Potmarge Leeuwarden
De Eerste Mormoonse Zendeling in Friesland:
Anne Wiegers van der Woude
door: Janet Sjaarda Sheeres
Terwijl de een na de andere bootlading emigranten in het
19e eeuwse Europa zich inscheepte voor een westelijke koers naar Amerika,
zwom een Fries, Anne Wiegers van der Woude, tegen de stroom in en keerde
naar Nederland terug in het voorjaar van 1861. Wat was de drijfveer
voor Anne om zo'n ondernemende reis te maken nadat hij zich veilig had
gevestigd in zijn nieuwe vaderland?
Godsdienst. Van der Woude had zich tot het Mormonisme bekeerd en trok
in 1853 naar Zion (Utah). Dank zij zijn kennis van de Nederlandse taal
werd hij geroepen om als zendeling terug te keren naar zijn geboorteland.
Anne werd op 12 Juli 1812 geboren te Franeker, als een van
elf kinderen van Wieger Pieters van der Woude en Catharina Gerrits.
Als jongen voer hij met zijn vader over zee, en leerde verscheidene
vreemde talen, waaronder Engels.
Later zou hij kapitein zijn op z'n eigen schip; z'n grafsteen vermeldt:
"Capt. A.W.Vanderwood." Op 16 april 1843 huwde hij te Leeuwarden:
Siebregtje Zwart uit Dokkum, en Leeuwarden werd vanaf dat moment de
thuishaven.
Hun vier kinderen werden in Leeuwarden geboren, laatstelijk in 1849.
Mormoonse zendelingen
Ergens tussen 1849 en 1852 verhuisde Anne en z'n gezin naar
Cardiff in Wales en vestigde zich als scheepsreder. In Wales en in Engeland
waren gote en bloeiende HLD-gemeenten (Heiligen der Laatste Dagen, een
afkorting voor de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste
Dagen, ook bekend als Mormonen) met Liverpool als hoofdkwartier. Mormonen
waren volgelingen van Joseph Smith, 'n Amerikaan die beweerde te zijn
bezocht door God en Jezus in het voorjaar van 1820, toen hij veertien
jaar oud was. In 1823 ontving hij opnieuw een visioen, dit keer middels
een engel, Moroni genaamd, die hem openbaarde waar hij twee gouden platen
zou kunnen vinden waarop gegraveerd de geschiedenis van de kerk door
Jezus in de nieuwe wereld gesticht. Met behulp van vrienden publiceerde
Smith in 1836 het Boek van Mormon en op 6 april van dat jaar stichtte
hij de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. Alhoewel
Smith, die beweerde 'n profeet te zijn, vele volgelingen aantrok, trok
hij echter ook vele tegenstanders aan, en zag hij zich verscheidene
malen genoodzaakt met zijn volgelingen verder te trekken om bloedvergieten
te voorkomen. Nadat Smith in 1846 in Carthage in de staat Illinois werd
vermoord, werd het leiderschap overgenomen door 'n lid van de Raad van
Twaalf Apostelen: Brigham Young, en deze leidde de groep naar Utah om
aldaar Zion te vestigen en de heerschappij van Christus op aarde te
bewerkstelligen. De beweging had vanaf het allereerste begin zendelingen
uitgezonden over de gehele wereld, en de zendelingen in Engeland, Wales
en Scandinavie hadden het meest succes.
De Eerste 'Hollanders' in Utah
Anne bekeerde zich in Wales tot het Mormonisme en werd op 30 oktober
1852 gedoopt door Elder George Taylor.
De Mormonen geloofden dat Utah in de Verenigde Staten de plek was waar
Mormonen vanuit de gehele wereld Zion zouden gaan vestigen en de spoedige
wederkomst van Christus af te wachten. Anne en zijn gezin maakte deel
uit van deze grootscheepse emigratie naar Utah. Ze maakten deel uit
van een groep Mormonen die, verdeeld over drie schepen, de zeereis begon
op 23 januari 1853 te Liverpool en op 26 maart aankwam in New Orleans.
In april bereikte de groep Keokuk in de staat Iowa, en met een karavaan
van huifkarren ging het verder over prairies en bergen naar Utah, waar
Anne een huis bouwde langs de rivier de Weber, nabij de plaats Ogden.
De Sheboygan Nieuwsbode, 'n Nederlandstalige krant die in de staat Wisconsin
t.b.v. Nederlandse immigranten werd uitgegeven, deed verslag vanuit
Keokuk in de editie van 17 mei 1853:
"Sinds 14 dagen zijn er aan de noord-zijde der stad circa 300 Mormons
in bivouac, die weldra door nog meerdere (ca. 3.000) gevolgd zullen
worden en, na aankomst der laatste, met een week of drie allen naar
Salt lake zullen optrekken (...) Zoo ik verneem, zijn eenige Hollanders
alhier woonachtig, voornemens met de Mormons naar Salt Lake op te trekken".
Er wordt niet vermeld wie deze "Hollanders' zijn die voornemens
zijn met de Mormonen naar Utah te trekken; maar Attenberg, 'n amateur
historicus uit Iowa, bestudeerde de groep en vermeldde hun namen die
hij ontleende aan de drie scheepsregisters.
