MvG logo www.mvgcontact.org

Moeilijkheden ondervonden

Home


Moeilijkheden en tegenstanden, ondervonden door de Nederlandse Zending
In de eerste vijf jaar van het zendingswerk hielden verschillende factoren de groei van de Kerk tegen. Moeilijkheden, in de eerste plaats veroorzaakt door de wet, moeilijkheden met het leren van de taal, aanpassing aan de Nederlands gewoonten en het gebrek aan kerkliteratuur.

Wettelijke problemen
In 1866 rapporteerde Joseph Weiler, dat de wet van het land een bijna onover-
komelijk probleem was voor de groei van de zending.
"We vinden het erg moeilijk om een plaats te krijgen waar wij onze vergaderingen kunnen houden, zelfs al willen wij er voor betalen. Wij zouden de pleinen en straten willen gebruiken om het levende woord te laten horen, maar de wetten in dit "zogenaamde" christelijke land zijn zo streng, dat alle religieuze erediensten binnen de muren van huizen moeten worden gehouden en wanneer wij de ordeningen van het Evangelie willen bedienen, door mannen en vrouwen na hun bekering te dopen, moeten wij hiervoor de schaduw van de nacht zoeken. Als wij het zouden wagen om onze God in de open lucht te eren, zouden wij ons binnen de kortste keren binnen de muren van een gevangenis bevinden."

Taal en gewoonten
Andere factoren die er de oorzaak van waren dat het zendingswerk niet
vorderde, waren de taalmoeilijkheden en de aanpassingsmoeilijkheden in ver-
band met vreemde gewoonten. Een zendeling klaagde:
"De pioniers van het Evangelie in dit land hebben veel dingen waar zij mee wcrstelen. Ten eerste een vreemde taal, bijna zonder literatuur. Verder hebben de Nederlanders geen enkele interesse voor toekomstige zegeningen die zij kunnen krijgen. Over dingen die buiten Nederland gebeuren, wordt hier nauwelijks gesproken. Ten tweede houden zij zich streng aan gewoonten en staan zij niet open voor dingen, waardoor zij deze gewoonten moeten verzaken. Zij eten b.v. zuurkool met aardappelen, fijngemaakt tarwebrood, karnemelk, poffers enz. Het is waar dat deze zaken niet van groot belang zijn, maar toch vormen zij tezamen een grote beproeving."

Gebrek aan literatuur
Een andere zendeling schreef de langzame groei van de zending toe aan vooroordelen, ontstaan door valse publiciteit.
"Het is waar, dat onze vooruitzichten in de wereld niet erg vleiend zijn tengevolge van vele obstakels die wij in een nieuw land ontmoetenf doordat wij geen boeken hebben in de taal van het land en het gebrek aan middelen om onze leer behoorlijk ter kennis van het volk te brengen. Er zijn vele boeken tegen ons gepubliceerd en de kranten schrijven vele leugens over ons, waardoor vooroordelen in de hoofden van de mensen ontstaan omtrent de waarheid en evenals over de Galileers vroeger, wordt er thans over ons kwaad gesproken."
Vooroordelen tegen de Kerk waren er de oorzaak van, dat als het woord Mormoon maar werd genoemd, de mensen weigerden om verder te luisteren. Sommige priesters waren het in ieder opzicht met ons eens, totdat de vraag zich voordeed: Wie en wat bent u eigenlijk?" Het antwoord: "Mormonen" was voldoende om de conversatie te beeindigen en soms werden wij zelfs weggestuurd. De zendelingen dachten wel dat velen de geloofwaardigheid van hun boodschap erkenden, maar de mensen waren onwillig om het "te omarmen". Zij hadden weinig zin om de oude begane paden en fouten van hun vaderen te verlaten, in het bijzonder wanneer zij bekend raakten met onze naam "Mormonen".

