MvG logo www.mvgcontact.org

De wenende God van het Mormonisme

Home




 

Een essay van de hand van Eugene England - gepubliceerd na zijn overlijden - waarin deze een volgens hem verontrustende ontwikkeling in het Mormonisme signaleert, nl. wat hij ziet als een verwijdering van de leerstelling van Joseph Smith en Brigham Young van een God die persoonlijk met ons begaan is in een - niet door hem bedoeld - tragisch heelal, in de richting van een meer absolute God zoals wordt onderwezen door het Evangelisch Christendom.

De Wenende God van het Mormonisme

door Eugene England

In het Boek van Mozes - in 1830 aan Joseph Smith geopenbaard als deel van zijn revisie van de Bijbel - leren we over een profeet met de naam Henoch, die werd geroepen om bekering te prediken onder zijn volk. Hij slaagt daar zo goed in dat zij "Zion" worden genoemd en ten hemel worden opgenomen. En dan, ondanks zijn grote kennis van het Evangelie, maakt Henoch een verbazingwekkende en schokkende gebeurtenis mee die zijn begrip van God volkomen verandert. Henoch wordt "hoog en verheven, ja, aan de boezem van de Vader" en ontvangt een visioen aangaande hen die werden onderwezen zich van het kwaad af te wenden en "zij werden door de machten des hemels in Zion opgenomen". "En het geschiedde dat de God des hemels de overigen van het volk aanschouwde, en Hij weende; en Henoch getuigde ervan, zeggende: Hoe komt het dat de hemelen wenen en hun tranen storten zoals de regen op de bergen?" ( Mozes 7:24,28 )

Niettegenstaande zijn eerdere visioenen en profetische ervaring, staat Henoch versteld van Gods onverwachte emotie; e.e.a. werpt licht op een volkomen nieuw begrip aangaande de aard van God. De antwoorden op Henochs vragen onthullen een begrip aangaande God dat n.m.m. de essentiele grondslag vormt voor mormoonse theologie, en die haar radicaal van andere doet verschillen. Maar het is ook een theologie die veel Mormonen, zoals Henoch in zijn jonge jaren, nog niet hebben kunnen begrijpen of aanvaarden. Henoch vraagt God in verwondering: "Hoe komt het dat Gij kunt wenen daar Gij heilig zijt en van alle eeuwigheid tot alle eeuwigheid?" (Mozes 7:29) M.a.w. Henoch vraagt zich af hoe een absoluut en daarom almachtig wezen zo'n menselijk gedrag vertoont, en weent. Mensen huilen als reactie op tragische gebeurtenissen die zij niet kunnen veranderen; God kan ze echter wel veranderen, dus waarom zou hij dan huilen?

Henoch lijkt zelfs uit zijn doen vanwege deze verrassende ontwikkeling t.a.v. zijn traditionele Godsbegrip en bevraagt God nogal uitvoerig, terwijl hij Hem herinnert aan Zijn almacht. God is geduldig in zijn antwoord en wijst op zijn
eigen begrenzingen. De mensen in het visioen zijn "uw broederen" en "Ik heb de mens zijn keuzevrijheid gegeven" (Mozes 7:32). Ik gaf hen een gebod "dat zij elkander moeten liefhebben" maar "zij zijn liefdeloos en zij haten hun eigen bloed". Dientengevolge "zal ellende hun lot zijn; en alle hemelen zullen hen bewenen...; moeten dan de hemelen niet wenen, aangezien dezen zullen lijden?" (7:37). M.a.w. keuzevrijheid is een realiteit waar niet aan kan worden
getornd. Gods macht om zonde en andere oorzaken van menselijk lijden weg te nemen, is beperkt. Hij kan profeten als Henoch zenden om te waarschuwen en om bekering te prediken, en hij kan zijn zoon zenden om hen die hem aanvaarden, zich te bekeren: "Daarom lijdt Hij voor hun zonden, voor zoverre zij zich willen bekeren ten dage dat mijn Uitverkorene naar Mij terugkeert" (7:39). Wat hij niet kan is eenvoudigweg zijn schepping veranderen of tenietdoen, en
dus, tenzij zij zich bekeren,"en tot die dag zullen zij kwelling ondergaan; hierom nu zullen de hemelen wenen" (7:39-40). Henoch kijkt hier in Gods hart, verandert zijn godsbegrip, en - heel belangrijk - wordt ook zelf met hernieuwd medelijden vervuld. Hij "weende en strekte zijn armen uit en zijn hart zwol op, zo wijd als de eeuwigheid, en zijn binnenste smachtte; en de ganse eeuwigheid beefde." (7:41).Henochs ervaring maakt natuurlijk deel uit van een variant op de fundamentele theologische paradox: "Hoe kan God almachtig zijn en niettemin het kwaad
toelaten?" Henoch heeft hier te maken met een volledig nieuwe theodiciteit - een rechtvaardiging van God, ofwel een uitleg hoe deze als goed kan worden beschouwd. Het is een theodiciteit die, alhoewel niet uniek binnen het Mormonisme, het Mormonisme uniek maakt onder grote, groeiende kerkgenootschappen. Het is n.m.m. een theodiciteit die een essentiele bijdrage kan leveren aan het Mormonisme als een zich aandienende volwassen en gepassioneerde wereldreligie, die in belangrijke mate kan bijdragen aan Gods pogingen al zijn kinderen te redden, niet slechts d.m.v. bekering maar ook door het met anderen delen van de ons geopenbaarde inzichten aangaande het wezen van God, in dialoog met anderen.

Traditioneel plachten theodiciteiten de paradox op te lossen door: 1) het kwaad te herdefinieren als niet-echt-slecht zijnde vanuit Gods oneindig perspectief, als een illussie, of als noodzakelijk om mensen te stichten, of gewoon als het
ontbreken van het goede, de gatenkaas in Gods universum. 2) door de vrije wilsbeschikking gelijk te stellen aan iets waartoe God om de een of andere onduidelijke reden gedwongen werd aan de mens te geven, opdat deze hem uit vrije
wil zou liefhebben. Heel wat mormoonse denkers volgen die redenatie, maar de theodiciteit die Henoch werd geopenbaard en die ten grondslag ligt aan de mormoonse orthodoxie ontkent de andere pool van de paradox: Gods almacht. God staat het kwaad toe omdat hij het kwaad dikwijls niet kan voorkomen of tenietdoen. En daarom weent hij, als een mens. Daarmee wil ik natuurlijk niet zeggen dat al het kwaad zonder meer buiten het bereik zou zijn van zijn macht om het te voorkomen, want dat zou God inderdaad impotent maken. Dikwijls kan en zal hij zich met het kwaad bemoeien. De wenende God van mormoonse begrenzingen die ik probeer te omschrijven, schept een wereld waarin de ziel kan worden volmaakt, hetgeen alleen maar kans van slagen heeft als de ziel wordt blootgesteld aan de
gevolgen van de wet der natuur, en maximaal speelruimte geeft aan de vrije wil, terwijl wordt ondervonden hoe het heelal in elkaar steekt. Het kwaad is een natuurlijke eigenschap in een dergelijke wereld, niet omdat God het kwaad schept om de ziel te laten groeien, maar omdat het kwaad nu eenmaal het gevolg is van een vrije wil die wordt geconfronteerd met de wet der natuur in een dergelijke wereld. Beide zijn aan elkaar verbonden, niet omdat God het zo wil, maar omdat het heelal - dat niet uit het niets werd geschapen - het zo wil, vanuit haar
onnavolgbare natuur. Daaruit volgt dat God niet almachtig is.

