DE EUROPESE DREMPEL OVERSCHREDEN
Zendingswerk is de stempel van de Kerk van Jezus Christus. Het orgelpunt
van de evangelieën luidt: "Gaat dan henen, maakt al de volken
tot Mijn discipelen..." En de apostelen zwermen uit over land en
zee. De herstelling van de kerk in 1830 draagt dezelfde stempel. Reeds
in 1829 beveelt een openbaring de Heiligen hun geloof en getuigenis
met anderen te delen (Leer en Verbonden 4). Datzelfde jaar onderstreept
een andere openbaring, aan Joseph Smith en John Whitmer, het cruciale
bekeringswerk: "En zie, nu zeg Ik u, dat, wat voor u de grootste
waarde zal hebben, zal zijn om bekering tot dit volk te prediken, opdat
gij zielen tot Mij zult brengen, zodat gij met hen in het koninkrijk
Mijns Vaders zult kunnen rusten" (Leer en Verbonden 15:6). De Leer
en Verbonden verwijst drieëndertig maal naar de rol van het zendingswerk
in de herstelde kerk.
Vanaf 1830 wordt de boodschap zowel door de prediking van jonge zendelingen
als door de verspreiding van pamfletten verkondigd. Nadien begint Joseph
Smith dit werk systematischer te besturen. De ouderlingen werken nu
twee aan twee, krijgen soms een bepaald gebied toegewezen en ontvangen
in 1834 "een predikingsbewijs dat zij officiële kerkvertegenwoordigers
zijn" (1). In 1837, op het einde van de Kirtland-periode, dragen
zendelingen het Boek van Mormon uit naar elke staat van de toenmalige
Verenigde Staten en naar een groot deel van Canada. Reeds twintigduizend
mensen zijn, in het wit gekleed, door onderdompeling gedoopt.
NAAR ENGELAND
In 1837 schrijven enkele Canadese bekeerlingen, waaronder apostel Joseph
Fielding, naar hun familieleden in Engeland over het herstelde evangelie.
De wens de boodschap in Engeland te verkondigen bereikt ook Joseph Smith.
Doch Joseph wordt belemmerd door grote moeilijkheden in de jonge kerk.
Een aantal leden noemen hem een gevallen profeet en keren de kerk de
rug toe. In die gespannen omstandigheden schrijft de profeet nochtans:
"In deze situatie, en enkele weken voor de Twaalf als quorum samen
moesten vergaderen, openbaarde God mij dat iets nieuws moest verricht
worden voor de zaligheid van Zijn kerk. Op 1 juni 1837 werd Heber C.
Kimball, één van de twaalf apostelen, gekozen door de
Geest en door openbaring en werd hij door handoplegging aangesteld om
te presideren over een Engelse zending - de eerste overzeese zending
van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen"
(2). Apostel Heber C. Kimball, grootvader van de huidige president,
Spencer W. Kimball, noteert in zijn dagboek dat Joseph hem in de Kirtland
tempel heeft ingelicht: "Broeder Heber, de Geest des Heren fluisterde
me toe: Laat mijn dienaar Heber naar Engeland gaan om aldaar het evangelie
te verkondigen en de deur tot zaligheid te openen voor dit land"
(3). Kimball staat versteld bij de woorden van de profeet. Hij vindt
zichzelf een onopgevoede boer, niet geschikt om naar een, volgens hem,
verfijnd volk met een hoogstaande culturele traditie te reizen. Maar
Heber C. Kimball gehoorzaamt en verlaat zijn ziek en behoeftig gezin
om in Engeland het zendingswerk op touw te zetten. Zijn ongelofelijk
succes bewijst dat zijn angsten ongegrond waren. Haast tweeduizend mensen
worden er gedoopt tussen juli 1837 en april 1838. Elder Kimball zelf
brengt zo'n duizend leden tot de kerk.