De eerste Nederlandse tractaatjes
De obstakels die de mormoonse zendelingen ontmoetten waren zodanig, dat na
vijf jaar prediking slechts 88 personen waren gedoopt.
In een poging de vooroordelen te overwinnen publiceerden de zendelingen
in juni 1866 de eerste Nederlandse tractaatjes. Een daarvan was getiteld:
"Verstaat u wat u leest?" Hiervan warden 2000 exemplaren gedrukt. Het
andere, genaamd "Raad voor allen die geluk en eeuwig leven verlangen",
werd verspreid in een oplage van 1000 stuks.
Deze tractaten bevatten de leerstellingen van de Kerk en veroorzaakten enorme
opwinding. Met deze tractaatjes hoopten de zendelingen de muur van traditie
te doorbreken.
"Wij hebben zo juist 1000 exemplaren van de "Waarschuwende stem" laten drukken, wanneer het volk ze wil kopen en lezen, hopen wij dat zij ons willen helpen de dikke muur van traditie te doorbreken, die bijna ondoordringbaar in de hersens van de inwoners van dit land is vastgeroest."
Nadien werden nog andere pamfletten en tractaatjes gepubliceerd. Toen de zendelingen eenmaal de beschikking hadden over literatuur in de Neder­landse taal, begonnen zij de leerstellingen van de Kerk met meer zelfvertrouwen te onderwijzen.
"De broeders hebben grote teleurstellingen tijdens het werk ondervonden, doordat zij geen werken in de taal van het land hadden, zodat de mensen deze zouden kunnen lezen. Nu hebben zij echter "De Waarschuwende stem" en "Het Geloof van de Heiligen der Laatste dagen" door de profeet Joseph Smith en twee of drie andere pamfletten. De broeders vertrouwen dat dit een verbetering zal veroorzaken."
Later zijn er vele tractaten en pamfletten verschenen, alsmede boeken in de Nederlandse taal. Hierover zal later nog worden gesproken.

Tegenstand, ondervonden door de zendelingen
Ondanks de pogingen van de zendelingen om vooroordelen te overwinnen, bleef verder succes beperkt. Gedurende de eerste veertig jaar van mormoonse predi­king in Nederland kwam de tegenstand hoofdzakelijk uit drie bronnen:
1. woedend gespuis
2. de geestelijke overheid
3. de pers.
Het voornaamste effect van de tegenstand ten opzichte van de zending werd veroorzaakt door publicaties.

