In 2007 is het 150 jaar geleden dat de ‘Mountain Meadows
Massacre’ (in Zuidelijk Utah) plaatsvond. Na zoveel jaren blikken
nog steeds heel wat mensen met afschuw terug naar dat onzinnig bloedbad
dat werd aangericht door een vijftigtal mormoonse pioniers.
van de MVG redaktie:
De tragische gebeurtenissen rond de zgn. 'Mountain Meadows Massacre'
- het bloedbad op Mountain Meadows in 1857 - vormen ook nu nog aanleiding
voor de meeste heiligen der laatste dagen e.e.a. het liefst maar zo
snel mogelijk te vergeten (als men er al van op de hoogte is) en vormen
aan de andere kant een dankbare aanleiding voor anti-mormoonse elementen
om hun argumenten kracht bij te zetten.
Beide benaderingen zijn niet bepaald realistisch.
Duidelijk moge zijn dat na 150 jaar, noch de ontkenningen, noch de beschuldigingen
tot zinvolle conclusies hebben geleid.
Weldenkende mensen zullen het er over eens zijn dat het zaak is om onderscheid
te maken tussen hetgeen religieuze stromingen prediken en hoe individuele
volgelingen handelen. Individuele beeldenstormers kunnen nauwelijks
als representatief gelden voor het Protestantisme, maar waren een al
dan niet begrijpelijke reactie op en in een bepaalde situatie. Weldenkende
mensen begrijpen ook dat het onredelijk is om de gewelddadige aanslagen
in de VS op 11 september 2001 in de schoenen te schuiven van de Islam;
onredelijke en extreme reacties aan beide zijden hadden echter wel tot
gevolg dat het aantal slachtoffers na de ramp vele malen groter was
dan op 11 sept. zelf! De energie en miljarden die worden aangewend om
elkaar te bestrijden zouden, indien op positieve wijze gebruikt, kunnen
helpen om bijv. armoede in de wereld te bestrijden. Niet het Protestantisme,
de Islam, of het Mormonisme zijn het probleem, maar individuen die door
hun persoonlijk falen als mens zo'n schril contrast vormen met het gedachtengoed
van de geloofstraditie waarvan zij deel uit maken.
Ontkenning, noch beschuldiging helpen ons verder, wel het aangaan van
een oprechte dialoog over de factoren die ten grondslag liggen aan dergelijk
menselijk falen, opdat we ervan mogen leren en hopelijk niet dezelfde
fouten maken.
MVG heeft gemeend de dialoog niet uit de weg te moeten gaan, en laat
zowel kritische als apologetische geluiden aan het woord.
MVG columnist Jan Gillis schreef een Nederlandstalige bewerking van
een uiterst kritische studie uit 1910 door Josiah F. Gibbs, terwijl
apologetische beschouwingen kunnen worden gevonden op de navolgende
internetpagina's:
BYU Studies:
Mountain Meadows Massacre
Mountain
Meadows Massacre Information
FAIR:
Shining New Light on the Mountain Meadows Massacre
We nodigen u uit zelf uw mening te vormen, hopelijk met de aanbeveling
in gedachte van president Gordon B. Hinckley om: "de hele zaak
in de handen van God te geven die in alles rechtvaardig is. Zijn wijsheid
overstijgt die van ons in hoge mate."
Bloedbad op Mountain Meadows
Een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de mormoonse pioniers
Jan Gillis
Opmerking van de auteur:
De meeste personen die het gebeuren te Mountain Meadows geanalyseerd
hebben, situeren de aanvallen met uiteindelijk de moordpartij tussen
dinsdag 8 september 1857 en vrijdag 11 september 1857. Sommige bronnen
echter verschuiven deze nare geschiedenis met vijf dagen en spreken
van de periode tussen zondag 13 en woensdag 16 september 1857. Aangezien
President Gordon B. Hinckley er tot de aanwezigen sprak op 11 september
1999 en dit ter gelegenheid van een herdenkingsbijeenkomst, gebruik
ook ik de periode van 8 tot 11 september.
In 2007 is het 150 jaar geleden dat de ‘Mountain Meadows Massacre’
(in Washington County) heeft plaatsgegrepen. Na zoveel jaren blikken
nog steeds heel wat mensen met een begrijpelijke afschuw terug naar
dat onzinnig bloedbad dat werd uitgevoerd door een vijftigtal mormoonse
pioniers.
Laat me van bij het begin één ding duidelijk stellen:
ook voor een welwillende mormoon van de 21ste eeuw, een mormoon die
‘nu’ in een tijd van openheid leeft, is het schetsen van
een exact beeld van de gebeurtenissen van ‘toen’ een haast
onmogelijke en moeilijke taak geworden. Om toch enigszins zo correct
mogelijk de feiten naar voor te brengen, heb ik beroep gedaan op de
studie die Josiah F. Gibbs in 1910 over het voorval publiceerde. Zijn
ganse uitleg over ‘het waarom’ van de gebeurtenissen, getuigt
onmiskenbaar van een overtuigd anti -mormonisme. Gezien de ernst van
de feiten, is zijn houding wel enigszins te begrijpen en daarom ook
te vergeven. Maar dat wil niet zeggen dat ik zijn mening volledig deel
… Integendeel! Maar juist door zijn anti -kerkelijke instelling
kon hij zich geen foutieve gegevens permitteren. Bij de minste afwijking
met de echte feiten zou zijn tegenpartij (lees hier: de hogere priesterschap
in de mormoonse kerk) direct het tegendeel van zijn visie trachten te
bewijzen. En dat wou Gibbs ten allen tijde vermijden. Vandaar dat vandaag
de dag zijn gegevens mij wel het meest betrouwbaar lijken. Zijn commentaar
echter komt, ondermeer door die anti – mormoonse ingesteldheid,
als minder integer over.
Door de plaatselijke bevolking werd indertijd (na het bloedbad) een
vorm van geheimhouding gehanteerd die nu als verwerpelijk zou worden
bestempeld (ook Gibbs maakt daar heel wat misbaar over). De gebeurtenissen
echter hadden plaats in het uiterste zuidwesten van Utah op 10 dagreizen
van Salt Lake City (de nederzettingen in Iron en Washington County waren
nog geen zes jaar oud en lagen op gemiddeld 270 mijl van Salt Lake City).
De bevolking die daar leefde was betrekkelijk schaars te noemen en kreeg
bovendien de evolutie in berichtgevingen meestal als laatste toebedeeld
(een koerierdienst bestond er trouwens nog niet). Daarenboven kende
iedere bewoner van Cedar City wel iemand in zijn familie die aan de
slachtpartij had deelgenomen. Toekomstige generaties vrijwaren van mogelijke
smet, bleek voor velen helaas de menselijke prioriteit nummer één
te worden.
