MvG logo www.mvgcontact.org

Bevrijdingstheologie in het Boek van Mormon

Home






Bevrijdingstheologie in het Boek van Mormon

R. Dennis Potter
Utah Valley State College
pottered@uvsc.edu

In dit artikel geef ik een inleiding over bevrijdingstheologie in het Boek van Mormon. Bevrijdingstheologie plaatst de armen in het centrum van Gods zorg om de wereld. Armoede en onderdrukking zijn het directe gevolg van de zondigheid van de samenleving. Zaligheid is bevrijding van armoede en onderdrukking. In de traditionele bevrijdingstheologie herkennen de armen zich in de tekst. Zij zijn het onderdrukte volk van God dat bevrijd zal worden. Ik beweer dat het Boek van Mormon omgekeerd evenredig is aan die gebruikelijke opvatting. Ze benadert e.e.a. vanuit het oogpunt van de onderdrukkers, geschreven voor rijke en hoogmoedige mensen. Het laat zien hoe God de rijken en machtigen vernietigt als zij zich niet vrijwillig ontdoen van hun hoogmoed, welvaart, en bevoorrechte positie. Ik stel voor dat we 4 Nephi gaan beschouwen als hoeksteen bij elke interpretatie van het Boek van Mormon. Centraal hierbij staat de sociaal-economische orde die het gevolg is van een rechtvaardige levenstijl, in het bijzonder het uitroeien van armoede. Ik benadruk dat de zonde die de beschaving in het Boek van Mormon ten onder deed gaan was: de maatschappelijke verdeling in sociaal-economische klassen.

Inleiding

Ik ging naar de Dartmouth lagere school in het plaatsje Richardson in Texas. Shelton en Brent waren twee vriendjes van me. In de vierde klas leerden we over de geschiedenis van slavernij en rassenscheiding. De leerkracht probeerde uit te leggen waarom die instellingen verkeerd waren. Brent stak z'n vinger op en zei dat het goed zou zijn als er nog slavernij zou zijn, omdat Shelton (het enige zwarte kind op school) dan onze bediende zou zijn. Bijna de hele klas lachte er om, en ik zag dat Shelton geforceerd probeerde mee te lachen. Het was niet zo dat Brent Shelton haatte, ze waren vriendjes en speelden samen tijdens het speelkwartier. Brent was een kind en zijn opmerking die van een kind, een pijnlijke maar onvolwassen weerspiegeling van geinstitutionaliseerd cultureel racisme in de amerikaanse samenleving van 1977. In volwassenheid zou Brent's morele bewustzijn waarschijnlijk op den duur schaamte bij hem oproepen bij de gedachte van ons racistisch verleden.

Het jaar daarop - nu 25 jaar geleden - bracht de LDS Kerk de zegen van het priesterschap binnen het bereik van alle waardige mannelijke leden, inclusief degenen van afrikaanse afkomst. Met dat besluit begon de Kerk met het proces van het afleggen van haar kindsheid - een onschuldige weerspiegeling van de racistische geschiedenis van ons land. In haar volwassenheid moet de Kerk in maatschappelijke aangelegenheden zich door haar morele bewustzijn laten leiden. Het morele bewustzijn van de Kerk bestaat uit Gods openbaring in het Boek van Mormon, een document dat op unieke wijze aan dit continent en haar belofte is verbonden. Die openbaring vindt haar weerspiegeling in de amerikaanse idealen van vrijheid, gelijkheid, gerechtigheid, kansrijkheid enz. - idealen die door veel van het huidige amerikaanse beleid worden vertrapt.

De boodschap van het Boek van Mormon is er een van verzoening door o.a. de opoffering van macht en voorrecht. De verzoening is niet slechts een handeling waarbij Jezus niettegenstaande zijn macht en goddelijk prestige zijn leven opoffert t.b.v. anderen. Het is een verzoening die zich wil doen laten gelden in de gemeenschap van God. Ze is heel uniek ontworpen voor een volk van macht en economisch voorrecht, en ze eist dat ze zich daarvan ontdoet, samen met Christus t.b.v. de verdrukten. Het is een boodschap aangaande het neerdalen van Christus en het neerdalen van het machtigste en welvarendste land in de geschiedenis van de mensheid. Wanneer serieus genomen, zou het Boek van Mormon het morele geweten van de Verenigde Staten zijn, en zou ze haar economische en politieke hoogmoed ontrafelen. Ze zou de Verenigde Staten transformeren van sterkste-jongen-van-de-klas naar een meer volwassen moraliteit die net als Koning Benjamin de waardigheid van bedelaars niet beoordeelt (in tegenstelling tot de Wereldbank en het IMF). De boodschap van een kerk met een dergelijk moreel bewustzijn is er een van een theologie van bevrijding, overeenkomend met de bevrijdingstheologie die werd geopenbaard aan Latijns-Amerikaanse priesters en bisschoppen die werden geconfrontreerd met schendingen van mensenrechten en economische uitbuiting daarin mede gesteund door de VS. Het verschil: bevrijdingstheologie is een theologie voor de armen. De armen zijn "Gods Volk" In het Boek van Mormon wordt Gods volk welvarend en trots en blijkt de grootste zondaar te zijn. Vrijheid is in het Boek van Mormon in handen van de machtigen, zoals verzoening in de handen is van de almachtige Zoon van God. En net zoals de almachtige Zoon zijn macht moet opgeven, zijn goddelijkheid moet afleggen, zo ligt de bevrijding der armen in handen van de hoogmoedigen en welvarenden. Maar i.p.v. een verhaal van zaligheid waarin het ideaal van vrijheid wordt verteld, is het Boek van Mormon een verhaal van verdoeming waarin het volk Gods wordt veroordeeld en vernietigd door de "onrechtvaardigen". Het is een waarschuwing aan het adres van de "rechtvaardigen" in het hedendaagse beloofde land. Degenen die denken dat God aan hun kant staat, dat zij meer dan het stof der aarde zijn, en dat de armen hun lot verdienen, zullen zich veroordeeld weten tot een dergelijk lot, tenzij ze hun wil aan God ondergeschikt maken en als zijn Zoon zich van hun trots, macht en welvaart ontdoen.

