Inaugurele rede prof. dr. Wouter van Beek over de betekenis
van rituelen.
De betekenis van een ritueel is vaak moeilijk te omschrijven, zelfs
voor de deelnemers eraan. Toch heeft het ritueel zin voor hen, hoe vaag
ook. Dat betoogde hoogleraar Antropologie van de Religie Wouter van
Beek in zijn inaugurele rede: De rite is rond. Betekenis en boodschap
van het ongewone,
op vrijdag 28 september 2007 aan de Universiteit van Tilburg.
Mijnheer de Rector Magnificus, zeer gewaardeerde aanwezigen,
Drie observaties:
In mijn onderzoekshuis in het Dogondorp Tireli zette een indiaans lid
van een Amerikaans filmteam een schoteltje op een muur, begon tabak
te verbranden, en wuifde de rook in de vier windrichtingen wat voor
zich uit prevelend. Onmiddellijk renden de kok, Mabudu en mijn ‘oudere
broer’ Dogulu, naar hem toe en ontblootten hun borst: ‘Hier,
hier, tegen mijn borst’. Ik was verrast door de onmiddellijke
herkenning dat het om een ritueel ging en door de wens om mee te doen.
Een indiaans ritueel was midden in Afrika meteen herkenbaar én
relevant. Hoe kan dat?
Ten tweede. Mijn collega Diederik Raven laat studenten kennis maken
met de visie op ritueel van Frits Staal. Staal merkte in zijn studie
van het Vedische vuur-ritueel, dat de participanten weinig idee hadden
waarom zij dit ritueel uitvoerden; ze wisten precies hoe het moest,
maar wat het ritueel betekende bleef duister. De reactie van de studenten
is steeds heel direct: ‘Dit is onzin; mensen voeren niet zo maar
ritueel uit.’
De derde observatie komt vanuit een andere hoek. Mijn titel luidt: ‘De
rite is rond.’ Rond? Alle sporters hier in de zaal weten: niet
de rite is rond maar de …inderdaad de damschijf is rond. Sport
dus. Tijdens het onlangs in Dakar gespeelde wereldkampioenschap voor
landenteams speelde Senegal in de kwartfinale tegen Rusland. De avond
voor de wedstrijd ging een Senegalese delegatie naar een beroemde marabout,
even buiten de stad. Deze verrichtte het nodige ritueel en voorspelde:
‘La Russie tremble et tombera’: Rusland zou vallen, Senegal
zou winnen. En zowaar, aan het einde van de eerste herkansing was het
bijna zover: één Senegalese speler stond gewonnen, de
drie anderen konden remise maken. Toen ging een mobieltje over van een
van de Senegalezen, en werd zijn (remise)partij verloren verklaard.
De Senegalees was verpletterd en de deceptie was zo groot dat de volgende
barrage kansloos verloren ging.
Mijn probleem vandaag is de betekenis van ritueel, een onderwerp waarover
veel wetenschappelijk debat is. Heeft ritueel nu betekenis of niet?
Mijn oplossing introduceert het begrip ‘virtuele wereld’
en dit begrip brengt mij bij de sport. In mijn leven hebben religie
en sport een hoofdrol gespeeld, zowel het ‘doen’ ervan als
het besturen, en beide wil ik vandaag in een beschouwende reflectie
naast elkaar zetten. Ik zal argumenteren waarom zij elkaars structurele
tegendeel zijn, als leden van een groeiende familie van virtuele werelden.
Als een theorie tegen het gewone gezonde verstand ingaat, dan is zij
óf onzin óf belangrijk. Volgens Staal bestaat het ritueel
als regelsysteem slechts ter wille van zichzelf: ritueel is ‘betekenisloos’,
zelfs ‘zinloos’. Maar de antropologie en de godsdienstwetenschap
zitten vol met verhandelingen over de betekenis van ritueel, hoe kan
dat?
Staal staat echter allerminst alleen. Al in 1966 analyseerde AnthonyWallace
ritueel in termen van communicatie en karakteriseerde hij een rite als
communicatie zonder informatie-inhoud. Immers, alle communicatie in
ritueel is eenrichtingsverkeer, en wat er aan informatie is, is niet
nieuw en wordt voortdurend herhaald. Wat men ‘leert’ weet
men al. Overigens stelt Wallace terecht dat informatie en betekenis
niet hetzelfde zijn, een inzicht waarop ik terugkom.
Dan Sperber verrichtte vanuit de optiek van de symboliek een soortgelijke
analyse. De betekenis van symbolen is vaag, open voor vele interpretaties
en ongeschikt voor het overbrengen van informatie: symbolen zijn geen
taal. Maurice Bloch betoogt eveneens dat rituele opvoeringen geen betekenisvolle
mededelingen kunnen doen en dat rituele interactie tussen de mensen
minder inhoudelijke betekenis heeft dan het gewone dagelijkse leven.
Als riten wat te zeggen zouden hebben, zouden ze ook kunnen liegen,
en dat is niet zo, een argument van Roy Rappaport; immers, spreken houdt
de mogelijkheid van de leugen in. Altijd.
Wat zeggen de informanten zelf? ‘Rhala heshi’, zeiden de
Kapsiki, sinds de voorouders; voor de Dogon was ritueel ‘tèm’,
dat wat ze gevonden hadden. Tijdens een Kapsiki-ritueel legde iemand
mij uit dat rituelen er waren om ‘vrouwen te trouwen, kinderen
te krijgen en gezond te zijn’. Op zich was dat voor mij als etnograaf
een zeer welkome mededeling. Barley noemde veldwerk het zeven van goudkorrels
uit modder, maar ook dit goudkorreltje is niet erg specifiek als uitleg.