Na de feiten praatte dus niemand nog zijn mondje voorbij!
Bovendien leefde iedereen van Utah (Deseret) in die tijd onder hoogspanning
want in de lente van 1857 hadden de Verenigde Staten er zowaar mee gedreigd
om een federale troepenmacht van 2500 man (onder leiding van generaal
Albert Sydney Johnston) naar hun staat te sturen. En dit om o.a. definitief
een einde te maken aan het meervoudig huwelijk. Polygamie werd immers
door de rest van het Nieuwe Continent niet meer getolereerd en aan die
hemeltergende praktijken (men sprak zelfs van een open rebellie tegen
de Verenigde Staten) zou resoluut een einde worden gesteld … Desnoods
met geweld.
Utah onder leiding van de gouverneur – profeet Brigham Young,
voelde zich dus in staat van oorlog! Voor de mormonen was de ‘Utah
War’ (1857-1858) een onafwendbare werkelijkheid geworden.
En op dat ogenblik arriveert een groep emigranten onder leiding van
Kapitein Charles (of was zijn voornaam Alexander?) Fancher (verder de
Fancher Company genoemd) in Salt Lake City. Deze emigranten wilden met
hun hebben en goed (vooral vee) naar het veelbelovende Californië
reizen om daar een nieuw (en beter) leven te kunnen opstarten. De karavaan
van huifkarren telde ongeveer 150 mensen: 120 volwassenen en een dertigtal
kinderen. En zoals het bij iedere groep mensen past (dus ook bij de
mormonen), konden ook hier vogels van verscheidene pluimage opgemerkt
worden. Maar vooreerst wil ik spreken over het grote probleem waarmee
deze karavaan te kampen had.
Eten!
Zoals reeds gezegd bevond Utah zich op het randje van een oorlog waarvan
niemand de afloop kon voorspellen! Iedereen zette onverwijld zijn hoop
op de Heer en zijn spreekbuis hier op aarde … de profeet. Zoals
ook de dag van vandaag iedere heilige der Laatste Dagen van de profeet
de goede raad krijgt om voorraden aan te leggen om minder goede (zeg
maar slechte) dagen te kunnen overleven, zo ook kregen de heiligen bij
de aanvang van die bewuste oorlog van de profeet haast dagelijks datzelfde
advies voorgeschoteld. Kortom! Vanaf dat moment werd ‘eten’
door iedere gelovige zondermeer als het kostbaarste goud behandeld.
En als eerste mocht ook de Fancher Company, een groep niet-mormonen
(de Gentiles), daaraan geloven. Voor hun was in Salt Lake nog amper
eten te verkrijgen. De emigranten ‘zagen’ wel eten voor
hun neus liggen maar kregen het helaas niet ‘te koop aangeboden’.
Voor al die hongerige magen (denk aan al de kinderen in de karavaan)
was er wel veel vraag naar eten maar spijtig genoeg bleef het aanbod
van de lokale bevolking achterwege. De karavaan verliet Salt Lake City
met een groot tekort aan proviand. In Nephi, zo’n 100 mijl ten
zuiden van Salt Lake, probeerden ze bloem te kopen bij een zekere ‘Red
Bill’ Black … maar tevergeefs! Een gelijkaardige poging
werd te Fillmore (60 mijl ten zuiden van Nephi) ondernomen maar blijkbaar
met hetzelfde resultaat.
Te Corn Creek, 14 mijl ten zuidwesten van Fillmore, hielden de emigranten
een halte van enkele dagen. Ze wilden hun paarden en koeien de kans
geven om op krachten te komen door ze daar wat te laten grazen. Eén
van hun koeien stierf ter plaatse (van uitputting?). Het dode dier werd
achteraf door de Pahvan indianen opgegeten. Blijkbaar was het dier niet
al te gezond meer want prompt stierven er ook een viertal indianen.
Door veel mormonen werd dat voorval maar al te gretig aangegrepen om
te bewijzen dat alleen de indianen de karavaan hadden uitgemoord. Vergiftigd
vlees! Hadden die onbetrouwbare emigranten niet bewust het vlees van
die dode koe vergiftigd om er indianen mee te doden? En hadden ze ook
niet het water van die nabijgelegen bron vergiftigd? Tijdens het tweede
proces tegen John Doyle Lee (de hoofdbeschuldigde van de slachtpartij)
in september 1876 zou een mormoonse indianentolk, Nephi Johnson, getuigen
dat hij bij de aanval van de indianen op het konvooi, ‘nooit’
Pahvan indianen had opgemerkt. Die dode koe was dus zeker niet de aanleiding
van de slachtpartij geweest.
Te Beaver, zo’n 48 mijl verwijderd van Corn Creek, ondernamen
de emigranten weerom een nutteloze poging om aan voedsel te geraken.
De stemming in de karavaan begon zo stilaan haar dieptepunt te bereiken.
Met de moed der wanhoop trokken ze verder naar Parowan, 30 mijl ten
zuiden van Beaver. De emigranten kampeerden er juist buiten het fort
waar de mormonen leefden. Op een haast onverklaarbare manier hadden
ze daar een hoeveelheid tarwe kunnen kopen. Maar de nederzetting bezat
spijtig genoeg geen molen.
Te Parowan gebeurde er wel iets meldenswaardig! Samen met enkele andere
bewoners van het fort, bezocht Ouderling William Laney (Ouderling: graad
in het priesterschap) het kamp van de emigranten. Meteen werd hij er
herkend door William A. Aden, een 19-jarige kunstenaar uit Tennessee.
Als zendeling had William Laney nog in Paris gewerkt. Tijdens één
van zijn bekeringstoespraken tot de inwoners van Paris, had toen onze
wel wat jongere kunstenaar ‘voor de grap’ een klein kannonnetje
(om vogels mee van het veld te verjagen) in de nabijheid van onze zendeling
afgevuurd. Die dacht dat zijn leven op het spel stond en zette het op
een lopen. Achteraf zou de vader van de ‘kanonier’ de zendeling
onderdak verlenen.
Het weerzien tussen de twee vrienden verliep dus heel gemoedelijk en
uiteraard nodigde Ouderling Laney zijn vriend Aden uit om bij hem thuis,
binnen het fort dus, wat te komen bijpraten. Maar al te graag nam onze
kunstenaar deze invitatie aan. Thuis bij de ouderling, zag de jonge
Aden dat zijn vriend heel wat ajuinen in zijn tuin kweekte. Uiteraard
vroeg hij of er te koop waren. Terstond zond de ouderling zijn twee
vrouwen de tuin in om er wat te plukken en gaf ze als geschenk aan de
jonge kunstenaar mee. Tijdens het proces verklaarden getuigen dat na
dit ‘incident’, de bisschop van Parowan (William H. Dame)
de gebroeders Carter naar het huis van Laney stuurde om daar zijn ongehoorzame
‘ouderling’ eens een flink lesje te leren. Voor zijn voordeur
werd de man vlot in mekaar getimmerd. Dank zij de hulp van zijn twee
vrouwen kon onze onfortuinlijke altruïst nog vlug in veiligheid
worden gebracht. Met dit voorbeeld wil ik maar even aantonen hoe ‘explosief
gevoelig’ de term ‘eten’ wel bij de twee partijen
lag.
