De Kerk van Jezus Christus
door Jan Gillis
Tijdens zijn leven stichtte Jezus Christus een kerk. Hierover zijn
alle bestaande kerken het gloeiend eens. Maar Jezus stichtte maar één
kerk? Waar is die naartoe en als ze nu nog bestaat, wie van al die kerken
heeft er dan gelijk?
In de Bijbel is er sprake van een ‘nacht’ die op komst
is (Johannes 9:4). Vele christenen veronderstellen dat die nacht eerst
zal ingaan bij het einde der tijden, zeg maar bij het Laatste Oordeel.
Maar neem nu eens dat die nacht al lang zou ingetreden zijn, zeg maar
na de dood van de laatste apostel? Dan zouden we nu in volledige duisternis
kunnen zitten!
Waar blijven de duizenden stemmen die me nu vol afgrijzen de huid willen
vol schelden?
“Waarom zou Jezus Christus indertijd een kerk hebben willen stichten
als die dan achteraf toch maar zo vlug mogelijk moest verdwijnen? Een
God kan toch niet falen!”
Persoonlijk vind ik dat het woord ‘falen’ misplaatst is.
Men kan alleen maar over ‘falen’ spreken als een vooropgesteld
doel niet bereikt wordt. Wat was de bedoeling van God toen Hij zijn
eniggeboren Zoon destijds een kerk liet stichten? Bij het beantwoorden
van deze vraag mogen we onze eigen gevoelens niet laten meespelen. Moeten
we niet eerst Gods bedoeling trachten uit te vissen i.p.v. steeds maar
te pogen onze mening naar de voorgrond te schuiven. Maar wellicht zit
ik nu gevangen in mijn eigen web.
Tot de profeet Jesaja zei God het volgende (Jesaja 55:9):
“Want zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo ook gaan mijn
wegen uw wegen te boven.”
Ook spreekwoordelijk zijn Gods wegen heel ondoorgrondelijk. De apostel
Paulus noemde de nog ‘levende’ volgelingen van de Heiland
in zijn brieven ‘heiligen’. Door hen die niet geloofden,
werden deze heiligen vrij vlug beschuldigd van verering van een godheid
die het kwaad in de wereld maar liet betijen. Erger nog! De God van
die heiligen was te zwak om het alom heersende kwaad te verslaan. Onder
zoveel druk werden de eerste afvalligen genoteerd en sloten die zich
braafjes bij de gangbare mening aan. Eén voor één
liepen ze over naar het kamp van de tegenstander. Degene die niet wou
wijken voor de overmacht, stierf meestal de marteldood. Op die manier
gebruikten de eerste heiligen hun vrije wil. Ofwel lieten ze het evangelie
vallen en leefden ze verder … op aarde, ofwel bleven ze trouw
aan de leer van Jezus en leefden ze verder … in de hemel. Misschien
was God er zich terdege van bewust dat juist door deze vrijheid van
keuze, de mens na de dood van Christus, er niet in zou slagen om de
kerk in stand te houden. Misschien wist God maar al te goed dat de kerk
niet bijster veel kans meer zou maken op welslagen, zonder zijn leiding
hier op aarde. Blijkbaar besefte Hij heel goed dat de duivel de mensen
wel andere, meer leefbare ideeën en normen zou trachten op te solferen.
Op die manier krijgt Prediker, zoon van David en koning in Jeruzalem,
zijn groot gelijk wanneer die in zijn boek beweert (Prediker 1:2):
“Alles is ijdel. Wat heeft de mens aan al zijn zwoegen en tobben
onder de zon?”
Het blijft dus zoeken naar Gods werkelijke intentie met zijn prille
kerk. Maar wat had Jezus daar allemaal over te vertellen? Gelukkig voor
ons bevat het Nieuwe Testament ontzettend veel informatie over dit onderwerp.
Waarom Jezus Christus naar de aarde was gekomen, hoe Hij hier zou ontvangen
worden en wat er zou gebeuren nadat Hij van ons zou zijn heengegaan,
wordt door Hem persoonlijk op een vrij originele manier uit de doeken
gedaan. Praktisch iedereen kent zijn verhaaltjes die wij parabels of
gelijkenissen noemen. Als een volleerd verteller bouwt Hij situaties
op die ‘gelijk zijn’ aan de werkelijkheid. De gelijkenis
waarover ik nu zal spreken is een drama in drie bedrijven. Bovendien
is het de enige gelijkenis waarbij onze Heer zelf de volledige uitleg
heeft verschaft. Hij moet deze gelijkenis wel heel belangrijk gevonden
hebben.