In een opmerkelijk persoonlijk getuigenis geschreven aan een jonge, ongeneeslijk zieke kankerpatient, onderzoekt Reynolds Price al de gebruikelijke antwoorden op de fundamentele vraag: "Als er een liefdevol en almachtig God bestaat, waarom laat hij dan een begaafde jongeman zo lijden en sterven?" Price speelt kortstondig met de gedachte dat het de goddelijke natuur zelf is die sporen van het kwaad in zich draagt, of althans niet bij machte is kwaad te voorkomen, maar geeft uiteindelijk slechts zijn uitleg over een God die hem momenten van rustige verzekering en een echt visioen van Christus gaf, waardoor zijn zonden hem werden vergeven en hij van kanker werd genezen. Price verschaft ook intellectuele troost op grond van zijn eigen ervaringen en bestudering van de belangrijkste religieuze teksten, in het bijzonder Job en de Bhagavad Gita, dat "de God die zowel onze almachtige schepper is als stille getuige van zoveel ellende ... hetgeen is, of hetgeen in alles is dat bestaat, en dat hij onze enigste mogelijkheid is,"(2) en omdat "God ons voor zijn glorie geschapen heeft en omdat dat aangenaam is in zijn ogen, ... zou die glorie dan niet meer recht
worden gedaan door een breder spectrum van licht en duisternis t.a.v. onze beperkte visie, als we een groter zelfbewustzijn over Hem zouden ontwikkelen en vanuit een dergelijk bewustzijn zouden leven, en het met anderen zouden delen?

Het goed verwoordde - en kwetsbare - getuigenis van Price is aangrijpend en indrukwekkend, maar schiet m.i. tekort in vergelijking met een wenende God van het Mormonisme. Want die God, zoals de God van Job en de Gita, suggereert dat we onze kijk op individueel lijden zouden veranderen als we de grootsheid van Gods heelal en zijn oogmerken zouden kunnen aanschouwen, als we in Gods tegenwoordigheid zouden kunnen zijn "toen ik het fundament der aarde schiep." Maar wanneer onze wenende God, in een ogenschijnlijk soortgelijk royaal gebaar, ons zegt, "En in niets geeft de mens God aaanstoot...dan alleen tegen hen die niet in alle dingen zijn hand belijden," (LV 59:21) dan zijn we niet - zoals Price - gedwongen "zijn hand in alle dingen te belijden", of in dankbaarheid een God te aanvaarden die "ten volle verantwoordelijk is, of passief getuige is, van AIDS, Bosnie, Oklahoma City en Ruwanda,"(4) om maar te zwijgen over de Holocaust. Volgens mij wil God dat we - net als Job - gaan inzien dat het heelal, en niet een beperkte God, verantwoordelijk is voor dat alles; en dat we zonder dat alles het goede zouden moeten ontberen, incl. mogelijkheden om groei te ervaren, schoonheid te leren kennen, vreugde te hebben en meer als God te worden. Zonder het kwaad zou dat niet mogelijk zijn, niet omdat God het kwaad in zich draagt, maar omdat het heelal het kwaad in zich draagt. Dankzij Henoch weten we wat Price klaarblijkelijk niet wist; nl. dat God geen passieve getuige is: Hij weent.

Joseph Smith ontving en vertaalde rechtstreekse openbaringen uit oude beschavingen en hun toenmalige levende profeten, en dat is m.i. een bewijs dat hij een waarachtig profeet was: hij produceerde materiaal dat hij nog niet
begreep of kon aanvaarden. Een heel goed voorbeeld daarvan is de bewering in het Boek van Mormon dat "allen voor God gelijk zijn," blank en zwart, man en vrouw (2 Nephi 26:33), hetgeen waarschijnlijk niemand geloofde in het Amerika van 1830, met inbegrip van Joseph Smith, en hetgeen vele anderen tot op de dag van vandaag nog steeds niet geloven. Het is ook duidelijk dat de profeet Joseph Smith de betekenis van Henochs ervaring niet ten volle begreep, een ervaring die hij m.i. vastlegde d.m.v. regelrechte openbaring van God. Enige tijd na die openbaring, en ondanks haar diepe betekenis, nam Joseph de passages in het Boek van Mormon nog letterlijk op v.w.b. Gods alwetendheid en almacht. (zoals in 2 Nephi 9:20 en Alma 26:35). We weten dit omdat de eerste mormoonse leerstellige vastleggingen,
de "Lectures on Faith" (1834-1835), traditionele christelijke uitdrukkingen gebruikte als: alomtegenwoordigheid, alwetendheid en almacht, en een God omschrijven die "zonder de kennis aller dingen", "niet in staat zou zijn enig
deel van zijn schepping te redden."(5)

Joseph Smiths aandeel in de redaktie van de "Lectures on Faith" is nog onduidelijk; e.e.a. lijkt voornamelijk het werk van Sidney Rigdon met een niet onbelangrijk bijdrage van de hand van Joseph. (6) Zoals heel wat lezers van de "Lectures" al vermoedden, weerspiegelen deze uiteraard een heel vroeg stadium van mormoonse leerstelligheid over God, daarin sterk beinvloed door traditionele christelijke denkbeelden en leringen. God wordt bijv. omschreven als een geestelijk wezen, Christus slechts als een belichaamd wezen, en de Heilige Geest niet eens als een wezen maar als een soort gelijkgestemde eenheid met de vader en de zoon. Degenen die onderwezen m.b.v. de "Lectures on Faith" moesten e.e.a. aanpassen aan later ontstane orthodoxe mormoonse denkbeelden m.b.t. redaktionele bemerkingen, voetnoten en
toelichtingen; iets wat Joseph Fielding Smith bijv. deed aan het begin van zijn boek "Doctrines of Salvation". Dit probleem vinden we terug in de neigingen van kerkelijke autoriteiten om m.b.v. voetnoten de "Lectures on Faith" te herzien begin 1900, en ook in hun daarop volgend besluit in 1921, om deze niet in de Leer en Verbonden op te nemen.(7) Joseph Smith herriep ze echter nimmer, en alhoewel het waarschijnlijk is dat hij ze later zou hebben aangepast of toegelicht naarmate zijn begrip zich ontwikkelde, en hij e.e.a. mogelijkerwijze had kunnen toelichten of uitleggen,
denk ik dat hij eigenlijk geen echte tegenstelling zag tussen de "Lectures" en zijn latere begrip van een God die in afdoende mate "alle" kennis en macht bezat om ons zaligheid te verschaffen in onze bestaansfeer (en daarmee "oneindig" is), maar ook als een God die nog steeds leert en zich ontwikkelt m.b.t. hogere bestaansferen (en daardoor "beperkt" is)". God is dus naar Josephs begrip, de absolute Zaligmaker, niet absoluut in alle dingen, maar absoluut in staat ons te
redden. Een dergelijk complex begrip werd gedurende een aantal jaren ontvangen en ontwikkeld voordat ze volledig en verduidelijkt in het openbaar werd vertolkt in de befaamde "King Follett Discourse", die tijdens de aprilconferentie van 1844 werd bekendgemaakt, een paar maanden voor de dood van de profeet Joseph. De "King Follett Discourse" roept op zich nogal wat vragen op omdat deze op de toenmalige gebruikelijke wijze nogal onsamenhangend werd vastgelegd in het schoolschrift van vier verschillende klerken, wiens werk later werd samengevoegd. In de "Discourse" beweert Joseph nergens met zoveel woorden dat God "beperkt" zou zijn, of in kennis en macht zou toenemen, maar hij zinspeelt er zeker op in de Leer en Verbonden dat God niet het allerhoogste is of almachtig zou zijn, door te verklaren dat er Goden boven Hem gesteld zijn, en door specifieke, substantiele dingen te noemen die zelfs voor God onmogelijk zijn, zoals iets uit het niets te scheppen. Het komt mij voor dat Joseph Smith verder heel duidelijk beschrijft dat er een eeuwig leer- en groeiproces is waardoor Godheid wordt verkregen, en hij zinspeelt er tenminste op dat een dergelijk proces ook voor God een voortgaand proces is.