De groep zendelingen bestaat uit zes man - waaronder apostelen Orson
Hyde en Joseph Fielding. Ze bereiken Liverpool op 20 juli 1837, net
wanneer koningin Victoria de Britse troon bestijgt. Aldus begint het
zendingswerk niet alleen voor Engeland, maar eventueel ook voor geheel
Europa. Wanneer Brigham Young vier jaar later, in 1841, Engeland verlaat
met een groep apostelen die daar met hem hebben gearbeid, telt de kerk
in Engeland 5.814 Heiligen der Laatste Dagen. Vele honderden verlaten
echter hun moederland: zij vormen de voorhoede van de grote mormoonse
emigratie uit Europa in de komende honderd jaar. Zij laten hun geboorteland
achter voor het beloofde Zion in Nauvoo en daarna in de vallei van het
Grote Zoutmeer in West-Amerika.
NEDERLAND IN HET MIDDEN
VAN DE NEGENTIENDE EEUW
In 1841 zet voor het eerst een Heilige der Laatste Dagen, een lid van
de Raad der Twaalf, voet aan wal in Nederland. Hoe ziet ons land er
dan uit?
Voor Nederland is het midden van de negentiende eeuw, alles bij elkaar
genomen, een sombere periode. De glorietijd van vroegere dagen is al
lang voorbij. Opstanden, oorlogen, Engelse en Franse bemoeienissen sparen
al meer dan een eeuw het kleine land aan de Noordzee niet. Na de val
van Napoleon in 1815 wordt het koninkrijk der Nederlanden hersteld onder
koning Willem I. Maar al gauw blijkt dat het volk, alhoewel verheugd
met de herwonnen vrijheid, niet veel meer van politiek patriotisme hebben
moet. Oranje is terug, fijn, en Oranje zal het wel goed doen. Maar Oranje
moet zelf maar zien hoe. Zo denken zowel de gezapige burgerij als de
berooiden die voor het plezier mee gejuicht hebben bij de bevrijding.
De winkelier weegt zijn rozijnen af, de kleermaker meet zijn goed met
de ellestok, de koopman beheert zijn effecten, neemt een snuifje en
neust in de Oprechte Haarlemmer. Allen doen hun deur op het nachtslot
en kruipen met de slaapmuts op achter de bedsteedeuren. Potgieter vindt
het cultuurleven van zijn tijd een stokviswinkel en Rogier noemt de
jaren 1815 tot 1840 "een duffe tijd van dommelige meelzakken en
Jan Salies" (4).
De Belgische opstand in 1830 leidt tot de afscheiding van het zuiden.
Het is een moeizaam proces, verwarrend, dat pas in 1839 zijn afsluiting
krijgt. Daartussen liggen negen jaren van mobilisatie in het lege Brabant
- negen jaren die zwaar wegen op de kleine man. Lauwe hutspot, een heel
klein lapje halfgaar vlees en driemaal overgetapt bier op lange regendagen
of stoffige zomers hebben de hoogdravende vaderlandse liederen al gauw
met spotwoorden verbasterd.
In de nu al oude kolonies volgen de rampen elkaar op: hervormingen
mislukken, lokale oorlogen woeden in Java, op de Molukken, in Bali,
op Sumatra. De slavernij tiert nog welig - pas in 1842, een eeuw na
soortgelijke initiatieven in andere landen, wordt er voorzichtig een
Maatschappij tot Bevordering van de Afschaffing der Slavernij gesticht.
Maar tot ver in de jaren veertig verschijnen in de kolonies zulke advertenties:
"Morgen, publiekelijk bij executie verkocht: Agilles, veldneger,
roodachtig van couleur, van een goed nest." Tien jaar later plaatst
Eduard Douwes Dekker de naam Multatuli op zijn "Max Havelaar".
