TRIPPING THE LIGHT FANTASTIC
September - 2008
Populaire Muziek
Een dinosaurus vertelt - deel 1
Beste hedendaagse muziekliefhebbers, oude vetkuiven, eeuwige mods and rockers, vrolijke pop en discofanaten en andere griezels misschien is deze tekst iets naar jullie smaak.
Een nostalgisch moment als inleiding
Ik ben er niet lang ‘60’ geworden en zal vermoedelijk niet echt aanspreken als ‘a one man rock ’n roll band’. Ik bespeel geen instrument en kan geen noot juist zingen. Maar ik ben wel gek van popmuziek! Net als Neil Young blijf ik figuurlijk doorspelen in the free World. Ook ben ik al vrij lang bij de kerk. Ik werd gedoopt in 1958 toen ik tien jaar oud was en had toen al in mijn vrije tijd en de radio de Rock ’n Roll kriebels en vibes opgepikt.
In 1960 zat ik op een befaamde technische school (SITO 6 – Den Tir – Antwerpen, Kiel) waar er enkele oudere vetkuiven rondhingen in de afdeling ‘automechaniek’ en ‘zware plaat’. Ook was het de tijd van de films ‘The Wild One’ (1953), ‘Rebel Without a cause’ (1955), ‘Blackboard Jungle’ (1956), ‘Westside Story’ (1961), ‘To Sir with Love’ (1967) en andere baldadige ‘Hell Angels’ prenten. ‘To Sir with Love’ was dan een Brits Amerikaans gedrocht dat de Sixties in dook met minirokken en mooie meisjes. We gingen er naar kijken omdat wij op dat moment van Sidney Poitier en vooral van de roodharige ‘Lulu’ hielden en de Britse popmuziek best te pruimen was.
In mijn buurt hingen de knullen van mijn school rond op het Cockxpleintje en deden daar stunts met hun bromfietsen (Puchs, Zündapps en Honda’s). Natuurlijk was ik een uitzondering op hun stoere regels. Hoe kon nu een mormoon ‘zo cool’ zijn als Albert de voorvechter van de bende van het Kiel. Vergelijk Albert maar eens even met een kwaadaardige versie van the Fonz (uit de TV serie ‘Happy Days’) en dan zitten we op dezelfde golflengte.
Net als bij de groep ‘The Killers’ waar Bob Dylan zei dat Mormoon zijn en ‘cool zijn’ niet met elkaar op te lijnen waren. Prietpraat, nietwaar! En alhoewel ik een heel grote fan ben van good old Bob kan ik niets anders zeggen dat hij er naast zat. Waarom is hij dan ooit een ‘New Born Christian’ geworden? Met ‘Like a Rolling Stone’ schoot hij in de roos (ook met al zijn andere grote hits) en door elektrisch te gaan hadden we naast een volkse bard er een rockster van groot formaat bij. Ik geef toe - ik was wat jaloers - op de jonge mormoonse turken - toen ik de teksten van ‘The Killers’ en ‘Harm Wierda’ leerde kennen op de MVG Website onder de noemer van de populaire muziek. Wierda’s Bijbelse psychedelia met Planet Orange mag er zijn. Zo lang het maar geen ‘Agent Orange’ uit Vietnam is zal het ons niet beschadigen. Wierda en zijn maten klinken niet slecht. Maar geef mij maar de vroege miskleunen van Pink Floyd, Orange.
Natuurlijk is het helemaal wat anders dan de Britse, hippe en Amerikaanse West Coast geluiden die ik me uit de Sixties herinner. De bloemen zijn al lang uit mijn lang haar. Tot mijn spijt moet ik er aan toevoegen dat het lang haar ook verdwenen is. De hevige stroboscopische lichtflitsen en oliespatten op het witte doek van toen mogen er best zijn. Jimni Hendrix was een must. Of anders dans ik wel op wat ‘soul music’, de ‘jerk’ of mijn versie van een wilde horlepiep. Maar we zijn LDS (HLD) en slikken geen LSD of andere prutspillen. Maar wij zijn ‘IN’ en ‘OUT’ en ‘‘out of our mind’ op onze eigen manier. ‘To make this trivial world sublime, take half a gram of phanerothyme – was aan ons niet besteed - to fathom Hell or soar angelic, just take a pinch of psychedelic – klinkt wat beter.