"Allereerst is de God die in de hemel op zijn troon zit, zelf een mens zoals wijzelf - dat is het grote geheim! Het eerste principe van de waarheid en van het Evangelie is om met een mate van zekerheid kennis te nemen van Gods
eigenschappen, en dat we met hem mogen converseren .... dat hij ooit een mens was zoals wij ... u moet leren hoe uzelf tot goden te ontwikkelen ... en koningen en priesters voor God te worden, zoals alle goden tot voorheen deden
door in mogelijkheden en gradatie en in genade toe te nemen .... van verhoging tot verhoging. (Jezus zei), "Ik zag de Vader met alle macht zijn koninkrijk bewerkstelligen, en dat is ook wat ik ga doen. Wanneer ik mijn koninkrijk
ontvang zal ik het aan de Vader overhandigen en dat zal Zijn glorie vergroten en verhogen. Hij zal in grotere mate worden verhoogd en ik zal Zijn plaats innemen en eveneens verhoogd worden, zodat Hij het ene koninkrijk na het andere zal verkrijgen..." Alle geesten en verstandelijke wezens die God ooit naar de aarde stuurde, kunnen zich ontwikkelen en verbeteren. Onze relatie tot God stelt ons in staat om in kennis toe te nemen. God zelf bevond zich te midden van geestelijke wezens en glorie. Omdat Hij groter was, achtte hij het raadzaam wetten in het leven te roepen waardoor de andere - minder intelligente wezens - het voorrecht zouden smaken om als Hem vooruitgang te maken en met Hem te worden verhoogd, zodat zij met al die kennis, macht en glorie van de ene heerlijkheid tot de andere zouden kunnen voortgaan. (8)

Merk op hoe het traditionele christelijke absolutisme hier ontbreekt. De nadruk lijkt te liggen op Gods overeenkomstigheid met ons mensen, op God als gelijksoortig wezen als wijzelf, en die een groeiproces binnen ons bereik brengt dat hij zelf doormaakte en klaarblijkelijk nog steeds doormaakt, "waarbij de minder intelligenten .... het voorrecht zouden hebben om zich als Hem te ontwikkelen. (Het werkwoord ontwikkelen moge aanduiden dat hij nog steeds in ontwikkeling is.) God is een grotere - niet absolute - intelligentie, en hij ontwikkelt zich tot steeds grotere hoogten, niet tot de grootst mogelijke heerlijkheid in absolute zin, de ene glorie volgt de andere op "in al die
kennis, macht en glorie". Een begrip van meerdere goden werd sinds 1835 door Joseph Smith onderwezen, en
als zodanig door zijn naaste medewerkers duidelijk begrepen, zoals o.a. Hyrum Smith en Brigham Young. (9)
Hyrum wordt geciteerd in het dagboek van George Laub op 27 april 1843, waarin wordt vermeld dat deze "een lang geslacht van Goden" onderwees. (10) In die bewuste toespraak gebruikt hij zelfs de fundamentele schriftuurlijke tekst
t.b.v. een veranderend perspectief waardoor het mogelijk is over een veelvoud van goden te spreken, over een omhoogvoerende invloedsfeer van macht en intelligentie, om daarna, zonder zichzelf tegen te spreken, zich om te draaien en te spreken over één God, onze God, afdoende "volmaakt" in macht en intelligentie, en daarom bij machte zijn kinderen op aarde te redden. Hyrum begint zijn verhandeling met een citaat uit I Kor. 8:56: "zo zijn er immers heel wat goden en heren. Wij weten: er is één God, de Vader." Ondanks de achtergrond van deze tekst - een verhandeling van Paulus over het geloof in afgoden - hebben Brigham Young, B.H.Roberts, Joseph Fielding Smith en vele anderen, deze tekst gebruikt als beknopte verklaring om duidelijk te maken dat het mogelijk is om zowel christelijk polytheïst te zijn (in feite henotheïst) alswel monotheïst. Roberts gebruikte het in het bijzonder om te rechtvaardigen hoe we soms op nogal avontuurlijke wijze kunnen spreken over meerdere gradaties van goddelijkheid waardoor en waarin onze God zowel beperkt is als voortgang makend, terwijl we tegelijkertijd, en zonder onszelf tegen te spreken, op eerbiedige wijze spreken over de éne God met zijn volmaakte kennis en macht der verlossing, voor zover het ons bestaan betreft.

Echter, ondanks Roberts apologetische pogingen ons te laten zien dat zijn geloof in een beperkte, progressieve God in overstemming is met zowel de Bijbel als met orthodox mormoons denken, lijkt het duidelijk dat hij eenvoudigweg enthousiast geloofde in die leerstelling als zijnde een heerlijke waarheid en als belangrijkste nalatenschap van Joseph Smith die hij "Profeet en Leraar" noemde. In zijn gelijknamige boek en in zijn belangrijkste theologische werk "De
Mormoonse Leer aangaande Goddelijkheid" verdedigt en licht hij verder toe wat hij noemt Josephs "eeuwigheidsbesef", waarmee mormoonse theologie in een stevig filosofisch kader wordt geplaatst, hetwelk haar grootste kracht is, en voor
velen - waaronder ikzelf - zelfs haar grootste aantrekkingskracht. Ik citeer uit Sterling McMurrins inleiding tot de in 1967 herdrukte uitgave van "Joseph Smith, Profeet en Leraar", om McMurrin te eren - we missen hem ten zeerste - en om met enige mate van autoriteit uitdrukking te geven aan het belang daarvan:

"Roberts voelde als geen ander aan hoe mormoonse theologie regelrechte ketterij was; een volledige breuk met traditionele christelijke leerstellingen aangaande God en de mens, haar ontkenning van goddelijk absolutisme, en haar afwijzing van de negativiteit rond de orthodoxe leerstelling van het voorspelbare lot van de mens. Roberts predikte geen leerstellingen maar had een heldere visie op het essentiele gedachtengoed van degenen die hem voorgingen, en meer dan wie dan ook gaf hij volledig uitdrukking aan het soort mormonisme dat onvermijdelijk voortvloeide uit het gedachtengoed van Joseph Smith. Neem bijv. de leerstelling van ongeschapen intelligentie ofwel ego, en de ontkenning van de orthodoxe dogmatiek over de schepping der aarde. Roberts had geen afkeer van orthodoxe gevolgtrekkingen over een begrip aangaande een beperkte God. Hij verheugde zich erin, want zij schiepen ruimte voor een meer positieve lering aangaande de mens. Maar zijn beschouwing over de aard van God was meer verdedigbaar dan die van
anderen die het oude absolutisme en de nieuwe leerstelling door elkaar haalden. Het was een moedige, onbevreesde religie die elementen van traditioneel fundamentalisme samenbracht met moderne en liberale leerstellingen aangaande de
mens en het optimisme van de negentiende eeuw, en er was een stoutmoedige, opstandige en ruimdenkende geest voor nodig om de gevolgen daarvan ten volle te kunnen overzien."(11)