Het koningshuis en de regering kunnen hun wereld niet meer aan. Interne
geschillen ondergraven het gezag. In 1840 staan de adel, de pers en
de kerk in rep en roer om het voorgenomen tweede huwelijk van de oude
koning Willem I - een huwelijk met slechts een gravin, niet alleen van
onvoldoende stand, maar ook nog een Belgische én Rooms. Beheerst,
maar verbitterd, doet Willem I afstand van de troon. Zijn zoon, Willem
II, volgt hem op in ongelukkige omstandigheden. De nieuwe koning mist
beginselen en perspectief: "Hij hield veel van zijn volk, maar
nog meer van champagne," klonk het later.
Dat Nederlandse volk bestaat maar uit "twee soorten inwoondren,"
de rijken en de armen. De rijken, nog geen vijftien procent van de bevolking,
noemen zichzelf de fatsoenlijke stand - adel, patriciaat en gegoede
burgerij. Heel de rest maken de armen, van ambachtslui over onderwijzers
naar arbeiders en plaggenhutters.
De rijken, het moet worden gezegd, zijn niet buitensporig. Het geld
wordt besteed aan fraaie interieurs en aan een comfort dat telkens iets
nieuws uitvindt: handige petroleumlampen, stromend water, sanitair in
een apart kamertje. Aalmoezen geven wordt een opvoedkundige bezigheid:
wat heilig om enkele guldens bij te dragen voor de broodbedelingen;
wat heerlijk voor de kinderen om de oude zieke dienster in haar zolderkamertje
op te zoeken en haar wat versleten kleren te brengen. Men begrijpt niet
hoe mensvernederend dat paternalisme is.
De dagelijkse levenscultuur van die kleine minderheid is op Frankrijk
gericht, met Franse lectuur, Franse toneelstukjes of tableaux vivants,
Franse muziek, gebracht tussen diners, recepties en de opera. 's Zomers
vertrekt men naar het landhuis om er te dromen in een prieeltje. De
standsverschillen zijn stipt. Alleen "met Uedeles welnemen"
mag een saluerende palfrenier aan de heer des huizes toevertrouwen dat
hij "mijnheer Uw vader" nog gekend heeft. "De zogenaamde
fatsoenlijke familiën," schrijft Donker Curtius in 1847, "hebben
zich meester gemaakt van alle gezag, landelijk, stedelijk, provinciaal
en algemeen."
De armen - kleine middenstand, keuters, daggelders en ontelbare verworpenen
- trachten van de éne dag op de andere te leven. Het "uitvaagsel"
hokt bijeen, in de stad in krotterige pandjes, op het land in huttenkolonies.
De hutten zijn in één dag klaar, van gevlochten takken,
ingesmeerd met wat leem, een gat in de deur en een opening in het dak
voor de turfrook. Soms hebben de bewoners een aardappelveldje, leuren
met heibezems en honing en eten miereneieren en boomschors. De textielarbeiders
staan veertien uur per dag in duistere kelders aan de lompe getouwen.
's Zondags krijgen ze toch een kwartier rust om te luisteren naar de
patroon die een stichtend hoofdstuk uit de bijbel voorleest. Ze verdienen
te weinig om te leven en net iets te veel om te sterven. Het schrale
loontje wordt uitbetaald in bonnen die enkel in de winkel van de patroon
kunnen omgezet worden in slecht brood, dure suiker, bier en jenever.
Maar altijd knaagt de honger. Arm Nederland voedt zich vooral met voze
en zwarte aardappelen, gekruid met mosterd of bierazijn, en doorgespoeld
met zwart gootwater dat koffie heet (5).
In het midden van de negentiende eeuw sterft in Nederland één
kind op drie. En voor hen die aan roodvonk, stuipen, tering of een choleraepidemie
ontsnappen, wacht een duister bestaan. Van elke negen kinderen die ter
wereld komen wordt er één te vondeling gelegd. In de portieken
van de weeshuizen liggen elke avond een paar nieuwe baby's te huilen,
met tussen de doeken een briefje: "Jopie, een meissie van griffermeerde
godsdienst, is nog ongedoopt" of "Leentje is rooms gedoopt,
ze heeft nooit gezooge, maar eet heel goet pap."