Het eerste bedrijf van die gelijkenis beschrijft de aardse zending
van Jezus. Hierin vergelijkt Hij zichzelf en het Rijk der Hemelen met
“Een man die op zijn akker goed zaad had gezaaid.” (Matteüs
13:24)
In hetzelfde hoofdstuk vers 37 lezen we:
“Die het goede zaad zaait, is de Mensenzoon”
en vers 38 verklaart dat de akker “de wereld” is.
Tijdens het tweede bedrijf sluipt echter het kwade binnen.
“Maar terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand, zaaide onkruid
tussen de tarwe en ging heen.” (Matteüs 13:25)
Het resultaat liet niet lang op zich wachten! Zeker niet tot het einde
der tijden!
“Toen de halmen opgeschoten waren en vrucht hadden gezet, was
ook het onkruid te zien.” Matteüs 13:26)
De mengeling van alle soorten gewassen die opgroeiden, lieten geen
normale oogst meer toe. De miserabele staat waarin dat veld zich nu
bevond, is zeker geen verzinnebeelding van zijn Kerk. Want door Christus
wordt ons expliciet verteld dat het geruïneerde veld de wereld
voorstelt van waaruit het goede zaad (de kinderen van het koninkrijk)
nog niet te voorschijn werd gehaald. Bij de vraag van de knechten om
te wieden, zegt de Meester (Matteüs 13:29-30):
“Neen, ik ben bang dat ge, wanneer ge het onkruid bijeengaart,
de tarwe mee uittrekt. Laat beide samen opgroeien tot de oogst, en met
de oogsttijd zal ik de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen
en bindt het in bussels om te verbranden; maar slaat de tarwe op in
mijn schuur.”
De tarwe werd dus niet direct bijeengehaald. Deze tijd van vertwijfeling
waar tarwe en onkruid samen moeten opgroeien, waar het onkruid de tarwe
zelfs overwoekert, duurt lang. En dat zal blijven duren tot de oogsttijd
aanbreekt. Nog steeds volgens Matteüs 13:39 is deze oogsttijd het
einde van de wereld en de maaiers zijn de engelen. De vijand die het
onkruid zaaide is de duivel.
En dit einde van de wereld is voor mij het derde bedrijf in dit hoogst
merkwaardig drama. In de loop van het derde bedrijf wordt de tarwe uiteindelijk
‘verzameld uit’ (bijeengehaald uit) het veld (de wereld).
En deze woordspeling ‘een verzameling uit’ heeft in het
Grieks een heel specifieke vertaling namelijk ‘Ekklesia’,
in het Nederlands ‘kerk’. Een kerk bestaat dus uit goede
tarwe (de rechtvaardigen) dat verzameld wordt uit een veld (de wereld)
waarop ook wildgroei aanwezig was. En deze verzameling van rechtvaardigen
heeft plaats op ‘het einde’ en noemt men stichten van een
kerk. En de eindbestemming van die kerk is de schuur van God (Zijn koninkrijk).
Dus alleen op ‘het einde’ zullen de maaiers (de engelen)
zorgvuldig dat werk verrichten.
Dit bedrijf kent dus een happy end!
Maar in de Bijbel vindt men ook nog de gelijkenis van ‘de wijngaard’.
In wezen vertelt deze parabel hetzelfde verhaal als ‘de zaaier’
maar nu licht Jezus even toe wat er zal gebeuren tussen zijn dood en
wederkomst.
Uit het eerste bedrijf van deze gelijkenis leren we dat de eigenaar
van een wijngaard (de aarde) ergens in een ver land wordt opgehouden.