Stoffelijke en geestelijke zaligheid

Het voornaamste en meest voordehandliggende bezwaar tegen een sociaal-politieke lezing van het Boek van Mormon, of van enig andere religieuze tekst, is dat godsdienstige zaligheid geestelijk i.p.v. stoffelijk is. Prima om de armen te helpen, maar nog veel beter is het om ze aan zaligheid te helpen. Dit is een veel gehoord bezwaar tegen Katholieke Bevrijdingstheologie en wordt soms ook in mormoonse kringen gehoord als iemand oppert dat we iets radicaals voor de armen gaan doen. Zo'n bezwaar schiet echter fundamenteel tekort in haar aanname van een metafysische tegenstelling tussen het geestelijke en het stoffelijke. De bevrijding van de Israelieten uit Egyptische gevangenschap was een sociaal-politieke bevrijding, en ze is een van de belangrijkste reddings-(zaligheids)verhalen in de Bijbel. Centraal in de zending van Jezus staat zijn gezondmaking van de zieken; een handeling met niet alleen directe fysieke gevolgen voor de persoon in kwestie (genezing), maar met sociaal-politieke gevolgen voor de zending van Jezus. Met wordt immers niet geacht een melaatse aan te raken of op de Sabbat te genezen. Jezus breekt met de sociale normen als hij geneest. Hij geneest niet alleen de lichamelijke ziekte, maar hij geneest de maatschappelijke ziekte van zelfgenoegzaamheid en legalisme. Een van de meest symbolische handelingen van zijn zending is het laatste avondmaal. Jezus breekt brood en drinkt wijn met zijn discipelen. Ze eten. Dit sacrament, alhoewel overwegend geestelijk, is gebaseerd op een van de meest fundamentele dierlijke functies: eten. Datgene wat het meest aards is, wordt verbonden aan hetgeen het meest heilig is. In de christelijke traditie is voldoende materiaal voorhanden om de heersende gedachte te ondergraven dat het geestelijke radicaal van het stoffelijke gescheiden is. In het Mormonisme is zelfs nog veel meer materiaal voorhanden voor een dergelijke aanname. Aan de gedachte dat al het geestelijke stoffelijk is en dat God een lichaam heeft, wordt een metafysische wending gegeven. Als het geestelijke wezenlijk stoffelijk is, hoe kunnen we dan beweren dat geestelijke en stoffelijke zaligheid van elkaar gescheiden kunnen worden? Ze zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. In mormoonse theologie zijn God en de geest stoffelijke wezens. Een dergelijk materialisme is niet slechts theoretisch. Ze ondergraaft de ontologische basis voor een religieuze 'praxis' wiens 'telos' buitenaards is. Vanuit een materialistisch oogpunt zou geestelijke verandering materiele verandering moeten veronderstellen; ze zou gevolgen voor dit leven moeten hebben. Bevrijding wil niet tot het volgende leven uitgesteld worden. In mijn visie op mormoons materialisme aarzel ik niet de uitdrukking "materieel" te gebruiken. Belichaamd zijn kan niet los worden gezien van de menselijke geschiedenis en de menselijke onderlinge uitwisseling. Belichaamd zijn houdt niet alleen in dat men een verzameling van fysieke deeltjes is, het betekent dat iemand fysiek deel uitmaakt van een gezin, familie, gemeenschap, de samenleving, de wereld. Het lichamelijke speelt een maatschappelijke rol, heeft een geschiedenis, eet en drinkt, ontdoet zich van ontlasting, heeft seks, etc. Dergelijke concrete historische omstandigheden die ons belichamen zijn zowel van materiele als van geestelijke aard. Spiritualiteit is de wijze waarop we ons doen gelden in de materialistisch-historische wereld.

Religie en politieke neutraliteit

Er is nog een ander bezwaar tegen een sociaal-politieke lezing van het Boek van Mormon. Men zou kunnen opwerpen dat religie en religieuze organisaties politiek neutraal moeten zijn; religie zou uitsluitend met persoonlijke zaligheid en moraliteit van doen hebben. Religieuze organisaties zouden hun leden moeten aanmoedigen politiek aktief te zijn maar geen standpunten in te nemen over zaken die niet van doen hebben met de individuele moraliteit. Wanneer echter politieke besluiten zaken van 'persoonlijke moraliteit' beginnen te beinvloeden, dan mag de organisatie een standpunt innemen. Dat was het geval van wetsvoorstellen in Californie ('Knight Amendment'). De gedachte dat het politieke gescheiden kan worden van de persoonlijke moraliteit gaat niet op. Politiek is de manier waarop we ons gedragen in de samenleving. We kunnen individueel handelen niet volledig los zien van de maatschappelijke gevolgen ervan. Ons handelen heeft invloed op de samenleving. Daaruit volgt dat hetgeen gevolgen heeft voor individuele moraliteit ook gevolgen heeft voor maatschappelijke moraliteit. Religie heeft minimaal gevolgen voor individuele moraliteit, en religie heeft gevolgen voor maatschappelijke moraliteit, en dat omvat politieke besluitvorming over hoe de samenleving er uit zou moeten zien.

