
De poorten van de hel
door Jan Gillis
Dat de Egyptenaren vanouds veel belang aan hun voorouders hechtten,
is algemeen geweten. Hun dodencultus stond er borg voor dat ieder overleden
familielid in het hiernamaals niets tekort zou komen. Voor eeuwig moest
de dode van geluk en welstand kunnen verzekerd worden. Met die dodencultus
in gedachten, liet iedere welstellende Egyptenaar zich maar al te graag
met overleden familieleden afbeelden. Zodoende zou hij immers in een
‘ander’ leven zijn dierbare familie steeds bij zich hebben.
Farao Thoetmosis II liet in zijn graf zelfs een ganse zaal vol met voorouders
schilderen. Wellicht had hij die smaak voor groots opgezette familiefeestjes,
net voor zijn dood pas te pakken gekregen.
In het oude Rome bezat de ‘Pater Familias’ haast priesterlijke
functies. Als hoofd beschikte hij over leven en dood van ieder familielid.
Ook in Rome werden de voorouders betrokken in een dodencultus. In het
atrium prijkten hun dodenmaskers naast het altaar van de huisgoden.
Telkens iemand uit de familie het tijdige met het eeuwige verwisselde,
werden die dodenmaskers opgezet en in een prachtige lijkstoet tot bij
het graf van de overledene gedragen. Om de overledene een warm onthaal
in de volgende wereld te verzekeren, werden de maskers, voor heel even
maar, terug ‘belichaamd’. Ook in Zwart – Afrika worden
bij maskerades, de doden nog steeds op die wijze geëerd.
Een biologische verwantschap bleek voor de Romeinen van ondergeschikt
belang te zijn. Er werd immers meer waarde gehecht aan hun verwantschap
met de goden. Nochtans kende ieder Romeins staatsburger vijf generaties
van zijn voorouders (dus tot en met de 16 betovergrootouders) uit het
hoofd. Zo kon hij op ieder ogenblik bewijzen dat hij wel degelijk een
Romein was. Het is dus niet verwonderlijk dat ook de Christenen uit
die tijd getracht hebben om hun verwantschap met Jezus aan te kaarten.
Was Hij voor hun niet de nieuwe God waarvoor die andere huisgoden maar
de plaat moesten poetsen? Paulus vroeg hen dan ook direct te stoppen
met die flauwe afdruk van het Romeins systeem. Voor de christenen uit
die tijd bleef het echter heel normaal om een haast occulte vorm van
familiegeschiedenis te bedrijven. Een Romein deed ijverig zijn best
om toch maar één van de goden in zijn familie te ontdekken.
Maar had juist Jezus niet verkondigd dat God zijn vader was? En dat
wij allemaal kinderen van diezelfde God waren? En dat hadden onze Romeinse
christenen maar al te goed begrepen.
“Maar houd u niet op met onzinnige kwesties zoals genealogieën;
deze dingen zijn nutteloos en hebben geen zin.”
Voor zover de gewraakte tekst van Paulus! Maar betekent dit een algemeen
verbod van deze apostel om aan familiekunde te doen? Natuurlijk heeft
hij ons dat niet verboden. Alleen maar dat aantonen van onze aardse
verwantschap met Jezus, lag hem duidelijk zwaar op de maag. De onvrede
van Paulus lag dus veel dieper. Zijn zienswijze over het beoefenen van
familiegeschiedenis nam volledig afstand van de aardse opvatting over
die materie. Dat Paulus een bepaalde vorm van familiegeschiedenis wel
genegen was, bewijst volgende passus uit een brief van hem :
“Verder, wat hebben zij die zich voor de doden laten dopen hieraan,
als er in het geheel geen doden worden opgewekt? Waarom laten zij zich
nog voor hen dopen?”