Arbeiderskinderen kruipen over de vloer van hun krotten. De schoorstenen
trekken niet goed, onder de bedstee liggen de zwarte aardappels, overal
krioelen er beestjes. De kinderen kunnen amper spreken of ze lopen grote
kans het slachtoffer te worden van een schandaal dat geen periode ooit
heeft gekend - de kinderarbeid. De steenbakkerijen in Hendrik-Ido-Ambacht
hebben kinderen vanaf vier jaar in loondienst. Op de Hilversumse wol-
en katoenfabrieken werken kinderen van vijf en zes jaar.
Toch is alles niet verstard. Er roert wat. Het jaar 1845 ziet rellen
losbreken tegen de heersende armoe en het voedseltekort wegens aardappelziektes.
Oproerige bewegingen zinderen door het noorden in 1847. Maar de liberale
borrelpraat verandert niets en de strenge betogen van de enkele radicalen
slagen niet diep genoeg in het burgervlees om werkelijk pijn te doen.
In 1848 schrikt de burgerij evenwel voor het eerst sinds jaren wakker
uit haar chronische versuffing. De februari-revolutie in Frankrijk jaagt
als een storm door een ontzet Europa en vaagt tronen en scepters weg.
Datzelfde jaar publiceren Friedrich Engels en Karl Marx het Communistisch
Manifest. De conservatieve Nederlandse regering, beangstigd door het
republikeins geroep en door zware incidenten in Den Haag en Amsterdam,
besluit al gauw meer liberale en sociale beginselen toe te passen (6).
Ook het onderwijs wordt nieuw leven ingeblazen. De overheid leert te
demonstreren hoe belangrijk de schoolprestaties wel zijn. Heel plechtig
woont de schoolopziener de examens bij en reikt twee weken later in
de dorpskerk de erepenningen uit aan de vlijtige kinderen die het best
de ingestudeerde antwoorden hebben opgedreund. Als beloning wordt hijzelf
toegezongen met:
Dag Lieve Schoolopziener! Gij
bezoekt ons weer, wij zijn nu blij.
Gij houdt niet op te zorgen. Wees welkom dan, o brave man!
Elk onzer zal zoveel hij kan
Uw zorgen dankend lonen.
Toch komen er slechts dertig van de honderd kinderen ooit op een schoolbank.
Op het platteland vinden de boeren de school vaak tijdverspilling wanneer
er op de akkers veel te doen is. De schoolgebouwen, soms maar van plaggen,
leem en stro gemaakt, lokken niet aan. De kinderarbeid vreet nog een
deel weg van het mogelijk publiek. De onderwijzer is ook metselaar en
landarbeider en klokkeluider. Maar toch brengt hij de weinige volkskinderen
die school lopen kostbare dingen bij: het visioen van een wereld waar
het beter leven is. Weten hoe het anders kan opent langzaam de deur
naar de strijd voor een ander bestaan.
Het is in die tegenstelling tussen arm en rijk en in het broeien van
nieuwe perspectieven dat het herstelde evangelie Nederland zal bereiken.
ORSON HYDE IN NEDERLAND
Het jaar 1841 ziet het eerste mormoonse contact met Nederland. Apostel
Orson
Hyde, collega van Heber C. Kimball in Engeland, krijgt van Joseph
Smith de opdracht naar Jeruzalem af te reizen en er Palestina in te
wijden voor de terugkeer van de Joden. Op 20 juni 1841 verlaat Hyde
Engeland met een plan op zak van verschillende Europese hoofdsteden
waar hij onderweg de Joodse gemeenschappen wil bezoeken.
Hij reist "dertig uren per stoomboot over een onstuimige zee...
Nooit ben ik zo zeeziek geweest als tijdens deze bootreis" (7).