Een rebelse bui
Natuurlijk stuitte je als tiener al vlug op verzet van je ouders of de ouderen in het algemeen. In mijn geval heb ik mijn ouders niet echt iets verkeerd horen zeggen over onze wilde muziek. Onze slaapkamer (Mark en ik) was onze lokale privé discotheek. Waar onze vrienden hun nieuwste platen kwamen draaien. Maar binnen de kerk hoorde je al vlug dat ‘Rock ’n Roll’ de muziek van de Duivel was. En dat was dan weer het gedachten goed van het Midden Westen van de VS. Ik vond het antwoord van Sir Cliff Richard daar goed op – ‘met de duivel heb ik niks te maken, maar ik heb wel zijn muziek gestolen – just play that R ’n R Music !’ Helaas – als HLD moesten we wachten tot bij ‘de Osmonds’ om daar een tweespalt van een keerpunt in te krijgen. Alhoewel de ‘BYU dansers’ ook al eens met de beentjes durfden slingeren. Of zat er bij ‘Bachman Turner Overdrive’ toen ook al een mormoonse gitarist in de groep?
Laat desnoods eens van je horen en stuurt een rockende reactie naar deze rubriek via het Open Forum luik !!!
Ik haatte die kerkelijke dansavonden waar een verantwoordelijke ingreep om onze hedendaagse muziek af te zetten en er een excuus op vond om er een ‘Country and Western’ of een volksdansavond van te maken. De mormoonse generatie na mij was dan weer wat bevoordeeld en bevrijd dan de mijne. Zij hadden de Osmonds verwerkt en tijdens de tachtiger jaren ging de jeugd en de Jovo’s na een kerkelijke dansavond lekker doorfuiven in een naburige discobar. Maar ik heb me in mijn tijd heel weinig van die strenge houdingen aangetrokken. Ik besefte al vlug dat niet alle popmuziek spek voor mijn bek ging zijn. Hier en daar begreep je wel dat sommige teksten niet door de beugel konden. Maar dat wil niet zeggen dat ik net als sommige evangelische groeperingen bekende rocknummers met godzalige teksten zou gaan verbeteren. Laat de dingen zoals ze zijn. Als ze slecht zijn – zijn ze slecht en laat ze links liggen!
Natuurlijk rijst dan de vraag was ik Rolling Stones of een Beatles fan? Veel HLD schijnen een hekel aan de Stones te hebben. Dat is begrijpbaar maar ik kan gerust de liedjes van hun eerste LP’s best grijsdraaien. Maar ik 1964 was ik met mijn schoolkameraad een Beatlesfan van het eerste uur. Later in 1965 ging heel de wereld van de popmuziek voor me open. Als tiener was het gewoonweg het beste jaar van mijn leven. The Beach Boys, The Kinks, The Animals, Cream en Eric Clapton. Te veel om op te noemen. Het ging er in als koek! De jongens van ‘The Who’ waren ook een revelatie voor mij en was ik daardoor een Mod of een Rocker geworden. Niet echt! Net als Ringo Star was ik een ‘mocker’. Ik was vreemd genoeg een uitzondering. Ik hield van hen allebei. Ik maakte geen onderscheid tussen Rolling Stones en Beatles.
Uiteindelijk bleek het dat de Beatles ook hun rauwe kantjes hadden. En ik moet nog steeds lachen als ik mijn vader hoorde zeggen ‘speelt nog eens een Beatlesplaat – want de rest is elektrisch lawaai. Ook 1967 en 1968 waren grootse jaren voor de popmuziek. De ‘Summer of Love’ ging niet ongerept aan ons voorbij. Ook Woodstock mocht er zijn. Mijn broer en ik en enkele vrienden gingen toen in de zomer van 67 naar Londen om de hippe toestanden op te snuiver en de buurten rondom Carnaby Street te verkennen.
Punkers , new wavers, hard metal fiends en alternatieve rockbands zullen er hun tanden misschien op breken …
Want ik was zeer sterk bevooroordeeld in mijn keuze van muziek. Ik was half Brit en half Belg en de Engelse kant primeerde bij mijn platenkeuze. Alles wat Angelsaksisch klonk - was in orde. Van dat Vlaamse spul moest ik niets hebben, Nederlandse en Duitse schlagers daar kon ik niet naar luisteren en het Franse chanson kon me gestolen worden. Alhoewel er waren hier en daar wat uitzonderingen, momenten van zwakte zal ik ze noemen. Will Tura had zijn momenten en Ferre Grignard en Boudewijn De Groot waren een revelatie voor mij in mijn mormoonse hippiedagen.
