gemeente" en op hen regenen juridische vervolgingen
en boetes. Bij vele Friezen, die er een handje van weg hebben zich af
te scheiden, wordt het bezit executoriaal geveild. De Friese vrouwen
moeten voor de boetes hun gouden oorijzers verkopen. Ze schaffen er
zich meteen koperen aan en poetsen die zo lang tot ze toch blinken als
goud. Afgescheidenen krijg je niet klein.
Het fenomeen van de afscheidingen typeert precies de periode van de
mormoonse prediking, die er zowel voor- als nadeel van ondervindt. Nadeel
is zeker dat de publieke opinie achter het centrale kerkgezag staat.
De "hogere standen" worden geïrriteerd door die "gewone
mensen" die het beter menen te weten. Het "lagere volk"
wordt snel opgezweept tegen de afgescheidenen die in hun evangelische
weerloosheid een gemakkelijke prooi zijn voor opstootjes. De tijdsgeest
is gewend aan opruiende en vernederende geschriften waarmee de afgescheidenen
worden bestookt. Als "predikanten uit den vreemde", ook nog
voorafgegaan door de anti-mormoonse verhalen, komen de mormoonse zendelingen
terecht op een slagveld waar het geschut roodgloeiend staat.Voordeel
van die situatie is echter de zoekende onrust, zowel religieus als sociaal,
die vele afgescheidenen kenmerkt, vooral wanneer de gloed van het eerste
uur begint te verzwakken. De kleine afgescheiden gemeenschappen, vol
ijver opgebouwd, brokkelen na een tijd af en de nu wat rijper geworden
idealisten vragen zich af waarheen God hen nu leiden zal. Hier zijn
mensen bereid om te luisteren. De toestemming die Elder van der Woude
krijgt om te prediken in verscheidene plaatsen in Friesland, heeft hij
voor een groot deel te danken aan de puzzel van afscheidingen die het
gebied tekent; ongetwijfeld zijn de eerste dopelingen gelovigen die
zich reeds van het synodale juk hadden vrijgevochten. Eén van
die groepen heet "de broederschap der volmaakten" of "de
Nieuwlichters". In het begin der jaren 1860 zijn de Nieuwlichters,
ondanks al hun edelmoedigheid, in verval geraakt. In hun zoeken naar
een nieuwe weg zullen zij in 1863 het pad van Elder van der Woude kruisen,
wat aanleiding zal geven tot een der merkwaardigste gebeurtenissen uit
onze kerkgeschiedenis. Maar zo ver zijn we nog niet.
DE PIJNLIJKE LEERSCHOOL
Ondanks het moeizaam begin, ondanks de "lage en schandelijke verhalen"
en de tegenstand vanuit de hoek der officiële religie, zien de
zendelingen, voor het einde van 1861, hun onuitputtelijke inspanningen
met enkele resultaten bekroond. Na enkele maanden zorgvuldig onderwijs
- want er wordt nooit lichtvaardig bekeerd - doopt Elder Schettler op
23 december 1861 drie bekeerlingen in Amsterdam - Hendrik van Steeter
(38 jaar), Johannes Renkenberg Hoffman (59 jaar) en Johanna Hoffman
(66 jaar). Op kerstdag worden zij bevestigd en ontvangen zij de gave
van de Heilige Geest. Met de drie die Elder van der Woude in Friesland
doopte, telt de kerk in Nederland eind 1861 zes leden, evenveel als
bij de stichting van de kerk in de Verenigde Staten, dus waarom dit
niet als een goed voorteken zien?
1862 kondigt zich inderdaad goed aan. Op woensdag 29 januari worden
er nog eens zes mensen gedoopt en op 1 februari treden er weer drie
toe, genoeg om de eerste gemeente te stichten. Predikingen, vergaderingen
en bijbelstudie worden bij de nieuwe leden thuis gehouden, maar met
het succes komt ook meer tegenstand van buiten. Begin februari richt
een groepje predikanten zich tot de Minister van Binnenlandse Zaken
met een verzoek op te treden tegen "de Mormonen". Eén
der pasgedoopte leden, broeder Dijkman, wordt door de politie ondervraagd:
men wenst te weten wie er zoal gedoopt werd en waar dit gebeurde. Daar
schijnt het nochtans bij te blijven. De zendelingen zelf worden niet
lastig gevallen en hun moeilijkheden met niet-leden beperken zich tot
het kalmeren van rumoerige bezoekers die de "thuisvergaderingen"
al eens komen verstoren. Gelijk de apostelen vanouds, zijn de zendelingen
"verheugd dat zij smaad moeten verdragen omwille van Christus"
(10).