Bijvoorbeeld, als vruchtbaarheid en gezondheid het doel zijn, waarom
dan dit ritueel, en waarom op deze manier? Dat antwoord kan niet gegeven
worden. En wat de nul-informatie betreft: eventuele geheimen in een
ritueel, zoals bij een initiatieritueel, blijken doorgaans leeg te zijn;
in de geschreven tekst ga ik hier dieper op in.
De these dat ritueel geen boodschap insluit is dus sterker dan ze lijkt,
maar waar betekent dat? Ritueel is een vreemd verschijnsel: ongewone
handelingen in een bepaalde volgorde (de z.g. ‘liturgie’),
met specifieke teksten, op voorgeschreven wijze, op vaste momenten,
met omschreven deelnemers die zich ‘netjes gedragen’, speciaal
gekleed. En degene die het doet kan niet zeggen waarom! Waarom investeert
de mens, die zo communicatief is en zo taalvaardig, overal ter wereld
in handelingen die hij niet kan uitleggen?
Om deze paradox op te lossen moeten we onderscheid maken tussen de boodschap
- de intrinsieke betekenis van het ritueel zelf, en de betekenis, de
zin die de participanten aan het ritueel toekennen. Immers, mensen hechten
wel degelijk betekenis aan handelingen, ook als die geen duidelijke
boodschap hebben, zagen we in de observaties. Maar waar komt die betekenis
dan vandaan? De vraag beantwoordt zichzelf eigenlijk: de betekenis komt
voort uit de participanten zelf, uit hun eigen interpretatie van die
handeling. Om duidelijk te maken waarom dit zo eenvoudig voor hen is,
doe ik een beroep op de cognitieve antropologie met haar benadering
van de religie.
Pascal Boyer geeft in zijn boek Religion Explained een belangrijke sleutel.
Hij betoogt dat de concepten van de religie relatief makkelijk te leren
zijn daar zij beantwoorden aan een serie cognitieve mechanismen die
wij als mens hebben geërfd. Zoals: mechanismen om een ‘agens’
te duiden, het vermogen om leugen en waarheid te onderscheiden, het
vermogen tot intuïtieve ethische oordelen, openheid voor verhalen,
plus de ‘intentional stance’ of ‘inference’,
het toekennen van bedoeling aan mensen of gebeurtenissen. Wij lezen
de bedoelingen van anderen als een fundamenteel vermogen van ons brein.
Dat gaat prima in dagelijkse situaties waarin de bedoelingen standaard
zijn, conform aan onze eigen intenties. Om ons systeem van waarneming
en betekenistoekenning hanteerbaar te houden filteren en selecteren
wij onze informatie. Volgens Boyer nu is een van de belangrijkste filters
die van ‘contra-intuïtieve’ categorieën. Dit zijn
concepten die niet compleet vreemd zijn, maar in één enkel
aspect verschillen van het ‘gewone’, ofwel die net even
ingaan tegen fundamentele categorieën (zoals ‘dier’,
‘plant’, ding’). Zij kunnen alleen in die aspecten
verschillen die behoren bij hun type. Een wezen dat wij als ‘persoon’
zien - een fundamentele kategorie -, kan wel een kwade stof in de buik
hebben waardoor zijn/haar geest ‘s nachts boze dingen doet (een
heks dus), dat past bij een ‘persoon’. Maar het idee dat
deze persoon alleen op woensdag bestaat kan niet, en vinden we dus niet.
Een godenbeeld kan als kanaal naar of tijdelijk thuis van een godheid
dienen, dus praat men met het beeld. Maar alleen bij het beeld, niet
op een andere plek: ‘dingen’ staan op één
plaats. Het gaat dus om het ongewone, niet het onmogelijke.
De concepten van de ‘bovenwereld’, betoogt Boyer, zijn net
een beetje anders dan gewoon, en spelen daardoor in op onze vermogens
van agens-herkenning en toekenning van bedoeling. Horus is een mens,
op één klein detail na. Een ‘ongewone’ ander
is een prima reden voor ongewone gebeurtenissen, maar is nog steeds
een herkenbare ander.
Naar ritueel nu. Ook in ritueel blijkt Boyers begrip van contra-intuïtie
belangrijk: ritueel bestaat uit contra-intuïtieve handelingen die
de deelnemers herkennen, uit het dagelijks leven, maar dan met iets
ongewoons. Het ongewone moet dus passen in het basisscenario van de
handeling. Tijdens de rituele maaltijd, het offer dus, eet men andere
dingen, geeft eten aan onzichtbare gasten en spreekt anders, maar men
houdt zich wel aan de categorie, namelijk een maaltijd: onder het eten
zet men niet ineens een masker op, gaat heftig dansen of kleedt zich
uit, want dat zou niet ‘passen’.
De elementen van ritueel zijn herkenbaar als ‘gewone’ dingen
die ‘ongewoon’ zijn geworden, bekende handelingen waarin
kleine veranderingen onze intentionaliteit prikkelen. Ritueel is een
boodschaploze handeling die contra-intuïtief is en zo uitnodigt
tot betekenisgeving: een gesprek met een afwezige persoon, de aankomst
in het dorp van een bijna-menselijke vreemdeling, een reis naar een
niet-bestaande plek, een maaltijd waarbij de eregast klein of onzichtbaar
is en bijna niets krijgt, of een verhaal waarin gewone dingen verklaard
worden op een onmogelijke manier. Het ‘net-ongewone’ dwingt
ons na te denken en betekenis te geven al blijft die inhoudelijk vaag.
Wij zijn Homo significans, de betekenisgever.
