
De Wet van Tienden en de zorg voor de armen
door Menno Feenstra, Wijk Arnhem
Christus onderwijst eenheid in geestelijke en stoffelijke zaken
Tijdens Zijn aardse bediening legde Jezus een sterke nadruk op onze verantwoordelijkheid jegens de armen onder ons. Hij legde een verband tussen de wijze waarop wij de armen bejegenen en onze plaats in Zijn koninkrijk:
Mat 25:(31 - ) 40 […] “Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.”
45 […] “Ik verzeker jullie: alles wat jullie voor een van deze onaanzienlijken niet gedaan hebben, hebben jullie ook voor mij niet gedaan.”
Om armoede te bestrijden had de eerste gemeenschap van christenen, zoals die beschreven wordt in de Bijbel, alles gemeenschappelijk:
Handelingen 2:44 Allen die het geloof hadden aanvaard, bleven bijeen en hadden alles gemeenschappelijk.
45 Ze verkochten al hun bezittingen en verdeelden de opbrengst onder degenen die iets nodig hadden.
Ook na de verschijning van Christus onder de toenmalige bewoners van het Amerikaanse continent werd dit de manier van leven onder de heiligen:
4 Ne 1:3 En zij hadden alle dingen gemeenschappelijk onder zich; zodoende waren er geen armen en rijken, dienstknechten en vrijen; maar allen waren vrijgemaakt en deelgenoot van de hemelse gave.
In de begindagen van de Herstelde Kerk werd deze Wet van Toewijding opnieuw ingevoerd onder kerkleden:
L&V 38:24 en laat ieder mens zijn broeder achten als zichzelf, en deugd en heiligheid voor mijn aangezicht betrachten. […]
26 Want welk mens onder u die twaalf zonen heeft en die geen aannemer des persoons is jegens hen, en zij dienen hem gehoorzaam, zegt tot de een: Wees gij gekleed in feestkledij en neem hier plaats; en tot de ander: Wees gij gekleed in lompen en neem daar plaats — en aanschouwt zijn zonen en zegt: Ik ben rechtvaardig?
27 Zie, dit heb Ik u gegeven als een gelijkenis, en het is zoals Ik ben. Ik zeg u: Zijt één; en indien gij niet één zijt, zijt gij de mijnen niet.
We zijn in de kerk wel bekend met dit laatste vers, maar in de hier geciteerde voorgaande verzen wordt ook de context duidelijk: De eenheid die God van ons verlangt, betreft niet alleen de geestelijke zaken, maar ook de stoffelijke, zodat er geen armen onder ons zijn - evenmin als rijken.
Ook Joseph Smith Jr. ging de zorg voor de armen zeer ter harte, zodanig zelfs, dat dit het hoofdthema is in de laatste lofzang die hij wilde horen voordat hij werd gedood: “A Poor Wayfaring Man of Grief”, in het Nederlands vertaald als "Een arme zwerver, moed' en mat" (Lofzangen 23). (Zie bijvoorbeeld “Leringen van kerkpresidenten: Joseph Smith", hoofdstuk 46: "De martelaarsdood: de profeet bezegelt zijn getuigenis met zijn bloed")
Zorg voor de armen en de verlossing van het verbondsvolk
In de kerk wordt onderwezen dat we de lagere wet van Tienden ontvingen omdat we nog niet toe waren aan deze hogere wet van toewijding; zie bijvoorbeeld de toespraak "Tiende: een geloofstoets met eeuwige zegeningen" van Ouderling Robert D. Hales (Algemene Conferentie oktober 2002). Wij zijn helaas nog lang niet één, noch in geestelijke zaken, noch in stoffelijke, zodat er wél armen onder ons zijn, evenals rijken. Hoe kunnen wij dan veronderstellen dat we tóch bezig zouden zijn met de vestiging van Zion? Hierover is het volgende geopenbaard:
L&V 105:1 VOORWAAR, Ik zeg tot u die hier bijeengekomen bent om mijn wil te vernemen aangaande de verlossing van mijn verdrukte volk -
2 zie, Ik zeg u, ware het niet dat mijn volk overtredingen had begaan, over de kerk als geheel gesproken en niet over afzonderlijke leden, dan had het nu reeds verlost kunnen zijn.