Oppositie van het gespuis
Inwoners van een dorp, Ommen genaamd, stenigden in 1867 Pieter J.Lammers. Gelukkig stierf hij niet. Het is niet bekend wie de inwoners van de stad er toe aanzette zulke drastische maatregelen tegen ons te nemen. De zendelingen verlieten Ommen en keerden daar de eerste zeventien jaar niet meer terug. In 1884 keerde een jonge bekeerling, A.J.Smeding, terug naar Ommen om bekeringswerk te doen. Hij werd met hooivorken Ommen uitgejaagd.
"De plaatselijke ouderling, breeder Smeding heeft mij geschreven, dat hij zich nooit had kunnen voorstellen dat er zoveel vreugde was in het prediken van het Evangelie, En toch was hij met hooivorken verdreven uit een kleine plaats, Ommen genaamd, dezelfde plaats waar ik zeventien jaar geleden werd gestenigd. In een andere plaats veroorzaakten vijf studenten en een dominee zoveel moeilijkheden, dat de mensen hun deuren voor hem sloten en zijn leven in gevaar was."
In 1878, in een gehuurde zaal in Amsterdam, trad een menigte met lichamelijk geweld tegen de prediking van het Herstelde Evangelie op. Zij beledigden en sloegen Heiligen, zowel mannen als vrouwen, zij braken de ramen van de zaal en ook de banken. Buiten voor de deur was een grote woeste menigte en de broeders moesten, teneinde hun woningen veilig te kunnen bereiken, via de achterzijde het gebouw verlaten. De volgende zondag werd de vergadering in het huis van een van de breeders gehouden, waar de geschiedenis zich herhaalde en de menigte dreigde elder Schettler te stenigen als hij naar buiten durfde te komen.
Een man, wiens vrouw lid van de Kerk was geworden, moedigde de menigte aan hun
dreigementen ten uitvoer te brengen.
Omdat de politie, waarbij hulp werd gevraagd, de zendelingen niet wilden
bijstaan, weigerde de zaaleigenaar de zaal nog langer voor de vergaderingen
besehikbaar te stellen.
"Het was erg duidelijk, dat de politiefunctionarissen, hoewel zij het deden voorkomen of zij ons alle nodige hulp wilden verlenen, het in werkelijkheid meer met het volk eens waren."
Naderhand werd de tegenstand in geheel Nederland zo erg, dat het onmogelijk
was zalen te huren voor de vergaderingen. Bernhard Schettler, de zendings-
president, schreef deze oppositie toe aan "angstwekkende onwetendheid, ge-
combineerd met oneerlijkheid en onwilligheid om anders te schijnen in hun
eerbied tegenover anderen."
Er was ook grote onrust onder het volk tengevolge van een wijdverspreide
werkeloosheid Deze toestand had kennelijk effect op de geestelijke gesteldheid
van het volk, want de kerken waren bijna leeg.
In 1830, achttien jaar na de aanvang van het zeridingswerk door de Heiligen
der Laatste Dagen, hadden de Nederlanders nog steeds gemengde gevoelens ten
opzichte van het Mormonisme.
"Als ik door de straten wandel teneinde in alle rust tractaten te verspreiden, roepen de mensen mij na; zij noemen mij een valse profeet. In de kranten staat een kolom die gewijd is aan zaken die tegen ons getuigen en die de mensen in dit land waarschuwt zich van ons te verwijderen en niet naar ons te luisteren. Als wij maar de gelegenheid kregen om in de open lucht te prediken, want vergaderplaatsen zijn voor ons gesloten en zalen kunnen wij niet huren."
In 1898 hadden twee zendelingen in Hoogkerk een ijzingwekkende ervaring. Te dien tijde waren er geen leden van de Kerk in Hoogkerk of omgeving, Na verscheidene bekeringspcgingen slaagden de ouderlingen Klaas Jongsma en Hyrum Hand er echter in enkele families in Hoogkerk en Vierverlaten, plaatsen in de omgeving van de stad Groningen, in het mormonisine te interesseren. Terwijl de zendelingen bij de mensen op bezoek waren, verzamelden zich in de nabijheid van dat huis arbeiders van een naburige fabriek en uitten dreigementen tegen de zendelingen. Toen de zendelingen het huis verlieten, werden zij door de arbeiders geslagen. Elder Hand werd bij een brug tegen de grond gegooid. Hij werd ongenadig geslagen, waarbij de nationale klompen "goede diensten" bewezen. Ogenschijnlijk dood werd hij in een sloot gegooid, maar hij slaagde erin om naar de overkant te zwemmen en door een aardappelveld te ontsnappen. Ook elder Jongsma kreeg een flink pak slaag voor hij kon ontsnappen. De fabrieksarbeiders verspreidden zich, nadat hun werkgever enkele revolverschoten had gelost. Hierdoor kwamen zij weer tot zichzelf.
Het jaar daarop, in 1899 keerden inwoners van Apeldoorn zich tegen het zendings werk in hun omgeving, omdat een lid van de Kerk kort na zijn doop overleed. Vijanden van de Kerk weten zijn dood aan deze ceremonie. Veel van de bekendste dagbladen in Nederland verspreidden deze mening. Bij de begrafenis van dit lid verzamelde zich een menigte, die de zendelingen stenigden. Gelukkig werden zij niet gedood.

Tegenstand in Belgie

In 1896 dreigde een woedende menigte van 400 a 500 mensen in Luik, Belgie, elder John B.Ripplinger te doden, Ripplinger had vergaderingen gehouden tenhuize van een notabele uit die stad, die door hem was gedoopt. Antimormoonse
krantenartikelen veroorzaakten haat tegen Ripplinger onder de burgers. In de
kolommen van de pers werd spijt geuit omdat zo'n respectabele familie het
mormonisme had aanvaard.
Een menigte verzamelde zich buiten het huis en eiste dat Ripplinger naar
buiten zou komen.Nadat er enige schade aan het huis werd aangebracht, arri-
veerde de politie, die de menigte uiteenjoeg. Naderhand kon Ripplinger zonder
verdere molestatie ontsnappen.
Na deze stoornis ontving elder Ripplinger een uitnodiging om de Minister van
Openbare Werken en Gcdsdienst te ontmoeten. Opgewonden geestelijken van Luik
verhaastten de uitnodiging door een geheel verkeerde voorstelling van zaken
omtrent de leerstellingen, volk en ouderlingen van de Kerk te geven.
Na een langdurige bespreking over mormoonse leer en meervoudig huwelijk,
verzekerde de minister elder Ripplinger, dat er vrijheid van godsdienst
in Belgie heerste. Verdere moeilijkheden door gevaarlijke benden werden
tijdens het zendingswerk in Belgie niet meer ondervonden. Ondanks dit ont-
breken van tegenstand werden slechts enkele bekeringen tot de Kerk genoteerd.
Het enige werkelijke succes had John Ripplinger, die tussen 1894 en 1897
100 bekeerlirigen doopte. Het zendingswerk in Belgie groeide slechts langzaam,
omdat het volk onontwikkeld was. Een andere oorzaak was het feit, dat Belgie
hoofdzakelijk Rooms-Katholiek was. Als de zendelingen contact zochten met
de mensen, werd er gezegd; "Mijn ouders waren katholiek, ik ben nu katholiek
en ik zal dat blijven en ook mijn kinderen zal ik katholiek opvoeden."
De mensen hadden weinig ambitie en zij voelden er weinig voor om daar ver-
andering in te brengen.