Een verder bezwaar tegen onderscheid tussen het maatschappelijke en het persoonlijke rust op het principe dat niet-handelen een handeling op zich is. Een kerk die slavernij of de Holocaust niet verwerpt maakt ze stilzwijgend mogelijk. Als het gaat om ernstige maatschappelijke onrechtvaardigheden is er geen ruimte voor neutraliteit. Onvermogen om te handelen of te voorkomen, kan even slecht zijn als iets te veroorzaken. Wanneer we eenmaal hebben vastgesteld dat religie en religieuze organisaties het spelen van een sociaal-politieke rol in de samenleving niet kunnen vermijden, direct of indirect, dan rijst de vraag: "welke rol zou religie moeten spelen?" Voor Christenen is het antwoord daarop dat de Kerk zich ondubbelzinnig met 'politiek links' zou moeten verbinden in hun verdediging van de armen, onderdrukten, gemarginaliseerden, etc. Om het verschil tussen 'links' en 'rechts' in eenvoudige bewoordingen uit te leggen gebaseerd op de concrete realiteit van de hedendaagse politiek (en niet op een abstracte politieke theorie), het volgende:

1. Links benadrukt het gemeenschappelijke en rechts benadrukt het individuele.
2. Links bevoordeelt de armen en rechts bevoordeelt de rijken.
3. Links bevordert gelijkheid zoveel mogelijk en rechts bevordert liever ongelijkheid op basis van verdienstelijkheid.
4. Links ziet stoffelijke goederen als gemeenschappelijk bezit en rechts ziet dat als potentieel prive-eigendom.
5. Links verklaart maatschappelijke misstanden vanuit structuren, instituten en "gemeenschappelijke zonde" terwijl rechts ze verklaart vanuit een falen van individuele moraliteit. Ik beweer dat het Boek van Mormon in alle gevallen zich aan de zijde van politiek links schaart.

Thema's in traditionele bevrijdingstheologie

Bevrijdingstheologie is het intellectuele verlengstuk van de christelijke plicht om de kant van de verdrukten te kiezen. In bevrijdingstheologie herkennen de armen zich in de schrifttekst die spreekt over bevrijding van onderdrukking door Gods incarnatie in de Zoon. De schrifttekst drukt hoop op bevrijding uit. Bevrijdingstheologie hekent de armen als "Gods Volk" en omhelst hen, ook wel genoemd: "voorkeursbehandeling voor de armen". Bevrijdingstheologie laat geen ruimte voor een krachtig onderscheid tussen Kerk en Wereld. De Kerk is in de wereld, maar niet van de wereld; dat houdt in dat de boodschap van de Kerk gevolgen heeft voor de wereld. Het "goede nieuws" van Jezus kan niet worden gescheiden van de sociaal-politieke werkelijkheid. De Kerk is daarom politiek, in haar stilzwijgende steun voor onderdrukkende institutioneel-maatschappelijke structuren, of in het ondergraven ervan. De boodschap van het evangelie eist ondergraving van onderdrukkende institutionele structuren. A-politieke religie bestaat niet. In bevrijdingstheologie is politieke aktie niet slechts een poging de samenleving te veranderen, maar is radicaal in de etimologische ofwel woordkundige betekenis van het woord. Ze doet een poging tot de grondoorzaken van onderdrukking door te dringen. Dat streven beperkt zich niet tot slechte individuen die de macht hebben, maar richt zich op institutionele structuren die hegemonie van machthebbers veroorzaakt. Haar kritiek op de huidige wereldorde is beslist van "linkse" aard. Ze levert kritiek op welvaart, prive-eigendom, op een individualistische kijk op de samenleving, en op structurele dwangmatigheden die dieper liggen dan het geweld van de staat zonder meer. De kritiek van bevrijdingstheologie op de huidige wereldorde wil niet zeggen dat ze vastzit aan een Marxistische ideologie, of enige andere linkse ideologie. Bevrijdingstheologie baseert zich op schriftuur, niet op het Communistisch Manifest. Het is wel zo dat Marxisme, Sociaal-Democratie, Syndicalisme en Anarchisme alle een concrete analyse verschaffen over de grondoorzaken van maatschappelijke onderdrukking. Bevrijdingstheologie heeft belangstelling voor hun analyse en verwerkt ze in haar inzichten. Bevrijdingstheologie is niet theologisch in de traditionele, systematische betekenis van het woord. Orthodoxie (juiste geloof) is minder van belang dan orthopraxis (juiste praktijk). De laatste wordt bepaald door de feitelijke historische/materialistische omstandigheden waarin een bepaalde gemeenschap zich bevindt. Theologie is ideologie en speelt een functionele rol in de geloofsgemeenschap, ze ondersteunt of ondergraaft huidige structuren.

De unieke eigenschap van bevrijdingstheologie in het Boek van Mormon

Voor de meeste Christenen in Noord-Amerika is het probleem dat traditionele bevrijdingstheologie niet tot hen spreekt. Ze zijn niet arm, ze zijn niet Gods Volk. De Boek van Mormon-theologie van bevrijding richt zich echter tot de machtigen, hoogmoedigen en bevoorrechten. Ze waarschuuwt hen voor verdoeming, want het wordt duidelijk dat in het Boek van Mormon, Gods Volk (de Nephieten, de rechtvaardigen, de Kerk, enz.) steeds slechter worden vanwege hun hoogmoed en welvaart. (Lees: Hugh Nibley, Since Cumorah (Deseret Book: 1967), blz 342 e.v.)