Rotterdam is zijn eerste halte waar hij logeert in het "London
Hotel voor twee florijnen per dag, ongeveer drie shilling en vijf pence
sterling of vijfenzeventig cents" (8). Hyde ziet van Rotterdam
wat de Amerikaanse ééndagstoerist, ja ook toen al, er
van kan zien: "De schone straten, de klassieke architectuur, de
hoogte van de gebouwen, de schaduw van de talrijke bomen die de stad
zo prachtig maken, de vele kanalen waarop talloze schepen vanuit alle
delen van de wereld varen - dit alles en nog veel meer geven deze stad
een speciaal effect dat ik tot nog toe nergens heb gezien. De meeste
zakenmensen hier spreken een beetje Engels - sommigen spreken het zelfs
heel vlot" (9). Orson Hyde maakt een afspraak met de hoofdrabbijn
van Rotterdam, in de geest van een openbaring van 1840: "... London,
Amsterdam, Constantinopel en Jeruzalem verschenen mij in deze volgorde
en de Geest zei mij: Hier zijn vele kinderen van Abraham die ik zal
vergaderen in het land dat Ik hun vaders heb geschonken, en daar ligt
ook uw arbeid..." (10). Maar de hoofdrabbijn spreekt geen woord
Engels en met de Joodse gemeenschap komt Orson Hyde niet in aanraking.
Bij de rabbijn laat de mormoonse apostel dan maar vijfhonderd pamfletten
achter, eigenhandig geschreven: "An Address to the Hebrews".
Maar er worden nergens mormoonse bekeerlingen uit de Joodse gemeenschap
gemeld.Hyde reist dan naar Amsterdam waar hij twee dagen blijft. In
een brief aan Joseph Smith schrijft hij: "Op weg naar Amsterdam
kwam ik door een prachtige stad, Den Haag genoemd. Ik zag het paleis
van de koning, bewaakt door soldaten te paard en te voet. Wat de grandeur
betreft, zoudt u het kunnen vergelijken met Buckingham Palace in London.
Maar de prachtige parken en het pittoreske landschap in en rond Den
Haag zijn niet te evenaren" (11).
Na enkele exemplaren van zijn "Address" aan de Amsterdamse
Rabbi te hebben overhandigd, vervolgt Hyde zijn reis via Arnhem naar
Frankfurt en Regensburg. Het Europese continent overwelmt hem: "In
Amerika heb ik over Europa geleerd in mijn schoolboeken, maar er zijn
en het aanschouwen is onbeschrijfelijk!" (12). Met die korte doortocht
houdt echter ook de mormoonse aanwezigheid in Nederland op. Het zal
twintig jaar duren, tot in 1861, alvorens er weer over Nederland kan
gesproken worden. De reden: dramatische jaren wachten de kerk in Amerika.
1844-1860
BEWOGEN JAREN VOOR DE KERK IN AMERIKA
De Heiligen in Amerika ervaren tussen 1844 en 1860 een uiterst bewogen
en dramatische tijd: het begint met steeds erger wordende vervolgingen
in Illinois die leiden tot de marteldood van Joseph Smith, de profeet,
en zijn broer Hyrum. Daarop volgt in 1847 de gigantische exodus naar
het nog barre Utah en het vestigen van de kerk in het Westen onder leiding
van Brigham Young. In 1852 wordt het meervoudig huwelijk, door Joseph
Smith in 1840 bekendgemaakt, openlijk verkondigd. De aandacht van Amerika
en spoedig van de hele wereld wordt via geschandaliseerde puriteinse
reacties en via leugenachtige sensatieverhalen gevestigd op dit facet
van de mormoonse leer en leven.
Die ophefmakende geruchten leiden zelfs tot de zogenaamde Utah-oorlog:
in 1857 marcheert een Amerikaans leger onder leiding van generaal Albert
S. Johnston naar Utah om er "de barbaarse polygamie" uit te
roeien. Na tien uiterst moeilijke jaren in haar afgelegen Westerse verblijf
wordt de kerk opnieuw bedreigd in haar bestaan zelf. Zelfbescherming
krijgt voorrang op zendingswerk. Gelukkig kunnen de mormoonse leiders
tijdig de overheid overtuigen van hun eerlijke bedoelingen en van de
hoge zedelijke normen van het meervoudig huwelijk. Het leger installeert
zich buiten Salt Lake City zonder dat er één schot is
gelost.