Sommige gelovigen in Christus lieten zich dus herdopen ‘in de
plaats van overledenen’. Ze waren er heilig van overtuigd dat
dit doopsel later bij de opstanding, de verrijzenis van de ongelovige
zeker en vast zou verzekeren. En als men aan die verrijzenis geen geloof
hechtte, hoefde men zich volgens Paulus ook niet te laten dopen. Paulus
gebruikt dus uitdrukkelijk de verrijzenis van elke mens om plaatsvervangende
dopen te verrechtvaardigen.
Zonder verrijzenis, geen doop voor de doden! Maar … ! Waarom
heeft God ons dan nergens in zijn Schriftuur de opdracht gegeven om
onze doden op te zoeken en ons voor hen te laten dopen? Eens die vraag
beantwoord, zou er tegen dat gebruik toch geen enkel bezwaar meer mogen
bestaan? Of wel soms? Spijtig genoeg is hierover in de Bijbel niets
terug te vinden. Of misschien toch wel iets …
Sinds Jezus aan het kruis voor ons is gestorven, heeft het ganse christendom
massa’s slapeloze nachten gekend omwille van één
cruciale vraag: ‘Wat gaat er toch ooit gebeuren met al de rechtvaardigen
die nooit werden gedoopt?’
Clementius van Alexandrië, een kerkvader die omstreeks 160 na
Christus het levenslicht zag, formuleerde het probleem als volgt. Gevoel
voor drama ging hij niet uit de weg :
“Het is niet rechtvaardig om sommige mensen zonder proces te
veroordelen terwijl anderen die leefden ‘na’ de komst van
onze Heer Jezus Christus krediet kregen wat rechtvaardigheid betreft.”
Deze kerkvader heeft nog een opmerkelijk boek geschreven namelijk ‘Het
verslag van Clementius’ en hierin laat hij de apostel Petrus persoonlijk
aan ’t woord. In de volgende passage tracht Petrus de leerstelling
van een zekere Simon Magus te weerleggen. Simon Magus zag namelijk enkel
maar heil in een ‘beperkte’ redding der mensheid. Commentaar
van Petrus :
“De Heer redt overspelige mensen, afgodendienaars en moordenaars
als zij Hem kennen. Maar goede en eenvoudige barmhartige lieden die
Hem per ongeluk niet hebben gekend, zou Hij niet redden! Voorwaar een
grote en goede God die je verkondigt! Een God die de onrechtvaardige
redt maar geen barmhartigheid toont tegenover de goede.”
Tot zover het gesprek van Petrus met Simon Magus. Ook Ignatius, patriarch
van Constantinopel en geboren in 798, werd door dit probleem gekweld.
Beangstigd vroeg hij zich af wat er zou gebeuren met de patriarchen,
de profeten enz. uit het Oude Testament .
“Want” zo spreekt deze patriarch “ook zij hebben
het evangelie verkondigd en zagen verlangend naar de komst van Jezus
Christus uit. Ze wachtten op Hem! Ze werden wel niet gedoopt maar misschien
dat ze gewoon door in Hem te geloven, zullen worden gered?”
Het lijkt me inderdaad onmogelijk dat mensen die door God werden uitverkoren
om de komst van de Messias te verkondigen, later door Hem zouden worden
verworpen omdat ze ongelukkig genoeg, voor de geboorte van Jezus hadden
geleefd. In het reeds eerder geciteerde boek ‘Het verslag van
Clementius’ vraagt Clementius, op de man af, het volgende aan
Petrus:
“Zullen degenen die stierven voor de komst van Jezus, totaal
beroofd worden van het hemelse koninkrijk?”
Hierop antwoordt de apostel op een nogal raadselachtige manier. Hij
verzekert de patriarch dat de personen in kwestie ‘niet’
verdoemd zijn geworden en zeker nooit zullen verdoemd worden. Vervolgens
onthult Petrus dat er in een plan werd voorzien dat hen kon redden :
“Maar” zegt Petrus “op dit ogenblik mogen wij hierover
niet meer vertellen. U dwingt me werkelijk te praten over dingen die
ons verboden werden met anderen te bespreken.”