De wending naar hoogmoed van de "rechtvaardigen" leidt onherroepelijk tot sociaal-economische verdeeldheid hetgeen alle kenmerken van zonde vertoont. De welvarenden van de huidige maatschappij kunnen zich spiegelen in de tekst; een waarschuwing aan Gods Volk dat zij 'uit genade' gevallen zijn of zullen vallen.

4 Nephi als maatstaf voor interpretatie

Om mijn stelling kracht bij te zetten dat het Boek van Mormon een unieke bevrijdingstheologie verkondigt waarin de rijken en machtigen het volk van God zijn, en zich moeten ontdoen van hun macht en welvaart, wijs ik op twee teksten: 4 Nephi en Mosiah 3-4. 4 Nephi verschaft een standaard voor uitleg van de rest van het Boek van Mormon. En de toespraak van Koning Benjamin in Mosiah geeft ons een voorbeeld hoe de theologie in de tekst aan het werk te zetten. Een schrifttekst moet worden gelezen vanuit de bedoeling van die tekst. Het Boek van Mormon wil ons onderwijzen hoe we moeten leven. Daarom moeten we dat deel van het boek bestuderen waarin mensen met succes een christelijke gemeenschap opbouwen, als handleiding voor de rest van het boek. 4 Nephi verschaft niet alleen de contouren van rechtvaardigheid, ze vormt een miniatuur van het hele Boek van Mormon. Het is een verhaal dat parallel loopt met de volledige geschiedenis van de Nephieten en Lamanieten; in enkele tientallen bladzijden samengevat. Er zijn mensen, zoals Nibley, die opmerken dat welvaart op zich niet zondig is (Since Cumorah blz. 355). En welvaart is inderdaad niet altijd zondig. Maar in combinatie met ongelijkheid is welvaart altijd zondig in het Boek van Mormon (Lees ook: LV 104). Het titelblad geeft nota bene aan dat het werd geschreven opdat o.a. de niet-Joden voor vernietiging bespaard zouden blijven.

Vanaf het allereerste begin van het boek worden we eraan herinnerd dat Jezus zijn Kerk stichtte, dat mensen zich bekeerden en dat zij "leden" werden. Dit resulteerde vanaf het begin in de navolgende omstandigheden: "er was geen twist of woordenstrijd onder hen, en eenieder behandelde de ander rechtvaardig. En zij hadden alle dingen gemeenschappelijk onder zich; zodoende waren er geen armen en rijken, dienstknechten en vrijen; maar allen waren vrijgemaakt en deelgenoot van de hemelse gave.(4 Nephi, 1:2-3)
Het ontbreken van tweedracht geeft aan dat we het over een gemeenschap hebben, niet over mensen die toevallig bij elkaar wonen. Gemeenschap wil zeggen: sociale eenheid, hetgeen niet een noodzakelijk element is voor een samenleving. Een maatschappij is altijd sociaal maar niet altijd gemeenschappelijk. Gemeenschap wil zeggen sociale eenheid, meestal verwoest door de individualistische ethiek van onze moderne kapitalistische maatschappij. Het is een "communale" staat zoals in ideale gezins en familieomstandigheden aanwezig is. Ze is gebaseerd op de pure liefde van Christus. Soms wordt geopperd dat het ontbreken van tweedracht alleen betrekking heeft op het ontbreken van theologische woordenstrijd, maar dat is niet overduidelijk; er wordt geen melding gemaakt van leerstellige onenigheid. De vaststelling wordt bovendien beschreven in een duidelijke politieke en economische context, overheerst door kwesties als rechtvaardigheid en economische verdeling. Het is veel aannemelijker dat de genoemde woordenstrijd van sociale - niet van leerstellige - aard is. Dit volk heeft "alle dingen gemeenschappelijk", d.w.z. dat er in ieder geval sprake is van economisch egalitairisme in de gemeenschap, en zou zelfs kunnen aanduiden dat er helemaal geen prive-bezit was. Duidelijk is dat met goederen en bezit materiele zaken worden bedoeld, omdat in de verzen 24 en 25 van 4 Nephi 1 de opeenhoping van onnodige welvaart ertoe leidt dat zij "hun goederen en hun bezit niet meer gemeenschappelijk" hadden onder elkaar. Dit leidt ertoe dat de gemeenschap in klassen verdeeld wordt, waar er armen en rijken onder hen zijn. Alles wijst erop dat er sprake was van een soort economisch communisme. Er zijn geen "dienstknechten en vrijen". Iedereen is vrij. Niemand is in slaverij of in gevangenschap. We zien dat wanneer later de economische verdeling in klassen weer de kop op steekt, een van de eerste gevolgen daarvan is dat de machtigen gevangenissen bouwen en het volk van Christus gevangen zet (4 Nephi 1:30).