In 1861 vergeet men Utah en de Heiligen. De aandacht van de wereld
is nu toegespitst op een nieuw drama van veel grotere omvang: de Amerikaanse
burgeroorlog. In een bloedige strijd verzetten de Noordelijke staten
zich tegen de slavernij in de Zuidelijke staten, die zich van de "Union"
afscheiden. De telegraaf verbindt nog maar net het Westen met de rest
van de Verenigde Staten: Brigham Young maakt hiervan onmiddellijk gebruik
om president Abraham Lincoln te berichten dat de Heiligen der Laatste
Dagen trouw zijn aan de Union. "Utah heeft zich niet afgescheiden,
maar steunt de Constitutie en de wetten van ons weleer gelukkige land"
(13). Het mormoonse rijk ligt echter buiten het strijdtoneel en er treden
nu voor de kerk jaren aan van ontwikkeling en groei.
"De zware, onheilspellende wolken die dreigend boven ons hoofd
hingen deze afgelopen jaren, zijn nu verdwenen," aldus drukt William
Clayton het uit in 1860, in een brief aan George Q. Cannon, toen in
Engeland (14). En inderdaad, Salt Lake City, nu een stad van twintig
à dertigduizend inwoners, bouwt een theater om het culturele
leven te bevorderen. De oogst van 1861 is rijkelijk. "Er is een
overvloed aan graan, zoals nooit tevoren". Clayton, Engelsman en
net geïmmigreerd, kan niet anders dan Zion in een gunstig licht
zien. Hij vergelijkt de vrede, de rust en de voorspoed van de Heiligen
in Utah met de vreselijke toestanden die de werkende klasse in Europa
plagen.
Het rooskleurige beeld dat Cannon ophangt over het leven bij het Grote
Zoutmeer wordt besloten met een "alles is wel in Zion". "Het
zal je deugd doen," besluit Clayton, "hier in de straat te
staan en te zien hoe de werklieden de grote stenen aansjouwen voor de
tempel" (15). Na de jaren van kommer en angst, wordt het bouwen
van de Salt Lake tempel de kroon en het symbool van de mormoonse voorspoed.
DE EERSTE ZENDELINGEN NAAR NEDERLAND
In Salt Lake City is de jaarlijkse algemene conferentie de gelegenheid
om nieuwe zendelingen te roepen. Tijdens de april-conferentie van 1861
worden er twee aangesteld om in Nederland te prediken, Paul August Schettler,
een Pruis, en Anne Wiegers van der Woude, een Nederlander die tien jaar
daarvoor in Wales lid van de kerk is geworden.
Schettler is drieëndertig jaar. Hij is geboren te Neuwied bij
Koblenz, een gebied dat Pruisen heeft aangehecht. In 1858 emigreert
hij naar Amerika en vestigt zich in New York City waar hij vermoedelijk
als boekhouder te werk gesteld wordt. Hij verkrijgt daar een getuigenis
van het herstelde evangelie en wordt gedoopt op 9 februari 1860. Datzelfde
jaar trekt hij, samen met vele andere Heiligen, naar het Westen (16).
Door de zendingsoproep van 1861 is Schettler's verblijf in Utah maar
van korte duur. Na zijn zendingswerk, waarover in het volgend hoofdstuk
meer, verblijft hij twintig jaar in Salt Lake. Een reis naar Palestina
in 1872 brengt hem nog een keer in Nederland. Een beroerte verlamt hem
in juli 1874. Tien jaar later sterft hij.