Eind februari betreden weer twee bekeerlingen, ditmaal wat jongere,
het water van de doop, de 25-jarige Jan Volmer en de 19-jarige Jannetje
Krot. De gemeente in Amsterdam telt nu veertien leden. In mei brengt
de "Millenial Star" een verslag over de stichting van de gemeente
en looft zij de inspanningen van de zendelingen. Rond diezelfde periode
blijkt Elder Schettler veel tijd en moeite te geven aan het vertalen
van het Boek van Mormon in het Nederlands. Wanneer in september President
George Q. Cannon en de Scandinavische zendingspresident Jesse N. Smith
de gemeente bezoeken, getuigen zij dat "veel instructie aan de
heiligen was gegeven door hun delen van het manuscript van het Boek
van Mormon voor te lezen in hun vergaderingen" (11).
Maar alvorens President Cannon en President Smith Amsterdam bezoeken,
is de pijnlijke leerschool voor de jonge gemeente begonnen, de pijnlijke
leerschool die steeds weer de heiligen moet zuiveren en rijpen. Interne
moeilijkheden, veroorzaakt door wrijvingen en misverstanden, kankeren
en blokkeren de groei. In de eerste plaats hebben de twee zendelingen
last met hun goede verstandhouding. De precieze incidenten die hun onenigheid
aanwakkeren hebben zij voor de buitenwereld tactvol verzwegen. Maar
tussen de dagboeklijnen door vangen we echo's op: als van der Woude
door langdurige ziekte in bed moet blijven, woont Schettler de gemeentevergaderingen
bij, maar hij weigert nadien aan zijn collega te vertellen wat er gebeurd
is. Anderzijds blijkt van der Woude die zwijgzaamheid enigszins uit
te lokken door Schettler's leiderschap steeds kritisch te beoordelen
(12). Op afstand luttele problemen, maar het zijn kleine voorvallen
die soms het diepste knagen.
Erger is het in de jonge gemeente zelf gesteld. In mei 1862 stelt een
fikse ruzie twee ampen tegen elkaar op: aan de éne kant broeder
van Steeter, reeds tot ouderling geordend, samen met broeder en zuster
Hoffman, en aan de andere kant een broeder en zuster Ferne. Van der
Woude, die tracht te bemiddelen, haalt zich de woede van het eerste
kamp op de hals, waarbij van Steeter hem uitscheldt voor "bedrieger,
leugenaar, schijnheilige Judas, en nog meer lelijke woorden" (13).
Er wordt gepraat, er wordt bijgelegd, maar het gif is nog niet weggesneden.
De spanningen laaien vlug weer op. Later op het jaar zou President Cannon
in zijn dagboek noteren:
"De gemeente in Amsterdam heeft moeilijkheden gekend die haar
groei vertraagd hebben. Een zekere van Steeter werd lid en leek een
veelbelovende kracht te zijn, waardoor de zendelingen hem tot ouderling
ordenden. Spoedig begon hij echter te dicteren hoe de zaken geregeld
moesten worden en begon hij de zwakheden aan te klagen van hen die,
volgens hem, niet strict genoeg leefden. Hij legde aldus grote ijver
aan de dag en sectarische vroomheid, waarbij hij zijn ideeën aan
broeder van der Woude trachtte op te dringen. Broeder van der Woude
was het daar niet mee eens en beschouwde hem bijgevolg als minder heilig
en zuiver. Die spanning leidde tot woordenwisselingen en broeder van
Steeter wilde niet meer naar de vergaderingen komen" (14).
De heiligingswaan van sommige nieuwe bekeerlingen en hun afstraffend
optreden tegen zogenaamde zwakheden hebben altijd bestaan, ook in de
Oorspronkelijke Kerk en ook nu. De fanatieke geest die zij verspreiden
is nooit bevorderlijk voor het zendingswerk geweest. In de maanden die
volgen, medio 1862, worden er in de Amsterdamse gemeente slechts twee
personen gedoopt, Johanna Carolina Meyers (36 jaar) en een doctor, Willem
Frederik Muller (later Miller), die vermoedelijk van der Woude verzorgd
heeft tijdens diens langdurige ziekte. De trage groei bemoeilijkt tevens
het verblijf van de elders, aangezien in die periode de zendelingen
voor hun levensonderhoud gedeeltelijk van de leden afhangen en zij niet
steeds bij dezelfden kunnen aankloppen. In september noteert van der
Woude de triestige zin: "We hebben al lang geen onderzoekers meer
in de kerk gehad..." (15).