Heel opvallend is dat er geen melding wordt gemaakt van een overheid of enige hierarchie. De Kerk bestaat weliswaar uit discipelen, maar er wordt geen enkele organisatiestructuur vermeld: geen koningen, profeten, of rechters. Uiteraard wil dat op zich niet zeggen dat er daarom verondersteld moet worden dat er geen bestuur of institutionele hierarchie zou zijn geweest. Wat we wel kunnen veronderstellen is dat economisch communalisme en politieke vrijheid in de ogen van de auteur van groter belang was dan enige kerkelijke of overheidsorganisatie. Van belang is dat woorden als "macht" en "autoriteit" gebruikt worden in die zin dat ze in handen zijn van de onrechtvaardigen om de rechtvaardigen te overheersen (4 Nephi 1:30). Ze worden niet gebruikt als aanduidingen t.a.v. de status van de discipelen in de kerkgemeenschap van Christus. Van belang is dat dit hoofdstuk begint met een beschrijving van de politieke en economische omstandigheden van het kerkvolk van Christus. Waar is de discussie over persoonlijke en individuele moraliteit? Het is een gemeenschappelijke moraliteit die hier van belang is; een focus op morele aangelegenheden die de gemeenschap betreffen. Het hele drama van rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid speelt zich af op een gemeenschappelijk toneel. Het is geen individuele zaak, geen discussie over individuele ervaringen, slechts het eerst zo wonderbaarlijk, maar later tragische verhaal van een gemeenschap van Christus. Natuurlijk begaan individuen slechte daden, maar waar het om gaat is het institutionele kwaad dat voortkomt uit een door en door slechte levenswijze. Ik leg hier de nadruk op het verschil tussen individuele moraliteit en gemeenschappelijke moraliteit, en tussen individuele zonde en gemeenschappelijke zonde. Het lijkt me duidelijk dat dit afzonderlijke zaken zijn en dat gemeenschappelijke moraliteit niet tot individuele moraliteit gereduceerd kan worden.

Een voorbeeld: op de afdeling filosofie van de Universiteit van South Carolina beseffen we dat vertegenwoordigers van de faculteit aanwezig behoren te zijn bij de diplomauitreiking. Het is echter niet noodzakelijk dat de hele afdelingstaf daarbij aanwezig is. Geen enkele individu in het bijzonder hoeft daarbij te zijn. Als faculteit hebben we dus een gezamelijke verplichting i.p.v. een individuele verplichting.

Mormoonse soteriologie ofwel verlossingsleer is duidelijk op een gemeenschappelijke moraliteit gericht. Wat daarvoor pleit is de opvatting dat verhoging wordt verkregen gekoppeld aan de uitdrukkelijke aanwezigheid van gezin en familie, en van God. Wanneer echter afzonderlijke familieleden niet verkiezen aan die verhoging deelachtig te zijn, is dat niet mogelijk omdat aan een dergelijke verplichting niet op individuele basis kan worden voldaan. Hieruit volgt dat het een gemeenschappelijke verplichting betreft. Alleen kan men niet zalig worden. Het is waar dat persoonlijke zonde nauw verbonden is aan gemeenschappelijke zonde en naar verhouding zichtbaar wordt in de samenleving. In 4 Nephi wordt het ontbreken van seksuele immoraliteit vermeld in die communale samenleving (4 Nephi 1:16), maar doet dat echter dertien verzen later dan het vermelden van economische moraliteit in deze gemeenschap van Christus. Er zijn beslist sociologische redenen om aan te nemen dat persoonlijk wangedrag als seksuele promiscuiteit, drugs en alcohol, misbruik, diefstal, huiselijk geweld e.d. indirect verband houdt met economische omstandigheden. Kapitalisme is een systeem waarin men wordt aangemoedigd in eigen behoefte te voorzien en die van een ander te verwaarlozen. Als een dergelijke mentaliteit (zie bijv. "The Power Elite" door C. Wright Mills) in economisch opzicht ook op andere levensterreinen plaatvindt, moeten we niet verbaasd zijn dat onze samenleving zoveel immoraliteit vertoont. Zoals gezegd, legt bevrijdingstheologie de nadruk op het gemeenschappelijke ofwel sociale aspect van zonde dat tot onderdrukking leidt. Rechtse christenen beweren dat alle problemen in de maatschappij terug te voeren zijn op individuele of persoonlijke zonde. Een dergelijke opvatting schiet echter tekort in haar begrip van de aard van de val van de mens.

Gustavo Gutiérrez: in bevrijdingstheologie is zonde geen individuele, interne, prive-aangelegenheid die een "geestelijke" verlossing vereist die de huidige staat van de samenleving niet of nauwelijks bekritiseert. Zonde wordt meer gezien als een sociaal-historisch feit. Het ontbreken van kameraadschap en liefde in menselijke verhoudingen, het verbreken van vriendschap met God en met mensen, is een interne, persoonlijke breuk. Als we het op die manier gaan benaderen krijgt de zonde een collectieve dimensie. (A Theology of Liberation, (Orbis Books: 1988): 102-3)