Vanuit Parowan trok de karavaan 18 mijl verder naar het zuidwesten.
In Cedar City (in Iron County) aangekomen kregen ze eindelijk hun tarwe
gemalen (een zekere Joseph Walker deed dat werkje voor hen) maar verdere
provisies konden ze weerom niet innemen. Cedar City was wel de laatste
stad die op hun route naar Californië lag. Het was dus hier of
nooit dat onze reizigers nog aan wat proviand moesten geraken.
En juist vanaf dit moment komen de meningen van mormonen en niet-mormonen
haakrecht tegenover mekaar te staan.
Volgens de niet-mormonen had de karavaan ‘vergeten’
om in Salt Lake City een toelating te vragen om ‘probleemloos’
Utah te kunnen doorkruisen. Omwille van de oorlogsdreiging had de profeet
Brigham Young die toelating in leven geroepen om zo beter ‘zijn
grondgebied’ te kunnen controleren. Volgens bepaalde bronnen zou
Brigham Young op 24 juli 1857 het slechte nieuws hebben ontvangen dat
het leger van Johnston op weg was naar Utah.Volgens hun dus een reden
te meer om van die toelating prioriteit nummer één te
maken. De ringpresident Isaac C. Haight van Cedar City was ‘de
allerlaatste kans’ om de karavaan die toelating te bezorgen. Aangezien
ze allemaal Amerikaanse burgers waren, weigerden de emigranten (nog
steeds volgens de niet-mormonen) pertinent om die toelating aan te vragen.
Isaac Haight zag hierin een duidelijke aansporing om de lont in ’t
kruitvat te mogen steken. Voor zover de mening van de niet-mormonen.
Volgens de mormonen echter was er op dat moment nog steeds
geen sprake van een toelating om Utah te mogen doorkruisen. De proclamatie
over die toelating kwam er pas op 15 september 1857 vlak na de Mountain
Meadows Massacre.
De niet-mormonen beweren dat de leiding van de kerk achteraf de datum
van die proclamatie heel bewust van 24 juli naar 15 september heeft
veranderd. Hierover wil ik nog even graag mijn eigen mening kwijt. Als
de profeet inderdaad de datum van zijn proclamatie bewust van ca. 24
juli naar 15 september zou veranderd hebben, zouden ‘alle’
mormonen hier weet van hebben gehad. Die proclamatie van 24 juli zou
inderdaad zo vlug mogelijk verspreid zijn geworden om alle mormonen
er ‘direct’ van op de hoogte te brengen. De verandering
van die uitgiftedatum naar een datum na die verschrikkelijke gebeurtenissen,
zou bij heel wat kritische mormonen (en die bestonden er in die tijd
ook al) serieuze vragen hebben opgeroepen over de integerheid van hun
‘profeet’. Wellicht zou zelfs het mormonisme binnen de rangen
van de kerkleden sterk in vraag zijn worden gesteld. Maar er gebeurde
niets! Hetgeen alleen in het voordeel van Brigham Young kan spreken.
Volgens de inwoners van Cedar City was het gedrag van de emigranten
daarentegen ook ongewoon brutaal te noemen. Ze gedroegen zich ‘uitdagend’
en ‘luidruchtig’ en tartten de stadsleiders zodanig dat
die wel verplicht waren ‘iets’ te ondernemen om de lieve
vrede te herstellen. Enkele emigranten uit Missouri bluften er zelfs
mee dat ze indertijd mee geholpen hadden aan de uitdrijving van de mormonen
uit hun staat (met als gevolg dat de trek naar het westen in volle wintertijd
heel wat doden bij de pioniers veroorzaakte). Iemand moet zelfs geroepen
hebben dat hij erbij was toen ‘old Joe Smith’ in de gevangenis
van Carthage in Illinois overhoop werd geknald. Bovendien werd er gewag
gemaakt van enkele plunderingen om aan voedsel te geraken. Er klonken
roofbedreigingen aan het adres van de kleinere gehuchten en ranches
die de karavaan onderweg naar de Santa Clara rivier nog moest passeren.
De nood aan voedsel leek zijn hoogtepunt bereikt te hebben! De karavaan
vertrok uit Cedar City!
De daaropvolgende zondag bij valavond (waarschijnlijk 30 augustus 1857)
kwam het quorum van de priesterschap bijeen om hun wekelijkse vergadering
te houden. De gemoederen raakten er meer dan verhit!
Ondertussen trok de Fancher Company verder in westelijke richting om
ergens buiten Cedar hun kampen op te slagen. Daar pleegden ze (volgens
mormoonse bronnen) hun laatste plunderingen en gebruikten ze het hout
van de omheiningen om er kampvuren mee aan te maken. Vele runderen en
paarden konden zo via bressen in de schuttingen gemakkelijk hun vrijheid
herwinnen. De emigranten vervolgden hun weg naar Californië en
naderden Mountain Meadows, zo’n 1800 m (6000 voet) boven de zeespiegel.
De nachten waren er wel koel! Maar wat hen nog te wachten stond, verontrustte
hen veel meer. Na 3 à 4 dagreizen zouden ze terechtkomen in de
hete, zanderige vlakten van Zuid – Nevada waar de enige waterbronnen
zo’n 50 mijl uit elkaar lagen! Hun vee stond er harde tijden te
wachten! Ze besloten hun dieren genoeg krachten te laten opnemen …
Daarvoor kozen ze Mountain Meadows!
Ondertussen ziedde de mormoonse bevolking van woedde. Met een oorlog
voor de deur die - wie weet - misschien gepaard zou gaan met de wederkomst
van de Heer Jezus Christus, waren ze niet zinnens om zomaar hun voorraden
te laten stelen.
En wat gebeurde er tijdens die memorabele vergadering van het priesterschap
in Cedar City (waarschijnlijk) die laatste zondag van augustus? Wie
nam er allemaal aan deel … en vooral … wat werd er allemaal
gezegd … of beslist?
Vooreerst was er Isaac C. Haight, de president van de ring ‘Parowan’.
In die functie rapporteerde hij rechtstreeks aan de profeet Brigham
Young. Bovendien was hij luitenant kolonel in het mormoonse leger van
Iron County.