Waar dit verre land zich situeert, laat ik graag aan de verbeelding
van de lezer over. Al ettelijke malen had in het verleden de eigenaar
zijn dienaars (profeten) naar de wijngaard gezonden. Ze moesten van
de mensen die er de wijngaard onderhielden, het fruit ontvangen om het
aan hun meester te overhandigen. Maar zonder uitzondering werden al
die boodschappers ruw bejegend. Sommigen werden zelfs zonder pardon
buiten gegooid. De eigenaar vond de situatie, op zijn zachts uitgedrukt,
‘onheilspellend’. Hij dacht dat wellicht zijn teerbeminde
zoon daar orde op zaken zou kunnen stellen:
“Wat kan ik nu nog doen? Ik zal mijn geliefde zoon sturen; hem
zullen ze toch wel ontzien.” (Lucas 20:13 en Matteüs 21:37)
Maar in het tweede bedrijf van deze parabel lezen we dat de zoon nog
slechter wordt bejegend dan zijn voorgangers. Ook de zoon wordt uit
de wijngaard geworpen en lafhartig afgeslacht door een bende schurken:
“Dat is de erfgenaam, laten we hem vermoorden, dan zal de erfenis
voor ons zijn!” (Lucas 20:14 en Matteüs 21:38)
… dan zal de erfenis voor ons zijn!!!!!
Deze mensen eigenen zich de wijngaard dus ‘onrechtmatig’
toe en blijven in ‘t bezit ervan tot de aanvang van het derde
bedrijf.
Uiteindelijk komt de eigenaar vanuit dat verre land terug in de wijngaard
aan, verdelgt er de bedriegers en overhandigt de wijngaard aan ‘andere’
door hem aangestelde werklieden. Weerom volgt deze gelijkenis hetzelfde
stramien als bij de vorige parabel. Maar Jezus geeft nu veel meer details
vrij over wat er na zijn dood met de wijngaard van Zijn Vader zal gebeuren.
In ruime zin stelt de wijngaard de menselijke familie voor. In enge
zin richt God zich echter meer tot zijn verbondsvolk. Een verbondsvolk
is een volk dat verbonden heeft afgesloten met God: zo bijv. de twaalf
stammen van Israël. Het waren die stammen die de profeten molesteerden
en zelfs doodden. Ook waren zij het die Jezus aan ’t kruis nagelden.
De goede vruchten werden zorgvuldig door de profeten en achteraf door
de Verlosser uitgelezen. Door de Heer persoonlijk waren ze uit de wijngaard
verzameld geworden. Maar na de dood van de Zoon bleven de goede vruchten
vereenzaamd in hun korf achter. Er waren nog wel enkele tuinlieden (apostelen)
die zich bekommerden om hun lot. Zij hadden zelfs getracht om nog wat
korven bij te vullen. Maar vrij vlug circuleerden de alarmerende berichtjes
dat de vruchten hetzelfde lot zouden ondergaan als de Zoon:
“Zie, Ik zend u als schapen tussen wolven.” (Matteüs
10:16)
Of zoals Paulus het nogal angstwekkend verwoordde (1 Korinthiërs
4:9):
“Want ons, apostelen, heeft God, de minste plaats aangewezen,
die van de ter dood veroordeelden. Wij zijn een schouwspel geworden
voor heel de wereld. We worden behandeld als het uitvaagsel van de maatschappij.”
Dat met de dood van Christus figuurlijk ook het licht verdwijnt, bewijst
volgende tekst:
“Daarop zei Jezus hun: ‘Nog een korte tijd is het licht
onder u. Gaat uw weg zolang ge dat licht hebt, opdat het duister u niet
moge overvallen, want wie in duisternis loopt, weet niet waar hij heengaat.”
(Johannes 12:35-36)
Ook met volgende tekst spreekt Johannes boekdelen. Nog steeds is Jezus
aan ’t woord:
“We moeten de werken van Hem die Mij gezonden heeft verrichten
zolang het dag is. Er komt een nacht en dan kan niemand werken.”
(Johannes 9:4)
Van zodra het licht weg is! Een nacht waarin niemand kan werken! Niemand!
Ook niet degenen die enkele honderden jaren na zijn dood nog steeds
beweerden tot zijn kerk te behoren. Ze deinsden er zelfs niet voor terug
te stellen dat ze nog steeds de ware evangelieleer verkondigen! …
En dit na een onderbreking van honderden jaren!