Er werd dus voorzien in een plan waarover de apostelen niet mochten
praten! Waarom moesten de apostelen hierover zwijgen? Over dat stilzwijgen
licht Paulus even de sluier op. In zijn eerste brief aan de Korintiërs
spreekt hij de leden van de Korintische gemeente als volgt toe :
“Maar gij bent van Christus en Christus is van God. Men moet
ons dus beschouwen als helpers van Christus, belast met het beheer van
de ‘geheimen van God’. Welnu, van een beheerder wordt geëist
dat hij betrouwbaar blijft.”
Tot zover Paulus die de leden van de kerk eenvoudigweg gebiedt de geheimen
van God NIET prijs te geven.
Dat niet mogen spreken over een bepaald onderwerp komt in het Nieuwe
Testament regelmatig voor. Degenen onder u die de Bijbel hebben gelezen,
weten heel goed dat Jezus zijn discipelen meermaals vroeg om ‘niet’
meer te spreken over bepaalde onderwerpen. Zo is er de passage waar
Jezus aan Petrus de vraag stelde wie de apostel wel dacht dat Hij was.
En doordat Petrus het juiste antwoord wist, kreeg hij meteen verdere
instructies. Maar over deze instructies wil alleen Matteüs slechts
drie mysterieuze, haast onbegrijpelijke verzen kwijt :
“Niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader
in de hemel. Ik zeg u: Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal Ik mijn
kerk bouwen en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen.
Ik zal u de sleutelen geven van het Rijk der hemelen en wat gij zult
binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn.”
Maar een heel kort relaas dat Matteüs ons voorschotelt! Wat bedoelde
Jezus met ‘de poorten van de hel’? En wat bedoelde Hij met
de ‘sleutelen van het rijk der hemelen’? Bij Marcus en Lucas
wordt er zelfs helemaal ‘niet’ gesproken over de ‘rots’
waarmee Petrus vereenzelvigd wordt. Marcus, die de persoonlijke secretaris
van Petrus was, rept geen woord over de ‘steenrots’? Waarom
niet?
Mijn besluit! Wij weten niet goed waarover Christus het allemaal heeft
gehad maar de apostelen wisten het wel. Spijtig genoeg hebben ze het
ons niet verder verteld. Voor de niet-ingewijden bleef het ‘mysterie
van het koninkrijk’ gewoon bestaan. Eusebius, bisschop van Cesarea
en geboren rond 265 na Christus, beweert dat het Nieuwe Testament weinig
meer is dan een schetsmatig overzicht van zaken die onbegrijpelijk zullen
blijven zolang er geen speciale verklaarder aanwezig is. In feite vraagt
Eusebius naar een profeet die de sleutel van het codebericht uit het
Nieuwe Testament in handen heeft.
Waarom toch altijd die nadruk op geheimhouding? Hierop kan maar één
logisch antwoord gegeven worden: Jezus ‘wou niet’ dat al
deze zaken openbaar werden gemaakt. Vele kerken beweerden achteraf dat
deze passage niet meer betekende dan de stichting van de kerk op een
stevige rotsbodem. Maar zat in deze bijbeltekst van Matteüs geen
nieuwere, andere doctrine verborgen? Een doctrine die enkel maar met
een speciale sleutel te ontdekken viel? En die sleutel wordt geassocieerd
met de poorten van de hel! Wat bedoelde Jezus met de poorten van de
hel? Is het de plaats waarachter de duivel zijn hoofdzetel heeft?
“ … de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen”
Een poort die overweldigt, die zegeviert, heeft haar doel bereikt.
Ofwel houdt ze iemand binnen ofwel houdt ze iemand buiten. Een poort
die ‘niet’ zegeviert, zal dus haar gevangenen moeten prijsgeven.
In een oud christelijk gedicht, trouwens een loflied van Salomon, wordt
er beschreven hoe Christus afdaalt in de onderwereld om met de doden
te spreken.
