Interview met Wouter van Beek:
Ieder land heeft sporthelden nodig
door Marc Broere
De woning van Wouter van Beek in Utrecht fungeert tevens als het zenuwcentrum
van de internationale damwereld. De Senegalese grootmeester Ndiaga Samb
loopt net naar buiten, er is belangrijke post van grootmeester Ton Sijbrands,
en een conflict met de Russische dambond moet nog even telefonisch worden
opgelost. Op de tafel ligt een prachtig en chique boek dat Van Beek
schreef over de Dogon in Mali, het gebied waar hij al vele jaren antropologisch
veldonderzoek doet. Het tekent de persoon Van Beek die als geen ander
in Nederland het thema sport en niet-westerse culturen in zich verenigt.
Een gesprek over de rol van sport wereldwijd.
Met plezier heeft Van Beek de afgelopen weken naar de Afrika Cup gekeken,
die in zijn tweede vaderland Mali werd gespeeld. “Ze hebben er
een prachtig feest van gemaakt. Ieder land, hoe arm het ook is, heeft
dit soort feesten nodig. Net zoals ieder land op de wereld haar eigen
sporthelden nodig heeft.” Van Beek denkt zelfs dat sporthelden
in Afrika nog belangrijker zijn dan in Europa. “Je hebt een universeel
element van mensen die je bewondert en waarmee je je identificeert.
Maar de mate is anders. Afrikaanse sporthelden voorzien in een sociaal
vacuüm dat is ontstaan door het wegvallen van traditionele bestuursstructuren
in Afrikaanse landen. Vroeger waren er traditionele leiders waar de
mensen afhankelijk van waren. Daar identificeerde iemand zich mee, daar
hoorde je bij. Zo’n traditioneel leider had geld en gezag. De
huidige Afrikaanse bestuurders, zowel op landelijk als lokaal niveau,
hebben dit gezag niet. In dit vacuüm treedt de sportheld. Hij is
rijk, uitermate zichtbaar, internationaal erkend en een jongen of meisje
uit het dorp. In tegenstelling tot westerse sporthelden zie je ook dat
ze een cliëntèle om zich heen verzamelen. Ze gaan projecten
opzetten en er zijn mensen die van hen afhankelijk zijn. Dat vinden
ze ook normaal. Het is ook een normale vorm van afhankelijkheid in het
Afrikaanse systeem. Bij ons is dat anders. Het politieke systeem is
dichtgetimmerd en dat vacuüm ontbreekt. Jeroen Uytdehaage en Gerard
van Velde zijn wel helden, maar onze identiteit hangt niet van hen af.
Ze voeden ons zelfvertrouwen een beetje, maar we laten ze ook weer snel
vallen als ze niet meer presteren.”
Informele afspraken
Ook de rol van sport zelf is niet in alle culturen hetzelfde. De westerse
invalshoek van sport, waarin het winnen centraal staat, is geen universeel
gegeven. Van Beek: “Er zijn culturen waarin het met elkaar sporten
veel belangrijker is dan winnen. Je ziet dat bijvoorbeeld in Papoea
Nieuw-Guinea, op de Fiji-eilanden en bij de Inuit in Canada. Ze strijden
wel om een prijs, maar het is niet de bedoeling dat dezelfde altijd
wint. Er zijn informele afspraken gemaakt over wie er aan de beurt is
om te winnen. De zaak wordt zo in balans gehouden. Ik heb zelf in Kameroen
eens twee wedstrijden moeten fluiten tussen twee dorpen die twintig
jaar daarvoor nog met elkaar in oorlog waren. Ik ben er in geslaagd
om beide wedstrijden op 0-0 te houden. De dorpen waren uitermate tevreden
over het resultaat. Als ze vaker tegen elkaar zouden spelen, zou ik
me kunnen voorstellen dat er afspraken gemaakt worden over wiens beurt
het is om te winnen.”
Ook de fysieke betekenis van sport kan verschillen. “Voor ons
is sport een alternatief voor een lichaamsinspanning die we niet langer
meer doen. In Afrika is dat anders. Daar is sport juist een inperking
of beheersing van de lichaamsbeweging in plaats van stimulering. Daar
moet je zorgen dat mensen niet over een bepaalde grens gaan en zich
aan regels houden. Dan heb je het over een hele andere maatschappelijke
functie van sport.”
Wel leidt het geen enkele twijfel dat de internationale sportwereld
gedomineerd wordt door het westen. De economische en politieke dominantie
is ook terug te zien in de sport.