Op 24 september 1862 zetten de Europese zendingspresident George Q.
Cannon en de Scandinavische zendingspresident Jesse N. Smith voet aan
wal in de Amsterdamse haven. De zendelingen verwelkomen hen en leiden
hen naar het huis van broeder en zuster Bourguion, waar het gezelschap
een maaltijd wordt aangeboden. De kerkleiders geven de moeder van broeder
Bourguion, ernstig ziek, een zalving. Van der Woude noteert dat "zij
ogenblikkelijk genezen was" (16).
Diezelfde avond komen twaalf heiligen in vergadering bijeen. Jesse
N. Smith schrijft in zijn dagboek dat van der Woude het openingsgebed
uitspreekt - "één van de meest deprimerende gebeden
die ik ooit gehoord heb" (17). Blijkbaar is het peil van de zendeligen
onder nul gezakt en komt de steun van de bezoekende leiders net op tijd.
Cannon en Smith prediken met enthousiasme tot de leden en profeteren
dat velen in Nederland het evangelie zullen aannemen. President Cannon
laat geen gras groeien over de hangende gemeenteproblemen: "Na
de bijeenkomst, waarop broeder van Steeter aanwezig was, heb ik hem
en broeder van der Woude samengebracht en goede gevoelens hersteld.
Ik heb broeder van der Woude duidelijk uitgelegd welke koers hij moest
volgen met mensen die net lid zijn geworden en nog vol zitten met hun
oude tradities en begrippen" (18).
Na die poging tot verzoening, neemt President Cannon nog een andere
kordate beslissing: Schettler wordt overgeplaatst naar de Zwitsers-Duitse
zending. Verschillende redenen brengen Cannon daartoe. Vooreerst kan
het handjevol Nederlandse leden moeilijk twee zendelingen helpen onderhouden,
wat er op wijst dat de levensstandaard van de eerste leden erg laag
is, trouwens door Cannon zelf opgemerkt (19). Vervolgens kan Schettler,
als geboren Pruis, zijn taalkennis beter gebruiken in Zwitserland en
Duitsland. Aangezien zijn familie in Zeist de boodschap verworpen heeft,
is er geen reden om hem daarvoor in Nederland te houden. En ten slotte
besluit Cannon: "Ik meen dat het ook goed is één
van hen over te plaatsen, aangezien zij niet zo eensgezind zijn als
ze zouden moeten. Ze verschillen erg in hun leefgewoontes, hun smaak
en hun gezichtspunten" (20). Dat de spanning tussen van der Woude
en Schettler inderdaad meer aan een conflict van karakters lag, dan
aan de schuld van de één of de andere, blijkt wel uit
de uitstekende zendingsdienst die elk van hen van nu af aan zal doen.
Schettler's arbeid in de Zwitsers-Duitse zending zal warm worden toegejuicht
(21). En in 1863 zal hij even naar Nederland terugkeren om het succesvolle
werk van van der Woude te bekronen.
De volgende dag, 25 september 1862, vertrekken de kerkleiders reeds,
samen met Schettler, richting Zwitserland. Elder van der Woude blijft
alleen. De nieuwe verantwoordelijkheid prikkelt hem en hij wijdt zich
met nieuwe voornemens aan het werk. Dezelfde avond nog bezoekt hij zijn
zusters, maakt een kleine wandeling, drinkt warme chocolade met de familie
Dijkman en met broeder van Steeter en komt "heel laat thuis"
(22).
De volgende maanden besteedt van der Woude aan de verdere opbouw van
de kerk. De pijnlijke leerschool heeft hem goed gedaan. Hij trekt weer
naar Friesland om er de geïsoleerde leden te sterken. Ondanks soms
hevige tegenstand, legt hij contacten met nieuwe onderzoekers. Met één
van hen, Sybren van Dyk, voert hij vanuit Amsterdam een uitgebreide
correspondentie, een belangrijk zendingsmiddel in een periode waar verplaatsingen
nog veel tijd en ongemak vergen. De 36-jarige van Dyk zal op 19 mei
1863 gedoopt worden en de dag nadien reeds tot ouderling geordend worden.