3 Maar zie, zij hebben niet geleerd gehoorzaam te zijn aan hetgeen Ik van hun hand vereiste, maar zijn vervuld met allerlei kwaad en geven niet, zoals het heiligen betaamt, van hun bezit aan de armen en bezochten onder hen;
4 en zijn niet één volgens de eenheid die de wet van het celestiale koninkrijk vereist;
5 en Zion kan niet worden opgebouwd, anders dan door de beginselen van de wet van het celestiale koninkrijk; anders kan Ik haar niet tot Mij nemen.
De zorg voor de armen is dus niet alleen een wet van het celestiale koninkrijk, maar ook een voorwaarde voor de verlossing van het verbondsvolk!
In de Tempel verbinden wij ons ertoe om Zion te vestigen. Is dan niet de tijd aangebroken om hogere eisen aan onszelf te stellen, en om uit te groeien naar een grotere mate van getrouwheid en zelfstandigheid door actief, in plaats van passief betrokken te zijn bij onze stoffelijke verplichtingen in het Koninkrijk Gods – waaronder met name ook onze financiële verplichtingen jegens de minder bedeelden onder ons? Immers, …
L&V 58:26 Want zie, het is niet juist dat Ik in alle dingen gebieden moet; want wie in alle dingen gedwongen wordt, die is een trage en geen verstandige dienstknecht; daarom ontvangt hij geen beloning.
27 Voorwaar, Ik zeg: De mensen dienen gedreven voor een goede zaak werkzaam te zijn en vele dingen uit eigen vrije wil te doen en veel gerechtigheid tot stand te brengen; […]
29 Maar wie niets doet totdat het hem geboden wordt, en een gebod met een weifelend hart ontvangt en het traag nakomt, die is verdoemd.
Wie zijn het vooral die de meeste moeite hebben met het naleven van deze wet? Daarover gaf Jezus de volgende gelijkenis:
Mat 19:16 Nu kwam er iemand naar Jezus toe met de vraag: ‘Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?’ […]
21 Jezus antwoordde hem: ‘Als je volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis, verkoop alles wat je bezit en geef de opbrengst aan de armen; dan zul je een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg mij.’
22 Na dit antwoord ging de jongeman terneergeslagen weg; hij had namelijk veel bezittingen.
23 Jezus wendde zich tot zijn leerlingen: ‘Ik verzeker jullie: slechts met grote moeite zal een rijke het koninkrijk van de hemel binnengaan.
24 Ik zeg het jullie nog eens: het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’
Aangezien een rijke dus moeilijker in het koninkrijk der hemelen komt, dan dat een kameel door het oog van een naald gaat, worden vooral de armen dezer aarde aangetrokken door het zuivere Evangelie van Christus, en niet de rijken. Ook Jezus was tijdens Zijn aardse bediening immers niet rijk, maar had zelfs geen plaats om Zijn hoofd ter ruste te leggen ( Luc 9:58).
Ook na de Herstelling werden er waarschuwende woorden gericht tot zowel de rijken, die niet omzien naar de armen, als tot de armen, die niet in hun eigen onderhoud willen voorzien:
L&V 56:16 Wee u, gij rijken, die uw bezit niet aan de armen wilt geven, want uw rijkdommen zullen uw ziel verderven; en dit zal uw jammerklacht zijn op de dag van bezoeking en van oordeel en van gramschap: Voorbij is de oogst, ten einde de zomer, en mijn ziel is niet gered!
17 Wee u, gij armen, wier hart niet gebroken is, wier geest niet verslagen is, en wier buik niet verzadigd is, en wier handen zich er niet van weerhouden zich aan andermans goederen te vergrijpen, wier ogen vol hebzucht zijn en die niet met uw eigen handen wilt arbeiden!