Een communitaire benadering van 4 Nephi wordt benadrukt door de omstandigheid dat wanneer volken tot verval raken, het eerste wat ze doen is economisch communisme laten voor wat het is. Je zou zelfs kunnen zeggen dat een dergelijk verval kenmerkend is voor een verandering in het economische leven. Hugh Nibley zegt dat voor de Nephieten het begin van het einde aanbrak toen ze hun levenswijze gingen veranderen:
"En vanaf die tijd hadden zij hun goederen en hun bezit niet meer gemeenschappelijk onder elkaar" (4 Nephi 1:25). Die verandering van het economische leven leidde heel opmerkelijk tot een langdurig tijdperk van verrassende welvaart, een zakelijke maatschappij waarin zij "goud en zilver in overvloed verzamelden en handel dreven in allerlei handelswaar" (4 Nephi 1:46). Helaas verkreeg de bende van Gadianton wederom volledige controle over het economische leven. En de economie was het enige waar het om draaide. De maatschappij als geheel was in economische klassen verdeeld (4 Nephi 1:26) ... en een dergelijke samenleving waarin iedereen druk bezig was met handel en met rijk worden, was volgens 4 Nephi geen vrije samenleving. Hij vermeldt dat juist onder het oude systeem men "deelgenoot van de hemelse gave" was. (An Approach to the Book of Mormon, blz. 398-9). Die in verval geraakte beschaving lijkt heel duidelijk op de West-Europeese en Amerikaanse maatschappij. Economische ongelijkheid en wedijver is de fundamentele sociale zonde, en de ondergang van de Nephitische beschaving. En het zal ook onze ondergang worden, tenzij we onze levenswijze veranderen. De politieke aspecten van de toespraak van Koning Benjamin in 4 Nephi reikt ons een aanknopingspunt om ook andere teksten in het Boek van Mormon te gaan lezen. Het geeft aan dat de redding die Jezus bracht van sociaal-politieke aard was, met directe gevolgen voor onze levenswijze. 4 Nephi legt ook uit hoe een dergelijke levenswijze er uitziet; het is een economische levenswijze in de algemene betekenis van "huishoudkunde". Ook Koning Benjamin ziet de fundamentele zonde als zijnde economisch van aard: een falen om voor de armen te zorgen. Koning Benjamin ontwikkelt een bevrijdingstheologie die de theologie van verdienstelijkheid ondergraaft - waar mensen hun verdiende loon krijgen in een economie van ongelijkheid. Om dit argument kracht bij te zetten gaan we twee aspecten van de toespraak eens nader onderzoeken. Het eerste aspect van de toespraak van Koning Benjamin dat van belang is, is zijn veroordeling van degenen die het verzoek van de bedelaar afwijzen. Hij zegt:

"En ook zult gij zelf hun te hulp komen die uw hulp nodig hebben; gij zult de noodlijdende dienen met hetgeen gij bezit; en gij zult de bedelaar niet tevergeefs om hulp laten smeken en hem wegzenden, zodat hij omkomt. Misschien zult gij zeggen: De man heeft zich zijn ellende zelf op de hals gehaald; daarom zal ik mijn hand weerhouden, en hem niet van mijn voedsel geven, noch hem iets meedelen van mijn bezit om hem niet te laten lijden, want zijn straffen zijn rechtvaardig — maar ik zeg u: o mens, wie ook dat doet, die heeft grote reden om zich te bekeren; en tenzij hij zich bekeert van hetgeen hij heeft gedaan, gaat hij voor eeuwig verloren en heeft geen plaats in het koninkrijk Gods. Want zie, zijn wij niet allen bedelaars? Zijn wij niet allen afhankelijk van hetzelfde Wezen, namelijk God, voor al ons bezit, voor zowel voedsel als kleding, en voor goud en voor zilver en voor alle rijkdommen van allerlei aard die wij bezitten?" (Mosiah 4:16-19)

In deze schrifttekst beweert Benjamin dat er geen rechtvaardiging te vinden is om een verzoek voor materiele hulp af te wijzen, omdat we immers volledig van God afhankelijk zijn voor alles wat we hebben. Duidelijk is dat hij daarmee een redenatie wil tegengaan die luidt als volgt: Ik verdien de weelde die ik heb omdat ik die zelf verdiend heb. De armen verdienen hun armoede omdat zij zichzelf niet tot welvaart hebben verheven. Een dergelijke redenatie gaat er van uit dat ieder mens op eigen kracht kan slagen of falen in het verkrijgen van welvaart. Ik noem een dergelijke leerstelling: "de leerstelling van economische verdiensten". Veel van tegenwoordige pogingen om het kapitalistisch-economische systeem te rechtvaardigen steunen op economische verdienstelijkheid. We kennen dergelijke rechtvaardigingen allemaal dus ik hoef ze hier niet te herhalen. Het probleem met economische verdienstelijkheid is dat we onze economische status niet in de hand hebben. Het zijn bijna altijd levensomstandigheden waar we geen controle over hebben die grotendeels bepalen tot welke economische klasse we behoren. Omdat ik opgroeide in een blank middenstandsgezin kon ik gaan studeren. Was ik als zwarte in Chicago-zuid geboren, dan had het er heel anders voor me uitgezien. Benjamin hanteert een soortgelijke kritische opstelling. Als we er van uitgaan dat God controle heeft over zaken waar wij geen controle over hebben, dan houdt dat in dat we alles aan God te danken hebben en niet aan onszelf. Naast een niet-verdiende economie heeft Koning Benjamin het over een niet-verdiende soteriologie ofwel verlossingsleer. Zaligheid kunnen we niet verdienen. Voor zaligheid zijn we van God afhankelijk. Zonder God zijn we het slijk der aarde. Maar de "niet-verdiend" gedachte lijkt op gespannen voet te staan met de plicht waar Benjamin ons op wijst t.o.v. de armen, een plicht die hij keer op keer herhaalt. Hij gaat zelfs zover dat hij onze zaligheid koppelt aan ons vermogen dat gebod na te komen (Mosiah 4:26).