Oppositie van de pers
Naast de tegenstand, ondervonden door het gepeupel, ontmoette men ook tegen­stand via kranten- en tijdschriftartikelen, pamfletten en boeken. De pers bleek zowel aanklager als verdediger te zijn in hun publicaties over het mormonisme. Acht jaar voor de organisatie van de Nederlandse zending was er een boek verschenen, getiteld: "Geschiedenis van de oorsprpng en de avonturen van de Mormonen" .
Dit was een anti-mormoons boek. De schrijver beweerde, dat "alles wat vreemd en ongewoon in de Amerikaanse secten was, in het mormonisme werd samengebracht."
Sinds deze eerste anti-mormoonse publicatie in Nederland zijn nog vele on-gunstige boeken en krantenartikelen verschenen. In 1866 rapporteerde de Nederlandse Zendingsgeschiedenis:
"Er zijn vele boeken tegen ons.verschenen en vele kranten ageren met alle soorten leugens, om de mensen te bevooroordelen tegenover de waarheid. Dit werkte echter averechts, want de mensen werden nieuwsgierig. Dit resulteerde vaak in een persoonlijke ontmoeting met de zendelingen en leidde zo tot een eerlijk onderzoek van het mormonisme. De kranten hier schrijven veel over ons en vertellen een massa dingen die niet waar zijn en ik denk altijd maar "Hoe meer hoe beter, want het zal de mensen er toe brengen om te onderzoeken wat voor soort mensen wij aijn."
Vroegere zendelingen hadden advertenties geplaatst in de kranten om hun bijeenkomsten aan te kondigen. Nu de kranten allerlei leugenachtige artikelen schreven, wekten deze artikelen de nieuwsgierigheid van het volk voldoende op en was het niet nodig om nog langer te adverteren. De gehuurde zalen waren veelvuldig gevuld met niet-mormonen, die benieuwd waren om een doop te zien, omdat de kranten hadden vermeld dat dit werd gedaan in een teil met modder.