Een Offervaardig Verbondsvolk
De meeste Pioniers uit de tijd van de Herstelling waren eveneens onbemiddeld, of zij werden dat alsnog door vervolgingen en berovingen door hun vijanden. Sommigen hadden zelfs geen trekdieren en waren genoodzaakt om met niet meer dan kruiwagens de grote trektocht naar het Westen te maken.
Ook in onze tijd getroosten veel Heiligen der Laatste Dagen zich aanzienlijke offers vanwege hun financiële situatie. Dit betreft zeker niet alleen de allerarmsten, maar zelfs gezinnen uit de middenstandsklasse, van wie je het misschien niet zou denken. Een paar concrete, reële voorbeelden van die offers zijn:
- Er moet worden afgezien van de aanschaf en het gebruik van een auto;
- Beide ouders moeten werken; niet voor een luxe vakantie of een tweede huis, maar om "de eindjes aan elkaar te kunnen knopen";
- Eén van beide ouders heeft twee banen, wat niet alleen zeer vermoeiend is, maar waardoor er ook niet veel contact kan zijn met het gezin;
- Een gezin verhuist naar een goedkopere woning, niet omdat ze in een luxe huis zouden wonen, maar omdat de financiële ontwikkelingen op lange termijn aangeven dat ze die woning dan niet meer zullen kunnen bekostigen;
- Eén van beide ouders moet het gezin voor lange tijd verlaten om te gaan werken in het buitenland, waar de lonen hoger zijn.
Naast deze offers vraagt ook de kerk nogal wat offers:
- Er worden offers gevraagd aangaande onze tijdsbesteding voor o.a. kerkelijke roepingen, huisonderwijs en huisbezoek. Degenen die hun tijd daar niet aan besteden, die kunnen die tijd gebruiken om een extra inkomen te verwerven;
- Van gezonde jongemannen wordt verwacht dat zij op eigen kosten twee jaar op zending gaan. Dat kost niet alleen het geld voor die zending, maar ook twee gederfde jaarinkomens. Ook oudere echtparen worden aangemoedigd om na hun pensioen op zending gaan. De kosten daarvan zijn niet gering;
- Uit solidariteit met de lijdenden vasten wij eens per maand, waarbij wij tenminste de waarde van de daarmee bespaarde maaltijden aan de kerk doneren als vastengave – of zoveel meer als wij ons kunnen veroorloven en waartoe wij genegen zijn. De vastengaven van de leden worden aangewend ten bate van hen die in materiële nood verkeren (zie Gids bij de Schriften - Vasten);
- De grootste financiële bijdrage die er van de kerkleden wordt verwacht, is echter de Tiende:
Een tiende deel van het inkomen wordt aan de kerk gedoneerd ten behoeve van het onderhoud van de kerkelijke organisatie zelf.
Inderdaad: Het Evangelie is een Evangelie van offers - dat is het altijd al geweest. Joseph Smith onderwees dan ook dat ‘een godsdienst die niet vergt dat men alles opoffert, (...) nooit krachtig genoeg kan zijn om voldoende geloof te ontwikkelen voor het leven en het eeuwig heil.’ (zie Gids bij de Schriften - Offer, Offerande, Offeren).
Maar over geen ander offer is de Kerk meer expliciet dan over de Wet van Tienden. In het tempelinterview bijvoorbeeld wordt ons niet gevraagd of wij het Woord van Wijsheid volledig naleven; of wij volkomen eerlijk zijn; of wij onze kerkleiders volledig ondersteunen; maar wél wordt ons gevraagd of wij een volledige Tiende betalen. En over niets anders worden wij jaarlijks opgeroepen om verantwoording af te leggen aan onze Bisschop, dan over onze financiële bijdragen aan de kerk, met name over de Tiendenbijdrage.
Wat is precies het offer dat hiermee van ons wordt gevraagd; wat wordt hiermee gedaan; welke zegeningen worden hiervoor beloofd, en welke zegeningen worden ervaren?