Dit groot vertrouwen in de nieuwe dopeling zal niet beschaamd worden:
van Dyk wordt een vastberaden heilige, zendeling en vertaler, emigreert
naar Utah in 1869 en zal tweemaal terugkomen om over de Nederlandse
zending te presideren, van 1871 tot 1874 en van 1880 tot 1882 (23).
Ook doctor Muller, door van der Woude in 1862 gedoopt, blijkt een sterke
aanwinst te zijn voor de jonge gemeente. Hij is een krachtig zendeling
die in september 1862 het werk in Haarlem opent. Maar de grote verdienste
van Muller komt in maart 1863, wanneer hij een grote afgescheiden 'broederschap'
bij van der Woude introduceert. We staan op de drempel van een wonderbaarlijke
doorbraak en een historisch fenomeen dat ook de algemene Nederlandse
geschiedschrijving lang heeft beziggehouden: de toetreding van de Nieuwlichters
tot het mormonisme.
Volgend nummer: De Nieuwlichters en de roep
naar Zion.
Teksten foto's:
Momument aan de Schwartzenberglaan in Broeksterwoude
(gemeente Dantumadeel, ten zuiden van Dokkum in Friesland).
Spotprent op de strijd tussen het protestantisme en het rooms-katholicisme.
In 1853 laat Rome weten dat het in Utrecht een aartsbisdom zal vestigen.
De protestanten vrezen een invasie van "Paapsen". In het midden
van het gebeuren staat minister Thorbecke ("de tor").
Momument aan de Schwartzenberglaan in Broeksterwoude (gemeente Dantumadeel,
ten zuiden van Dokkum in Friesland)
J. R. Thorbecke G. Groen van Prinsterer
"De geneugten van het strandleven..."
Paul A. Schettler Sybren van Dyk
Hendrik van Steeter
Voetnoten
(1) Brief van Schettler aan George Q. Cannon, Europese zendingspresident,
die de inhoud publiceerde in de "Millenial Star", vol. 23
(21 September 1861), p. 614.
(2) W. K. Kirberger, Geschiedenis van den Oorsprong en de Lotgevallen
der Mormonen (Amsterdam, 1855). Geciteerd in Netherlands Mission History.
(3) Anne Wiegers van der Woude, Personal Journal, 6 August 1861. Archives
Search Room of the Church Historian's Department. Zie Auna Willim Vanderwood.
(4) Van der Woude, Journal, 15 August 1861. Zie ook Millenial Star,
vol. 23 (21 September 1861), p. 614.
(5) Millenial Star, ibid.
(6) Brief aan George Q. Cannon, Millenial Star, vol. 23 (23 November
1861), pp. 759-760.
(7) Van der Woude, Journal, 17 October 1861.
(8) T. Edgar Lyon, "Landmarks in the Netherlands Mission,"
Improvement Era, vol. 39 (September 1936), pp. 546-547, 573. Een volledig
verslag van Lyon's ervaringen vindt men in T. Edgar Lyon, Oral History
Church Archives, 111-112.
(9) J. De Rek, Koningen, Kabinetten en Klompenvolk (Baarn: Bosch &
Keuning, 1975), p. 349.
(10) Van der Woude, Journal, 11 February 1862.
(11) Millenial Star, vol. 24 (22 November 1862), p. 744.
(12) Van der Woude, Journal, 13 July 1862.
(13) Ibid.
(14) George Q. Cannon, Personal Journal, 24 September 1862. Archives
Search Room of the Church Historian's Department.
(15) Van der Woude, Journal, 14 September 1862.
(16) Van der Woude, Journal, 24 September 1862.
(17) Jesse N. Smith, Personal Journal, 24 September 1862 Salt Lake City:
Jesse N. Smith Family Association, 1953), p. 85.
(18) Cannon, Journal, 24 September 1862.
(19) Millenial Star, vol. 24 (22 November 1862), p. 744.
(20) Cannon, Journal, 25 September 1862.
(21) Millenial Star, vol. 26 (2 April 1864), p. 223.
(22) Van der Woude, Journal, 25 September 1862.
(23) Andrew Jenson, LDS Biographical Encyclopedia (Salt Lake City: Western
Epics, 1971), 4:358.