De Sixties voorbij
In 1970 herpakte ik me als student en het jaar werd positief afgesloten. Ik zat op een scharnierpunt in mijn leven. Ik had mijn tweede diploma op zak en de grauwe werkelijkheid, de dagelijkse sleur wenkte mij en ik mocht gaan werken, Jean-Pierre! Als aspirant computerprogrammeur meldde ik me bij Bell Telephone. Ik brak mijn hoofd over de automatisering van de Post. Ik worstelde met een assembleertaal en werd in mijn dromen achtervolgd door slierten machinecode. Maar aan de andere kant had ik het meisje van mijn dromen gevonden. Zij zou in de wereld van het Stedelijk Onderwijs duiken. We waren verliefd en we gingen ons binden voor het leven. De eeuwigheid, dat zou een stap voor later worden. Deze momentopname werd gekleurd door onze wederzijdse roze bril. La vie en rose.
Af en toe moest ik wat water bij de wijn doen om niet te fanatiek over te komen bij mijn andersdenkende medemensen. Maar goed! Ik wist waar ik stond. Ik geloofde in God, Jezus Christus, de Heilige Geest, de huidige Profeet en in de Herstelling. Ik bleef aan mijn geloof sleutelen. Ik zou mijn getuigenis van de waarheid nooit meer kwijtspelen. Mijn vrienden twijfelden soms aan mij. Had ik ze nog alle vijf? Ze wilden me op sleeptouw nemen, om te gaan pintelieren, maar ik hield voet bij stuk. Die luide muziek en dat feesten was toen met momenten best leuk. Maar dat drinken en roken was niet aan mij besteed. Niet dat ik af en toe geen fouten maakte. Dat deden we allemaal wel eens.
De tijd van de vetkuiven, mods and rockers waren we nog niet echt ontgroeid. We hadden kapsones en ik maakte me al eens druk over de onrechtvaardigheid in de wereld. ‘ A rebel without a cause’ was ik niet. Maar net als andere jonge turken kende ik van die moeilijke momenten in mijn leven. Rebelleren tegen huis, kerk en staat was een gewoonte geworden. Maar dat waren van die dipjes, want er waren ook niet te missen hoogtepunten geweest. Z o was ik een straaljagerpiloot voor een minuut, rockster voor een uur, provo voor één week, hippie voor een maand, zendeling voor 14 dagen en HLD voor een eeuwigheid.
Ik had mijn haar laten groeien en sommige leden hadden het daar moeilijk mee. Ze vonden het niet netjes. Maar de Osmonds stoorden er zich ook niet aan en toen vond iedereen het plots ‘trendy’. Gelukkig had ik daar die knullen niet voor nodig. Ik kende de rock n’ roll al zeer lang. Zelfs uit de tijd dat zij nog met hun luiers worstelden. De muziek moest luid staan. Soms zelfs te hard, tot ergernis van vader. Volgens de heer des huizes, mochten de Beatles er zijn. De rest was nonsens en elektronisch geschreeuw. Kortom, mijn dolle zin voor humor, noch mijn hobby’s en andere opwindende zijsprongetjes, hadden me van de kerk kunnen weghouden.
Ik was hip en ‘in’ genoeg – zoals ik was. Ik zocht mijn soelaas niet in de alom bekende geestverruimende middelen van toen. Zo vond je de weg niet naar een betere of alternatieve wereld. De zogenaamde ‘yellow brick road’ bleef voor vele onder ons onvindbaar. Enkel de zendelingen hadden mij en anderen onder ons die weg getoond. Het pad met de ijzeren roede. De weg terug naar onze Hemelse Vader. De trouwe leden van mijn gemeente, jong en oud, hadden me een hart onder de riem gestoken en me vooruit geholpen. De kerkelijke jeugdorganisatie, onze goede oude OOV, had me jarenlang op het nauwe en rechte pad gehouden. Buiten de dansavonden, de sport en de andere activiteiten, had deze organisatie mij een brede kijk op het leven geschonken. Een ruimer bewustzijn zonder slikken en spuiten. Ik besefte dat ik op deze Aarde, deze kleine testwereld in het uitdeinend heelal, een zending te vervullen had.
Belgische momenten
Mijn woorden klinken misschien wat barbaars en opstandig en ik vergelijk de evolutie van de kerk in onze streken even met het op en neer gaan van de populariteit van de hedendaagse muziek. In de buitenwereld om ons heen noteerden we de nodige laagte- en hoogtepunten in ‘ons doen en laten’ en zagen we ‘het haar’ van de gemiddelde burger, inclusief mormoon, van lengte en vorm veranderen. Dat stuitte soms op verzet binnen en buiten de kerk. Dat langharig tuig, toch! De broeken werden dan weer gestroomlijnd om dan met de discorage in olifant of wijde kachelpijpen te veranderen. In mijn vrije tijd hield ik me ledig met de soloplaten van de vroegere Beatles en de wilde jongens van ‘the Who’. Maar zoals ik reeds zei - de woelige golf van de Punkmuziek was niet aan mij besteed. Broeder Marc Verhaegen en Ronny Hansens die hielden daar wel van en dansten de ‘huppeldepup’ op de tonen van deze baldadige muziek.