Welke rituele elementen zijn herkenbaar als contra-intuïtieve dagelijkse
interactie? In de geschreven tekst geef ik het voorbeeld van het dorpsoffer
van de Kapsiki in Kameroen. Jaarlijks brengen de clanoudsten van het
dorp een offer op de berg waar, volgens de stichtingsmythe, het oergezin
woonde. In dit ritueel slachten zij een geit, eten, bidden en verdelen
voedsel, alles gericht op de voorouderlijke offerkruiken die nog op
de berg liggen. In zo’n offer zijn herkenbaar: maaltijd, gesprek
en gift, drie essentiele zaken trouwens in onze menswording.
Voor andere herkenbare handelingen bezien we het maskerfeest van de
Dogon in Mali. Eens per twaalf jaar (of iets langer …) sluit dit
ritueel de rouwperiode af na de eerste begrafenissen. In een maand van
voorbereidingen repareren de oude mannen de dorpstrommels en maken het
z.g. grote masker klaar; verder maakt ieder zijn eigen maskers en kostuums.
De jonge jongens die voor het eerst dansen, verzamelen zich ’s
avonds aan de rand van het dorp met het leerlingmasker om de dansen
te oefenen.
De eigenlijke liturgie bestaat voornamelijk uit rituele intochten, vier
dagen lang. De maskers komen elke dag vanuit een verschillende windrichting
het dorp in. De eerste keer lopen de ouden voorop in gewone kleren,
en volgen de jongeren op volgorde van leeftijd. De stoet doet een aantal
rituele plaatsen aan waar men knielt en een zegen ontvangt van de dorpsspreker.
Deze eerste aankomst hier is nog zonder gezichtsmasker en de mannen
en jongens verspreiden zich over alle huizen waar de afgelopen jaren
iemand is overleden.
De volgende dagen komt de stoet in vol ornaat. De vrouwen staan op grote
afstand te kijken hoe maskers zich eerst verzamelen rond een altaar
aan de voet van de puinhelling, het rituele centrum van de dans en daarna
het dorp ingaan naar de verschillende wijken. Mocht een vrouw of een
kind te dichtbij komen, dan jaagt een masker hen weg..
De dans krijgt gaandeweg een publiek karakter en mannen uit de naburige
dorpen komen helpen. Het dansen zelf wordt steeds belangrijker: nu komt
het er op aan om gezien te worden als een goede danser. Voor het dorp
is dit het hoogtepunt. Met de ‘performance’ vestigt men
zijn reputatie voor vele jaren. Tijdens deze dagen van voorstellingen
en opvoeringen zijn gasten van andere dorpen welkom, ook vrouwen en
toeristen.
Het is nu puur feest: overal in het dorp dansen de maskers: mannen trommelen,
ouden roepen in de maskertaal, en de maskers komen langs: ze dansen,
maken charges - vooral als er meisjes te dichtbij komen - en doen hun
best om als danser op te vallen. Het dorp resoneert van de trommels,
het geroep van de mannen en de schrille kreten van de maskers zelf:
‘héé héé héé’.
De dansers beperken zich niet langer tot één masker maar
wisselen van hoofdtooi en aankleding, zich uiteraard verkledend buiten
de spiedende ogen van vrouwen en kinderen.
Ook de gasten kunnen hun danskunst demonstreren.
Voor een uitgebreider beschrijving, zie de tekst.
Dit is een veel vreemder ritueel dan het Kapsiki-offer. Wat is hierin
herkenbaar uit het dagelijkse leven? Centraal staat het feest: alle
maatschappijen kennen immers feesten, met drank, voedsel, verkleding,
dansen, muziek en liederen. Plus de komst van de ‘gast’,
de vreemdeling die zijn intocht in het dorp moet maken, als belangrijke
focus van alle lokale culturen.
Duidelijk is ook het theater. Opgevoerd wordt een stuk dagelijks leven:
de eerste begrafenis is een opvoering van oorlog, zoals hier. De maskerdans,
als tweede begrafenis, voert de interactie met dieren op, soms in kleine
toneelstukjes zoals de strijd tussen de jager en de haas.
De maskers zelf stellen inderdaad dieren voor, wilde dieren: herkenbaar,
maar weer net even anders: ze zijn contra-intuïtief, gevirtualiseerd.
Andere riten benutten andere sociale evenementen. Veel initiatierituelen
gebruiken de notie van de reis. Bij de Kapsiki neemt een smid de initiandi
mee langs alle rituele plaatsen van het dorp. Westers initiatieritueel
kent ook het element van de tocht, rond de loge, door de tempel, door
de schepping of een Andes-beklimming naar de Celestijnse belofte. Maar
de tocht zelf vormt het herkenbare element.
Ook de test is essentieel. In de initiatie, zo heeft van Gennep al jaren
geleden opgemerkt, bestaat die test vaak uit kleine maar pijnlijke wijzigingen
in het lichaam, doorgaans genitale operaties. Van Gennep verbaast zich
over het gemak waarmee gekerfd, gesneden en geboord wordt in wat toch
een redelijk gevoelig deel van het lichaam is: het menselijke lichaam,
zegt hij, lijkt wel van hout! Maar het hoeft per sé niet pijnlijk
of moeilijk te zijn: Kapsiki-jongens moeten als test over een droge
sloot heen springen, een steen optillen en zich optrekken om met hun
tong een rotspunt aan te raken; Dogon-jongens moeten kunnen dansen.
Maar over die sloot komt men wel heen, die steen is niet zo zwaar, die
rotspunt niet zo hoog, en dansen kan iedereen allang.
We hebben nu in het ritueel gewone dingen herkend als maaltijd, geschenk,
gesprek, toespraak, tocht, onderricht, theater, feest, dans, muziek
of een vreemdeling die aankomt. Herkenbaar in vele riten zijn nog het
wassen, aankleden, versieren of het vertellen van een verhaal. Dat is
ongeveer het arsenaal aan gewone zaken waarmee een ritueel wordt opgebouwd.