John M. Highbee woonde te Cedar City en was de eerste raadgever van
Isaac C. Haight in het ringpresidium van de ring Parowan. Hij was majoor
in het leger van Iron County.
De bisschop van de Parowan wijk binnen de Parowan ring heette William
H. Dame en was een kolonel in het militaire district van Iron County
en Washington County. Op militair vlak was Dame dus de meerdere van
Haight. Op godsdienstig gebied moest hij echter wel gehoorzamen aan
diezelfde Haight.
Philip Klingensmith was de bisschop van de Cedar wijk en Samuel Mc
Murdy was zijn eerste raadgever.
Praktisch iedere mannelijke mormoon is drager van het priesterschap.
Dus op die vergadering in Cedar City waren alle mannen aanwezig. Hoogstwaarschijnlijk
was het Isaac Haight persoonlijk die met het idee speelde om de karavaan
uit te moorden. Zijn voorstel gooide hij meteen in het quorum als een
stok in het spreekwoordelijke kippenhok. Zoals verwacht ontstond er
heel wat deining in de gelederen van het priesterschap. Niet iedereen
ging zomaar klakkeloos akkoord met die suggestie. Op dat moment kwam
Laban Morill het vergaderlokaal binnengestapt. Als verantwoordelijke
voor het geestelijke en materiële welzijn van de heiligen in Johnson’s
Fort, een kleine nederzetting zo’n 6 mijl ten noorden van Cedar
City, straalde die man heel wat charisma uit. Uiteraard vroeg hij naar
de reden van al die opwinding. Meteen was deze broeder gekant tegen
het plan. Hij wees op het onmenselijke van de daad en noemde het vooral
… onwijs. Volgens het getuigenis van Laban Morrill op het proces
van John D. Lee waren het vooral president Haight en bisschop Klingensmith
die nogal moeilijk hun wreed geesteskind konden dumpen. Maar uiteindelijk
forceerde Morrill toch een soort compromis. Aangezien Brigham Young
van hun plannen nog niet op de hoogte was, stelde Laban voor om alleen
de profeet over deze aangelegenheid te laten beslissen. ‘Unaniem’
werd er door het quorum besloten om de volgende dag nog een boodschapper
naar hun profeet te sturen.
En zo geschiede! Maandag 31 augustus in de namiddag vertrok James H.
Haslam op zijn tiendaagse memorabele reis naar Salt Lake City. Waarschijnlijk
bereikte de man eerst zijn bestemming op 11 september 1857. Van een
mogelijke gril van het noodlot gesproken!
Op het proces zou Laban Morrill verklaren dat hij toen die bewuste
vergadering nochtans verliet met het ‘gevoel’ dat ‘alles
wel was in Zion’.
Wat er juist gebeurde weet niemand maar blijkbaar konden Isaac Haight
en Philip Klingensmith moeilijk hun ‘toegeving’ aan Laban
Morrill verwerken. Tijdens de week die daarop volgde werd er een nieuwe
vergadering belegd en nu waren niet meer alle broeders aanwezig. Wel
werd een zekere John Doyle Lee gecontacteerd, een boer die de Indianen
leerde hoe ze de grond moesten bewerken. Niettegenstaande hij in het
priesterschap geen noemenswaardige functie bekleedde was Lee zeker niet
onintelligent te noemen. Zijn vader behoorde tot de betere klasse van
Virginia en had zich indertijd tegen de ‘bekering’ van zijn
zoon gekant. Lee was wel heel volgzaam en vooral … gehoorzaam.
Voor het uitvoeren van zijn plannen kon Isaac Haight best zo iemand
gebruiken. Zonder nog rekening te houden met de reeds genomen beslissing
van het quorum, legde de president de boer zijn voornemen uit.
En de boer … die knikte maar ja!
Tijdens zijn proces verklaarde John D. Lee dat tijdens hun discussie
die bewuste nacht, Haight hem verzekerde dat het uitroeien van de emigranten
‘de wil was van allen die in de kerk autoriteit bezaten’.
Volgens hem beweerde Haight dat de emigranten geen paspoort bezaten
om zomaar door het ‘in oorlog’ verkerende land te mogen
trekken en dat ze daarom gewoon als vijanden moesten beschouwd worden
… . Ofwel liegt hier John D. Lee, ofwel heeft de kerk toch die
uitgiftedatum van de proclamatie vervalst, ofwel wist Isaac Haight,
als ringpresident, van de plannen van de profeet af. De waarheid is
helaas nog moeilijk te achterhalen!
Tijdens de nacht die volgde werd het complot volledig uitgewerkt. Nephi
Johnson (dezelfde die later ook zou getuigen dat er geen Pavlan indianen
aan de slachting hadden deelgenomen), een negentienjarige indianentolk,
werd opgetrommeld en kreeg de opdracht om de indianen uit de omtrek
‘op te hitsen’ en dan door te sturen naar de Meadows. Nephi
moest de indianen voorhouden dat de ‘Mericats’ (de niet-mormonen)
in oorlog waren met de mormonen en de indianen. De emigranten trokken
naar Californië met het doel om daar zo vlug mogelijk een leger
op de been te brengen. Ook Carl Shirts, de schoonzoon van John D. Lee,
moest de indianen uit St. George samenroepen en Oscar Hamblin moest
zijn indianen uit Santa Clara naar de Meadows voeren. Bij hun terugkeer
zouden immers de emigranten samen met een immens groot leger, zowel
de mormonen als de indianen compleet komen uitmoorden. De drie jongeren
mochten de indianen ook voorhouden dat er in hun rangen geen doden zouden
te betreuren vallen. De Heer van de mormonen zou in de uitvoering van
deze heilige opdracht ook hun manschappen bijstaan en zegenen. Achteraf
zou Nephi Johnson op het proces getuigen dat hij de opgelegde taak niet
durfde weigeren. Waarschijnlijk was angst om uit de mormoonse gemeenschap
verstoten te worden (excommunicatie), zijn enigste motief om mee te
doen. Want … moest er ooit zoiets met hem gebeuren, wat zou hij
dan als negentienjarige, plots zonder enige familie, in het verre westen
nog kunnen uitrichten?
De kaarten waren dus geschud … en uitgedeeld geworden!
Dinsdag 8 september!
Ochtend!
In het kamp van de emigranten heerste er al heel wat bedrijvigheid.
De dageraad kwam nog maar pas in de lucht en vandaag zouden ze eindelijk
hun reis naar het verre Californië verder zetten.
De voorbije nacht maakten ook Oscar Hamblin en veertien andere blanken
(uit St. George) zich klaar aan de Santa Clara rivier. Met de glimlach
om hun lippen keken ze zelfvoldaan in de richting van een bende roodhuiden
die van op hun briesende paarden ongeduldig om zich heen keken. Haast
geluidloos zette de troep zich in beweging richting Mountain Meadows.