“Kijk naar de Olympische Winterspelen”, zegt Van Beek. “Dat
is echt Noord-Amerika, Europa en Japan, en het is echt niet alleen een
kwestie van sneeuw. Het vereist een enorme infrastructuur om wintersportgebieden
te hebben. Dat zijn hele cultuurlandschappen geworden met liften, bossen
die worden gekapt en sneeuw die wordt opgespoten. Het is ondenkbaar
dat er ooit rondom de Kilimanjaro of Mount Kenia wintersport ontwikkeld
gaat worden. Bij sporten waar die infrastructuur minder noodzakelijk
is, zoals bij voetbal, atletiek en dammen, zie je dat Afrikaanse sporters
veel beter kunnen excelleren. Maar ook bij dammen krijgen Afrikaanse
spelers een achterstand, doordat de rol van de informatietechnologie
steeds belangrijker wordt.”
Authentieke sporten
Om nog maar niet van de status van sporten te spreken. Authentieke
sporten uit ontwikkelingslanden, met een hele oude en rijke culturele
geschiedenis, hebben het moeilijk om serieus genomen te worden. Dat
geldt voor traditioneel worstelen uit Senegal, traditioneel boogschieten
in Bhutan en ook voor owari, Afrika’s enige internationale denksport.
Van Beek loopt naar de kast en zet een spel owari op tafel. “Het
is een hele moeilijke sport die bestaat in verschillende varianten.
Het is een enorm gereken en je hebt eigenlijk een computer nodig.
Zoals go de denksport van Azië is, is owari die van Afrika. Binnen
de bordspelen zou het naast bridgen, schaken, dammen en go eigenlijk
de vijfde volwaardige denksport moeten zijn. Maar de herkomst van een
sport bepaalt ook de status van een sport. Golf heeft nooit een statusprobleem
gehad, omdat het van de upperclass is. Biljarten had dat probleem wel,
omdat het geassocieerd werd met rokerige cafés. Darts is nu net
aan het opklimmen van kroegspel naar sport. Een sport die alleen in
Afrika wordt beoefend zal het altijd moeilijk hebben, omdat de status
van Afrika laag is. Dat is jammer want sport heeft een hele duidelijke
identiteitswaarde. Als jouw sport internationaal erkend wordt, betekent
dat heel veel.”
Te versnipperd
Van Beek is namens de Universiteit Utrecht lid van het Platform Sport
en Ontwikkeling. De internationale dambond FMJD steunt met Nederlandse
ontwikkelingsgelden verschillende projecten in Afrika. “We ondersteunen
de infrastructuur van het dammen in een aantal Franstalige Afrikaanse
landen”, zegt Van Beek. “Het gaat om het organiseren van
toernooien, het trainen van coaches en het ter beschikking stellen van
studiemateriaal. Deze kennis zit in Nederland en Rusland en moet nu
toegankelijk worden gemaakt voor de Afrikaanse landen. Onze grootmeester
en instructeur Johan Kraajenbrink zit momenteel in Kameroen voor het
geven van cursussen. We hopen dit project uit te breiden naar een aantal
Engelstalige landen waaronder Gambia, Ghana en Zuid-Afrika.”
Van Beek heeft een uitgesproken mening over hoe het Nederlandse beleid
op het gebied van sport en ontwikkelingssamenwerking er uit zou moeten
zien. “Ik vind het beleid te versnipperd en deel de mening van
Herfkens dat er keuzes moeten worden gemaakt. Die versnippering komt
omdat veel projecten heel lokaal zijn. Dat zijn vaak zinnige projecten
die met weinig geld veel kunnen opleveren. Er moet altijd ruimte voor
zijn, maar aan de andere kant moeten ze toch worden ingebed in een grotere
structuur. Ik zou me daarbij richten op de zwakke plekken van de sport
in Afrika, namelijk de organisatie en de politieke afhankelijkheid.
Als je iets wilt opzetten, kom je altijd bij de minister van sport terecht.
Regionale of lokale sportorganisaties zijn te zwak georganiseerd om
direct mee samen te werken. Nederland zou zich in haar beleid moeten
richten op de ontwikkeling van die regionale en lokale sportorganisaties.
Dat is structurele hulp die duurzaam is. Daaronder moet je een aantal
lokale projecten hangen, zoals voetbal in een sloppenwijk of een sportproject
voor meisjes, om je beleid ook zichtbaar te maken en om draagvlak voor
sport en ontwikkelingssamenwerking te creëren. Het probleem van
structurele hulp is dat niemand het in de gaten heeft. Toch hoort daar
het accent te liggen. Mijn motto is dan ook: van een sportprojectenbeleid
naar een duurzaam sportbeleid.”
bron: http://fmjd.org