“En de doden zeiden tot Hem … ‘Doe de poort voor
ons open!’ waarop de Heer, bekommert om hun geloof, hen de verzegeling
van het doopsel schenkt.”
De sleutel om de poorten van de hel te openen, bleek dus de doop te
zijn. En dan nog wel de doop voor de doden! Deze doctrine werd door
de leerlingen van Jezus angstvallig verzwegen omdat ze voorbestemd was
voor de tijd waarin de kerk van Jezus Christus terug op aarde in al
haar volheid zou verschijnen.
Op een bepaald moment van Zijn leven, refereert Jezus ook naar de profeet
Jesaja die de taak van de Verlosser als volgt definieerde :
“Om blinde ogen te ontsluiten, om gevangenen uit ‘de kerker’
te bevrijden, uit de gevangenis degenen die wonen in duisternis.”
Dus niet alleen om er het evangelie te prediken zoals Petrus zei:
“Gedood naar het vlees, werd Hij ten leven gewekt naar de Geest.
Zo ging Hij heen en predikte voor de geesten in de kerker, die eertijds
in de dagen dat Noach de ark bouwde, weerspannig waren geweest …”
daalde Jezus af naar de geestenwereld. Hij wou er ook de gevangenen
bevrijden. Zalig besluit! God is wel degelijk van plan om de mensheid
te redden en niet te veroordelen. God wil verlossen, niet vernietigen.
Elke leer die beweert dat alleen de duivel zich achter de poorten van
de hel zou schuilhouden, is een valse leer. Zowel de eerste heiligen
als al hun Joodse tijdgenoten wisten vanuit de Bijbel dat Satan de ‘Prins
van deze wereld’ is . Sterker nog! Satan is ‘de God van
deze wereld’ . Dus alleen hier op aarde kan de duivel de mens
in zijn macht houden. Alleen hier kan de duivel het koninkrijk van God
met alle geweld trachten te overwinnen.
“De dagen zijn boosaardig en Satan bezit de macht over deze wereld.”
Deze weinig hoopgevende maar helaas correcte woorden zijn afkomstig
uit het epistel van Barnabas. Toch nog een hoopvol berichtje! Buiten
deze wereld heeft Satan helemaal geen macht meer. Alleen Jehovah, de
Zelfbestaande, regeert over de geestenwereld. En na de dood komt iedereen
wel in die wereld terecht. Alleen op deze fysieke aarde moet de duivel
nog overwonnen worden. Alleen hier op deze aardbol kan zijn macht uiteindelijk
gebroken worden. Als de duivel naar de hel zal worden verwezen, zal
dat niet in triomf gebeuren. Als een gevangene zal hij daar gebonden
liggen. En als hij dan toch in het hiernamaals zal regeren, zal hij
enkel over ‘de zonen van het verderf’ heersen, zij die gewillig
zijn voorbeeld hebben gevolgd.
De poorten van de hel duiden dus helemaal niet op de plaats waarachter
de duivel zijn koninkrijk aan ’t uitbouwen is. De poorten van
de hel zijn eerder ongekende krachten die overledenen die in de geestenwereld
verder leven, belemmeren om iets dierbaars te bereiken … hun familie
bijvoorbeeld … hun vrouw … hun kinderen.
Een week nadat Jezus sprak over de poorten van de hel, grijpt er een
nieuwe, belangrijke gebeurtenis plaats.
De verheerlijking van Jezus Christus op de berg Tabor!
Weerom zien en horen Petrus, Jacobus en Johannes een gesprek van de
verheerlijkte Christus met Mozes en Elia . Klein detail! Als verheerlijkte
behoudt Christus nog steeds een menselijke gedaante. Ook Mozes en Elia
worden omschreven als gewoon ‘twee mannen’. Maar over dat
hoogstaand gesprek tussen hemel en aarde wordt weeral niets prijsgegeven.