Vanuit het duister, zonder enige waarschuwing, spuwden geweerlopen
plots vuur. Krijsende indianen bestormden de kris kras naast elkaar
opgestelde huifkarren. Met gegil van vrouwen en kinderen werden hun
oorlogskreten beantwoord. Ondanks de verrassingsaanval stonden de mannelijke
emigranten vrij vlug paraat. Vliegensvlug richtten ze hun vuurwapens
op de naderende wilde meute en schoten. Drie indianen stuikten van hun
paarden en vielen dood op de grond neer. Verscheidene anderen raakten
gewond. Even vlug als de aanval was begonnen, gebeurde ook het terugtrekken
van de inheemse troepenmacht. Totaal verbijsterd likten de indianen
achteraf hun wonden.
Waarom had die God van de mormonen, zoals beloofd, hen niet geholpen?
Direct werd Lee erbij gehaald! Achteraf op zijn proces beweerde Lee
dat hij alleen maar de woede van de uit Cedar en Parowan afkomstige
indianen wou sussen door hen direct versterking te beloven vanuit Santa
Clara. Hijzelf vond dat de emigranten ‘al voldoende gestraft’
waren. Lee hield vol dat hij de voorbije nacht in tranen en smeekbeden
had doorgebracht … maar van God had hij geen hulp ontvangen.
Onmiddellijk na de eerste aanval trokken de emigranten hun huifkarren
in een cirkel. In het centrum van de koraal werd een put gegraven groot
genoeg om bij een nieuwe aanval vrouwen, kinderen en gewonden in veiligheid
te kunnen brengen.
Die avond sloop William Allen Aden (de kunstenaar) samen met twee andere
jongeren, weg uit het kamp. Dank zij de duisternis konden ze zorgvuldig
hun vijand ontwijken en begaven zich richting Cedar City. Was het hun
bedoeling om daar hulp of/en bijstand te kunnen vinden? Of wilden ze
misschien de echte waarheid achterhalen door de één of
andere samenkomst te gaan afluisteren? … Plots werden ze aangeroepen
en tot staan gebracht door William C. Stewart, een lid van de Cedar
City raad en tevens een hogepriester. Tot op heden weet niemand wat
er precies is gebeurd! Vroegen William Aden en zijn vrienden om hulp?
Of zetten ze het plots op een lopen? Feit is dat Stewart samen met een
andere nachtwaker in hun richting vuurde. William werd in de rug geraakt
en zeeg dood neer. Eén van de twee andere jongens werd gewond
maar kon met de hulp van zijn kameraad nog tijdig het kamp bereiken.
Woensdag 9 september!
In de voormiddag arriveerden Lee, de veertien andere blanken uit St.
George, en de ganse troep roodhuiden in de buurt van Mountain Meadows.
Tijdens zijn proces bleef Lee hardnekkig volhouden dat hij vandaar nog
een boodschap naar Haight had gestuurd. Koste wat kost wou hij immers
het leven van die arme emigranten sparen. Higbee, de raadgever van Haight,
zou er vanaf dat moment ook bij zijn geweest.
Diezelfde dag nog, in de namiddag, begaf Lee zich op speurtocht over
de Mountain Meadows (‘om de situatie te overzien’). De emigranten
zagen dat een blanke over de Meadows liep. Vrij onmiddellijk staken
ze een witte vlag omhoog. Charley Fancher, zoon van de kapitein, liep
samen met een andere jongen naar hem toe maar vliegensvlug verborg Lee
zich ergens in het struikgewas (‘omdat Haight hem nog geen uitsluitsel
over het lot van de emigranten had gegeven’). Ontgoocheld keerden
de twee jongens terug naar het kamp. Op hen werd er niet geschoten!
Die avond werd het startsein voor de tweede aanval gegeven! In een
verstikkende duisternis klonk weer het pijnlijk geschreeuw van vrouwen
en kinderen. Volgens Lee hebben hij en Oscar Hamblin toen nog hun uiterste
best gedaan om de indianen te kalmeren. Wenend smeekte Lee ‘zijn
strijders’ om dat moorden een halt toe te roepen! Volgens hem
zou het antwoord van het grote mormoonse Opperhoofd uit Cedar City niet
lang meer op zich laten wachten …
Waarheid of valse pathos? Wie zal het zeggen!
Donderdag 10 september!
Valavond!
Een derde aanval op de karavaan barste in alle hevigheid los. Onverbiddelijk
werd het kamp door pijlen getroffen en vielen er doden en gewonden.
Maar weer bleek de weerstand van de emigranten te groot. Doordat er
ook aan indianenzijde een man sneuvelde en drie anderen ernstig verwond
raakten, werden de indianen uit Santa Clara dit oorlogsspelletje beu.
Vlug stalen ze wat vee van de emigranten en verdwenen als dieven in
de nacht.
Vrijdag 11 september!
Namiddag! ca. 14.00h
Ongeveer die tijd stapte de mormoon William Bateman, met een witte vlag
in zijn hand, in de richting van het kamp van de emigranten. Naast hem
liep Lee. Zwaaiend met zijn vlag kwam Bateman tot vlak bij de huifkarren
… en wachtte.
Na een tijdje kwam vanuit het kamp van de emigranten iemand naar buiten
(een zekere Hamilton?) en naderde Bateman. Er volgde een kort gesprekje
waarna de emigrant terug in het kamp verdween. Even later kwam hij terug
en deelde Bateman mee dat iedereen in het wagenkamp zich onder de bescherming
van het witte wapenstilstandsvaandel wilde plaatsen. Weer wuifde Bateman
met de vlag.
Werd hiermee het sein voor een haast onvergeeflijke misdaad gegeven?
John D. Lee, Samuel McMurdy (eerste raadgever van bisschop Klingensmith)
en een zekere Samuel Knight uit Santa Clara repten zich samen met hun
mannen naar de koraal. Gewillig trokken de emigranten hun huifkarren
weg zodat ze binnen konden rijden. Om over de condities in het kamp
te spreken, laat ik liever John Doyle Lee aan ’t woord:
‘Toen ik hun vesting binnenkwam, werd ik dadelijk door compleet
ontstelde mannen, vrouwen en kinderen omringd. Sommige dachten dat hun
tijd van bevrijding gelukkig was aangebroken. De anderen keken me met
tranen in de ogen aan. Ondanks hun diepe ellende zag ik er enkel twijfel,
wantrouwen en angst in. Ik bevond me in een pijnlijke situatie. Als
ik nog maar dacht aan de wrede, onmenselijke rol die me was toebedeeld,
leken mijn hersenen wel in brand te komen staan… Ik gaf hun mijn
boodschap. Ik vroeg de mensen hun wapens in de huifkar te leggen zodat
de indianen geen vijandschap zouden vermoeden. Ik beval hen de kinderen
en gewonden in huifkarren te zetten. Op het moment dat de huifkarren
geladen waren, kwam adjudant Dan Mc Farland (van St. George) de koraal
binnengereden. Hij zei dat majoor Higbee (raadgever van de ringpresident)
bevolen had om er wat spoed achter te zetten omdat hij anders vreesde
dat de indianen misschien zouden weerkeren om een nieuwe aanval uit
te voeren.’