Ondanks de mijlpaal die Robert bereikte, bleek het "aloude absolutisme" waar McMurrin het over had nog springlevend in het Mormonisme - en is hedentendage zelfs in opkomst. Joseph Smith's begrip schijnt te zijn toegenomen in de zin dat hij begreep dat het absolutistische taalgebruik in de schriften als metaforisch kon worden gezien, of als slechts betrekking hebbende op een onvolledige beschrijving van Gods onvolmaaktheden t.o.v. de mens. Brigham Young ging nog een stap verder, net als zijn naamgenoot Brigham H. Roberts. Maar tijdens dezelfde Algemene Conferentie in april 1844, toen Joseph de theologische "King Follett" uiteenzetting gaf, verkondigde zijn broer Hyrum een mening die is blijven hangen in de kerk, met name door toedoen van naaste familieleden van Hyrum. De omstandigheden maken duidelijk dat Hyrum bezorgd was over het geloof van de heiligen in de reddende macht van Christus, welk geloof volgens hem klaarblijkelijk werd ondergraven door een te letterlijke of exclusieve aanname van een beperkte God: "Ik wens een eind te maken aan verkeerde invloeden. Als ik zou menen zelf zalig te moeten worden, en anderen in de gemeenschap verloren zouden moeten gaan, zou me dat niet aangenaam doen stemmen. Onze Zaligmaker is bij machte ons allen voor de dood en de hel te behoeden. Ik kan dat bewijzen uit de openbaringen. Ik zou geen God willen dienen die niet alle wijsheid en macht zou beziten."(12) Klaarblijkelijk kon hij nog niet geheel bevatten hoe God zowel reddende vorst als beperkt zou kunnen zijn, alhoewel Hyrum zelf eerder dat kernbegrip vastlegde in zijn aanhaling van de schrifttekst in Korinthiers over vele goden die niettemin één zijn.(13) Brigham Young zag het begrip van eeuwige vooruitgang als wat hij noemde "de voornaamste bron van al het handelen" en maakte zich sterk om de kernbegrippen in het mormoonse erfgoed in stand te houden die hij had geleerd van Joseph aangaande progressiviteit onder de mensen en t.a.v. een God met zijn beperkingen. Hij zag toe op meerdere herdrukken van de "King Follett Discourse" en ging herhaaldelijk
en opvallend publiekelijk in leerstellig debat met apostel Orson Pratt over het onderwerp. Broeder Brigham maakte zich zorgen dat Elder Pratt ten onrechte en op ongenuanceerde wijze Gods absolute volmaaktheid en de onmogelijkheid van zijn verdere vooruitgang benadrukte. Ook was hij bezorgd dat een dergelijk invloedrijk speker en schrijver velen zou overhalen hem te volgen en daarmee onder komende generaties de indruk zou wekken dat uitsluitend zijn zienswijze en
nadruk deel zou uitmaken van het mormoonse gedachtengoed. President Young vond de nadruk van Joseph Smith zelfs van zo'n doorslaggevend belang dat hij er bij Elder Pratt op aandrong e.e.a. in 1865 in het openbaar te herroepen. Vervolgens publiceerde hij diens herroeping in "Deseret News", vergezeld van een afwijzing van specifieke absolute leerstellingen van Elder Pratt, ondertekend door het Eerste Presidium. Brigham Young wees de ideen van Elder Pratt publiekelijk van de hand omdat hij deels bezorgd was voor het gevaar God in feite te beperken in een beschrijving van Zijn onbeperkte kennis en macht. Die bezorgheid was aanleiding voor een verklaring van Brigham Young waarin deze Hyrum Smith regelrecht tegensprak: "Sommigen denken dat zij beperkt zijn in hun capaciteit om kennis te vergaren, net zoals Broeder Orson eigenlijk Gods capaciteit wil beperken. Volgens zijn theorie kan God niet verder in kennis en macht toenemen, maar de God die ik dien maakt net als zijn kinderen eeuwige vooruitgang; zij zullen in alle eeuwigheid vooruitgang blijven maken als zij getrouw zijn."(15)

Ik vind het heel ironisch dat vele absolute denkers, waaronder Mormonen, God willen verhogen door hem met de sterfelijke mens te vergelijken, maar hem in plaats daarvan in feite degraderen tot een onpersoonlijk, gevoelloos en zelf
wreedaardig wezen. We vergeten doorgaans dat al onze pogingen God te begrijpen en te beschrijven antropomorfisch zijn, en voortkomen uit onze menselijke gedachten en vergelijkingen, en dat het gebruik van overwegend abstracte,
irrationele, klaablijkelijk bovenmenselijke beschrijvingen, God alleen maar onmenselijker en op z'n slechts doen voorkomen. Brigham Young was ook begaan met geestelijke psychologie, het belang om aan een bepaalde visie vast te houden (in een poging de mens tot zaligheid te bewegen): datgene wat het meest bevredigend was in aardse vooruitgang zou in eeuwigheid voortduren en zou het celestiale leven, ofwel goddelijkheid, pas echt aantrekkelijk maken.
Goddelijkheid is geen mysterieuze en statische onveranderlijkheid of slechts een eindeloze herhaling van hetzelfde proces om geesten te scheppen en deze te redden. Wat ons het meest aanspreekt, en de beste motivatie voor moraliteit en godsdienstigheid, is wanneer ze ons op dezelfde manier aanspreekt als de meest verheven vormen van het menselijk leven ons aanspreken: leergierigheid, scheppingsdrang, het ervaren van vreugde en verdriet, en zelfs het kunnen wenen. Alhoewel Orson Pratt's absolutisme aangaande God (dat terug te voeren was tot de "Lectures of Faith") door Brigham Young werd verworpen, en de "Lectures" een lagere status kregen, was het President Joseph Fielding Smith die evenals zijn vader Hyrum Smith bezorgd was dat sommige kerkleden geneigd waren de afstand tussen God en de mens te veel te verkleinen en daarmee het vertrouwen in Gods reddende macht te ondergraven dat zo essentieel is voor de zaligheid van de mens. (16) (Ik herinner me Mormonen uit mijn jeugd die dermate opgingen in het visioen van eeuwige vooruitgang dat zij nauwelijks konden wachten om te sterven en als God te kunnen worden!) De zoon van President Joseph F. Smith, Joseph Fielding Smith jr., was het daar min of meer mee eens. In zijn invloedrijke boek "Doctrines of
Salvation", citeert hij de passage van zijn grootvader Hyrum over het niet willen dienen van een beperkte God, en de passages uit de "Lectures of Faith" over Gods volmaaktheden. Duidelijk is dat zijn bezorgdheid net als bij zijn
vader en grootvader zich richt op Gods macht in relatie tot de mens. N.a.v. het citaat van Hyrum stelt hij de vraag: "Geloven we dat God alle wijsheid bezit? Is hij almachtig? Als dat het geval is dan schiet hij in niets tekort. Als hij
"kennis" en "macht" tekort schiet, dan is hij niet de allerhoogste en zal er iets grootser dan hem moeten zijn, en dat is absurd."(17) We weten dat Joseph Fielding Smith hier op hyperbolische wijze spreekt, en wel in het enkelvoud van een sterfelijke dimensie (met onze opvatting dat er slechts één God de Vader is), omdat hij uiteraard wist dat zijn grootvader en Joseph Smith onderwezen dat er "iets dat groter is" dan God, dat God in feite (sprekende over meervoudige eeuwige dimensies) niet het allerhoogste is, dat er Goden boven God gesteld zijn, een Vader van God, die hem zaligheid verschafte, een Vader van die God, enz. , klaarblijkelijk tot in eeuwigheid. Maar President Smith was volgens
mij net als zijn vader bezorgd dat daarmee aan God afgedaan werd en dat de heiligen daardoor vertrouwen zouden verliezen in Gods absolute macht tot zaligmaking. In zijn eigen toespraken en geschriften spreekt hij over God in het
enkelvoud, en hij beinvloedde zijn schoonzoon Bruce R. McConkie hetzelfde te doen: in "Mormon Doctrine" stelt Elder McConkie ondubbelzinnig dat God niet in kennis en macht toeneemt, en hij verwijst daarbij naar dezelfde passage in
"Doctrines of Salvation" van President Smith die ik al eerder noemde. (18) In die geest gaven Joseph Fielding Smith en Bruce R. McConkie de voorkeur aan de "Lectures of Faith" boven de "King Follett Discourse". Elder Smith was
verantwoordelijk voor de verwijdering op het allerlaatste moment van de "Discourse" van de eerste druk van B.H.Roberts editie van Joseph Smith's "History of the Church" in 1912 (alhoewel hij deze wel opnam in zijn eigen uitgave van de "Leringen van de Profeet Joseph Smith" in 1938) en Elder McConkie schreef over de "Lectures": "het behoort tot het beste lesmateriaal dat ooit werd uitgegeven m.b.t. ... het karakter, de volmaaktheden en eigenschappen van God."(19) De invloed van deze twee zeer gerespecteerde en uitgesproken evangeliekenners en algemene autoriteiten - alsmede de minder opvallende invloeden van de vorige eeuw, met al haar perioden van crisis en onrust - werkte een nogal negatieve en pessimistische neo-orthodoxie in de hand binnen het Mormonisme in het algemeen,
en in het bijzonder binnen de min of meer officiele Mormoonse theologie zoals onderwezen door het Kerkelijk Onderwijs Instituut, en vooral ook in het godsdienstig onderwijs aan de BYU. Kendall White documenteerde die veranderingen heel uitgebreid,(20) en Thomas Alexander schreef de beste historische beschouwing over wat hij noemde: "Mormoonse leerstellingen herschreven", d.w.z. herschreven vanuit haar oorspronkelijke, radicale en avontuurlijke vorm, tot een aangepast formaat dat meer aansloot en deel uitmaakte van de amerikaanse cultuur in de 20ste eeuw.(21) Robert Millett, die later de leiding kreeg over de Afdeling Religie van de BYU, uitte in 1989 kritiek op de beweringen van White en Alexander en schreef: "[De ontwikkeling die zij signaleren] is er een richting een beter fundament van onze theologie als het gaat over de verlossingsleer ... en het was hoog tijd. Deze recentelijke ontwikkelingen
[neo-orthodoxe nadruk op een absolute God, de gevallen mens, en zaligmakende genade] moet meer worden gezien als verankering en verfijning dan ontkrachting [van het oorspronkelijke Mormonisme].(22)