Een keerpunt
Door de publiciteit, aan de kerk besteed, trad er in 1902 een keerpunt op. Van 1861 tot 1902 waren de meeste perspublicaties antimormoons geweest. In 1902 echter plaatste "De Prins", een gelllustreerd weekblad, een pro-mormoons artikel. De Mormoonse zendingspresident meldde:
""De Prins", een van de voornaamste gelllustreerde weekbladen van Amsterdam, wijdde in zijn laatste nummer twee drie koloms bladzijden aan een artikel, gelllustreerd met vier prenten van de president Joseph P.Smith en de tempel en tabernakel.
Dit blad ligt nu in verscheidene etalages in de stad en trekt niet weinig de belangstelling van degenen die langs komen".
De schrijver introduceerde zijn artikel als volgt:
"Onze lezers hebben ongetwijfeld vaak gehoord van de mormonen, maar echte foto's van hun heiligdommen zijn nooit eerder in Nederland verschenen. Nu wij in staat zijn geweest deze voor "De Prins" te veroveren, geven wij met genoegen ruimte aan een van de aanhangers van dit geloof, die ons van tekst en foto's heeft voorzien, om zijn standpunt ts verkondigen." Andere kranten volgden "De Prins" en publiceerden nu pro-mormocnse artikelen. Dientengevolge verschenen nu zowel pro- als contra-artikelen in de kranten. Het werkelijke keerpunt was niet dat een enkel positief artikel was gepubliceerd, maar dat de pers nu meer objectief werd. De pers stond nu toe dat beide gezichtspunten, zowel voor als tegen, in de kranten verschenen, Zij bepaalde nu een gedragslijn alvorens te veroordelen. Nu de kranten eerlijker begonnen te oordelen, stond de pers ook toe, dat corrigerende artikelen ver­schenen, wanneer er valse berichten in de kranten stonden.
In 1904 echter deden vele kranten weer een gezamenlijke poging om haat tegen de Mormoonse kerk te zaaien. Sommige kranten stelden aanzienlijke ruimte in hun kranten beschikbaar voor anti-mormoonse artikelen. Deze artikelen schenen uit een bron te komen, maar waren zo goed verspreid, dat de elders rapporteerden dat zij ze in alle delen van het land hoorden. De bron van deze artikelen was een brief van een predikant in Salt Lake City, De beschikbare informatie bevatte de naam Zimmer. Sommige kranten bestreden de anti-mormoonse campagne en drukten pro-mormoonse artikelen. Verscheidene prominente Nederlanders bestreden de Kerk gedurende de anti-mormoonse campagne. De Nederlandse gedelegeerde naar het Internationale Vredescongres in Boston schreef een gunstig artikel voor het Algemeen Handelsblad:
"Gedurende vele jaren heeft de pers in Europa niets anders over dit
bijzondere volk geschreven dan overdreven en valse voorstellingen over
het huwelijksleven van de mormonen. Het is werkelijk een genoegen te
zien hoe ijver en energie, maar boven alles onvermoeibare volharding,
een wildernis in vruchtbare velden veranderden. Armoede is onbekend
in Utah." ;
Het uiteindelijke resultaat van deze antimonnoonse campagne bleek eerder heilzaam dan vernietigend te zijn. De zendingspresident, Willard Cannon rapporteerde:
"Aanzienlijke informatie kon worden verstrekt en het resultaat zal eerder nuttig dan ongunstig zijn,"

De strijdvraag polygamie
1909 bleek ook weer een jaar van anti-mormoonse publiciteit te zijn. Thans was het meervoudige huwelijk de oorzaak. In September van dat jaar drukte de Staatscourant, een officieel regeringsblad, een artikel, dat onopzettelijk de mormoonse polygamie met blanke slavinnenhandel vergeleek. Praktisch iedere krant in het land nam dit artikel over. Later plaatste de directeur van het regeringsbureau ter bestrijding van de handel in blanke slavinnen een verklaring teneinde de valse indruk, die door het artikel was ontstaan, te corrigeren. Toch sprak deze directeur nog critisch over de polygamische praktijken in Utah:
“Wat het meervoudige huwelijk betreft heeft de Kerk besloten dat zij de wetten van de Verenigde Staten zal gehoorzamen, maar desalniettemin zijn er talrijke families in Utah, welke nog steeds ongestoord in polygamie leven, hetgeen een groot gevaar inhoudt voor Nsderlandse mensen die in aanraking met deze gezinnen komen."
Het regeringsbureau ter bestrijding van de handel in blanke slavinnen adviseerde iedere vrouw, die van plan was naar de Verenigde Staten te emigreren of tot de Kerk toe te treden, om eerst contact op te nemen met hetpolitiehoofdkwartier te Amsterdam, Regeringsleiders legden een verklaring af in de Haagsche Courant dat zij een onderzoek hadden ingesteld en dat zij het raadzaam achtten dat zij, die zich tot het mormonisme voelde aangetrokken als gevolg van hun propaganda, zowel pro- als anti-informatie moesten ontvangen,
Het polygamie-debat in de kranten duurde jaren. Twee publicaties, "De Eenheid" en "De Tempel" werden gedurende deze controverse bondgenoten voor de mormoonse zaak. In 1925 publiceerde De Eenheid een pro-mrmoons artikel van Theodore Roosevelt, getiteld: Theodore Roosevelt weerlegt anti-mormoonse leugens:
"Toen ik president was, werd bij een bepaalde gelegenheid een aantal aanvallen op de regering gedaan omtrent deze meervoudige huwelijken in Idaho en Wyoming, alsmede in Utah, waarin werd beweerd dat een aantal van onze federale leiders een meervoudig huwelijk hadden gesloten, Een bijzonder zorgvuldig en grondig onderzoek werd door de beste regeringsmensen ingesteld en het bleek dat er niet de geringste grond van waarheid in deze aanvallen was, Iedere mormoon waarmee ik sprak, verzekerde mij, dat sinds polygamie wettelijk verboden was, zij zich aan deze wet hielden. De mormonen hebben hetzelfde recht hun godsdienst te beleven op hun manier, evenals de Joden en de Christenen dit recht hebben, Zij zullen alleen niet handelen tegen de wetten van het land. Ik heb monogame mormonen gekend. Hun levensstandaard met betrekking tot huiselijk leven, moraal en houding ten opzichte van mannen en vrouwen waren zo hoog als die van de beste mensen in iedere andere bevolkingsgroep. Werkelijk, tussen deze mormonen is de standaard van sexuele moraliteit bijzonder hoog, Hun kinderen zijn talrijk, gezond en goed cpgevoed. Hun jonge mannen waren minder dan hun buren geneigd om toe te geven aan een verdorven sexuele losbandigheid die zo vernederend is voor hun sekse en zo wreed en vernederend voor de vrouwen die er het slachtoffer van zijn. Zij leden niet aan deze ordeugd, die vernietigender voor de beschaving is dan welke andere ondeugd ook maar kan zijn: de kunstmatige beperkingen van gezinnen en het steriele huwelijk leiden uiteindelijk tot vernietiging van de natie."
Na de verschijning van dit artikel verschenen er weer vele andere gunstige artikelen over de mormoonse zaak, Polygamie bleef vele jaren een strijdvraag, maar er werden ook betrouwbare artikelen gepubliceerd. In 1929 werd het bekeringswerk geconfronteerd met een andere hardnekkige antimormoonse campagne. In Rotterdam gingen op marktdagen "handelaren" van deur tot deur, om "Openbaringen" te verkopen, Deze handelaren verkochten pamfletten, die mormoonse tempelgeheimen bevatten. In werkelijkheid was deze campagne een handelszaakje.