Alleen diegenen die het Licht gekend hebben, zullen de duisternis kunnen
overwinnen. Maar de marteldood staat hen wel te wachten. Maar er is
een troost:
“Ge zult zelfs door ouders en broers, door bloedverwanten en
vrienden overgeleverd worden en sommigen van u zullen ze ter dood brengen
… Maar! Geen haar van uw hoofd zal verloren gaan. Door standvastig
te zijn, zult gij uw leven winnen.” (Lucas 21:16-18)
Hier komt dus uiteindelijk de blijde belofte van de Heer: bij de verrijzenis
zal hun lichaam ongeschonden tevoorschijn komen. Maar de dood van de
apostelen betekent wel degelijk het einde van ’t korte leven dat
de kerk in die tijd beschoren was. Paulus laat hierover geen twijfels
bestaan:
“Ik weet dat er na mijn vertrek grimmige wolven bij u zullen
binnendringen, die de kudde (de kerk) niet zullen sparen.” (Handelingen
20:29)
“Gij weet dat allen in Asia (het gros van de bekeerlingen) mij
in de steek hebben gelaten.” (2 Timoteus 1:15)
“Allen (dus niet alleen die van Asia) hebben mij in de steek
gelaten. Moge het hun niet worden aangerekend.” (2 Timoteus 4:16)
Ondanks het schrikbeeld van de marteldood, slaagt Paulus in zijn brieven
er toch steeds in het hart van de nog weinig geloofsvasten op te peppen:
Maar ons vaderland is in de hemel, en uit de hemel verwachten wij onze
Verlosser, de Heer Jezus Christus. Hij zal ons armzalig lichaam herscheppen
en het gelijkvormig maken aan Zijn verheerlijkt lichaam, met dezelfde
kracht die Hem in staat stelt het heelal aan zich te onderwerpen.”
(Filippenzen 3:20-21)
En Matteüs zegt:
“Wie ten einde toe volhardt, hij zal gered worden.” (Matteüs
24:13)
Welk einde? Over welk einde hebben de apostelen het toch? Het einde
van de wereld? … Of … het einde van de kerk?
En wat heeft Petrus in zijn eerste brief aan de gelovigen hierover
te vertellen?
“Het einde van alle dingen is nabij.” (1 Petrus 4:7)
Het einde van de wereld? Ondertussen zijn we al wel meer dan 2000 jaren
verder! Het einde van de kerk dus?
Wordt er in de Bijbel wel over het voortbestaan van de kerk gepraat?
Worden er plannen gesmeed om het voortbestaan van de kerk veilig te
stellen? Zelfs al zou het maar voor een korte termijn zijn? Worden er
organisaties gesticht?
Over dit alles is er in de Bijbel geen spoor te bekennen. Op langere
termijn lijkt alles er op te wijzen dat de apostelen er geen graten
in zagen om een massale bekering van de wereld op gang te brengen. Tegen
zijn apostelen is Jezus hierover heel categoriek:
“En is er een plaats waar men u niet ontvangt en niet naar u
luistert, gaat daar dan weg en schudt het stof van uw voeten als een
getuigenis tegen hen.” (Marcus 6:11)
Met andere woorden zegt Jezus: ‘Steek in die bekeringen niet
teveel tijd. Je gaat toch tijd te kort komen.’
Maar hier duikt er plots een begrip op dat het verkondigen van het
evangelie toch zinvol schijnt te maken. De apostelen moesten van Jezus
een ‘getuigenis’ afleggen! Een getuigenis van wat? Een getuigenis
van de waarheid? Een getuigenis van het Licht dat ze hadden gekend?
Want zou het niet spoedig donker worden? Ze moesten een getuigenis brengen
van Jezus Christus. En al die getuigenissen moesten de mensheid, de
wereld, zo vlug mogelijk bereiken … of de mensen het nu geloofden
of niet!
“… ge zult gegeseld worden en voor de stadhouders en koningen
zult gij terechtstaan omwille van Mij, om zo ten overstaan van hen,
getuigenis af te leggen.” (Marcus 13:9)
“Maar ge zult kracht ontvangen van de Heilige Geest die over
u komt, om mijn getuigenis te zijn in Jeruzalem, in geheel Judea en
Samaria en tot het uiteinde der aarde.”
Alvorens het einde van de kerk zou aanbreken, moesten de goede vruchten
dus eerst getuigenis afleggen van de werken van hun mens geworden Leermeester.