Maar het belangrijkste bewijs voor het verlaten van de "wenende God" van het Mormonisme door sommige van de meest invloedrijke mormoonse religieuze denkers is de publicatie in 1997 van "How Wide the Divide; a Mormon and an Evangelical in Conversation" (Een Diepe Kloof; een Mormoon en een Evangelische in Gesprek), door de Evangelische theoloog Craig Blomberg en BYU professor (Afd. Religie) Stephen Robinson. Dit boek staat model voor inter-religieuze dialoog tussen Mormonen en andere geloven, alsmede voor dialoog onder Mormonen zelf, geschreven door twee devote, gelovige, bedachtzame en sympathieke mannen. Helaas is het zo dat Robinson n.m.m. meer Evangelisch dan Mormoons overkomt als het gaat over cruciale zaken als de onfeilbaarheid en volledigheid van het bijbelse canon, zaligheid door genade alleen, het "plaatsvervangende" Verzoeningswerk en - het belangrijkste - de eigenschappen van God. Robinson verwijt de Evangelischen heel goed dat zij bijbelse volledigheid claimen terwijl zij tegelijkertijd veel van hun denkpatronen en taalgebruik ontlenen aan latere concilies en zich aldus "verbonden aan griekse filosofische categorien en veronderstellingen." Echter, Robinson lijkt bepaalde onbijbelse begrippen aangaande God die uit de concilies voortkomen nogal kritiekloos te aanvaarden; begrippen als "almachtig, alwetend, en alomtegenwoordig,"; een absoluut wezen volledig verschillend van de aard der mensen. Robinson schrijft (en duidt daarmee precies op het voornaamste verschil t.o.v. andere Christenen): "Veel Evangelischen zijn er ten onrechte van overtuigd dat Heiligen der Laatste Dagen geloven in een niet-oneindige, beperkte of veranderlijke God, terwijl we een dergelijk geloof juist verwerpelijk vinden."(23)