Geschiedenis van de Wet van Tienden
De Wet van Tienden komt ter sprake in het Oude Testament, waarbij Maleachi 3:8-12 het vaakst geciteerd wordt. Wanneer de Wet van Tienden ter sprake komt in het Boek van Mormon (Alma 13:15; 3 Ne 24:8-10) of in het Nieuwe Testament, dan wordt er alleen verwezen naar dit Oude Testament; zie met name Hebreeën 7:1-10, waarin verhaald wordt van Abraham die een tiende van alle buit gaf aan Melchizedek. Verder wordt hier gesproken van “Levi, de ontvanger van tienden, [die] tienden afgedragen heeft, en wel via Abraham”.
Een belangrijke toevoeging hieraan vinden we in:
Hebreeën 7:11 Had het Levitische priesterschap […] de volmaaktheid gebracht, dan zou het niet nodig zijn geweest dat er een andere priester werd aangesteld, die was zoals Melchisedek, en niet zoals Aäron.
12 Maar wanneer de aard van het priesterschap verandert, verandert onherroepelijk ook de wet.
Aangezien hier van zowel het Aäronische – (oftewel het Levitische -) als van het Melchizedekse priesterschap wordt gesproken, en verder alleen van de Wet van Tienden, is het duidelijk dat in elk geval deze wet “onherroepelijk veranderde”. En omdat we niet selectief mogen zijn bij welke Bijbelverzen we wél van toepassing achten en welke niet, mogen we hieruit concluderen dat de Wet van Tienden alléén bestemd was voor degenen die gehouden waren aan de lagere wet uit het Oude Testament.
Verder valt op dat er in het Nieuwe Testament vaak wordt gesproken over de nauwgezette getrouwheid van juist de Farizeeërs aan de Wet van Tienden, maar wél ten koste van “wat in de wet zwaarder weegt”, reden waarom Jezus hen berispte:
Matteüs 23:23 Wee jullie, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, jullie geven tienden van munt, dille en komijn, maar veronachtzamen wat in de wet zwaarder weegt: recht, barmhartigheid en trouw, […]
De offervaardigheid van de Farizeeërs ging zelfs zó ver, dat zij hun verplichtingen jegens hun ouders hierom verzaakten, en ook daarover wijst Jezus hen terecht. Merk op dat Jezus de offers van de Farizeeërs daarbij aanduidt als hun eigen traditie:
Matteüs 15:(1 -) 3 […] ‘En waarom overtreedt u het gebod van God, alleen om uw eigen traditie in stand te houden?
4 Want God heeft gezegd: “Toon eerbied voor uw vader en moeder,” […]
5 Maar u leert: “Wie tegen zijn vader of moeder zegt: ‘Alles wat van mij is en voor u van nut had kunnen zijn, bestem ik tot offergave,’
6 die hoeft zijn ouders geen eerbied te tonen.” Zo ontkracht u het woord van God uit eerbied voor uw eigen traditie.
De apostel Paulus zei hierover:
1 Timoteüs 5:8 Wie niet voor de eigen familie zorgt, zelfs niet voor huisgenoten, heeft het geloof verloochend en is slechter dan een ongelovige.
Ook nu kan geen enkele oprechte Heilige der Laatste Dagen het zich dus veroorloven om kerkelijke bijdragen voorrang te geven boven de verplichtingen aan het eigen gezin. In de Proclamatie over het Gezin van het Eerste Presidium in 1995 wordt daarover bovendien gesteld:
“Man en vrouw hebben de plechtige taak om van elkaar en van hun kinderen te houden, en voor elkaar en hun kinderen te zorgen. […] Ouders hebben de heilige plicht om hun kinderen […] te voorzien in hun stoffelijke en geestelijke behoeften, [...]
De invoering van de Wet van Tienden in de Herstelde Kerk komt uitgebreid ter sprake in Leer & Verbonden 119, waarbij de motieven hiervan worden vermeld in de eerste drie verzen:
L&V 119:1 VOORWAAR, aldus zegt de Heer: Ik verlang dat al hun overtollig bezit in handen wordt gegeven van de bisschop van mijn kerk in Zion,
2 voor de bouw van mijn huis en voor het leggen van het fundament van Zion en voor de priesterschap, en voor de schulden van het presidium van mijn kerk.