Als dan later, op een nog onbekende datum maar wel met de hulp van God,
die verdwenen kerk terug te voorschijn zou mogen komen, dan zouden de
nieuwe bekeerlingen via de oude getuigenissen veel vlugger overtuigd
kunnen worden van het ware ‘Licht’. Al hetgeen er na de
dood van de laatste apostel stond te gebeuren, zou stilaan maar zeker
afglijden naar christelijke onwetendheid en uiteindelijk nog enkel maar
getuigen van een vreselijk slechte smaak. Zelfs Christus wist dat:
“Wanneer iemand u zegt: Hier is de Christus of daar, gelooft
het niet.” (Matteüs 24:23)
En nu wil ik graag even teruggrijpen naar het bloedige einde van de
parabel van de wijngaard. Welke erfenis dachten de moordenaars te kunnen
krijgen? Wat dacht dat groepje misdadigers ooit ‘in meerwaarde’
aan hun nageslacht te kunnen doorgeven? Misschien dachten ze wel het
fruit van de wijngaard voor zichzelf te kunnen behouden? Op een zelf
ontworpen manier trachtten ze het overgebleven, verdorde fruit nieuw
leven in te blazen. Volledig op eigen krachten ontwikkelden ze zelfs
een veredelingscultuur, een veredeling waarvan de vruchten alleen maar
beter konden worden. Maar mettertijd vergaten ze volledig de methode
van de Eigenaar omdat die stilaan maar zeker hun de nodige Geest hiervoor
ontnam. De apostelen hadden nog de Heilige Geest mogen ontvangen, maar
honderden jaren later was ook die onherroepelijk verdwenen.
Maar vermaarde wijsgeren uit Griekenland en Rome brachten nieuwe kweekmethodes
op de markt! Wellicht had één van hen nog de hand kunnen
leggen op een eerder toevallig ontdekt mandje met nog wat gekweekte
vruchtjes van de Eigenaar erin. Misschien hebben nog enkele filosofen,
als allerlaatste proevers, van dat heerlijk fruit mogen genieten. Maar
de smaak ervan hebben ze nooit meer kunnen evenaren. Helaas schoten
later hun eigen uitgedokterde productiemethodes schromelijk tekort.
Maar alleen zij wisten dat!
Dus niet getreurd! Voor alle zekerheid gooiden ze dat resterende mandje
met goede vruchten weg. Zo kon er later nooit meer over goede smaak
worden geredetwist. Maar helaas voor hen! Het ‘getuigenis’
van de goede vruchten bleef bestaan.
Maar wellicht hebben enkelen onder u zich al de volgende vraag gesteld.
Als de kerk dan toch haar einde beleefde, dan was de doelstelling van
de apostelen toch ernstig in gebreke gebleven? Ze brachten wel een getuigenis
voor het volk dat leefde aan de Middellandse Zee maar de rest van de
wereld bleef wel behoorlijk in de kou staan. Was het niet ‘redelijker’
voor een God om Zijn kerk te laten bestaan? Hij kon in slechtere omstandigheden
toch ook verder te werken? Al was het maar om dat getuigeniswerk over
gans de wereld af te ronden! Dit zou inderdaad correct kunnen zijn!
Maar wie beweert er dat God met dat getuigeniswerk toen niet bezig
was en nog steeds bezig is? De meeste lezers hebben er wellicht nog
nooit over gehoord, maar er bestaat zoiets als ‘Het Boek van Mormon,
een getuige van Jezus Christus’. Er bestaat dus een tweede getuigenis
over Jezus, en die getuigenis heeft zich op de andere helft van de wereldbol
afgespeeld. Dit boek vertelt ons immers de geschiedenis van een volk
dat afkomstig zou zijn uit de stam van Jozef, de zoon van Jacob, en
die op tumultueuze wijze emigreerden naar het huidige Amerika.
Door Moroni, één van de laatste overlevenden, werden
de platen met de ganse geschiedenis van dat verdwenen volk, aan de aarde
toevertrouwd. Een engel zou later (begin 19de eeuw) dit boek aan de
wereld teruggeven. Op die wijze werd de Kerk van Jezus Christus terug
hersteld en bestond er dus ook een getuigenis van heiligen aan het andere
einde van de aarde. Of de lezer nu in die Kerk wil geloven of niet,
laat ik volledig aan hem over. Maar de mogelijkheid dat God persoonlijk
deze gang van zaken heeft georkestreerd, bestaat reëel. Luister
maar even naar de volgende belangrijke profetie van Ezechiël (Ezechiël
37:16-19):
“Mensenkind, neem een stuk hout en schrijf daarop: ‘Juda
en de Israëlieten en die bij hem horen’. Neem dan een tweede
stuk hout en schrijf daarop: ‘Jozef, of Efraïm, en heel Israël
dat bij hem hoort’. Voeg beide stukken dan samen, tot één
geheel in uw hand. Als uw volksgenoten vragen: ‘Leg ons uit wat
u hiermee bedoelt’, antwoord dan: Dit zegt Jahweh de Heer: Dit
betekent dat ik het stuk van Jozef of van Efraïm, en van de stammen
van Israël die bij hem horen, bij het stuk hout van Juda ga voegen
en er weer één geheel van maak in mijn hand.”