Zonder dat de emigranten hen konden zien, naderden zo’n vijftigtal
andere blanken het kamp. Bovendien hielden zich wat verderop nog een
tweehonderdtal indianen schuil.
Als eersten, ieder gezeten op de bok van zijn huifkar, reden Lee en
Mc Murdy de koraal uit. Lee nam de verantwoordelijkheid voor de vrouwen
en de kinderen boven 8 jaar op zich. Achter hen reed de wagen met Knight
aan de teugels. In zijn wagen zaten alleen kinderen onder de 8 jaar
en … twee gewonden. Dan pas mochten de mannelijke emigranten …
mooi op één rij achter elkaar … naar buiten komen.
Op dat moment kwamen vanachter de glooiingen de vijftig andere mormonen
tevoorschijn en escorteerden de mannen.
Zodra de drieste stoet de troep indianen zou bereikt hebben, zou door
Major Higbee van op een heuvel het startsein gegeven worden …
Van zodra de vuurwapens knalden, sprong Mc Murdy van zijn kar en rende
naar de wagen van Knight. Vol doodsangst keken de twee gewonden in de
loop van zijn pistool. Er volgden twee schoten …
In al de commotie die er volgde, trachtten twee jonge meisjes, Rachel
(of Nancy?) en Ruth (of Ellender?) Dunlap, respectievelijk 16 en 18
jaar oud, aan de slachting te ontsnappen. Vlak in hun nabijheid lagen
er een paar verdorde, holle eiken waarin ze zich konden schuilhouden.
Hun schijnbaar geluk duurde niet voor lang. Door het opperhoofd van
de Parowan werden ze brutaal vanuit hun onderkomen gesleurd en tot bij
John Lee gebracht. Onmiddellijk zag het opperhoofd wat Lee van plan
was.
‘Deze twee zijn toch te mooi om gedood te worden?’ riep
de indiaan nog uit.
‘Spaar mijn leven en ik zal jou beminnen! … Gans mijn leven!’
schreeuwde Ellender een verbijsterde Lee nog toe.
Na die woorden sneed Lee de twee zussen hun keel over. Achteraf konden
hun naakte, opgezwollen lijken met de hulp van een zestienjarige indiaan
(Albert) geïdentificeerd worden. (Die aanklacht heeft Lee altijd
ontkend)
Van Calvin, een jongetje van zeven, is geweten dat hij bij zijn moeder
bleef tot het bittere einde. Wanhopig bleef de kleine maar de pijlen
uit de rug van zijn mama trekken tot ze uiteindelijk bezweek. Zijn familienaam
kon het jongetje zich achteraf niet meer herinneren.
Volgende families verdwenen in één klap van de aardbodem:
De familie Dunlap, 17 in aantal
De familie Fancher, 12
De familie Tackitt, 10
Cameron, 8
Baker, 7
Huff, 5
Mitchell, 5
Beller, Baker, Beach, Edwards etc.
Volgens Nephi Johnson duurde de uitmoording nog geen 3 minuten.
Zeventien kinderen onder de 8 jaar bleven gespaard alhoewel sommige
onder hen heel zware verwondingen hadden opgelopen. Zo was bij een baby
van amper één jaar oud, de onderarm afgeschoten geworden.
De meeste wezen werden bij mormoonse gezinnen in de buurt ondergebracht.
Ook John D. Lee nam enkele meisjes onder zijn hoede.
Zaterdag 12 september!
Zaterdagmorgen! Vroeg!
Samen met nog wat andere mormonen, kwamen Haight en Dame terug naar
Mountain Meadows en overzagen er het resultaat van hun bloedbad. Daar
waar de emigranten een put hadden gegraven om vrouwen, kinderen en gewonden
in te kunnen beschermen, werden door Jacob Hamblin de lijken begraven.
De leiders in het priesterschap vroegen aan alle deelnemers van de afslachting
om complete geheimhouding!
Dat laatste is hun blijkbaar niet gelukt!
Lee keerde terug naar Harmony, de plaats waar hij woonde, … met
aan elke hand een wees.
En wat gebeurde er met James H. Haslan, de boodschapper die naar de
profeet werd gestuurd?
Brigham Young was ten stelligste tegen de plannen van het priesterschap
in Cedar City gekant. Met de boodschapper gaf hij het bericht mee dat
‘de emigranten van hem de toelating kregen om hun reis in vrede
verder te zetten’. Hij maande de boodschapper zelfs aan om met
zijn beslissing in allerijl terug te keren. Maar zoals geweten …
de man kwam te laat.
Eén zaak is echter duidelijk! De profeet had vanaf dat moment
zeker weet over het duistere voornemen van zijn quorum in het zuidwesten
van Utah. Het is dan ook verwonderlijk dat hij tijdens het eerste proces
tegen Lee in september 1875 (Brigham Young was toen al wel 74 jaar en
qua gezondheid allesbehalve oké) zou verklaren dat John Doyle
Lee 2 à 3 maanden na de slachting, naar zijn bureel in Salt Lake
kwam om daar met hem over het gebeurde te praten. In zijn dagboeken
maakte de apostel Wilford Woodruff (de volgende profeet) echter gewag
dat Lee bij de profeet al aanklopte op 29 september 1857 dus amper twee
weken na de slachting. Werd Lee dan, een week na de feiten, al door
de profeet op het matje geroepen?
Hoe liggen de machtsverhoudingen binnen de mormoonse kerk? Hiervoor
laat ik liefst de profeet Brigham Young zelf aan ’t woord (Discourses
of Brigham Young, 83):
‘Als er in een lid van de kerk een neiging naar voren komt
om het recht van de president van de kerk om in alles leiding te geven
in twijfel te trekken, dan ziet u tekens van afval – van een geest
die, indien aangemoedigd, zal leiden tot afscheiding van de kerk en
tot uiteindelijke vernietiging; waar een neiging heerst om in te gaan
tegen een officieel aangestelde functionaris van dit koninkrijk, ongeacht
tot welke functie hij geroepen is, zal het dezelfde gevolgen hebben
als men ermee doorgaat; zij zullen ‘het vlees volgen, (begerig
naar onreinheid,) en (hemelse) heerschappij verachten. Zulke vermetelen,
vol van zelfbehagen, schromen niet de heerlijkheden te belasteren.’