Schettler's collega, de Nederlander Anne Wiegers van der Woude, is
in 1861 achtenveertig jaar oud. Even bekwaam als toegewijd, heeft deze
zendeling een oprechte liefde voor zijn geboorteland. Hij zag het levenslicht
te Franeker in Friesland. Waarschijnlijk zoals zijn vader, kiest hij
het matrozenleven. Hij doorkruist de wereld en leert verschillende talen,
waaronder Chinees tijdens een vijfjarig verblijf in China ten gevolge
van een schipbreuk. Hij is ook een succesvol zakenman (17).
De archieven vermelden niet wanneer en waarom van der Woude te Cardiff
in Wales het anker laat vallen. Als scheepsmakelaar leeft hij er met
vrouw en drie kinderen. Op 30 oktober 1852 treedt het gezin toe tot
de mormoonse kerk. In die tijd groeit de kerk snel in Wales. Minder
dan drie maanden later, op 24 januari 1853, verlaat een schip de haven
van Liverpool met aan boord het gezin van der Woude en vele andere mormoonse
bekeerlingen die naar Zion emigreren (18). Het vrij snelle vertrek na
de toetreding tot de kerk wijst er op dat van der Woude er financieel
beter voor staat dan de meeste Europese bekeerlingen.
De van der Woude's bouwen een huis in Ogden, ten noorden van Salt Lake
City. Acht jaar later legt Wilford Woodruff, toen een lid van de Raad
der Twaalf, zijn handen op het hoofd van Anne van der Woude en stelt
hem aan als zendeling voor Nederland. Bij zijn thuiskomst in 1863, vestigt
de trouwe zendeling zich als handelaar in Malad, in de staat Idaho,
net over de grens van Utah. Hij kent er een gelukkig leven tot zijn
dood in 1890.
Zoals honderden zendelingen voor hen worden ook Schettler en van der
Woude naar Europa gezonden om er "het goede nieuws van het herstelde
evangelie" te verkondigen. De aantekeningen in van der Woude's
dagboek beschrijven in het Nederlands het verloop van zijn reis:
"Jornaal gehouden op de reis van de Sout Zee stad, hooftstad van
de terretory Utah, of Deseret, waar de vergaderplaats is der heiligen.
Maandag den 22sten April 1861..." (19).
De zendelingen trekken eerst met een wagenkaravaan vol voedsel en materiaal
oostwaarts naar de Missouri-stroom waar arme Heiligen wachten op voorraden
om naar Utah te kunnen trekken.
"Op Woensdag den 9de July: de heiligen in New York ontvingen ons
met grote blijdschap en wij vonden die gemeente in goede gestalte, vol
des heyligen geestes. Stonden met hen tot Saaterdag des 13de, vertrokken
van daar met de stoomboot de Etna, om 12 uur voor Liverpool..."
(20).
Op 25 juli 1861 meldt de "Millenial Star" de aankomst van
de zendelingen te Liverpool (21). Na een instructieweek, reizen Schettler
en van der Woude door naar Nederland. Op 5 augustus 1861 komen ze te
Rotterdam aan.
D E KERK IN EUROPA ROND 1860
In 1861 bestaat de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste
Dagen een kwarteeuw in Europa. In Engeland was het begonnen met onvoorstelbaar
succes. Een aanzienlijk deel van de kerkleden in Utah in die tijd bestaat
uit Europese immigranten, bekeerd tussen 1840 en 1860. Kerkverslagen
geven de volgende cijfers: tussen 1837 en 1861 worden er niet minder
dan 83.115 mensen gedoopt in GrootBritannië. Dit betekent dat van
de 127.000 mensen die in Groot-Britannië tot de kerk toetreden
in de negentiende eeuw, twee derden dit doen voor 1862 (22).