Even ter inlichting! In die tijd werden de meeste geschriften op perkamenten
vellen neergeschreven. Als bescherming o.a. tegen het zonlicht werden
die vellen achteraf op een stuk ‘hout’ gerold en in potten
gestopt. Ezechiël profeteert dus dat de geschriften ontstaan uit
Juda (Joodse schriftuur, de Bijbel) zullen samengevoegd worden met de
geschriften afkomstig van Jozef (Het Boek van Mormon?). De getuigenissen
beschreven in de Bijbel en ook die in het Boek van Mormon, moesten dus
blijkbaar dienen om samen een herstel van het evangelie in te luiden..
In de loop van die herstelperiode kan dan de Zoon van de Eigenaar met
een verheerlijkt lichaam naar zijn wijngaard terugkeren om daar zijn
erfenis op te eisen. Maar wat vertelt de Bijbel ons nog meer over dat
herstel? Meer nog! Wat vertelt Jezus over dat herstel?
Iedere gelovige kent de prachtige passage aangehaald in Matteüs
hoofdstuk 17. Het is die passus waar onze Heer zich in een verheerlijkte
staat toont aan drie van zijn apostelen. Voor de ogen van Petrus, Jacobus
en diens broer Johannes veranderde Christus van gedaante. Zijn gelaat
straalde als de zon en zijn kleed werd glanzend als het licht. Opeens
verschenen hun Mozes en Elia, die zich met Hem onderhielden. God persoonlijk
getuigde van Christus door te zeggen:
“Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn behagen heb
gesteld; luistert naar Hem.
Achteraf bij het afdalen van de berg, stelden de apostelen Jezus een
opmerkelijke vraag:
“Waarom zeggen de schriftgeleerden toch dat eerst Elia moet komen?”
(Matteüs 17:10)
Hij antwoordde:
“Inderdaad Elia zal komen om alles te herstellen.”
Nog even vergelijkt Jezus zijn neef Johannes de Doper met Elia. Hiermee
wou Hij voor zijn apostelen de stichting van de Kerk nogmaals bekrachtigen.
Maar wat gebeurde er in werkelijkheid boven op die berg Tabor? Iedere
gelovige zal hierover wel zijn eigen versie hebben. Dus hier volgt dan
maar de mijne.
Zes dagen voor de verheerlijking van Christus op de berg Tabor, voerde
Jezus met Petrus een verhelderend gesprek. Tijdens dat gesprek kondigde
Jezus aan dat Hij de ‘sleutelen van het Koninkrijk’ op die
apostel zou bevestigen (Matteüs 16:19) . Die bevestiging gebeurde
– volgens mij - een week nadien op de berg der verheerlijking.
En dit in aanwezigheid van Jacobus en Johannes die samen met Petrus
de nieuwe kerk zouden leiden. Deze sleutels werden door God aan Petrus
overhandigd met Mozes en Elia als noodzakelijke getuigen. Mozes als
vertegenwoordiger van het lagere priesterschap, Elia als de vanouds
gekende hogepriester.
Maar vanaf 1823 traden analoge gebeurtenissen op in de Verenigde Staten.
Jozef Smith kreeg er het bezoek van een engel die hem voorlichtte over
de goddelijke taak die hem te wachten stond. Wat later verscheen zelfs
God samen met Zijn Zoon aan de onthutste jongeling. Van hen kreeg hij
de opdracht de kerk van Jezus in zijn oorspronkelijke vorm terug tot
leven te brengen. Naar analogie met vroeger zal Jozef Smith samen met
een vriend het lagere priesterschap niet van Mozes maar wel van Johannes
de Doper (priester uit het nieuwe verbond) mogen ontvangen. De Doper
verklaarde tegelijkertijd dat hen later, op de bestemde tijd, het hogere
priesterschap uit de handen van Petrus, Jacobus en Johannes zou verleend
worden. Vanaf de eerste dagen van zijn bediening verkondigde Joseph
Smith de leer van de grote vergadering van Israël waarbij de stammen
Juda en Joseph samen met de tien verdwenen stammen uit het noorden,
terug zouden verenigd worden. En die hereniging zou gebeuren zowel voor
de levenden als voor de doden. De opdracht tot dit werk kwam in 1836
van Mozes (priester uit het oude verbond).