3 En dat zal het begin zijn van de vertiending van mijn volk.
Aangaande de hier genoemde “schulden van het presidium van mijn kerk” staat het volgende opgetekend in “Leringen van de Profeet Joseph Smith”:
“Gedurende de avond van 29 november baden broeder Oliver en ik dat de zegeningen mochten voortduren. Nadat wij de Heer gedankt hadden voor de hulp die Hij gezonden had door het hart van de broederen in het oosten te bewegen om ons $430 te lenen; en nadat wij ons hierover voor de Heer hadden verheugd; kwamen wij overeen, met de Heer het volgende verbond aan te gaan:
Indien de Heer ons in zaken voorspoedig wil doen zijn en indien Hij ons de manier wil tonen waarop wij middelen zouden kunnen aanwenden om onze schulden te betalen, zodat wij noch zijn volk langer in moeilijkheden zouden zijn of voor de wereld in opspraak zouden worden gebracht, willen wij daarna van alles wat Hij ons zal geven één tiend afdragen voor de armen in zijn kerk of zoals Hij zal aanwijzen. Wij zullen getrouw zijn over wat Hij aan onze zorgen heeft toevertrouwd, opdat wij veel mogen verkrijgen en onze kinderen na ons eraan zullen denken dit heilige verbond na te komen. En opdat onze kinderen en kleinkinderen hiervan op de hoogte mogen zijn, zetten wij hieronder onze handtekening.” (Was getekend) Joseph Smith Jr.; Oliver Cowdery. (“Leringen van de Profeet Joseph Smith”, tweede Nederlandse uitgave 1982, “Het verbond van tiend”, blz. 59 & 60)
In de eerste dagen van de Herstelling was de kerk armlastig en had schulden, waarvan hier wordt gesproken. Ook lezen wij hier dat het Joseph Smith was die op het idee kwam om de Wet van Tienden weer in te voeren, en om de kerkleden daartoe te verbinden.
De penibele financiële situatie van de kerk heeft decennia lang geduurd, en de door Joseph Smith ingevoerde Wet van Tienden bood hieruit een uitweg. De voorbije tientallen jaren heeft de kerk zich echter ontwikkeld tot een zeer rijke organisatie. Desalniettemin wordt de Wet van Tienden nog steeds onverkort gehandhaafd, voor arm en rijk.
Betalen met geloof en vertrouwen
De kerk legt een verband tussen het betalen van de tiende en de mogelijkheid om naar de Tempel te gaan: “Tiende is een van de geboden die ons door ons geloof het recht geeft op toegang tot de tempel”, zo wordt gesteld in de reeds aangehaalde toespraak " Tiende: een geloofstoets met eeuwige zegeningen" van Ouderling Robert D. Hales. Door Tienden te betalen aan de kerk krijgen wij toegang tot de Tempel, die de toegangspoort is tot het Koninkrijk Gods.
Deze toespraak van Elder Hales is er één uit vele waarin wordt gesteld dat het betalen van onze Tienden een blijk is van ons geloof en onze bereidheid om aan de Heer te offeren – een bereidheid die van iedereen wordt verwacht, arm of rijk. Zo wordt er ook in deze toespraak gesproken van een echtpaar met een schamel inkomen, dat getrouw hun tiende betaalde en zoveel mogelijk spaarde om naar het huis des Heren te kunnen gaan. Verhaald wordt dat als beloning voor hun geloof en toewijding, de broer van de man - die niet tot de kerk behoorde - aanbood om de vliegtuigtickets te betalen, waardoor dit echtpaar naar de Tempel kon reizen. Later trad deze broer ook toe tot de kerk.
Er wordt er in de vele toespraken over de Tienden echter niet gesproken over een verband met de zorg voor de armen, waar Jezus en bijvoorbeeld ook Joseph Smith de nadruk op legden. Inmiddels worden de Tiendengaven ook niet meer besteed aan de zorg voor de armen; de tegenwoordige besteding hiervan wordt o.a. uiteengezet in:
Gids bij de Schriften – Tiende : […] De tiende wordt gebruikt om kerken en tempels te bouwen, het zendingswerk te steunen en het koninkrijk van God op aarde op te bouwen.