De tweedeling in het ‘gewone’ leven tussen dagelijks leven
en feest is universeel en vinden we terug in het ritueel. Alle mensen
zijn gevoelig voor muziek, een evolutionair gegeven, en in praktisch
alle religies wordt in ritueel muziek gemaakt, instrumentaal en vocaal.
Alle culturen dansen - zij het de ene cultuur beter dan de andere. Alle
culturen, zonder enige uitzondering, delen tijdens een feest eten en
drinken, een van de essentiële elementen in de geschiedenis van
de menswording. Wij zijn als Homo significans het feestbeest van de
schepping! Dieren zijn enigszins intelligent, gebruiken voorwerpen,
kunnen soms zichzelf herkennen, maar zij feesten niet!
Het laatste ‘gewone’ dat ik wil uitlichten, is het verhaal.
Het vertellen van en luisteren naar een verhaal behoort tot het basiserfgoed
van de mens: een genetisch geërfd vermogen dat deel uitmaakt van
onze taalaanleg. Verhalen zijn essentieel in de religie, als mythen.
De cognitieve kant van de religie ligt in verhalen, de praxis in het
ritueel, en het geloof is van beide een afgeleide. (in de tekst meer
over de verhouding tussen verhaal en rite)
Geen boodschap dus, wel betekenis. Maar welke betekenis? De participant
construeert een betekenis maar kan die moeilijk verwoorden. Vaak is
de religieuze dimensie lastig te vinden. Edward Muir vertelt hoe hij
als jonge diaken in de lekenorganisatie van de Mormoonse kerk vooral
bezorgd was hoe dat grote laken netjes over de avondmaalstafel te krijgen,
en een misdienaar moet vooral niet struikelen. De religieuze ervaring
is vaak een constructie achteraf, zij het daardoor niet minder authentiek.
Maar dat er betekenis wordt geconstrueerd is evident.
Welnu, in dat proces van betekenistoekenning zijn twee niveaus te onderscheiden.
Het eerste niveau is zelfverwijzing, d.w.z het feit van het ritueel
zelf en van de deelname eraan. Men vindt het belangrijk dat het uitgevoerd
wordt, tout court. Wie zich onderwerpt aan de ‘liturgische orde’
geeft het ritueel een plaats in zijn leven en zichzelf een plaats in
het ritueel.
Het ritueel verwijst dus primair naar zichzelf, en zo doen de deelnemers.
Bij het Kapsiki-dorpsoffer definiëren de deelnemers zichzelf door
het meedoen als echte Mogodéërs. In de Dogon-maskerdans
zijn eerst de trommelende oudsten belangrijk: zij leiden de dans, zij
zingen de maskerzangen en in hun richting moeten de maskers dansen.
De dansers zelf staan daarna centraal als geïnitieerden, maar vooral
als goede dansers. Dit is de zelfverwijzende’ betekenis van elk
ritueel.
Het tweede niveau noemt Rappaport ‘canonical’: betekenis
die te maken heeft met de verschijningsvorm van het ritueel, de liturgie
(de ‘volg-orde’) en de symbolische inhoud. Met deze laag
houden wij ons doorgaans bezig. Canonieke interpretatie is een voortdurende
wisselwerking tussen noties van de deelnemers, waarnemingen en theorieconstructie
van de specialisten.
Als voorbeeld van zo´n canoniek betekenissysteem weer de Dogon-maskers.
(Meer details uiteraard in de tekst).
De maskers stellen hetzij dieren voor hetzij ‘vreemde’ mensen:
een Fulbe-man of -vrouw, een Mossi, een marabout, een blanke. Het hoge
masker is een ‘boom’, de lange dunne geest die in bomen
huist. De identificatie van de verschillende maskers blijkt uit uiterlijk,
naam en manier van dansen, en uit hun kreten.
De dans is er voor de oude mannen, zeggen de Dogon: het is hun ritueel.
Zij worden ingeschaald in een lange genealogie, en worden langzamerhand
voorouders. Tevens kunnen de overledenen die in het ritueel worden herdacht,
na het feest ‘terugkomen’ in hun kleinkinderen. Kortom,
het ritueel produceert voorouders. Het geldt overigens als een correcte
geste wanneer één van de ouden tijdens het feest overlijdt.
Maar er valt meer te construeren. De maskers vertegenwoordigen de brousse
die naar het dorp komt: de wilde dieren, geesten en mensen uit de wildernis.
De brousse als bron van het leven zelf laadt het dorp weer op met vruchtbaarheid,
wijsheid, energie en kracht. Mensen verbruiken de energie van de brousse,
en na hun dood moeten de maskers het dorp weer vullen met de nodige
levenskracht en wijsheid. Het dorp is een soort zwart gat dat de brousse
opeet en aldoende blijft bestaan.
Die brousse komt het dorp in met een vorm die communicabel is en daardoor
transformatie van macht en fertiliteit mogelijk maakt. De macht van
de brousse heeft dus alles met de continuïteit van de geslachten
te maken, dus met vruchtbaarheid. In wezen is in de maskerdans de vruchtbaarheid
omgedraaid. Voor de vrouw zijn maskers taboe en de vrouw zelf, op een
enkele na, is taboe voor de maskers. De vrouw is gevaarlijk voor mannen
omdat ze menstrueert, menstruatiebloed is streng taboe voor mannen.