Tot op vandaag weten veel kerken niet wat ze met de ‘verheerlijking’
moeten aanvangen. Wat is er op dat topje van de berg gebeurd? Blijkbaar
heeft dit verhaal achteraf alleen maar invloed gehad op beeldhouwers
en schilders uit de Middeleeuwen en de Renaissance. Als Jezus ‘daarna’
met zijn discipelen terug de berg afdaalt, spreken ze nog wat over ‘de
herstelling van alles’. Is dat de reden waarom Mozes op de berg
aanwezig was? Hij was immers de man die indertijd het eerste verbond
uit de handen van God mocht ontvangen. Als dat verbond ooit zou hersteld
worden, is het dan niet correct dat juist Mozes hierover op de hoogte
zou worden gesteld? Maar wat wordt er verder nog gezegd over Elia?
“Elia zal komen om alles te herstellen.”
En weerom vraagt Jezus zijn apostelen om totale geheimhouding. Het
is dan ook opvallend, het stelt zelfs grote vraagtekens, dat enkele
jaren later diezelfde Petrus het volgende predikt:
“Het einde van alle dingen is nabij!”
Blijkbaar gaat het bij de ‘herstelling van alle dingen’
en het ‘einde van alle dingen’ over hetzelfde onderwerp
te weten de ‘volheid’ van het evangelie. De antichrist zou
Elia als Johannes de Doper en de Mensenzoon verwoesten maar later in
de toekomst zou volgens Petrus alle dingen terug hersteld worden . Vanaf
dan zal de volledige en duidelijke betekenis van het evangelie terug
over de aarde kunnen verspreid worden.
De Heer vroeg zijn apostelen om over dit alles niets te vertellen,
tenminste niet tot aan zijn verrijzenis. Maar na de verrijzenis van
Christus, aan wie moesten ze dan hun verhaal kwijt? Zeker niet aan iedereen!
Eén zaak valt op! Zelfs na de dood van Christus waren de apostelen
schijnbaar niet al te goed op de hoogte van zijn leer.
“Nog veel heb Ik u te zeggen maar ge kunt het niet verdragen.”
De inhoud van Christus’ zending ‘voor’ zijn kruisdood
ontsnapte kennelijk aan het begrip van de apostelen. Alleen ‘na’
de verrijzenis ontstaat er een volledig begrip over die zending. En
dat begrip komt er pas nadat de verrezen Christus zijn apostelen op
een grote toespraak vergast (waarvan alleen de beginverzen in de schriften
zijn opgenomen). Die toespraak begint met de woorden:
“Beginnend met Mozes en al de profeten …”
Na deze toespraak waarin we ook te weten komen wat Christus zoal over
zijn apostelen dacht,
O onverstandigen die zo traag van hart zijt in het geloof …”
werden uiteindelijk hun ogen en oren geopend. Het is dus ‘na’
de verrijzenis dat de leer wordt vastgelegd. Maar in het Nieuwe Testament
wordt ons enkel maar verteld wat er zich allemaal ‘voor’
de verrijzenis heeft afgespeeld. We kunnen dus alleen maar veronderstellen
dat de apostelen de informatie van deze laatste toespraak ‘bewust’
hebben achtergehouden. Ik hoor al stemmen die roepen: ‘En de bergrede
dan! Daar wordt toch ook een deel van zijn leer in behandeld!’
Dat is inderdaad correct! Maar enkel de sociale kant van ons bestaan
wordt daarin behandeld. De hongerlijdenden voeden en de naakten kleden
maken inderdaad deel uit van zijn leer en iedereen vindt daar begrip
voor. Daar moet men dus helemaal geen geheimzinnigheid rond creëren.
Maar wat werd er ons, in die laatste toespraak aan de apostelen, dan
wel verzwegen?