(zie ook 2 Petrus 2:10)
Gehoorzaamheid aan de profeet of aan eender welke leider binnen het
priesterschap is binnen de kerk dus zeker een aanrader. Maar zo’n
machtsverdeling, heeft die dan niet voor gevolg dat al wat er gebeurt,
het gevolg is van de opdracht van een ‘hogere’ leider? Als
Mountain Meadows kon plaatsgrijpen, wil dat dan niet zeggen dat Brigham
Young zelf daar het ‘bevel’ had voor gegeven? Hij kon dat
inderdaad gedaan hebben en de kerkleden zouden dan wellicht zijn bevel
hebben opgevolgd. Maar heeft hij wel dat bevel gegeven? De rol van Isaac
C. Haight in gans dit droevig verhaal is, volgens mij althans, zeker
niet onbelangrijk te noemen. Wat waren misschien zijn beweegredenen
om gans een regio in de richting van een moordpartij te sturen?
Het is een feit dat John D. Lee tijdens zijn proces herhaalde malen
de onschuld van de profeet bleef staande houden. Volgens hem had de
profeet nooit iets over hun plannen gehoord en kon hij er dus nooit
voor verantwoordelijk worden gesteld. Wel zou de mogelijkheid bestaan
hebben dat George Albert Smith, de toenmalige eerste raadgever van Brigham
Young en tevens generaal in het leger van Utah, in de periode van de
slachting naar Zuid Utah was afgereisd om er de mensen een opleiding
te geven in oorlogsvoering. Aanzag het quorum van Cedar City misschien
Mountain Meadows als een proefproject? George A. Smith stierf te Salt
Lake City op 1 september 1875, enkele dagen voordat het proces tegen
Lee zou van start gaan.
Hadden in de ‘Utah oorlog’ de mormonen het onderspit moeten
delven, dan is alweer geweten dat Brigham Young van plan was om Salt
Lake City in brand te steken om dan met al de kerkleden naar Mexico
te vluchten. De geschiedenis is echter totaal anders verlopen. Brigham
Young besloot om als gouverneur van Utah af te treden om zo aan de wil
van James Buchanan, de toenmalige president van de Verenige Staten (1857-1861),
te voldoen. Het is zelfs geweten dat zijn opvolger president Abraham
Lincoln (1861-1865) later vrij goed met Brigham Young kon samenwerken
(beter dan met zijn door hem aangestelde gouverneur in Utah).
Maar vooral bij de woorden van Lee ‘dat er op de Mountain Meadows
nooit een druppel onschuldig bloed heeft gevloeid’, fronsten toen
maar ook nu nog, heel wat mensen hun wenkbrauwen.
En niet alleen bij de tegenstanders van het mormonisme!
Tijd om even de ‘Leer en verbonden, afdeling 132’ erbij
te halen!
In de Leer en Verbonden, heilige schriftuur voor alle mormonen, zijn
alle wetten vervat, noodzakelijk om de verhoging (een eeuwig leven in
de nabijheid van God) te kunnen ingaan. Afdeling 132 bevat de wet van
verhoging, wat het eeuwig huwelijk is, gebaseerd op het nakomen van
de andere vereisten, noodzakelijk voor het eeuwige leven: geloof, bekering,
doop, priesterschap, enz.
Het volbrengen van een eeuwig, celestiaal (hemels) huwelijk is een proces,
dat bestaat uit het sluiten en naleven van verbonden. Een verbond is
dus een contract tussen twee partijen. Dat verbond wordt van kracht
als ‘beide’ partijen zich aan de voorwaarden houden. Een
verbond heeft veel weg van een ‘als …, dan …’
clausule. ‘Als’ aan zekere voorwaarden wordt voldaan, ‘dan’
ontvangt men zekere beloften.
Laat ons even in afdeling 132 verzen 19-20 lezen:
19. En voorts, voorwaar, Ik zeg u: INDIEN een man een vrouw huwt
door mijn woord, dat mijn wet is, en door het nieuw en eeuwigdurend
verbond, en het wordt op hen verzegeld door de Heilige Geest der belofte
… … dan zal het in het Boek des Levens van het Lam worden
geschreven DAT HIJ GEEN MOORD MAG PLEGEN WAARBIJ ONSCHULDIG BLOED WORDT
VERGOTEN, en indien ……
20. DAN zullen zij goden zijn ……
Uit zo’n tekst wordt dus meteen duidelijk dat men zijn verhoging
o.a. maar zal kunnen bereiken als men geen ‘moord’ begaat
waar ‘onschuldig bloed’ is gevloeid. Zoals geweten uit de
verslagen van de twee processen tegen John D. Lee, bleef deze laatste
steeds volhouden dat er, volgens hem, op Mountain Meadows ‘geen
onschuldig bloed’ was gevloeid. John Lee wou ten stelligste zijn
plaatsje bij God verzekeren. Had hij immers in de tempel al geen eeuwig
huwelijk afgesloten met 19 vrouwen? (waarvan twee huwelijken ‘na’
de gebeurtenissen op Mountain Meadows).
Wellicht wordt het nu even interessant om ook vers 26 van diezelfde
afdeling te lezen:
‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Indien een man een vrouw huwt
volgens mijn woord, en zij verzegeld worden door de heilige Geest der
Belofte, volgens mijn voorschrift, EN HIJ OF ZIJ WELKE ZONDE OF OVERTREDING
DAN OOK BEGAAT TEGEN HET NIEUW EN EEUWIGDUREND VERBOND EN ALLERLEI GODSLASTERINGEN
UIT, MAAR ALS ZIJ GEEN MOORD PLEGEN WAARBIJ ZIJ ONSCHULDIG BLOED VERGIETEN,
ZULLEN ZIJ TOCH IN DE EERSTE OPSTANDING TEVOORSCHIJN KOMEN EN HUN VERHOGING
INGAAN; maar in het vlees zullen zij vernietigd worden en overgeleverd
worden aan de slagen van Satan tot de dag der verlossing, zegt de Heer
God.’
Hier wordt blijkbaar de indruk gewekt dat een gelovige na de nodige
tempelverordeningen, naar hartelust mag zondigen zolang hij maar geen
onschuldig bloed laat vloeien. Waren de mormonen uit die tijd, echt
die mening toegedaan?
Blijkbaar wel!