"Verwerpelijk", voor Mormonen? Brigham Young: "De God die ik dien maakt eeuwige vooruitgang (in kennis en macht) en zijn kinderen eveneens."(24) En de twintigste eeuw apostel John Widtsoe verklaarde: "Als de grootste wet van
vooruitgang wordt aanvaard, dan moet God in het verleden en in het heden in een progressieve ontwikkeling zijn verwikkeld."(25) Ja, ik besef dat Blomberg en zelfs Robinson deze bronnen als "niet-canoniek" zouden beschouwen, en dat letterlijke interpretaties van bepaalde schriftteksten de gedachte onderschrijven van een almachtige, absolute en statische God. Maar dat laat nu juist precies zien hoe gevaarlijk letterlijke uitleg van de schriften is.
Almacht, alwetendheid en alomtegenwoordigheid zijn in regelrechte tegenspraak met wat hedentendaagse openbaring en het gezonde verstand ons over God duidelijk maken, en we hoeven ons geenzins gebonden weten aan een letterlijke
interpretatie van hun schriftuurlijk gebruik. De schriften, met inbegrip van het Boek van Mormon, verklaren dat God "almachtig" en "onbeperkt" is, maar ze verklaren ook: "God is liefde" en God is "een verterend vuur." Dit zijn allemaal
hyperbolen of metaforen die niet als letterlijke leerstellingen moeten worden opgevat. Laten we eens beschouwen wat redelijker en consequenter lijkt t.a.v. de schriften als geheel en t.a.v. wat de hoeksteen van interpretatie zou moeten
zijn, de fundamentele leringen van Christus. De evangelische opvatting lijkt te zijn dat God een absoluut en onbeperkt wezen is, volmaakt en onafhankelijk in elk opzicht, die bestond voor al het geschapene, en daardoor onafhankelijk is
van tijd en ruimte, stoffelijkheid en wetmatigheid, en van ons als mensen. Om onduidelijke reden (per definitie heeft hij niets nodig) besluit "Hij" wezens te scheppen die hem lief moeten hebben - schept ze vanuit het niets - en bepaalt
daarmee hun toekomst. Zeker, ik ken de argumenten dat hij hen vervolgens keuzevrijheid "geeft", maar dat is iets dat geenzins uit het niets kan worden geschapen, inhoudelijkerwijze of logischerwijze: De evangelische opvatting is dat Gods schepping van de mens volledig is, met inbegrip van ons innerlijk en uiterlijk milieu waardoor onze "beslissingen" worden beinvloed, en waardoor God onvermijdelijk verantwoording draagt voor de gevolgen van die beslissingen.
Volgens de Evangelischen plaatst God vervolgens miljarden mensen in een wereld waarin de overgrote meerderheid voornamelijk pijn en verdriet ondergaat, tot ons komt als Christus, en degenen met eeuwig geluk beloond die in hem geloven, en degenen bestraft die dat niet doen (met inbegrip van de overgrote meerderheid die nimmer van hem gehoord heeft!) met eeuwige pijniging, en dat alles zonder een traan te laten. Geen wonder dat vele goede en intelligente mensen in onze tijd concluderen dat een dergelijke God op z'n minst absurd, en op z'n slechts een wreed monster is, en dat zij besluiten de kerk massaal de rug toe te keren, en zich agnostisch gaan opstellen. Als hij volmaakt was, waarom had hij dan "behoefte" een dergelijke wanorde te scheppen, en indien almachtig, waarom zorgde hij er dan niet voor dat Adam en Eva van het begin af aan goede besluiten zouden nemen; of (omdat ze uit het niets geschapen werden) hen te vernietigen en steeds weer opnieuw te beginnen totdat hij een wereld had die hem voor ogen stond, of gewoon dwarsliggende zondaars terug naar het niets te verwijzen i.p.v. hen voor eeuwig te straffen (of de christelijke leer aan meer dan tien procent van zijn kinderen ter beschikking te stellen, of de Holocaust te voorkomen, enz. enz.)? Geeft u daaraan echt de voorkeur boven een begrip van een God als verhoogd persoon , een persoon die zich in tijd en ruimte bevindt met echte stoffelijkheid, energie en wetmatigheden die intern kunnen worden gecreerd en
beheerd maar niet uit het niets kunnen worden geschapen, die worden vernietigd of volledig worden gecontroleerd, en waarover daarom geweend moet worden? Overweeg eens de verstandelijke en experimentele aantrekkingskracht van een Wezen dat met andere eeuwige wezens verkeert, wiens werk en heerlijkheid het is om anderen te helpen zich als hem te ontwikkelen, zodat ook zij zijn werk en heerlijkheid deelachtig mogen worden. Zo'n God offert zijn zoon in een eeuwige en liefdevolle verzoening die krachtig genoeg is ons allen in onsterfelijkeheid te doen verrijzen en degenen onder ons die willen (cursief) aan te sporen tot bekering en vooruitgang totdat we als hem zijn geworden, met dezelfde vreugde en met dezelfde creatieve en liefdevolle hoedanigheden. Zo'n God straft niet met een hel, noch beloont hij met een hemel, maar brengt zijn leringen en verzoenende macht binnen het bereik van al zijn kinderen, onder gelijke voorwaarden waarvan de termijn niet verstrijkt: Hij heeft hen lief en helpt hen door een voorbestaan, aards bestaan, en een nabestaan totdat allen dezelfde kans krijgen meer als hem te worden en van zijn creatieve, progressieve en eeuwige
leven deelachtig te worden. En zelfs dan, i.p.v. hen te bestaffen die niet geheel voldoen, laat hij hen eenvoudigweg de gevolgen ervaren van wat zij geworden zijn of nog kunnen worden in een oneindige verscheidenheid, i.p.v. hen
op absolute en onherroepelijke wijze naar onverbiddelijke pijn te verwijzen. Ik besef dat mijn evangelische God nogal een karikatuur is, maar er schuilt genoeg waarheid in om me te verontrusten, vooral omdat het er op lijkt dat de huidige
mormoonse theologie die richting opgaat - en in "How Wide the Divide" staan meer dan genoeg redenen voor een dergelijke bezorgdheid. Terwijl ik het boek las voelde ik me gedeprimeerd ondanks de intelligente en vriendelijke benadering van Blomberg, gedeprimeerd door de droefgeestige, soms zelfs gemene, teneur van zijn theologie. ("[Alhoewel] het niet eerlijk is zich voor te stellen dat de ... Adolf Hitlers van deze wereld dezelfde straf zouden ondergaan als de hardwerkende niet-christelijke overbuurman .... zullen zij een onplezierige eeuwigheid doormaken, verwijderd van God en zijn volk").(26) Ondanks dat ik uit persoonlijke ervaring weet dat Robinson een aardig en goed lid van de kerk is, voelde ik me pijnlijk geraakt door zijn soortgelijke aanvaarding van een schriftuurlijke letterlijkheid die van God een keiharde bestraffer maakt: "Na de opstanding ... worden degenen die onrein worden bevonden ... voor eeuwig in de vuurzee geworpen."(27) Een dergelijke gedachtengang staat op gespannen voet met de maatstaf die Joseph Smith hanteerde t.a.v. zijn beweringen in de "King Follett Discourse" over Gods beperkingen en de potentiele goddelijkheid van de mens: "Dit is een goede leerstelling; ze voelt goed aan ... wanneer ik deze woorden van eeuwig leven met u deel die ik ontving door inspiratie van de Heilige Geest en de openbaringen van Jezus Christus, dan zullen deze u als zoet smaken. U zult het proeven en ik weet zeker dat u ze zult geloven."(28) Joseph wilde daarmee zeker niet zeggen dat emotionele voorkeur op zich afdoende maatstaf zou zijn voor de waarheid. Hij doelde op een vreugdevolle,
geinspireerde reactie van de menselijke geest op iets dat eenvoudigweg en overduidelijk goed is. Aan de andere kant moet ik echter toegeven dat de aantrekkelijkheid van een wenende God meer gevoelsmatig is dan overweldigend
bewijs voor rationaliteit, of zelfs maar voor autoriteit. In elk tijdperk zijn er mensen die zich aangetrokken voelen tot de zekerheid van een absolute heersende God van gerechtigheid, en zijn er weer anderen die zich aangetrokken voelen tot het avontuurlijke van een open, progressief heelal met een beperkte God die ons oneindig liefheeft en met ons sterfelijke wezens begaan is. Ik herinner me hoe ontdaan ik was toen ik voor het eerst het werk van de befaamde
evangelische Jonathan Edwards las, en hoe hij aanvankelijk "allerlei bezwaren had tegen een klaarblijkelijk "vreseljke leerstelling", doch werd bekeerd tot "Gods heerschappij die naar believen mensen die hem aangenaam waren eeuwig leven schonk, en eveneens naar believen degenen verwierp die dat niet waren; hen voor eeuwig liet lijden in de hel." Vanaf dat moment van bekering "kon hij met zijn verstand de rechtvaardigheid en de redelijkheid daar van inzien" en "kwam de leerstelling hem dikwijls als aangenaam, helder en zoet voor." (29) Ik vond dat weerzinwekkend; een dergelijke vreselijke leerstelling heeft voor mij absoluut geen zoete smaak, toen niet en nu niet. Maar ik leerde te aanvaarden dat een goed en intelligent mens die mening kan zijn toegedaan en ik misschien iets van hem zou kunnen leren. Helaas is het zo dat Evangelischen en Mormonen met een 'absolute' inslag niet de indruk wekken tolerantie of belangstelling te hebben voor degenen met een 'beperkte' inslag. Het is deels door die opstelling dat de amerikaanse cultuur - en nu ook onze mormoonse cultuur - steeds intoleranter lijken te worden, zelfs t.o.v. mensen binnen de eigen cultuur, zowel in politiek als theologisch opzicht. Ik bespeur een tendens onder degenen die in een absolute, allesoverheersende en alles-bepalende en bestraffende God geloven, dat zij absolute zekerheid hebben dat God hen (d.m.v. een "onfeilbare" Bijbel?) absolute waarheid verschafte die zij op welke manier dan ook aan anderen mogen opleggen, zij het op rechtmatige of onrechtmatige wijze. Enkele jaren geleden confronteerde ik een paar evangelische "Ex-Mormonen voor Jezus" die, in een poging de kerk in verlegenheid te brengen, op oneerlijke manier een prive-brief hadden bemachtigd en deze vervolgens lieten circuleren. Zij vonden dat zij het volste recht hadden 'wat dan ook' te doen om het Mormonisme te vernietigen omdat hun absolute God hen gezegd had hoe slecht het Mormonisme was. Ik vrees dat Evangelische Mormonen zich van hetzelfde "doel heiligt de middelen" willen bedienen en dat ook zij ongewillig zijn om zowel absolute als begrenzende opvattingen binnen het Mormonisme te tolereren, hetgeen Brigham Young zo wenselijk achtte.

De ongeschreven wet van "How Wide the Divide" lijkt te zijn dat we meer hetzelfde moeten gaan geloven om tolerant te kunnen zijn. Het spijt me, maar zelfs als Blomberg en Robinson het bij het foute eind hebben en we sterk van mening verschillen, dan nog zouden we elkaar niet als Evangelischen en Mormonen moeten behandelen, als absolutisten en niet-absolutisten, als conservatieven en vrijzinnigen. Onder Blomberg's goed geinformeerde wellevendheid gaat een geest van onbespreekbaarheid schuil. Hij en andere Evangelischen "hopen en bidden dat invloedrijke HLD-auteurs van onze tijd, zoals Prof. Robinson, het zwaartepunt terugleggen op genade,"(30) en zij beginnen dergelijke mensen op papier al reeds "Evangelische Mormonen" te noemen, klaarblijkelijk de enige Mormonen die als Christenen kunnen worden aanvaard.