In de vroeg - christelijke kerk , een eeuw na de dood en verrijzenis
van Jezus, werd er algemeen aanvaard dat deze toespraak handelde over
niets minder dan de verlossing van de doden. Na zijn dood lag Christus
drie dagen in het graf en volgens Petrus ging Jezus tijdens die periode
zijn evangelie verkondigen aan de geesten die in de kerkers van de geestenwereld
vertoefden. Het waren vooral de Gnostici die in de vroege geschiedenis
van de kerk profijt trachtten te halen uit deze prediking van Jezus
na zijn verrijzenis aan de apostelen. De Gnostici beweerden zelfs dat
zij alleen de juiste leerteksten van de Heiland bezaten. Voor de plaats
waar de geesten van de doden terechtkwamen, hadden de eerste christenen
geen specifieke benaming. Ze noemden het de lagere regionen, het wachthuis,
de plaats van Lazarus. Soms gebruikten ze heidense woorden om die locatie
te situeren en noemden ze de geestenwereld de Hades (met als gevolg
dat de Divina Comedia van Dante zich volledig op de verkeerde plaats
afspeelde). Na Zijn dood ging Jezus dus niet naar de hemel maar naar
die geestenwereld (zegt Hij niet tot Maria Magdalena: ‘Raak me
niet aan, Ik ben nog niet tot bij de Vader opgerezen.’ )
In 1895 werd in Egypte een schrift gevonden dat een deel van de leer
van Jezus Christus bevatte. Het zou een heel speciaal document worden,
aangezien het een leer betrof door Jezus gepredikt aan zijn apostelen
na zijn verrijzenis en voor zijn Hemelvaart. De kerkhistoricus, Adolf
van Harnach, onderzocht dit schrift en kwam tot de bevinding dat delen
van dit werkje haast woordelijk terug te vinden waren in Griekse originelen
van apostolische geschriften die dateerden uit ten laatste het begin
van de tweede eeuw na Christus. Het werkje kreeg de welluidende titel
‘Toespraak tot de apostelen’ mee en handelde over …
de verlossing van de doden. In deze toespraak zegt Jezus o.a. het volgende
tot zijn apostelen :
“Ik zal de doden, wanneer ze uit hun gevangenis komen, leiden
naar de hemel, de plaats die Mijn Vader voor de uitverkorenen heeft
klaargemaakt. En Ik zal hen daar het koninkrijk, de rust en het eeuwige
leven geven. … Ik heb van de Vader de macht ontvangen zodat Ik
diegenen die in duisternis verkeren in het licht mag brengen.”
Het ‘Epistel van Barnabas’ zegt ons nog het volgende:
“Hij, de Heer, opent voor ons, die door de dood werden gevangen
gehouden, de deuren van de tempel en leidt ons binnen in een onvergankelijke
geestelijke tempel die voor de Heer werd gebouwd.”
“Totdat Christus kwam om de deur te openen, was het voor niemand
– ook niet voor de rechtvaardigste ziel – mogelijk om in
de nabijheid van de Vader te treden.”
Een heel merkwaardige tekst aangezien hier wordt vooropgesteld dat
de verlossing van de doden zal verlopen via een tempel die speciaal
voor God werd gebouwd. Dat ook de geestenwereld als een tempel mag worden
beschouwd, betekent alvast dat niet de duivel er de baas is maar wel
op zijn minst Jezus Christus. Maar hoe zou dat verlossen van de doden
juist gebeuren?
Volgens Origines, een theoloog geboren in Alexandrië in 185, zal
via de deur (de poorten van de hel) het verlossingsproces plaatsgrijpen
in verschillende stadia. Iedereen moet geduldig zijn beurt afwachten!
Eerst de profeten, dan de rest van de rechtvaardigen … en tenslotte
de heidenen. De bevrijding van ‘alle’ geesten zou gebeuren
volgens een bepaald schema dat voldeed aan een reeks vastgestelde normen.