Welnu, maskers hebben ‘iets vrouwelijks’ en maken een
mannelijke danser tijdelijk een beetje vrouw. Tijdens het ritueel is
de vruchtbaarheid afkomstig van de maskers, als een bolwerk van mannelijke
vruchtbaarheid, en wel één waar de vrouwen niet bij nodig
zijn. Het maskerfeest kan worden gezien als een poging van de mannen,
in een spectaculaire overdefinitie van mannelijke kracht, om voor eenmaal
zelf vruchtbaar te zijn. Uiteraard is deze mannelijke toeëigening
van de vrouwelijke vruchtbaarheid slechts tijdelijk en vluchtig, want
na het feest zijn de mannen weer geheel afhankelijk van de fertiliteit
van hun vrouwen: al die mannelijke vruchtbaarheid is virtueel. Uiteindelijk
spelen de vrouwen het spel der maskers rustig mee, in het volle besef
dat de mannen van hen afhankelijk blijven. Vrouwen zijn het leven zelf,
de maskers kunnen dansen wat ze willen.
Een dergelijke interpretatie is een constructie, op basis van het toekennen
van betekenis. Op zichzelf is de rite is dus geen mededeling, maar een
stippellijn om naar behoefte en vermogen in te vullen. De structuur
van het ritueel is een grammatica van het zwijgen met leestekens van
stilte, een lege kern met schillen van betekenis.
Dat betekent overigens niet dat álle interpretaties mogelijk
zijn: de contra-intuïtieve elementen hebben een beperkte bandbreedte
van betekenistoekenning. Constructie is geen ‘free for all’,
en relativisme is altijd begrensd. Zie mijn discussie met de Griaule-school.
Maar een zekere fluïditeit is essentieel. Als ritueel een duidelijke
boodschap zou hebben, zou deze boodschap de deelnemers forceren in één
bepaalde modus van interpretatie; zo zouden zowel de vrijheid als de
verschillende niveaus verdwijnen. Uitleg schaadt betekenistoekenning.
De herkenning van contra-intuïtieve handelingen geeft een beetje
richting aan de betekenisgeving, maar verhindert tegelijkertijd een
gemakkelijke, precieze invulling van die betekenis. Die afwezige boodschap
schept ook de mogelijkheid van aanpassing aan nieuwe tijden en situaties.
Een ritueel dat niet verandert riskeert de navelstreng met de geleefde
werkelijkheid kwijt te raken en daarmee onherroepelijk aan betekenis
in te boeten. In een functioneel ritueel is catechese overbodig, voor
een onbegrijpelijk geworden ritueel komt catechese te laat.
Het ritueel virtualiseert de sociale werkelijkheid, waar de uiteindelijke
bodem van de betekenis ligt. De term virtueel komt uit de informatiekunde:
de ‘verschijnende vorm’ waar we mee interacteren. Het ritueel
schept zijn eigen wereld met bouwstenen die er redelijk alledaags uitzien,
doch dit net niet zijn. Die wereld is anders, kwetsbaarder wellicht,
gevrijwaard van het analytische geweld van de ratio, harmonieuzer –
of juist gewelddadiger – dan het gewone leven, een wereld van
idealen en verschrikkingen, van bovennatuurlijke wezens die als mens
aanspreekbaar zijn, die meer dan menselijk zijn, maar tegelijk afgescheept
kunnen worden met het minste deel van het offer. Een virtuele wereld.
Ik ga nu een hoek om in mijn betoog. Laten we de virtuele wereld van
de religie eens vergelijken met de sport, de derde startobservatie.
Ik doe dit uit eigen persoonlijk interesse, en omdat beide vaak op elkaar
worden betrokken. Ik zou eigenlijk een overkoepelend theoretisch kader
moeten hebben waarin de twee passen, maar dat heb ik niet. Nog niet.
Ik heb wel wat bouwstenen voor een dergelijke theorie: de notie ‘virtueel’
zelf, het concept ‘agency’, maar vooral Ingold’s noties
over ‘craft knowledge’, d.w.z. de belichaming van kennis,
de know-as-you-go benadering. Tenslotte ligt er een inspiratie in cognitieve
antropologie en evolutionaire psychologie. Daar ben ik nog niet mee
klaar.
Waarom is sport nu een virtuele wereld? Omdat sport eigenlijk nergens
over gaat. Sport is te definiëren als een ‘gentle competition’
waarin de strijd gereguleerd is door een beperkte arena, vaste regels,
vaste tijden, een scheiding spelers/toeschouwers, en door de tijdelijke
maar absolute autoriteit van een arbiter, alles ingebed in een culturele
omgeving. Een wedstrijd heeft inderdaad een liturgische orde, inclusief
ceremonieel aan begin en einde van de ontmoeting, met duidelijke verwachtingen
voor gedrag van spelers en toeschouwers. Maar voorop staan de regels,
en daar heeft men zich aan te houden. Die regels leiden naar de inzet,
naar het ‘goed’ waarom wordt gestreden. Dat ‘goed’
is leeg, een betekenisloze prijs. Het centrale icoon van de sport is
de sportbeker, en als er één object is waarvan de waarde
in geen verhouding staat tot de inspanning om het te verkrijgen, is
het wel de ‘cup’. De cup met de grote oren zou een paar
honderd euro in de winkel kosten, en kost honderden miljoenen om te
winnen! Sport gaat om het winnen, een lastig begrip dat in verschillende
culturen zeer divers wordt ingevuld. Het idee dat winnen iets ‘is’
vormt de basismythe van de sport. (In de tekst ga ik hier uitgebreid
op in.) Mijn these is dat ons concept ‘winnen’ zoals in
de sport gebezigd, een culturele variant is tussen andere noties van
‘winnen’, en eigenlijk net zo leeg is als de sportbeker.