Dat spanningsveld zien we niet alleen in Koning Benjamin's toespraak, maar ook in het Nieuwe Testament en dat leidt tot discussie over hoe genade en werken zich tot elkaar verhouden. Dergelijke discussies leidden tot Calvinistische, Arminiaanse en Pelagiaanse interpretaties over hun onderlinge verhouding. Wat zij echter alle beweren is dat zaligheid aan een ieder individueel verleend wordt. Eerder legde ik uit dat zaligheid echter geen individuele aangelegenheid is, maar een collectief gebeuren, en de toespraak van Koning Benjamin onderstreept dat nog eens. Benjamin spreekt immers tot de gemeenschap waar hij koning over is. Als we uitgaan van een gemeenschappelijke i.p.v. een individuele plicht, dan kunnen we dat toepassen op individuele afhankelijkheid en gemeenschappelijke verdienste. Op onszelf zijn we niets zonder God of zonder de gemeenschap van God. We kunnen niet op eigen kracht zalig worden, noch op eigen kracht bevrijd worden. Maar als gemeenschap kunnen we de armen bevrijden. Gemeenschappelijk kunnen we rechtvaardig worden en de zaligheid verdienen die ons gemeenschappelijk wordt gegeven. Als gemeenschap kunnen we worden "geoordeeld naar onze werken". Door die uitleg van Benjamin's vermaning om de bedelaar te helpen, kunnen we de theologie beter begrijpen zoals die wordt gepresenteerd in Mosiah 3. Benjamin zegt:

"Want de natuurlijke mens is een vijand van God, en is dat vanaf de val van Adam geweest, en zal dat voor eeuwig en altijd zijn, tenzij hij zich overgeeft aan de ingevingen van de Heilige Geest en de natuurlijke mens aflegt en een heilige wordt door de verzoening van Christus, de Heer, en wordt als een kind: onderworpen, zachtmoedig, ootmoedig, geduldig, vol liefde, gewillig zich te onderwerpen aan alles wat de Heer goeddunkt hem op te leggen, ja, zoals een kind zich aan zijn vader onderwerpt." (Mosiah 3:19)

Meestal wordt dit metafysisch geinterpreteerd. Arminianisme is waar heiligen der laatste dagen tegenwoordig naar neigen in hun uitleg: ze stelt dat we van nature door en door en noodzakelijkerwijs slecht moeten zijn, alhoewel God tussenbeide kan komen en ons kan veranderen. Sommige schrijvers onder heiligen der laatste dagen lijken die gedachte te weerspiegelen en lezen Mosiah 3:19 als een opmerking over onze individuele geaardheid om het kwade te doen. Niet altijd duidelijk is of zij daarbij kunnen aanvaarden dat wij niet tot het goede in staat zijn zonder dat God in ons werkzaam is. Maar een dergelijke opvatting gaat er vanuit dat zaligheid op individuele basis wordt verleend aan degenen die ze wil aanvaarden. Wat daaruit volgt is dat verkregen zaligheid onverdiend is (ze rust uitsluitend op onze gewilligheid haar te aanvaarden) en komt slechts door Gods genade tot stand. Het individu hoeft slechts de transformatie van de ziel door God te aanvaarden om zalig te kunnen worden. Daarom moeten we onze wil aan die van God onderwerpen. Een dergelijke nogal Arminiaanse uitleg van Mosiah 3:19 heeft een sociale dimensie. We zijn echter in kennis van God verwijderd. Als individuen kennen we Zijn wil niet. Alleen de Kerk kent Gods wil, en dat houdt in dat een keus voor eeuwig leven onderwerping aan de Kerk vereist. Het houdt in dat we kanalen van kerkelijk handelen worden, of dit nu Gods wil is of niet. In feite impliceert het onfeilbaarheid van de Kerk. Er is geen ruimte voor de anarchie en chaos die wordt veroorzaakt door individuele mensen die denken dat zij zelf de wil van God kennen. Een dergelijke Arminiaanse uitleg van de toespraak van Koning Benjamin geeft institutionele, orthopraxe steun aan conservatisme. Verder zien we de spanning in Mosiah 4 tussen menselijk falen en de oproep voor de armen te zorgen eveneens in Mosiah 3:19. Als de mens van nature slecht is, hoe kan deze er dan voor kiezen om Gods wil te aanvaarden? Wat ook een knelpunt is, is dat we onze natuurlijke aanleg zouden moeten afleggen en worden als een kind. Dat is problematisch omdat een kind nu eenmaal natuurlijker is dan een volwassene. De Arminiaanse en Calvinistische uitleg van die schrifttekst veronderstelt dat kinderen bedorven zijn, dus waarom zouden we dan moeten worden als kinderen? En verder, hoe kan een dergelijk mensbeeld in overeenstemming zijn met het Vierde Artikel des Geloofs dat mensen voor hun eigen zonden zouden moeten worden gestraft, en niet voor andermans zonden (Alma 34:11)? En tenslotte, het neigen naar een theologie van individuele zondigheid is een verwijdering van de traditionele "vrijzinnig" Mormoonse antropologie (zo prachtig verwoord in Truman Madsen's "Eternal Man") die verklaart dat de mensen van nature goed zijn en alleen slecht kunnen worden door hun eigen individuele val. Die traditionele vrijzinnig-Mormoonse opvatting heeft wel moeite met Mosiah 3:19. Bevrijdingstheologie legt Mosiah 3 uit met typisch antropologisch optimisme, terwijl ze probeert te verklaren waarom de natuurlijke mens in opstand komt tegen God. Bevrijdingstheologie ontkent dat we goed of slecht zouden kunnen zijn los van de gemeenschap waar we deel van uitmaken. Voor de Val verkeerden Adam en Eva in een volmaakte staat van gemeenschap met God. De Val maakte een einde aan die gemeenschap. I.p.v. in gemeenschap met God te verkeren, zijn ze vanaf dat moment op zichzelf aangewezen. In hun materiele noden wordt niet langer voorzien, het wordt een strijd om te kunnen overleven. Ze zijn als dieren geworden: de "natuurlijke" mens. Het is een overlevingstrijd die voortkomt uit het wegvallen van de gemeenschap. Het omgekeerde is ook waar: echte gemeenschap elimineert de noodzaak tot strijd zoals in 4 Nephi wordt beschreven. Een natuurlijke vijand van God is een vijand van de gemeenschap. De "natuurlijke mens" is daarbij geen persoon in een metafysische staat, maar meer van sociale aard. Zijn aard is er een van het afwijzen van gemeenschap van God en de naaste. Een staat van het afwijzen van onze volkomen afhankelijkheid van de gemeenschap. Het is daarmee en vorm van zelfbedrog dat niet zal slagen. Kinderen onderkennen hun volkomen afhankelijkheid van hun ouders, hun leven is nadrukkelijk gemeenschappelijk. Dit verklaart ook hoe we deelgenoot aan de Val kunnen zijn zonder er individueel aan deel te nemen. We maken deel uit van de institutionele structuren van de samenleving. Als we ons niet tegen die structuren verzetten, ondersteunen we ze in feite. Deze institutionele structuren zijn deels verantwoordelijk voor het uiteenvallen van de gemeenschap. Kapitalisme ontkent eigenlijk de volledige afhankelijkeheid van het individu van de gemeenschap en is dus de hedendaagse economische Val van de mensheid. Maar de mens werd naar Gods beeld geschapen. We zijn ten diepste (niet-metafysisch) gemeenschapsmensen. De institutionele structuren die onze gemeenschap uiteen rijten, corrupteren ons en ondermijnen onze natuurlijke neiging om elkander lief te hebben. De traditioneel-vrijzinnige Mormoonse theologie benadrukt heel terrecht de positieve menselijke natuur, maar verzuimt de structurele verwording van de samenleving te veroordelen. Arminiaanse en Calvinistische theologie heeft het bij het verkeerde eind door er van uit te gaan dat het ontbreken van menselijke verdorvenheid inhoudt dat zaligheid daarom een individuele aangelegenheid is. Zaligheid is ten diepste gemeenschappelijk en afhankelijk van Gods genade.