De Heer verlangt niet van ons wat we niet kunnen doen
In voornoemde toespraak wordt nog eens benadrukt dat de hoogte van iemands inkomen geen reden mag zijn om geen Tienden te betalen; we betalen immers met geloof, waarna de Heer ons zal zegenen in onze financiële noden, zo wordt impliciet gesteld. Helaas verloopt het niet altijd zo voorspoedig als met de in dit soort toespraken beschreven arme kerkleden : Er wordt vanaf de kerkelijke kansels geen bekendheid gegeven aan voorvallen van trouwe toewijding aan de Wet van Tiende, door arme kerkleden, met een tragischer uitkomst.
Laten we eens beschouwen hoe de organisatie van de kerk zelf is omgegaan met geboden waarvoor een dergelijk groot geloof vereist is om die na te kunnen komen. Wilford Woodruff zei daarover eens het volgende, in een andere toespraak:
“De Heer heeft uit onze handen dingen vereist die we niet gedaan hebben; dingen die ons belet werden. De Heer verlangde dat we een Tempel zouden bouwen in Jackson county . Dat werd ons met geweld belet. Hij verlangde dat we een Tempel zouden bouwen in Far West , wat we niet hebben kunnen doen. Er zijn vele zaken van ons vereist die we niet hebben kunnen doen, vanwege hen in de wereld die ons omringen.
De Heer heeft ons geboden gegeven aangaande vele zaken, en die hebben we uitgevoerd voor zover we konden, maar als we het niet kunnen, dan zijn we gerechtvaardigd. De Heer verlangt geen dingen van ons die we niet kunnen doen.” (Woodruff, Wilford. The Discourses of Wilford Woodruff. Edited by G. Homer Durham. Salt Lake City, Utah: Bookcraft, 1946: An Explanation of the "Manifesto". Toespraak gegeven tijdens de Algemene Conferentie van 6 oktober 1890)
En ook al lijkt dit in tegenspraak te zijn met 1 Ne 3:7, toch werd dit argument wél gebruikt om de policy van het meervoudig huwelijk te beëindigen. In het algemeen geeft het aan dat omstandigheden een reden kunnen zijn om af te wijken van een gebod, alhoewel God uiteraard altijd met onze omstandigheden bekend is, lang voordat ze zich voordoen.
De kerk zou voor haar leden dezelfde lijn moeten trekken als voor zichzelf, en een vergelijkbare policy moeten toepassen op actieve kerkleden met financiële beperkingen, door hen een Tempelaanbeveling niet te onthouden. De kerk mag immers geen “kerk voor de rijken” zijn, en evenmin is de Tempel bestemd als een vergaderplaats voor de rijke elite, zoals de Zoramitische synagogen dat eens waren (zie Alma 32:2‑5) .
Tiendengelden en de zorg voor de armen
Vanuit L&V 119:1 wordt verwezen naar L&V 42:33 waarin staat waaraan Tiendengelden besteed zouden moeten worden:
L&V 42:33 En voorts, als er na deze eerste toewijding meer bezittingen in handen van de kerk of van haar leden zijn dan voor hun onderhoud nodig is, hetgeen een overschot is dat aan de bisschop toegewijd moet worden, dan moet het bewaard worden om er van tijd tot tijd van te geven aan hen die niet hebben, opdat eenieder die iets nodig heeft in ruime mate wordt voorzien en naar zijn behoeften ontvangt.
34 Daarom moet het overschot in mijn voorraadhuis worden bewaard om de armen en de behoeftigen te helpen, zoals door de hoge raad van de kerk en de bisschop en zijn raad wordt bepaald;
Zoals reeds geciteerd uit de Gids bij de Schriften worden de Tiendengaven inmiddels
echter alleen nog besteed voor de kerk zelf; ..." [...] zie bijvoorbeeld ook Dallin H. Oaks, “Tithing,” Ensign, May 1994 , waarin hierover wordt gezegd:
“Deze fondsen worden besteed om tempels en gebedshuizen te bouwen en te onderhouden; om het wereldwijde zendingswerk uit te voeren; om de schriften te vertalen en te publiceren; om middelen ter beschikking te stellen voor de verlossing van de doden; om godsdienstonderricht te bekostigen; en om andere kerkelijke doelen te ondersteunen, zoals aangewezen door de daartoe aangewezen dienstknechten des Heren.” Maar geen woord meer over de zorg voor de armen!