De controverse betreffende de doop
Het dopen werd eveneens een strijdvraag in vele krantenartikelen, Een artikel in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 1 februari 1922 beschreef een doop door onderdompeling en concludeerde, dat deze manier van dopen ongetwijfeld een kracht had die ontbrak bij de gemakkelijke manier van dopen door het laten vallen van een druppel water op het voorhoofd van de kandidaat, In 1931 publiceerde De Heraut, een Nederlands Hervormd weekblad, een artikel, waarin de vraag aan de orde werd gesteld of de mormocnse manier van dopen door de kerk als christelijk moest worden beschouwd of niet. De schrijver van het artikel kwam tot een negatieve uitspraak, later verscheen er een artikel in het Hervormd weekblad der Calvinistische Kerk, dat overwoog of een Mormoon door de Nederlands Hervormde Kerk kon worden geaccepteerd zonder herdoop. Het artikel concludeerde dat, als de mormoonse kerk als christelijk werd beschouwd, en als de doop was verricht in de naam van de Heilige Drieeenheid, de doop geldig was. De schrijver zei, dat de mormoonse doop christelijk scheen te zijn maar hij "durfde niet te zeggen dat het een christelijke kerk was, hoewel er wel enige elementen van ware christelijkheid in zaten" . Na 1935 verschenen er in de kranten en diverse weekbladen gunstige artikelen betreffende doop voor de doden, het welzijnsplan, het zendingswerk, genealogie en het mormoonse kerkbouwprogramma.

Tegenstand van de geestelijkheid

De geestelijkheid bestreed de groei van het mormonisme met diverse methoden. In Delft stelden geestelijken een "genezer" aan in navolging van de zendelingen, zij beledigden de zendelingen in het openbaar en waarschuwden de mensen tegen hen.
Andere geestelijken verspreidden anti-mormoonse lectuur. Soms werkte dit juist averechts, omdat hierdoor eerder de nieuwsgierigheid dan oppositie werd opgewekt .
"Velen hoorden voor het eerst in hun leven de zendelingen hun getuigenis van
het Evangelie van Jezus Christus geven. Het is er een goed voorbeeld van hoe
de oppositie in ons voordeel kan werken. In plaats van toorn van vele inwon-
tegen ons op te wekken en vijanden van ons te maken, bezorgde deze goede
predikant (en anderen) ons vele vrienden.
Bij tijd en wijle publiceerde predikanten artikelen in de kranten of, schrevan
pamfletten en boeken tegen de mormoonse kerk. Een groep Nederlands Hervormde
predikanten in Apeldoorn publiceerde een grof en gemeen anti-mormoons pamflet
in een poging de groei van het mormonisme onder hun leden in te dammen.
Het pamflet, getiteld "Waak en Bid" bevatte een waarschuwing tegen "misleidende
methoden van de mormoonse zendelingen, die probeerden de gelovigen in hun
strikken te vangen." |