Het belangrijkste argument om sport en religie te onderscheiden is de
aard van de contra-ïntuitieve elementen, het type virtualiteit
dus. De elementen van het ritueel kwamen uit het dagelijks leven. In
de sport is dat tegengesteld. Een sportwedstrijd bestaat meestal uit
een handeling die geen pendant heeft in het dagelijks leven: de handelingen
zelf zijn betekenisloos, alleen het doel is herkenbaar, namelijk competitie.
Wat er gebeurt is inherent vreemd. Het doel van voetbal is immers het
deponeren van een rond leren voorwerp in een redelijk groot net, gevat
tussen twee palen en een lat. Bij korfbal en basketbal moet de bal in
een korf of net, waarin zelfs een bodem ontbreekt! Zelfs dammen bestaat
uit het zorgvuldig deponeren van schijven op een bord, elke schijf op
een zwart veld, om vervolgens te trachten die van de tegenstander te
verwijderen teneinde ze tenslotte allemaal weer in hetzelfde doosje
terug te leggen. Dat duurt ongeveer vier uur.
Sport is structureel daarmee het tegendeel van het ritueel: een gewoon
doel (competitie) wordt nagestreefd met betekenisloze middelen. Sport
is een virtuele wereld die niet gericht is op de bovennatuur, maar op
de mens zelf, op het mensenlichaam (inclusief het hoofd!), met het duidelijke
doel van het winnen en als boodschap uiteindelijk alleen een rangorde.
Op de mythe ga ik later in.
Structurele tegenhangers, zegt Lévi Strauss, lijken op elkaar
en kunnen overeenkomstige functies hebben binnen een samenleving, ook
sport en religie: beide virtueel, beide het sublieme belichamend, beide
soms zeer emotioneel. En daarom flirten ze misschien met elkaar, maar
er is geen echte liefde. Religieus handelen in de sport, zo zagen we
al in mijn derde openingsobservatie, oogt voor ons vreemd. Dit zijn
voor ons gevoel twee werelden die niet echt bij elkaar horen. Dat kan
een ‘Westers’ gevoel zijn, maar ook dan is het een belangrijk
gegeven.
Buiten religie en sport zijn er nog meer virtuele werelden, want in
onze postmoderne wereld zijn er virtuele werelden bijgekomen.
Mijn Tilburgse collega Annemarie Korte verhaalt hoe zij met een groep
toeristen in Mexico een Maya- ritueel bijwoonde in een geïndigeniseerde
kerk. Het ritueel was vreemd, maar waar normaliter toeristen ritueel
eenvoudig herkennen, was er hier een probleeem: er werd veel Coca Cola
gebruikt. De toeschouwers reageerden zeer verdeeld. Sommigen waren geroerd,
aangesproken door een ’authentiek’ Maya-ritueel. Anderen
keken naar de toegangsprijs en de Coca Cola en voelden zich voor de
gek gehouden: dit was geen ritueel, maar reclame!
Vergeleken met de Dogon uit mijn eerste voorbeeld, hebben wij als westerlingen
wat meer opties voor interpretatie: naast de religie hebben we nog de
reclame en het toerisme. Wij beschikken niet over één
virtuele wereld, maar over meerdere: religie, sport, toerisme, reclame,
en sinds kort internet.
Wat is dan, in mijn definitie, een virtuele wereld? Onder virtuele werelden
versta ik een aantal instituties die geheel gebaseerd zijn op wat sinds
Bourdieu ‘symbolisch kapitaal’ heet, d.w.z. kapitaal zonder
intrinsieke economische of overlevingswaarde, dat berust op sociaal
prestige en alleen interessant is omdat de ander het ook wil. Hun centrale
waarden zijn ‘intangibles’: de ‘bovennatuur, ‘schoonheid,
roem, vrijheid.
Daarmee zijn ze niet onbelangrijk, in tegendeel. Elk heeft zijn eigen
institutionalisatie. De ‘présence’ van de religie
is altijd uiterst duidelijk geweest. Kerken hebben niet alleen het landschap
veranderd, maar ook de geschiedenis. Topsport is een mega-business,
met media aandacht die de zendtijd van de religie ver overstijgt. Massasport
kent een massieve organisatie gericht op het lichamelijke en sociale
welzijn van de mens, en is van grote betekenis. Toerisme vormt de snelst
groeiende bedrijfstak van de wereld en genereert miljoenen banen. Daarin
steekt niets virtueels. Maar zij zijn gebaseerd op ‘symbolisch
kapitaal’: religie op gedeeld geloof in een ‘bovennatuur’,
sport op het lege concept van het ‘winnen’, toerisme op
de idee van vrijheid in het reizen.
Dit zijn dan ook werelden waarin men maar tijdelijk kan verblijven,
een bestaan-buiten-dit-bestaan. Slechts enkele ‘virtuosi’
kunnen blijvend in die virtuele wereld vertoeven. Religie, sport, reclame
en toerisme zijn alle op hun eigen wijze ‘contra-intuïtieve’
werelden. Zij hebben alle een navelstreng met de ‘gewone wereld’,
maar elk van die navelstrengen is verschillend. Bij de rite zagen we
de gewone handeling verongewoond, in de sport wordt een gewoon doel
(competitie) met behulp van betekenisloze elementen gevirtualiseerd.
In de reclame is de relatie tussen object en de effecten van het object
‘ongewoon’ geworden, gevirtualiseerd.
Bijvoorbeeld: bij de koffie wordt een interessante, impliciete belofte
gedaan,
en een gewone electrische boor doet een belofte die niet gespeend is
van enige mannelijkheid.
Toerisme is dé virtuele wereld van de postmoderne tijd: was
het gras vroeger al groener aan de andere kant van de schutting en was
alles lekker wat men van ver haalde,
nu kunnen we daar naar toe, van die weide grazen en het lekkere proeven.