Moeten we ons niet de vraag stellen wanneer de Heer eigenlijk heeft geopenbaard dat de bestemming van de Tiendengelden op die manier moest worden gewijzigd?
Dit onderwerp is actueel! Een ernstige economische crisis heeft zich recentelijk voorgedaan, en deze zullen zich blijven voordoen. Ook Heiligen der Laatste Dagen, arm of rijk, zullen daarin niet de dans ontspringen van verminderd inkomen, verhoogde uitgaven of bijvoorbeeld werkloosheid. Maar mogen zij, volgens de beloften rondom de Wet van Tienden, geen zegeningen verwachten waardoor zij toch nog het hoofd boven water kunnen houden, waar zij anders zouden verdrinken?
Toch zijn er ook getrouwe kerkleden die, ondanks hun getrouwheid aan de Wet van Tienden, tóch "verdrinken" in een globale -, nationale - of persoonlijke economische crisis. Zij zijn bijvoorbeeld hun baan kwijtgeraakt, en doordat ze het ook mét baan al niet erg breed hadden, hebben zij geen financiële reserves kunnen opbouwen. Hoe is dat dan te verklaren - immers, aan het onderhouden van de geboden zijn toch beloften verbonden (zie bijvoorbeeld L&V 82:10; L&V 130:20-21)?
Een verklaring is de volgende: De kerk onderwijst óók dat de Heer meestal werkt via onze medemensen. Maar ook de kerk dient niets meer te zijn dan een werktuig in de handen des Heren, ten bate van de kerkleden, en niet louter ten behoeve van de kerkorganisatie zelf.
President John Taylor begreep dat, en verwijzend naar Leviticus 25:10 stelde hij het volgende voor:
“In de Algemene Conferentie van 1880 kondigde President John Taylor een Jubileumjaar van de kerk af. Hij stelde aan de kerkleden verschillende manieren voor om dit Jubileumjaar te vieren – manieren om de gemeenschap der heiligen nader tot elkaar te brengen. President Taylor zei:
“Het kwam in me op dat we net zoiets zouden moeten doen als in dagen vanouds, om hen die bezwaard zijn door schulden te ontlasten; om hen die in nood verkeren bij te staan; om het juk te breken van hen die daaronder gebukt gaan; en om een tijd van algemene verblijding te scheppen”.“ (Conference Report, Apr. 1880, p. 61).
“President Taylor stelde toen voor dat ...
Ten tweede, de armen worden de tiendenschulden kwijtgescholden waartoe zij zich verbonden hebben.” Zie L. Tom Perry, “A Meaningful Celebration” Ensign, Nov 1987
Dit artikel bewijst nogmaals dat er in de loop van de geschiedenis van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen verschillende interpretaties zijn gegeven aan de Wet van Tienden, omdat de redenen daartoe en de omstandigheden van de kerk en haar leden ook meermaals zijn gewijzigd.
Wordt het niet weer eens tijd dat de kerk haar prioriteiten verlegt naar de zorg voor de minder bedeelden? Wordt het niet weer eens tijd voor een nieuw Jubileumjaar, waarin de kerk haar grote financiële vermogen aanspreekt om de armen, o.a. die onder haar leden, te ondersteunen in hun noden, in de geest van het Evangelie van Christus dat zij predikt?