Robinson en anderen zouden inderdaad wel eens het accent van populaire mormoonse theologie kunnen verleggen, omdat velen van hen populaire sprekers zijn en invloedrijke docenten aan het Kerkelijk Onderwijs Instituut (CES). Misschien is dat minder erg dan het lijkt, en betreft het niet meer dan een historische verschuiving in temperament of een reactie in een tijdperk van onrust, of zelfs zoals Millet suggereert, een nuttige "correctie" van een overmatige nadruk op zaligheid door werken of op Gods begrenzingen. Maar zoals de ervaring met Evangelische Christenen suggereert, zullen "Evangelische Mormonen" - i.p.v. het voorbeeld van Robinson's boek te volgen - eerder geneigd zijn zich intolerant op te stellen t.o.v. andersdenkenden, hen te kleineren en uit te sluiten, of zelfs hun macht over de officiele en semi-officiele media aan te wenden, alsmede hun autoriteit als CES werknemers (Kerkelijk Onderwijs Instituut), om anderen het zwijgen op te leggen - en dat zou wel heel zorgwekkend zijn. Tenslotte, als het geloof in een absolute en bestraffende God ons meer veroordelend en bestraffend doet opstellen, is het dan zo dat een geloof in een wenende, echt liefhebbende God ons meer liefdevol doet zijn? Niet noodzakelijkerwijze, maar zoals Blomberg aanduidt is het Evangelische begrip van een absolute God als heerser, cruciaal voor hun begrip van een "plaatsvervangende" verzoening die in staat is ons te redden. Hoe anders ligt dat voor degenen die geloven in het begrip van een wenende God! Evangelischen zien het lijden van Christus als noodzakelijke en afdoende plaatsvervanging voor onze zonden, vereist door God's gerechtigheid en beschikbaar voor degenen die hij verkiest te redden in eeuwige zaligheid terwijl de rest mag branden in de hel, onafhankelijk van onze handelswijze of zielsgesteldheid. Het Mormoonse begrip van 'paticipiele' Verzoening ziet het lijden als noodzakelijk en afdoende uiting van God's onvoorwaardelijke liefde, die "voldoet aan de vereisten der gerechtigheid" en die "mensen de gelegenheid geeft opdat zij geloof ter bekering hebben" (Alma 34:15).

Het is ironisch dat - terwijl Hyrum Smith en zijn zoon Joseph F. Smith bezorgd waren dat het begrip van een beperkte God, geloof in de Verzoening zou kunnen ondergraven - een dergelijk begrip nu juist de krachtigst mogelijke ondersteuning zou kunnen zijn voor de Verzoening als een machtig, genade-opwekkende invloed in ons godsdienstig leven. Sociale actie is een onderwerp dat daar mee te maken heeft. Blomberg en Robinson roepen aan het eind van hun boek op tot grotere "samenwerking" tussen Evangelischen en Mormonen t.a.v. sociale en politieke actie. Dat betekent volgens mij conservatieve sociale actie die recentelijk leidde tot m.i. vooral negatieve activiteiten die mensen uiteendrijven: voor het gezin d.m.v. engere definitie van het begrip familie, tegen pornografie d.m.v. censuur, tegen abortus d.m.v. keuzebeperking, tegen homo-rechten, tegen "affirmative action", tegen wapenbeheersing. Het is prima dat Mormonen zich met zulke activiteiten bezig houden, maar het is tragisch dat dit steeds meer wordt gezien als de officiele en enig rechtmatige uiting van politieke aktie door Mormonen. Ze zijn m.i. precies de uitingen die de absolute zienswijze weerspiegelen, een zienswijze in opkomst.

David Hare is mogelijk de beste toneelproducent-schrijver in Engeland van deze tijd (auteur van het bekroonde "Amy's View"). Hij is agnosticus, maar in 1996 werd hij door een oude schoolvriend uitgenodigd die nu een anglicaanse priester is, om de jaarlijkse standaardlezing te geven aan Westminster Abbey ter ere van de voormalige Decaan van Westminster. David sprak met diep respect over degenen met een godsdienstige roeping, in het bijzonder degenen die hij zag werken onder persoonlijk armoedige en risicovolle omstandigheden om het leven van armen, bezitlozen en gediscrimineerde mensen te verbeteren. Maar hij wijst er m.i. terrecht op dat zelfs die mensen een ontsnappingsmechanisme hebben omdat zij geloven in een absolute, almachtige God, die op de een of andere manier alles in orde zal maken - of erger nog: dat zij anderen vertellen dat "het lijden dat we hier in deze wereld ondergaan op de een of andere manier gerechtvaardigd is, en dat het lijden zelfs zin heeft als onderdeel van de plannen en doelstellingen van (een afwezige) God."(31) Hij gelooft, na zorgvuldige observatie, dat een dergelijke opvatting uiteindelijk kwalitatieve en aanhoudende Christelijke dienstverlening beperkt, dat gerechtigheid op aarde er minder toe doet omdat gerechtigheid eenmaal door een ander tot stand zal komen. Ik weet niet of het aan te tonen is, maar ik bespeur een bepaalde tendens onder mormoonse absolute denkers om de handdoek in de ring te gooien wanneer geconfronteerd met onze enorme sociale problemen en het maar aan God over te laten. Maar degenen die geloven in de wenende God van het Mormonisme kunnen zich daaraan volgens mij niet onttrekken. Zij moeten hand in hand staan met David Hare en met de betrokken en gepassioneerde agnostici van de wereld om haar te verbeteren, erop vertrouwend dat God alles dat in zijn macht is zal doen, maar dat wat wij doen of nalaten onherroepelijke, soms tragische gevolgen heeft. David Hare citeert Seneca en stelt de vraag: "Wanneer zullen we gaan leven, als we dat nu niet doen?" (32)

Dit zijn daarom de redenen waarom de wenende god van het Mormonisme de aanslagen van het neo-orthodoxe Evangelische Mormonisme moet overleven, dat vrijwel officieel is vanwege de invloed van het Kerkelijk Onderwijs Instituut (CES): door een begrip van de Verzoening levendig te houden dat de nadruk legt op de genade van Christus en op ons antwoord daarop door nieuwe schepselen te worden; in gedachten te houden wat Henoch tot medelijden bewoog: "zo diep en breed als de eeuwigheid" en hopelijk ons daar ook toe aanzet, en onze neiging tot wederzijds geweld te onderdrukken. Hedentendage schijnt er niemand als Brigham Young op het hoogste niveau te zijn om te verzekeren dat een dergelijke God overleeft.
Het is ironisch dat alhoewel de absolute, niet-progressieve en zeker niet-wenende God van Orson Pratt als ketters werd veroordeeld door Brigham Young en het Quorum , en nog wel middels de officiele Proclamatie nr.3 in 1865, die ketterse opvatting het gewonnen heeft in de Afd. Religie aan de BYU en steeds meer terrein wint in het huidige Mormonisme. Het komt mij over als een ernstig gebrek aan moed, door negatieve en veilige godsdienst te verkiezen boven positieve en avontuurlijke religie. Sterling McMurrin concludeerde dat de opkomst van neo-orthodoxie in deze eeuw haar oorzaak vond in het feit dat Mormonen - zoals vele anderen - een voorkeur hadden voor comfortabele berusting boven de gevaren en onzekerheden van strijd en avontuur." Eerder wees hij op het grootste probleem met een wenende God die zelf vele problemen heeft."(33) Toch bleef hij hoopvol dat het orthodoxe Mormonisme van Joseph Smith en Brigham Young en B.H.Roberts zou overleven:

"Vrijzinnige religie bestaat tegenwoordig nauwelijks meer en de realiteit van het leven kan meestal niet aan haar voorwaarden voldoen ... We prefereren comfortabele berusting boven de gevaren en onzekerheden van strijd en avontuur. Maar hoe veeleisend haar opstelling en extravagant haar visie ook moge zijn, er gaat iets nobels en heldhaftigs uit van authentieke mormoonse orthodoxie waarin Roberts en zijn generatie geloofde en die hij verdedigde, en die nog steeds de religie is van niet-verdorven Mormonen. Want zij verenigt geloof in God met geloof in de mens, en tenzij dit gestalte krijgt in zowel de theologie als in de belevingswereld van mensen, zou religie wel eens kunnen ophouden levensvatbaar en aanvaardbaar te zijn.(34) Mijn hart geeft McMurrin gelijk, maar m'n verstand geeft toe dat Mormonisme in haar absolute vorm, alsmede de absolute Evangelische kerken, het snelst groeien in vele delen van de wereld. Mijn geloof in een wenende God die onze pijn en onze problemen niet kan wegnemen, of kan beloven dat alles uiteindelijk goed zal komen, die ons oproept met hem samen te leven in een tragisch heelal, maakt het leven er meestal niet gemakkelijker op. In veel van mijn persoonlijke schriftstudie en mijn publieke religieuze leven staan verhalen en getuigenissen centraal hoe God ingreep in het leven van mensen, hun vijanden vernietigt, een muntstuk terug doet vinden, beschermt tegen verwonding of dood, een boek of een persoon of goddelijke stem stuurt die tot bekering leidt. Maar alhoewel ik dergelijke getuigenissen placht te geloven omdat ook ik dingen heb ervaren die ik als Gods ingrijpen in mijn leven zag, ervaar ik dergelijke verhalen steeds meer als diep tragisch. Elk verhaal herinnert me aan de talloze gelegenheden waarin God niet tussenbeide komt, wanneer een Hitler niet vernietigd word, een paspoort niet teruggevonden word, een getrouwe zendeling omkomt, een jongeman God smeekt om een getuigenis en slechts stilte hoort. Op zulke momenten schijnt God's geween te beperkt, onvoldoende en machteloos. Het moge tragisch zijn in zo'n God te geloven, maar nog tragischer is het een dergelijke aanname over God kwijt te raken.

Helemaal aan het eind van de Bijbel wordt Johannes de Openbaarder een visioen gegeven dat op Henoch's visioen lijkt: hij ziet zelfs de stad van Henoch, het Nieuwe Jeruzalem der laatste dagen "uit de hemel neerdalen, bij God vandaan" ...
En ik hoorde een luide stem vanaf de troon, die uitriep: ‘Gods woonplaats is onder de mensen, hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volken zijn en God ... zal alle tranen uit hun ogen wissen." (Openbaring 21:3-4). Dit is de intense hoop en vertroosting voor alle gelovigen. Voor Mormonen heeft het een extra diepzinnige betekenis dat terwijl hij hun tranen zal wissen, God zelf wenen zal voor de rest van zijn kinderen die daar niet zijn.

voetnoten:

1. This essay is previously unpublished.
2. Reynolds Price, Letter to a Man in the Fire (new York: Scribner, 1999), 76.
3. Ibid., 77–78
4. Ibid.
5. Joseph Smith, Lectures on Faith (Salt Lake City: Deseret book Co., 1985), 4:11.
6. on authorship and decanonization, see Leland h. Gentry, “What of the Lectures on
Faith?” BYU Studies 19 (Fall 1978): 5–19, and Richard S. Van Wagoner, Steven C. Walker, and
Allen D. Roberts, “The ‘Lectures on Faith’: A Case Study in Decanonization,” Dialogue: A
journal of Mormon Thought 20, no. 3 (Fall 1987): 71–77.
7. In editing the History of the Church, b. h. Roberts noted that the Lectures on Faith were
“not of equal authority in matters of doctrine,” compared with the regular sections of the
© 2010 Eugene England Foundation. All rights reserved.
England: The Weeping God of Mormonism 14
Doctrine and Covenants, because, when they were originally presented to the church for
acceptance they had been separately designated as not inspired revelation, “though judiciously
written and profitable for doctrine” Joseph Smith, History of the Church, ed. b. h. Roberts [Salt
Lake City: Deseret news Press, 1912], 2:176).
8. Stan Larson, “The king Follett Discourse: A new Amalgamated Text,” BYU Studies 18,
no. 2 (Winter 1978): 200, 203, 204.
9. Van hale, “The Doctrinal Impact of the king Follett Discourse,” BYU Studies 18, no. 2
(Winter 1978): 209.
10. Eugene England, ed., “George Laub’s nauvoo Journal,” BYU Studies 18, no. 2 (Winter
1978): 176.
11. Sterling M. McMurrin, “notes on a Mormon Philosopher-historian,” introduction to
b.h. Roberts, Joseph Smith the Prophet Teacher (Princeton, n.J.: The Deseret Club of Princeton
University, 1967), xvi.
12. Quoted in Joseph Fielding Smith, Doctrines of Salvation, comp. bruce R. McConkie
(Salt Lake City: bookcraft, 1954) 5; from Joseph Smith, History of the Church, 6:300.
13. See note 5.
14. This experience is thoroughly reviewed in Gary J. bergera, “The orson Pratt-brigham
Young Controversies,” Dialogue: A journal of Mormon Thought 13, no. 2 (Summer 1980): 7–
49, and in breck England, The Life and Thought of Orson Pratt (Salt Lake City, Utah: University
of Utah Press, 1985) 209–17.
15. Journal of Discourses 11 (Liverpool, England: b. Young, January 1867), 286.
16. See, for instance, his denunciation of those who were denying miracles and, thus, the
perfection of God’s power, in Conference Report, April 1914 (The Church of Jesus Christ of
Latter-day Saints, 1914) 5.
17. Joseph Fielding Smith, Doctrines of Salvation, 1:5.
18. bruce R. McConkie, Mormon Doctrine (Salt Lake City: bookcraft, 1958), 221.
19. Ibid., 439.
20. o. kendal] White, Jr., Mormon Neo-orthodoxy: A Crisis Theology (Salt Lake City: Signature
books, 1987); “The Transformation of Mormon Theology,” Dialogue: A Journal of
Mormon Thought 5, no. 2 (Summer 1970): 9–24.
21. Thomas G. Alexander, “The Reconstruction of Mormon Doctrine: From Joseph Smith
to Progressive Theology,” Sunstone 5 (July/August 1980): 24–33.
22. Robert L. Millett, “Joseph Smith and Modern Mormonism: orthodoxy, neoorthodoxy,
Tension, and Tradition,” BYU Studies 29, no. 3 (1989): 49–68.
23. Craig L. blomberg and Stephen E. Robinson, How Wide the Divide: A Mormon and an
Evangelical in Conversation (Douners Grove, IL: InterVarsity Press,1997) 88,92.
24. Journal of Discourses 11:286,
25. John A. Widtsoe, A Rational Theology (Salt Lake City: Deseret book Co., 1915–1965),
30–31.
26. blomberg and Robinson, How Wide the Divide, 174.
27. Ibid., 151.
28. Journal of Discourses 6: 7.
29. Jonathan Edwards, “Personal narrative,” Jonathan Edwards: Basic Writings, ola
Elizabeth Winslow, ed. (new York, Signet new American Library, 1966), 83.
30. Ibid., 177.
31. David hare, “When Shall We Live,” Via Dolorosa and When Shall We Live (London:
Faber and Faber, 1996), 62.
32. Ibid., 72.
33. Sterling M. McMurrin, The Theological Foundations of the Mormon Religion (Salt
Lake City: University of Utah press, 1965), 35.
34. McMurrin, notes on a Mormon Philosopher-historian, xvi–xvii.

 

vertaald uit het engelstalige origineel door Robert Poort

lees meer artikelen van de hand van Eugene England