Een filmrubriek door George Tuffin
(ga naar de index-pagina voor eerdere edities van deze filmrubriek)
THE TECHNICOLOR TIME MACHINE (rubriek – mei 2008)
De doos van Pandora - deel 8
1958 in Filmbeelden
In mei legt iedere vogel zijn ei en ik ook want ik ben dan jarig – op 15 mei samen met de viering van het herstel van het AP wervel ik me door de geschenken in de vorm van een terugblik op 60 jaar film. Natuurlijk kan ik moeilijk elk jaar gaan bespreken. Daarom pik ik er voorlopig het jaar 1958 uit omdat nu in de belangstelling was met de viering van 50.jaar EXPO ’58 te Brussel en voor heel België. De techniek ten dienste van de mensheid en daar hoorde de vernieuwing van de film en de TV ook bij. We zullen daarom wat cinemagrafische hoogvliegers gaan opzoeken.
Vermoedelijk zag ik deze films nooit op het jaar dat ze voor het eerst uitkwamen want in die tijd arriveerden de Amerikaanse films meestal met een jaar vertraging in onze streken. Er was zelfs een bizarre gewoonte om die films te verminken. De oorspronkelijke prenten duurden te lang volgens de Belgische filmverdelers en hier en daar werd de filmrol door de katholieke filmliga versnipperd. Amerikaanse zendelingen uit de jaren vijftig klaagden daar regelmatig over en zeiden dat de films thuis meer te tonen hadden dan de verknipte versie in de Belgische cinemazalen. Heel wat pellicule aan dialogen, gevechten, monsters en snoodaards vielen op de grond naast de projectoren en werden nooit vrijgegeven.
De films die ik in mijn jonge jaren miste kreeg ik gelukkig later terug te zien tijdens de zogenaamde “kindervertoningen” die bij ons in de jaren zestig hevig in trek waren. Maar dan waren die beruchte films al helemaal versnipperd zodat ze klaar waren om het bordje “kinderen toegelaten” toegemeten te krijgen. Ik werd in het jaar 1948 geboren en moet daarom toegeven dat ik van die oude films persoonlijk niet kan meespreken omdat ik nog in mijn wieg lag te spartelen. Het waren de jaren van de echte filmsterren:
Iedereen vermeldt in 1948 natuurlijk de verfilming van “Hamlet” (Universal) als een topper. De film met de bekende Laurence Olivier als de Deense prins, Eileen Herlie als de koningin en Basil Sydney als de koning. Ook Jean Simmons als de waanzinnige Ophelia mag niet vergeten worden.
Volgens mijn vader was er toen ook de niet te missen spannende film noire “Key Largo” (Warner Bros.) met Humphrey Bogart en Lauren Bacall. Met op de achtergrond Dan Seymour, Lionel Barymore, Claire Trevor, Edward G. Robinson en Thomas Gomez. Maar ik blijf hangen bij “Joan of Arc” (RKO) met Ingrid Bergman, Richard Derr en Ray Teal. Ik zag hem later als ik een jaar of tien (1958) was en deze prent heeft een grote indruk op mijn nagelaten. Vermoedelijk vond ik alle films goed waar Ingrid Bergman in optrad. Misschien was ik wat aan haar verhangen.
Maar ik had beloofd om het over de films van de jaren 1958 te hebben. Intussen was ik de nieuwe “Tarzan” (1949 - RKO) met Lex Barker al wat ontgroeit alhoewel hij regelmatig terug kwam op de herhalingen bij de kindervertoning in cinema Moderne op het Kiel (Antwerpen).
In 1958 was er voor moeder “The Nun Story” (WB) met de jonge Audrey Hepburn, zelfs een Belgisch verhaal over een non in Brugge en Belgisch Kongo. Ze wordt verliefd op een oudere dokter en zal uiteindelijk haar kap over de haag werpen. Zakdoeken bovenhalen en laat de tranen maar vloeien.