Dat we daarbij in een een verzorgingsbel leven is kenmerkend voor het
virtuele karakter van de toeristische ervaring.
Op dit moment beleven wij een explosie van elektronische virtualiteit,
waaruit mijn concept afkomstig is. In de computerwereld is een virtual
reality een computersimulatie van een leefomgeving waarin de gebruikers
kunnen wonen en interacteren via zogenaamde avatars (een religieuze
term!), ons virtuele ego. Second Life is vermoedelijk het bekendste
voorbeeld, en net als in de andere werelden gaan hier zeeën van
tijd en bergen geld in zitten.
Alle virtuele werelden hebben hun eigen ‘time out of time’,
stoppen of versnellen de tijd. Ook een electronische wereld heeft een
ander tijdsverloop, soms langzamer maar vaak sneller dan deze wereld.
Rituelen zetten de tijd stil, ‘machines à supprimer le
temps’ zegt Lévi-Strauss, toerisme is bijna letterlijk
‘time out of time’, een grensland van elders zijn en anders-zijn.
Sport is bezeten van de klok: het eindsignaal klinkt op tijd, soms weet
men precies hoeveel seconden nog resten, dan weer is er een speciale
official om de extra speeltijd te bepalen, en records vormen de ultieme
obsessie met de tijd. Sport forceert verschillen: alle bobsleeën
komen even snel naar beneden, dus moet gemeten in duizendsten van een
seconden. Tijdens het laatste WK atletiek kwamen vier vrouwen tegelijk
aan de finish van de 100 meter. De eindrangschikking werd eerst ‘fout’
gegeven, en na een kwartier intensieve studie van de finish foto kwam
de definitieve volgorde, waarbij de oorspronkelijk eerste uiteindelijk
vierde werd! De menselijke realiteit is natuurlijk dat ze gewoon tegelijk
aankwamen. Sport is de arena van Homo mensor, de metende mens, en het
record is de abstractie van de competitie. Maar meten is afzien van
oneindigheid, tellen het ontkennen van de eeuwigheid. In de mondiale
sportcultuur staat Achilles op een rating list, de werken van Heracles
in het Guiness Book of Records.
Elke virtuele wereld heeft een eigen grondingsmythe. Naast de religieuze
mythen die zo goed bekend zijn, heeft ook de sport haar mythen: het
winnen als ultieme waarde en de mythe van de gezonde topsport. Toerisme
wordt gedreven door de mythe van de vrijheid, en van het paradijs-over-de-horizon,
te bereiken in een paar uur en tegen geringe kosten, de paradox van
het comfortabele avontuur. Ook internet heeft zijn mythe, die van het
vrolijke anarchisme, het idee van wereldwijd contact tussen anders geïsoleerde
mensen.
In de tekst ga ik verder in op de verhouding tussen deze virtuele werelden.
Kortom, de afgelopen decenniën zijn wij getuige geweest van de
proliferatie van virtuele werelden. Niet langer is de religie, het ritueel
dus, de voornaamste virtuele wereld, maar er zijn andere virtuele werelden
bij gekomen, en daarmee concurrerende zingevinsgsystemen. Niet langer
hebben wij één religieuze markt: de interkerkelijke marktsituatie
is een marktplaats geworden van verschillende virtuele werelden en onvergelijkbare
zingevingssystemen.
Ik sluit af
Vestdijk noemde de mens ooit een ‘grondzoekende ongegrondheid’,
van Baal een ‘grondvliedende grondgebondenheid’. Mijn invalshoek
is die van Homo significans, het feestbeest. Homo significans behoort
aan de ene kant onherroepelijk tot deze aarde, de grondgebondenheid,
maar is aan de andere kant een vreemde in dit Jeruzalem, of zoals fraai
verwoord in de ‘Anthropology of Outer Spaces’, hij lijdt
aan het Host-Planet Rejection Syndrome. (hey man, we are the aliens!)
Het ritueel, zeer ‘aards’ maar ‘ongewoon’ is
daarbij een ladder naar transcendentie.
Reflectie is, zoals Merleau Ponty het noemde, een prise glissante,
een afglijdende greep: de paradox van de rite wordt wel duidelijker,
maar verdwijnt niet; de afwezige boodschap genereert vele soorten betekenis
die via etnografische en reflectieve methoden kunnen worden geduid.
De betekenissen vormen zich in een voortdurende dialoog tussen onderzoeker
en informant, als een constructie, doorademd door de onderzoeker en
zijn veldrelaties. Maar dat is een aspect van de sociale en culturele
werkelijkheid waar wij antropologen mee hebben leren leven. Het heeft
onze zekerheden in de zoektocht naar de ander wat verminderd, en ons
respect voor het anders-zijn van die medemens vergroot. En de betekenis
van die zoektocht naar de zin van het ritueel, als queeste naar de gronden
van onze eigen menselijkheid, kan nimmer worden overschat.
Het is een goed en passend gebruik om hier met een dankwoord te sluiten.
Ik wil daarin relatief kort zijn, omdat er te veel dank verschuldigd
is. Mijn eerste dank gaat uit naar u allen, voor uw aanwezigheid hier:
het spreken tot u is een feest, want ik mag vertellen over mijn vak
tot een gehoor dat mijn eigen verleden en heden omvat: familie, wetenschap,
religie en sport; een dubbele bevestiging van een comfortabele identiteit.
En voor ons als Homo significans of wel feestbeesten, gaat er niets
boven een gezamelijke viering (inderdaad, u krijgt eten en drinken straks!).
Het vak van antropologie van de religie heb ik leren beoefenen aan
de Universiteit van Utrecht binnen de capaciteitsgroep Culturele Antropologie
waarvoor ik mij in de afgelopen decenniën ook heb mogen inzetten.