Na 1862 kent de kerk in Engeland inderdaad een tragere groei. Brigham
Young junior, op zending in Engeland in 1862, laat dit ook blijken in
de brieven aan zijn vader: "Sinds ik hier ben vraag ik me af wat
ik hier eigenlijk doe. Ik heb nog niets goeds gedaan. Ik bekeer hier
niemand" (23). De jonge Brigham beseft niet dat het een vrij algemene
toestand is in de zending. Toch worden er dat jaar, 1862, nog vijftienhonderd
leden bekeerd op de Britse eilanden - een niet te onderschatten aantal
volgens onze huidige normen. Om het centrale Zion te versterken wordt
de emigratie naar Amerika in die periode aangemoedigd. In 1862 zijn
er al meer dan 20.000 Engelse heiligen naar Utah gereisd.
In de rest van Europa is het zendingssucces eerder matig. De kerk groeit
weliswaar in Scandinavië, vooral in Denemarken en ook in Zwitserland.
Denemarken, Zweden, Noorwegen en IJsland tellen ongeveer duizend bekeerlingen
per jaar, waarvan een kwart naar de Verenigde Staten emigreert. In 1861
meldt de Zwitserse zendingspresident John L. Smith dat de 618 leden
van zijn gebied verdeeld zijn over elf gemeenten (24). In Zuid-Duitsland
en in Noord-Italië wonen er hier en daar Heiligen der Laatste Dagen.
Maar er zijn er ook al honderden naar Amerika uitgeweken. In het libertijnse
Frankrijk wordt geen enkel succes geboekt, alhoewel er sinds 1850 zendelingen
werkzaam zijn.
Toch hopen de kerkleiders op een hernieuwde vooruitgang van de kerk
in Europa. Zeer bekwame mannen worden als zendingspresidenten aangesteld:
de apostelen Amasa Lyman, Charles C. Rich en George Q. Cannon. Allen
zijn zij ervaren zendelingen en organisatoren. Men weet dat dit leiderschap
een nieuwe stuwkracht zal brengen, dat nieuwe deuren zullen opengaan
op het oude continent. De zending in Nederland is daarvan een begin.
Voetnoten:
(1) James B. Allen & Glen M. Leonard, The Story of the Latterday
Saints (Salt Lake City, 1976), 72-73.
(2) Joseph Smith, Jr., History of the Church of Jesus Christ of Latter-day
Saints, ed. B. H. Roberts. 7 vol., 2nd ed. rev. (Salt Lake City, 1960),
2:489.
(3) Geciteerd in Stanley B. Kimball, Heber C. Kimball: Mormon Patriarch
and Pioneer (Urbana, 1981), 40.
(4) J.J. Bouman, Op en om Oranje's troon ('s Gravenzande, 1963), 36.
(5) J. de Rek, Koningen, kabinetten en klompenvolk (Baarn, 1975), 230.
(6) J.J. Giele, De pen in de aanslag: Revolutionairen rond 1848 (Bussum,
1968).
(7) Geciteerd in Howard H. Barron, Orson Hyde: Missionary, Apostle,
Colonizer (Bountiful, 1977), 109.
(8) Brief aan Joseph Smith, 17 juli 1841, in Joseph Smith, History of
the Church, 4:384.
(9) Ibid., 385.
(10) Geciteerd in Barron, 109-111.
(11) Joseph Smith, 4:385.
(12) Ibid., 385.
(13) Allen & Leonard, 311.
(14) Millenial Star, 23 (1861), 59.
(15) Millenial Star, 24 (1862), 42.
(16) Andrew Jenson, LDS Biographical Encyclopedia (Salt Lake City, 1971),
4:357.
(17) Jenson, 4:358.
(18) Ibid., 4:358.
(19) Anne Wiegers van der Woude, Personal Journal, 22 April 1861.
(20) Ibid., 30 July 1861.
(21) Millenial Star, 23 (1861), 506-507.
(22) Richard L. Evans, A Century of Mormonism in Great-Britain (Salt
Lake City, 1937).
(23) Dean Jessee, ed., Letters of Brigham Young to his Sons (Salt Lake
City, 1975), Brigham Young Jr. to Brigham Young, 13 October 1862, 34.
(24) Swiss-German-Italian Mission Manuscript History, 1861. Church Archives.