Onze betrokkenheid bij het Koninkrijk Gods
Sommigen zullen misschien tevreden zijn met het huidige kerkelijke financieel beleid, maar Brigham Young zei over de houding die ons ook hierbij past:
“ Ik wens dat geen enkele Heilige der Laatste Dagen op aarde, noch in de hemel, tevreden is met wat dan ook dat ik doe, anders dan wanneer de [...] geest van openbaring hem tevreden stelt. […] Stel dat de mensen zorgeloos worden; dat zij geen betrokkenheid betonen aangaande de aangelegenheden van het Koninkrijk Gods, maar de volledige last daarvan op de leiders leggen, met als argument: "als de Broeders die de leiding hebben ergens tevreden mee zijn, dan ben ik dat ook." Dit is niet aangenaam in de ogen des Heren. ( Brigham Young, Journal of Discourses, Volume 3, October 6, 1855 )
Die mannen of vrouwen die niets meer van de macht Gods weten, en van de invloed van de Heilige Geest, dan geheel geleid te worden door een andere persoon; die geheel hun verstand en geloof aan iemand anders toevertrouwen, zullen nooit in staat zijn om het Celestiale Koninkrijk binnen te gaan, en daar gekroond te worden, zoals zij verwachten […].
Wie dan wel? Zij die moedig zijn, en geïnspireerd met de ware onafhankelijkheid van de hemel; die stoutmoedig voortgaan in de dienst van hun God; die anderen laten begaan zoals het hen belieft; vastberaden om zelf het goede te doen, ook al zou heel de verdere mensheid een tegengestelde koers volgen. ( Discourses of Brigham Young: Chapter 34: Eternal Judgment: Judgment According to Works.)
Om de Celestiale Wet na te leven zullen wij dus “ stoutmoedig moeten voortgaan in de dienst van onze God ”, wat geheel iets anders is dan het plichtmatig en gewoontegetrouw “gehoorzamen van de geboden” – want dat is waar de Farizeeërs in uitblonken – niet zelden ten koste van onze naaste. In het Boek van Mormon leren wij dat, als wij in de dienst van onze God willen zijn, dat wij dan in de dienst van onze medemensen moeten zijn (zie Mosiah 2:17).
We moeten individuele verantwoordelijkheid leren dragen voor onze financiële betrokkenheid met onze broeders en zusters in de kerk. Onze kerk groeit het snelst in ontwikkelingslanden waar enorm veel arme heiligen der laatste dagen wonen. Het is in de geest van de leer van Christus om van individuele kerkleden te verwachten dat zij met het lot en de armoede van hun broeders en zusters elders in de wereld zijn begaan.
Ook is het een individuele verplichting van elke heilige der laatste dagen om zich af te vragen waar zijn of haar hoogste prioriteit ligt als het gaat om de besteding van vrijwillige bijdragen aan de kerk: Is het voor God te rechtvaardigen dat wij onze grootste financiële offers, de Tienden, wijden aan de organisatie van een reeds vermogende kerk, terwijl slechts de daarbij vergeleken schamele vastengaven worden besteed aan de armen, naar wie de zorg van Jezus en ook van Joseph Smith juist uitging?
Ook hierover heeft de apostel Paulus een uitspraak gedaan:
2 Korintiërs 9:7 Laat ieder zo veel geven als hij zelf besloten heeft, zonder tegenzin of dwang, want God heeft lief wie blijmoedig geeft.
Onze kerkelijke gaven dienen dus te worden gedaan zonder de dwang van bijvoorbeeld de onthouding van een tempelaanbeveling. Zouden we het durven overwegen om onze tienden geheel of gedeeltelijk als vastengaven aan te merken, of om deze voor een humanitair hulpfonds te bestemmen, of voor iemand die wij persoonlijk kennen; iemand die vanwege de regelgeving van de kerk niet in aanmerking komt voor kerkelijke financiële steun, maar van wie wij weten dat die toch werkelijk in financiële nood verkeert? Zouden we dat durven, zelfs als ons daardoor, en door het kerkelijk beleid, de toegang tot de tempel zal worden ontzegd?
De kerk leert ons om onszelf daarbij een belangrijke vraag te stellen: “Wat zou Christus doen?”
En wat gaat u doen, nu u dit gelezen heeft?
Menno Feenstra, Wijk Arnhem
m.feenstra9@chello.nl
Klik hier om aan een lopende discussie over dit onderwerp mee te doen.
Klik hier om dit artikel in het Engels te lezen.