Iedereen zou onderworpen worden aan een reeks vragen. Elke vraag die
door de Heer wordt gesteld en juist wordt beantwoord, brengt de overledene
naar een hoger niveau van waaruit God beter te bereiken valt. Aangekomen
op dat nieuwe niveau mag de overledene terug nieuwe kennis opdoen. Na
het geven van de juiste antwoorden op een nieuwe reeks vragen, levert
hem dat uiteraard een nog hoger niveau op. Door het stelselmatig vergroten
van zijn kennis over God, komt de geest van de overledene dus dichter
en dichter bij zijn Ideaal te staan. En op regelmatige basis wordt die
kennis door de Heer persoonlijk geverifieerd. Hou er rekening mee dat
de beschouwingen van Origines eeuwen later door de pas ontstane Roomse
kerk als onwaar en dus als ketters zouden worden bestempeld. Maar opmerkelijk
is wel dat tijdens zijn aardse leven, Jezus op een identieke wijze met
zijn apostelen handelde. Het beste voorbeeld heb ik zonet aangehaald!
“Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” vraagt Jezus aan Petrus.
En even later:
“Maar wie zegt u, Petrus, dat Ik ben?” Waarop Petrus antwoordt
“Gij zijt Christus, de Zoon van de levende God!”
En nu komt het … de Heer antwoordt hierop:
“Dat is juist!”
Dus enkel en alleen omdat Petrus juist heeft geantwoord, vervolgt Jezus
Zijn instructies! Petrus krijgt hierbij de toelating om naar een hoger
niveau te klimmen.
Maar wij niet!
Jezus vervolgt zijn leringen aan Petrus, … maar niet aan ons.
Tot op de dag van vandaag hebben de meeste onder ons, Hem nog nooit
ergens een antwoord op moeten geven. Hebben we Hem trouwens al ooit
de toelating gegeven om ons een vraag te stellen? Dat is dan ook de
reden waarom er in de Bijbel niets over die instructies aan de apostelen
terug te vinden is! Die moeten ons immers persoonlijk gegeven worden
in functie van de vooruitgang die ‘wij’ al hebben geboekt.
De apostelen kenden en begrepen die instructies van de Heer …
maar zetten die niet op papier! Jezus had hen op het hart gedrukt dat
Hij ons persoonlijk die leringen zou kenbaar maken en dit naarmate we
Hem de juiste antwoorden zouden kunnen geven.
Tot zover mijn mening over al dat geheimzinnig gedoe in de Bijbel.
Maar nu even terug naar dat loflied van Salomon. Volgens die tekst
opende Jezus de poort voor de doden via het doopsel. Hoe verliep nu
zo’n doop voor de doden in het vroege christendom? Mijn eerste
tekst hierover is afkomstig uit de Latijnse Codex Vaticanis blz. 3848.
Daar wordt over iets gesproken dat in de oorspronkelijke versie (De
Herder van Hermas) als volgt luidde:
“Nu! Deze apostelen en de leraars die de naam van de Zoon van
God hadden verkondigd, en die waren ontslapen in de macht en het geloof
van de Zoon van God, predikten evenzeer tot de doden. En ze gaven hen
de verzegeling van hun prediking. Ze gingen vervolgens samen met hen
het water in en kwamen er dan terug uit. Maar niettegenstaande ze in
het water levend nederdaalden en er terug levend uitkwamen, gingen zij
die voor hen waren ontslapen, dood in het water maar kwamen er wel levend
uit. Want het was door het water dat ze levend gemaakt werden, en dat
ze de naam van de Zoon van God leerden kennen.”
Ook deze tekst heeft na de beginperiode van het christendom, de kerkvaders
heel wat hersenwerk bezorgd. Ze begrepen maar niet hoe men in twee categorieën
kon worden onderverdeeld. Enerzijds waren er de levenden die werden
ondergedompeld en, gelukkig maar, terug levend bovenkwamen. Maar anderzijds
zaten ze met die categorie doden die na onderdompeling ook levend uit
de vont te voorschijn kwamen. Na enige tijd dacht er dan ook niemand
meer aan dat hier wellicht een soort plaatsvervangend werk werd verricht.
De gedachte aan een mysterieuze rite begon steeds meer en meer de bovenhand
te krijgen.