In België en Nederland drongen de hits van de Osmonds zich naar de eerste plaatsen van de ‘top dertig’ lijsten en zo duwden deze spetterende showbeesten menige jeugdige rockers van eigen bodem in de richting van de kerk. Hun idolen waren voor velen een enigma. De Osmonds waren jong, succesrijk, hip en toch waren ze anders dan de andere popartiesten En daar sommige jongeren zich daaromtrent vragen begonnen te stellen, sijpelde op een eigenaardige manier, ook het mormonisme bij hun de huiskamer binnen. Zij wilden weten waarom hun idolen niet rookten, geen drugs gebruikte, gelovig waren en er toch nog hip bleven uitzien.
Andere jongeren, zoals mijn zus en de jonge zuster Van Tornhaut, dweepten met Mud en Suzie Quatro. De Zweedse groep ‘Abba’ brak ook geweldig door en werd een megagroep. Een nanoseconde later werd onze muziekcultuur overstelpt door de discomuziek en deze zou zelfs stand houden tot het einde van de jaren ‘80. Disco bracht jong en oud op de dansvloer. Met of zonder spannende hemden en brede pijpen stonden we daar heen en weer te bewegen.
Ook tijdens de gemeentelijke dansavonden lieten mormoonse dans- en muziekfanaten zich niet kennen. Toen Peter Van Steerteghem jaren later onze APJV activiteiten (OOV) meer leven in zou blazen zou hij zelfs een set gekleurde spots en een flitsende discobal in de grote zaal van de kapel monteren. Meer en meer gebruikten popmuzikanten de synthesizer en het elektronische orgel om hun muziek kleur te geven.
De elektronische popmuziek zat nog in zijn kinderschoenen, maar evolueerde snel en vond zijn plaats in het soul, funk- en discogebeuren. Al zeer vlug werd de muziek gekoppeld aan lichtorgels van allerlei aard, die het podium en de zaal in vuur en vlam zette. Uitvinder Louis (Hubert) Verheyen experimenteerde ook met deze elektronische muziekdozen. Maar hij deed dat om den brode. Hij trachtte in zijn orgels de tonen van alle bekende instrumenten te persen, zijn aandacht ging vooral naar het elektronisch reproduceren van de klassieke orgeltonen. Hij versmolt zijn doorgedreven kennis elektronica met zijn gevoel voor muziek.
In de kerk tokkelde hij op de oude piano van de gemeente. Later trotseerde hij het oude orgel in de kelder tijdens de doopdiensten. Maar beide oude tingeltangels werden afgevoerd en er kwam een nieuwe piano en zijn vriend, Jan Debrie, bracht Hubert in vervoering door het toetsenspel van een kleine maar nieuwe Philips orgel. Zo werd op een minimum van tijd onze lofzangen naar een hoger niveau geduwd. Door de opzwepende popmuziek en de hemelse tonen van Elly Debrie aan het orgel, vergat ik bijna mijn celestiale Tijdmachine te parkeren. We landden in het jaar 1971 en richten onze aandacht op de HLD van deze periode. Zo versmelten mondaine en populaire dingen met geestelijke ervaringen en zaken uit het kerkleven van elke dag.
Besluit
Ik durfde ook al eens zeggen dat er na 1975 geen goede pop of Rock ’n Roll muziek meer werd gemaakt. Alles werd te technisch, te elektronisch en alles werd nageaapt en met een ander kleur en sausje overgoten. De rock en popconcerten werden te grootschalig, de muziek te bombastisch. De Soul en Funk veranderde in Disco. Van oorsprong een ‘gay’ gebeuren. Maar het werd gelukkig opengetrokken naar een breder danspubliek. Maar andere oude en nieuwe stromingen zoals: Reggae, Punk, Rap, New Wave, Dance en Electro waren niets voor mij. Maar misschien moet ik hier wat gas terugnemen en zeggen dat ik er net als Bob Dylan naast kan zitten. Misschien is er nog hoop voor de toekomst en zullen er nog dEUS, Beck, Bruce Springsteen, Faithless, The Killers, P.J. Harvey en andere krakende groepen uit de bus komen die ik niet verwacht had.