Geschriften van Van der Valk
Sinds 1921 vormde een serie geschriften van M.H.A.van der Valk de voornaamste
bron van de aanvallen van de geestelijkheid op het mormonisme. Van der Valk
was een Nederlands Hervormd predikaat geweest maar was uit zijn functie gezet.
In 1921 publiceerde Van der Valk een brochure, getiteld “De profeet van de
mormonen Joseph Smith Jr.". Vele kranten en tijdschriften hetzagen de brochure
en juichten haar toe als het beste werk omtrent mormonisme in de Nederlandse
taal. Deze brochure werd gedurende vele jaren een bron voor antimormoonse
artikelen in de kranten, voor preken tegen mormonisme in kerken en voor gemene
Pamfletten.
Later gaf Van der Valk een andere brochure uit, getiteld: "De Mormonen,
hun Profeet, Leer en Leven". In 1926 gaf hij een brochure uit getiteld
"De Mormoonse Leer". Toen deze laatste brochure in druk verscheen, verklaarde
de Nieuwe Haagsche Courant dat deze brochure "verschrikkelijke, maar gezaghebbende
en aanvaardbare lectuur" was, “die gebruikt moest worden tegen de onver-
zettelijke mormoonse propaganda in Nederland".
Een van Van der Valks brochures bevatte tempelgeheimen."Hij was in Amerika
geweest, maar nooit in Utah, hoewel hij beweerde daar wel geweest te zijn. Eij
beweerde, dat hem, toen hij in Amerika was, als niet-mormoon natuurlijk niet
werd toegestaan het Endowment House, een bijgebouw van de tempel in Salt Lake
City, te betreden, maar hij kon niettemin alle betrouwbare informatie verstrek
ken over alles wat daar gebeurde."
Dominee Van der Valk beweerde dat hij voor het eerst in 1889 in Salt Lake
City was, negen jaar voor dit laatste bezoek. Hierdoor werd de eerlijkheid
van de predikant in twijfel getrokken. Zelfs in 1926 bleek dat hij niet wist
dat het Endowment House niet langer bestond.
Na de publicatie van Mormon Doctrine begonnen handelaren het pamflet "Tempel-geheimen" op de markten in Rotterdam en omliggende steden te verkopen ter "be-
Striding” van de mormoonse propaganda.
Van der Valks publikaties bleven gedurende vele jaren een bron van anti-
mormoonse literatuur. In 1953 schreef Van der Valk een brief aan de zendings-
president, Donovan van Ban, waarin hij naar de positie van de mormoonse kerk
in Amerika informeerde. President Van Dam geloofde dat Van der Valk uit-
eindelijk de waarheid omtrent de Kerk begon te leren in plaats van de valse
informatie die hij gedurende de afgelopen jaren had gekoesterd.
President Van Dam voelde dat Van der Valks gemoed was verzacht ten tijde
van zijn dood in 1954 en dat hij begon te denken dat de Profeet Joseph Smith
misschien niet zo slecht was geweest als hij hem had geschilderd.

De resultaten van de oppositie
Gedurende de geschiedenis van de Nederlandse Zending veroorzaakten de pers en de tegenstand van de geestelijkheid voor de kerk gunstige publiciteit. De tegenstand hielp bij het openen van de weg voor een meer uitgebreide verspreiding van het Evangelie. Zendelingen berichtten, dat de oppositie de mensen er toe bracht om uit te vinden welk soort mensen zij waren. Soms werden bioscopen gebruikt als middel om de propaganda van het mormonisme te bestrijden, maar dit hielp alleen maar bij bekeringspogingen.
"Nu en dan vertonen sommige minder goede bioscopen film zoals "Een slachtoffer van de mormonen", "De Parel van Utah" of "De Bloem van de Mormonen".
Deze dragen er alleen maar toe bij om de nieuwsgierigheid van de mensen op te wekken en hen er toe te brengen het evangelie te onderzoeken. In plaats van het werk te verhinderen, bevorderen zij het."
Gedurende de geschiedenis van de kerk in Hederland was er juist genoeg tegen­stand en vervolging om onderzoekers tot de Kerk te brengen.