Voor vader waren er in die periode oorlogsfilms te rapen. Het was natuurlijk nog steeds de tijd dat WO II hoog aangeschreven stond als filmmateriaal. Een grote productie werd “The Young Lions” (20th Century Fox) met adonis Marlon Brando als de goede Duitse officier, May Britt, Montgomery Clift en Dean Martin. Een hardere oorlogsfilm was “A time to love and a time to die” (Universal) met Erich Maria Remarque en John Gavin. Ook Frank Sinatra en Tony Curtis speelde voor GI in “Kings go forth” (UA). Dan was er de strijd in de Stille Oceaan met de Jappen. “The Naked and the Dead” (RKO) met de niet te versmaden sexy miss Lili St. Cyr (bekend uit enkele striptease films uit de fifties), de harde Aldo Ray, Henry Amargo, Robert Gist, Greg Roman en L.Q. Jones.
Maar mijn voorkeur ging uit naar enkele duikbootverhalen zoals: “Torpedo Run” (MGM) met Ernest Borgnine en Glenn Ford en dan “Run Silent, Run Deep” (UA) met Burt Lancaster en Clark Gable, ook nog “The Enemy Below” met Curt Jurgens als de Duitse kapitein van een destroyer en Robert Mitchum als de kapitein van een duikboot. Alles met veel “hoot! hoot!” van de sirenes, “dive! dive!” van de kapitein en torpedo’s die door het water scheerden. Het strijdgewoel van 1914-1918 kwam op het witte doek via Stanley Kubrick met “Paths of Glory” met Kirk Douglas en Wayne Morris. De prent behandelde ongewone strengheid en discipline in het Franse Leger en de militaire rechtzaak van drie zogenaamde deserteurs.
Even in de Franse sfeer blijvend deed ook de musical “Gigi” (MGM) het zeer goed. Maar deze keer voor heel de familie. Met Maurice Chevalier, Leslie Caron en Louis Jourdan. Iedereen kwam dan weer onder invloed van Yul Brynner in “ de Gebroeders Karamazov” met Maria Schell, Richard Basehart, William Shatner, Harry Townes en Claire Boom.
Samen met mijn vrienden deed ik geweldig gek tijdens de historische film van “The Vikings” met Janet Leigh, Kirk Douglas en Tony Curtis. Op één dag tijd schreeuwden we mee: “Odin! Odin! Geef me een zwaard en dan kan ik waardig sterven!” Er werd dan regelmatig gesabbeld op het pleintje met houten stokken.
De harten liepen warm (zelfs heet) met de prestaties van Paul Newman en Elisabeth Taylor in “Cat on a hot tin roof”. Alle vrouwen hadden “the hots” voor de blauwogige halfgod Paul Newman.
Lachen deed ik natuurlijk met Danny Kaye, een onvergetelijke clown en grapjas, in “Merry Andrew (MGM) samen met Pier Angeli. Een circusverhaal met flair. Danny Kaye was zeer lang een favoriete acteur van mij. Ik kende hem ook van de ridderklucht “De Hofnar”, “The Inspector General”, “Knock on Wood” en “On the Riviera”, enz. Allemaal films die ze vandaag de dag niet kunnen evenaren.
Natuurlijk waren er ook een aantal Westerns te bespeuren: “Saddle the Wind” (MGM) met Robert Taylor en een jonge John Cassavetes. Een gespierde pionier in de vorm van Clint Walker dook op in “Fort Dobbs” (WB). Het brede cinemascope scherm gaf dan weer “The Big Country” weer, een verhaal over een Brit (Gregory Peck) die in het Wilde Westen verzeild geraakt en met de dochter (Jean Simmons) van een beruchte rancher (Charles Bickford) gaat trouwen. Burl Ives is de koppige aartsvijand van de rijke rancher en Charlton Heston is de ploegbaas van de grote ranch.
Er zijn ook enkele Europese producties het vermelden waard: Ingmar Bergman bracht “Het zevende zegel” (Janus) met Max von Sydow over een ridder en kruisvaarder die met de Dood schaakte. Een film die me om de één of andere reden toentertijd nachtmerries bezorgde. Alhoewel er ik enkel enkele flitsen van gezien had op TV, dan zijn er Melina Mercouri en Pierre Vaneck in een film van Jules Dassin “He who must die” (Kassler Films).
En om af te sluiten mag ik natuurlijk de verschijning van Christopher Lee niet vergeten als de fijne maar bloeddorstige vampier in “Horror of Dracula” met Melissa Stribling en de pientere Peter Cushing als doctor Van Helsing. Een film van Terence Fisher een hoogvlieger in de Britse Hammer Films producties.
|
|