Mijn leermeester Van Baal, ((mijn promotor Thoden van Velzen)), mijn
collega´s en leidinggevenden daar ben ik zeer erkentelijk, al
heb ik misschien nog meer geleerd van mijn promovendi. Mijn Afrika-onderzoek
is de laatste jaren gestimuleerd sinds mijn aanstelling bij het Afrika
Studiecentrum te Leiden, in het bijzonder binnen de themagroep ‘Agency
in Africa’, nu herdoopt als ‘Connectivity and Technology’.
Van de boeiende en collegiale discussies binnen deze groep hoop ik nog
lang te genieten.
Iedere veldonderzoeker is schatplichtig aan zijn informanten, in wezen
aan zijn onderzoeksgroepen. Voor mij zijn dat de Kapsiki van Noord-Kameroen
en de Dogon van Mali, voor de meesten van u langzamerhand bekend. Meer
dan niet-antropologen kunnen bevroeden, zijn het de veldervaringen die
een empirische antropoloog vormen, omdat de ontmoeting met deze ‘anderen’
een cruciale bijdrage vormt zowel voor academische als persoonlijke
vorming. Een echte ontmoeting met een andere cultuur is in hoge mate
een treffen met de Ander. Wie één cultuur kent, kent geen
cultuur, wie één virtuele wereld kent, kent geen virtuele
wereld, maar vooral ook wie geen virtuele wereld kent, kent geen wereld.
Voor de benoeming op deze leerstoel ben ik de Universiteit van Tilburg
en de Faculteit Geesteswetenschappen buitengewoon dankbaar, een dank
die in het bijzonder uitgaat naar de decaan Arie de Ruijter. In mijn
nog korte periode hier in Tilburg voel ik me gestimuleerd door mijn
collega´s wier welkom hartverwarmend was. Zowel de leiding van
de Président du Departement Wim Weren als de regelmatige gesprekken
met de collegae proximi Paul Post, Herman Beck, Ellen van Wolde en andere
ganggenoten, niet in de laatste plaats de AIO´s, vormen een dagelijkse
bron van kennis en inspiratie. Ik heb in elk geval in de afgelopen maanden
erg veel geleerd over die merkwaardige stam, de rooms-katholieken.
Onderwijs is leuk. De studenten van Utrecht mis ik en de kennismaking
met de Tilburgse studenten is plezierig. Elk vak heeft zijn eigen type
studenten; antropologiestudenten ken ik, studenten godsdienstwetenschappen
en theologie zijn voor mij een relatief nieuwe etnische groep, en ook
dat onderzoek zal ik graag verrichten.
Het werk voor SANPAD in Zuid-Afrika heeft mij veel geleerd, en ik ben
blij dat die ´learning curve’ nog niet voorbij is, noch
in het onderwijs noch in het onderzoek, gezien het spannende project
over heilige plaatsen in Zuid Afrika, dat Paul Post en ik onlangs hebben
verworven voor onze faculteit, en wel ‘Communities in communion’,
samen met ‘Die Universiteit van Die Vrijstaat’, in Bloemfontein
en Qwaqwa.
De sport kwam ter sprake, misschien voor sommigen onverwacht. Ik heb
veel geleerd tijdens mijn voorzitterschap van de Werelddambond en de
Afrikaanse continentale dambond. Het was niet eenvoudig daarvan afscheid
te nemen, en het is hartverwarmend dat zovele van hen hier aanwezig
zijn. Mijn samenwerking met het NOC*NSF is uiterst plezierig geweest,
een kleine schouw in die geheel andere wereld. Vorig jaar september
kreeg ik tijdens het open kampioenschap van Europa in Slovenië,
twee geweldige berichten: als eerste de instelling van deze leerstoel
en als tweede het feit dat ik mijn eerste norm gehaald had als maître
FMJD. Voor een echte sporter is moeilijk vast te stellen welke van die
twee het belangrijkste is. Daarom treft u, als bijlage bij mijn rede
een stukje pure schoonheid van het dammen aan: een verhandeling over
damproblematiek voor deze gelegenheid gemaakt door mijn clubgenoot Arne
van Mourik.
De vaste basis van ieder is toch de familie; die lijdt het meeste aan
´de wetenschap´, en in mijn geval aan Afrika. Dank aan hen
valt wezenlijk niet te verwoorden, vooral niet aan mijn echtgenote,
die haar hart heeft verloren aan Afrika. Madame Africa noemen de Afrikaanse
dammers haar, en terecht. En natuurlijk is het fantastisch om naast
mijn ‘vaderlandse’ familie - waaronder in het bijzonder
mijn schoonmoeder met haar negentig jaar! – hier ook mijn dochter
uit Spanje en mijn broer uit Australië te hebben.
Danken voor het verleden is uitzien naar de toekomst. Mijn programma
voor onderzoek en theorieontwikkeling is duidelijk en mijn verhaal vandaag
was een proeve van wat mij voor ogen staat. Mijn wensenlijst van nog
te publiceren werk wordt eigenlijk steeds langer en onvermijdelijk ook
wat urgenter. De Indiase dichter/filosoof Rabindranath Tagore zei ooit:
‘Ieder van ons is een instrument, en wij zijn hier om onze melodie
te spelen.’ Ondanks zijn prachtig oeuvre voegde hij eraan toe:
‘Maar ik heb mijn tijd besteed aan het stemmen en herstemmen van
mijn instrument.’ Nu viel dat wel mee, in zijn geval. Maar wat
we ook allemaal gedaan mogen hebben, er is altijd nog veel muziek te
maken. Geweldig, daarom, om nu in een nieuw orkest mijn melodie te kunnen
spelen.
Ik heb gezegd.