En zeker onze mormonen uit de streek van Cedar City! Zo werd er onder
hen aardig wat SCHULDIG BLOED vergoten als het over het meervoudig huwelijk
ging. De profeet trachtte daar indertijd paal en perk aan te stellen
door allerlei hervormingen door te voeren. Maar door gebrek aan een
degelijk communicatiesysteem binnen het grondgebied, bleef dat ook voor
hem een oerzware opgave. Een voorbeeld:
In de ons reeds gekende ring van Parowan werd in 1856 een zekere Rosmos
Anderson vermoord. Philip Klingensmith, onze eerder al vernoemde bisschop
van Cedar City, begeerde er de Skandinavische stiefdochter van Anderson
en wou met haar een meervoudig huwelijk aangaan (de beruchte mormoonse
polygamie). Anderson wou echter met de bloedmooie vrouw, zelf een meervoudig
huwelijk sluiten. Om zeker als eerste de ‘aanbeveling’ voor
een ‘celestiaal huwelijk’ te bemachtigen, pleegde onze stiefvader
met zijn Skandinavische ‘overspel’. Maar dat was buiten
Klingensmith gerekend. Die vond dat Anderson had gezondigd waardoor
zijn verbond aangegaan in de tempel, op de helling kwam te staan. Voor
de zonden van de mensheid, dus ook voor die van Anderson, was Jezus
‘onschuldig’ bloed gevloeid. Nu dat Anderson, door zijn
zondig gedrag, dat offer van Christus straal genegeerd had, was het
meer dan correct dat zijn ‘schuldig’ bloed moest vloeien.
Wat dan ook gebeurde!
Wie achter de moord zat, is overduidelijk … maar omwille van
vers 26 werd de drager van het priesterschap er wel nooit voor gestraft
of veroordeeld.
Zo kan men uit die tijd verscheidene ‘voorvallen’ oprakelen
waar vers 26 nogal ‘verkeerdelijk’ werd geïnterpreteerd.
Dat zulke praktijken, voor het heersende gezag in de Verenigde Staten,
NIET door de beugel konden, is voor iedere westerling nu overduidelijk.
Onafhankelijk hiervan bleef Brigham Young echter ijveren om volgens
de wil van God een perfecte, autonome staat van Zion op te bouwen, waar
alleen nog de wetten van God zouden gelden. Dat er voor die verwezenlijking
nog heel wat aarde naar de dijk moest worden gesleurd, nam de profeet
er bereidwillig en werklustig bij. Voor die verwezenlijking vertrouwde
hij immers volledig en alleen op God!
President Harold Bingham Lee (1899-1973) heeft aangegeven dat een tempelhuwelijk
vervolmaakt en verzegeld voor de eeuwigheid ‘kan’ worden,
maar dat de plechtigheid zelf geen enkele garantie geeft:
“Sommigen hebben ten onrechte het idee, dat zij, als zij het
huis des Heren ingaan en verzegeld worden, daarmee verzekerd zijn van
het eeuwige leven, ONGEACHT WAT ZIJ DAARNA DOEN. Zij beroepen zich op
vers 26 van afdeling 132 (o.a. de deelnemers aan Mountain Meadows?).
Maar dat heeft de Heer er niet mee bedoeld. De Heer belooft verhoging
‘aan hen die fouten maken’, OP VOORWAARDE dat zij zich BEKEREN.
“ (Cram for Life’s Final Examination, Brigham Young University
Speeches of the Year (5 januari 1954, blz.7)
President Joseph Fielding Smith (1876-1972) heeft hierover ook nog
het volgende gezegd:
“Vers 26 is de meest MISBRUIKTE passage in de Schriften. De Heer
heeft nooit aan enige ziel beloofd dat hij zonder de geest der BEKERING
verhoogd kan worden. Hoewel er in deze tekst niet over bekering wordt
gesproken, wordt deze wel stilzwijgend verondersteld. Het komt mij vreemd
voor dat alle mensen vers 26 kennen, maar schijnbaar nooit van Matt.12:31-32
hebben gehoord, waar de heer ons in wezen hetzelfde vertelt als in vers
26 van afdeling 132…”
Dus moeten we concluderen dat zij van wie sprake is in vers 26, diegenen
zijn die gezondigd hebben, zich volledig hebben bekeerd, en bereid zijn
om de prijs voor hun zonden te voldoen, anders zullen de zegeningen
der verhoging niet volgen.
Door Brigham Young werden zowel John D. Lee als Isaac C. Haight uit
de kerk verbannen. Vier jaar na zijn excommunicatie kreeg Isaac C. Haight
terug de toelating om de rangen van de kerk te vervoegen … omdat
hij zich bekeerd had.
Maar voor het Amerikaanse publiek moest er wel een schuldige aangewezen
worden!
Haight en Higbee hielden zich verborgen in de wildernissen van Arizona
of Mexico. Klingensmith had onderdak gevonden bij een indianenstam in
Arizona. Ergens ten zuiden van de Colorado rivier, recht tegenover de
Eldorado canyon in zuidelijk Nevada had hij zich een squaw uitgekozen
als vierde of vijfde vrouw. Vrij vlug wees dus iedereen, (bij gebrek
aan beters?), met een beschuldigende vinger in de richting van Lee.
Op zijn eerste proces in 1875 telde men in de jury teveel mormonen
(7 van de 12) die uiteraard de vrijlating vroegen. Het proces werd in
1876 dan nog maar eens overgedaan. Waarom er tussen de feiten en die
processen zoveel tijd is verlopen, is door mij nog moeilijk te achterhalen.
Of John D. Lee zich heeft bekeerd van zijn zonden of niet en of hij
van God de toelating zal krijgen om zijn verhoging te mogen intreden,
laat ik hier in het midden. Tenslotte moeten wij later voor de troon
van God alleen voor en over onszelf rekenschap afleggen (en niet over
Lee). Feit is dat Lee aan het einde van vers 26 niet is kunnen ontsnappen:
‘… maar in het vlees zullen zij vernietigd worden en
overgeleverd worden aan de slagen van Satan tot de dag der verlossing,
zegt de Heer God.’
Op 23 maart 1877 werd hij te Mountain Meadows, op de plaats waar de
emigranten koelbloedig werden vermoord, voor een vuurpeloton geplaatst.
Op zijn vraag werden zijn handen niet vastgebonden. Hij werd wel geblinddoekt.
De aanwezigen verzekerde hij voor de laatste maal dat hij nooit de intentie
heeft gehad om verkeerd te handelen.
… Dan klonk er een vuursalvo dat tot ver in de omtrek te horen
was.
En de boer die stierf op zijn veld … maar was dit wel zijn veld
van eer?
De profeet Spencer C. Kimball (1895-1985) heeft ooit gezegd:
‘Ik ben er vast van overtuigd dat de Heer onze bestemming
heeft gepland. Op een dag zullen we dat helemaal begrijpen. En als we
dan terugkijken vanuit de toekomst, zullen we ons verzoenen met de vele
gebeurtenissen in dit leven die wij nu zo moeilijk kunnen begrijpen.’
Dan toch maar beter die zwarte bladzijde omdraaien?