En nu kom ik terug bij de profeet Elia, de tweede persoon die bij de
aanstelling van Petrus als hoofd van de kerk aanwezig was geweest. Volgens
het Oude Testament had Elia in zijn aardse leven de dood niet moeten
ondergaan. Wat concreet betekent dat hij van zijn aardse, lichamelijke
toestand direct in een verheerlijkte gesteldheid was overgegaan …
zonder eerst te ‘moeten’ sterven. Daardoor kwam Elia in
een bijzondere positie tot zowel de levenden als de doden te staan.
Diezelfde Elia gaf Joseph Smith de immense opdracht om het plaatsvervangend
werk voor de overledenen te verrichten. Inderdaad immens want het betreft
alle overledenen die vanaf het ontstaan van de mens nog nooit over de
ware kerk hadden gehoord. Van Elia kreeg Joseph de opdracht te zoeken
naar die overledenen. God is barmhartig en wil iedereen de kans geven
om terug bij Hem te komen. Ook diegenen die in duistere periodes van
de wereldgeschiedenis hebben geleefd! Ook diegenen die in tijden van
onbeperkte goddeloosheid leefden en nooit de kans kregen om iets van
Gods plan te weten te komen. God wil iedere menselijke ziel redden ongeacht
de tijd waarin die moest leven. Over dit werk verkondigde de profeet
Maleachi de volgende hoopvolle boodschap. En het kan niet zuiver toevallig
zijn dat net die tekst de laatste twee verzen uit het Oude Testament
zijn (Maleachi 3:23-24):
“Zie, Ik ga u de profeet Elia zenden voordat de dag van Jahweh
komt, de grote vreeswekkende dag. En hij zal het hart van de vaders
naar de zonen keren en het hart van de zonen naar de vaders, zodat Ik
niet behoef te komen om het land met de ban te slaan.”
Losstaand van deze gebeurtenissen in de 19de eeuw, werden er over gans
de wereld, vrij onverklaarbaar, allerhande organisaties in ’t
leven geroepen. En al de leden van die verenigingen gingen ijverig op
zoek naar hun voorouders. Genealogie of familiegeschiedenis kreeg plots
een voorname plaats in onze wetenschappen toegewezen. Zelfs voor de
leek werd ‘de stamboom’ een must. Sommige onder hen hoopten
allicht op een verre verwantschap met beroemde koningen of prinsen.
Maar de meeste vorsers verrichten dat werk heel minutieus. Maar het
zou dus best wel kunnen dat al dat werk een veel diepere betekenis krijgt
als men rekening houdt met voorgaande uitspraken over ‘vergaderingen’.
Als het inderdaad Christus ‘ vaste voornemen was om ‘iedereen’
de kans te geven het Koninkrijk van zijn Vader binnen te gaan, dan wordt
er ‘heden’ over gans de wereld baanbrekend werk geleverd.
Er zijn godsdiensten die beweren dat allen die geleefd hebben voordat
Christus op de aarde kwam, onherroepelijk het koninkrijk aan hun neus
zagen voorbijgaan. Na de dood van Jezus vond men het dus ook vrij logisch
dat men zich na de geboorte direct moest laten dopen, ongeacht men nu
geloofde of niet. Het hoeft dus geen bewijs dat God op die manier helemaal
niet rechtvaardig zou zijn geweest voor iedereen. Maar via het werk
voor de doden kan iedereen toegang krijgen tot de zegeningen die alleen
het evangelie kan bieden. De brief van Paulus aan de Hebreeën geeft
ons volgend nadenkertje (Hebreeën 11:40) :
“God had met ons iets beter voor en wilde niet dat de overledenen
hun voleinding, hun vervolmaking, zouden bereiken zonder ons.”
‘Het hart van de vaders zal zich naar de zonen keren en het hart
van de zonen naar de vaders’. Daarna kan God zijn verheerlijkte
Zoon terug naar de wijngaard sturen. Dan is er geen banvloek nodig om
al de vruchten te vergaren. Dan kan de Zoon de wens van zijn Vader in
vervulling laten gaan en het eeuwige leven van de mens voorgoed verzegelen.
'Hou de Mormonen in ’t oog!’ zou ik als besluit durven
zeggen ‘Want schijnbaar hebben die de taal van de engelen al danig
onder de knie.’