Aangezien de apostelen er niet meer waren om de theologen en patriarchen
over dit gebruik in te lichten, werden de geestelijken ertoe gedwongen
zelf na te denken over deze vorm van dopen. Dat mettertijd hun bekomen
denkresultaat enigszins begon af te wijken van de oorspronkelijke vorm
van dit verlossingswerk, is dan ook onvermijdelijk te noemen.
De eerste grote afwijking van de oorspronkelijke leer, ontstond door
een vorm van woordverwarring. Misschien lag de oorzaak in een foutieve
vertaling, maar plots sprak men niet meer over ‘doop voor de doden’
maar over ‘doop van de doden’. Dat die verwarring aanleiding
heeft gegeven tot heel wat discussies, hoeft geen betoog. Moesten onze
kerkvaders nu volgend fantastisch verhaaltje geloven of niet?
Een levende daalde af in de doopvont. In zijn armen bengelden de restanten
van een overledene. Wellicht was het lijk al in verre staat van ontbinding.
Of wie weet stapte hij in dat water met nog enkel een schedel in zijn
hand. Maar oh wonder! Na onderdompeling kwamen er twee levenden uit
het water. Bij het horen van zo’n stunt zou zelfs David Copperfield
groen worden van nijd. Wellicht heeft men indertijd dit verhaaltje enige
malen uitgeprobeerd. Het heeft in elk geval niet lang meer geduurd om
deze ‘doop van de doden’ voorgoed als te lachwekkend in
een diepe kelder te begraven.
Met als spijtig gevolg dat ook de ‘doop voor de doden’
mee begraven werd.
De Marcionieten hielden er nog een betere werkwijze op na. Op een bed
werd de overledene neergelegd. Onder dat bed ging dan één
van de familieleden liggen. Bij de vraag aan de overledene of hij wou
gedoopt worden, antwoordde die van onder ’t bed volmondig ‘ja’.
Daarna werd de plaatsvervanger door de doper van dienst gedoopt.
Heden zijn er in totaal zo’n veertien van elkaar verschillende
rituelen gekend. Maar ook de filosofen uit de Middeleeuwen lieten zich
niet onbetuigd! Zij beweerden dat Paulus niet sprak over ‘doop
voor de doden’ maar over een ‘doop voor dodende zonden’.
Het duurde dan ook niet lang of het begrip ‘doodzonde’ startte
zijn triomfantelijke rondgang. Een eeuw later werd er met geen woord
meer over ‘doop voor de doden’ gesproken.
Is de ‘doop voor de doden’ nu zinnig of niet? Hierover
is iedereen vrij te geloven wat hij wil. Hou er wel rekening mee dat
Jezus Christus door zijn lijden en dood, ook voor ons plaatsvervangend
werk heeft verricht. Als de kerken ons voorhouden dat we Hem en zijn
voorbeeld moeten blijven navolgen, dan kan ik enkel maar toegeven dat
het idee van ‘plaatsvervangend werk’ helemaal niet zo onaardig
is. Christus is niet de kruisdood gestorven om alleen de mensen uit
zijn tijd te kunnen redden. Ook die van voor zijn geboorte en die van
na zijn dood mogen ooit die verrijzenis meemaken. Misschien verlangt
Jezus wel van ons dat we in zijn plaats verlossingswerk zouden verrichten!
Maar ligt het niet in de menselijke aard om plaatsvervangend werk te
doen? Zijn we er niet als de kippen bij om zieke mensen te helpen? Zeker
voor geliefde personen willen we wat extra werk met de glimlach overnemen.
En wat hebben we er allemaal niet voor over om de herinnering aan een
overleden vriend of familielid ‘mooi’ te houden? Doen we
niet het onmogelijke om goede facetten van die persoon op te hemelen
terwijl scherpe kantjes zoveel mogelijk worden afgerond of zelfs verdoezeld?
Ter inlichting! Op dit ogenblik verricht slechts één
kerk dit plaatsvervangend werk voor de doden en dat is de Kerk van Jezus
Christus van de Heiligen der Laatste Dagen alias de Mormoonse kerk.