Ik heb al eerder beweerd dat het verzoeningswerk van Christus ten diepste gemeenschappelijk is v.w.b. het delen van Christus in onze ervaringen. Het gemeenschappelijk leven is vooral een leven waarin we onze ervaringen met anderen delen, en de verzoening van Christus maakt een dergelijk gemeenschappelijk leven mogelijk. Een dergelijke sociaal-politieke uitleg van het begrip "natuurlijke mens", onderstreept Koning Benjamin's maatschappijkritiek door het gehele Boek van Mormon heen, waardoor zijn toespraak een praktische betekenis heeft i.p.v. slechts een abstract-filosofische. In gemeenschap met God werken we samen om sociaal-economische rechtvaardigheid te bewerkstelligen. God beoordeelt ons naar onze gemeenschappelijke werken. Door het gehele Boek van Mormon zien we de maatschappelijke kringloop van rechtvaardige samenleving naar maatschappelijk verval als trots en welvaart tussen mensen onderlinge vijandschap veroorzaakt - en dus met God - waardoor gemeenschappelijkheid en zaligheid ten onder gaan.

Conclusie

Deze korte verhandeling is min of meer bedoeld als een inleiding op bevrijdingstheologie in het Boek van Mormon. Het laatste woord over het Boek van Mormon is uiteraard nog niet gesproken, noch over wat dat voor consequenties voor ons heeft bijv. over hoe bevrijdingstheologie zich verhoudt tot oorlogsvoering in het Boek van Mormon. Bevrijdingstheologie heeft verder ook gevolgen voor maatschappelijke zaken anders dan economische aspecten. Wat te denken over de rol van de vrouw in de kerk, of over het niet verlenen van het priesterschap aan negers? Verder heeft bevrijdingstheologie een boodschap voor de institutionele kerk. In hoeverre ondergraaft de kerk onderdrukkende structuren en in hoeverre ondersteunt ze deze? Het Boek van Mormon is een kritische beschouwing van het volk van God ten tijde van Nephi, Alma en Moroni, en het zou ons niet verbazen als het ook een kritische beschouwing zou zijn t.b.v. het hedendaagse volk van God. Voor heiligen der laatste dagen zou het Boek van Mormon niet slechts een historisch verslag moeten zijn dat al dan niet wordt bevestigd door archeologisch, taalkundig of genetisch bewijs. Ze is ook geen geinspireerde fictie. Het zou een heilige kroniek moeten zijn die los van zichzelf naar het goddelijke wijst. God openbaart zich erin. Het is heilloos het boek te beschouwen als een historisch verslag, als fictie of als standaardtekst voor een dogmatische theologie. Het is geen boek om uit te lezen, maar een boek om uit te ademen en naar te leven.
Alleen dan zal haar inhoud de gevallen wereld transformeren i.p.v. haar alleen maar te veroordelen.


vertaling door Robert Poort vanuit het engelstalige origineel:
http://research.uvu.edu/potter/bomliberation.pdf





lees meer
over bevrijdingstheologie op deze site