Vermeld werd 'n Nederlands gezin uit de plaats Cardiff te Wales; de
van der Woude's. Het scheepsmanifest vermeldt Anne als gekwalifieerd
zeevarende. Tenzij er onbekende Nederlanders in Utah waren voor de komst
van de van der Woude's, dan is dit gezin uit Friesland de eerste Nederlandse
familie in Utah die in de registers voorkomen.
De correspondent, John M. Huyskamp, eigenaar van een schoenenfabriekje
in Keokuk, schreef in de editie van 24 mei 1853 van de Nieuwsbode
:
"Wij hadden voor eenige dagen het genoegen met een geloofwaardigen
Hollander, de heer v.d. W. in kennis te geraken, die de Mormone zowel
in Engeland als hier, zeer nauwkeurig heeft gade geslagen, terwijl hij
met meer dan drie honderd heiligen de reis van Liverpool naar Nieuw
Orleans heeft gamaakt".
Huyskamp schrijft positief over van der Woude, maar in negatieve zin
over de mormonen in de rest van het artikel. Hij beschuldigt de leiders
hun volgelingen te misleiden, door Utah als een paradijs af te schilderen,
en hen niet te vertellen welke moeilijke tijden hen te wachten stonden.
Huyskamp beschuldigt de mormonen verder van het willen bekeren van de
vele bewoners van Nederlandse afkomst in de omgeving, als potentiele
Nederlandssprekende zendelingen. Ook betreurt hij het dat zij zich bezighielden
met kaartspelen, zang en dans, tot 's avonds laat.
Als van der Woude op de een of andere manier spijt had van zijn bekering
tot het mormonisme en de groep zonder ophef had willen verlaten zou
dit de perfekte plaats en tijd zijn geweest. Het zou voor hem heel eenvoudig
zijn geweest zich onder de nederlanders te Iowa te vestigen. Al na drie
maanden na zijn doop was hij geemigreerd, en wellicht onder invloed
van z'n eerste begeestering voor zijn nieuwe geloof trok hij desalniettemin
verder met z'n reisgenoten naar Utah.
Eenmaal in Ogden gevestigd, ver van z'n geboorteland en volk, kon hij
niet hebben voorzien wat voor 'n historische rol hij nog zou gaan spelen
in het brengen van andere Nederlanders naar Utah.
Terugkeer naar Europa
Acht jaar later, op 16 maart 1861, werd hij tot Ouderling geordend,
en tijdens de Algemene Voorjaars Conferentie van 8 april 1861 aangesteld
als zendeling naar Nederland. De handoplegging geschiedde door Wilford
Woodruff, lid van de Raad van Twaalf Apostelen, die later president
van de kerk zou worden.
Waarom het lange uitstel van de verordening tot Ouderling? Werd zijn
ontwikkeling in de kerk gehinderd door de omstandigheid dat hij niet
deel nam aan polygamie, 'n HLD verordening destijds? Had men hem eerder
benaderd, maar had hij geaarzeld om op zending te gaan? Hoe het ook
zij, tijdens de Algemene Voorjaars Conferentie te Salt Lake City van
1861 werd bekend gemaakt wie op zending was geroepen, en aan zendingsopdrachten
diende gehoor te worden gegeven. Tijdens een tweejarige zending bleven
vrouw en kinderen van 'n zendeling achter om boerenbedrijf of zaken
gaande te houden. Op 22 april 1861 nam Anne afscheid van Siebregtje
en de kinderen en vertrok hij vanuit Salt Lake City met een grote groep
andere mannen die eveneens naar Europa op zending waren geroepen. Men
trok over land naar het oosten en men nam vele ossewagens mee met jeugdige
vrijwilligers op de bok; dit t.b.v. honderden behoeftige Europese heiligen
die als immigranten van vervoer en reisbenodigdheden moesten worden
voorzien voor hun reis over land van Iowa naar westelijk gelegen Utah.
Zendelingen werden geinstrueerd 'n dagboek bij te houden van hun wederwaardigheden
en ook Anne hield 'n dagboek bij. Van 22 april tot maandag 1 juli, toen
zij in Florence, Nebraska aankwamen, noteerde Anne getrouw weersgesteldheid,
afgelegde afstand, en plaats van kampement. In Florence aangekomen verlieten
ze de karavaan en namen ze een stoomboot naar St.Joseph, Missouri, en
van daar ging het per trein verder naar Detroit, en over de rivier naar
New York. Op 5 augustus 1861, twee en 'n half maand na vertrek uit Salt
Lake City kwam Anne uiteindelijk aan te Rotterdam; zijn geboorteland
weer betredend. En zoals altijd legde hij getrouw ieder onderdeel van
de reis vast.
Duitse collega
Het enige contact dat de Nederlanders hadden met mormoonse zendelingen
voor Anne's komst was dat n.a.v. een kort bezoek van Apostel Orson Hyde
in 1841. Hyde was op weg naar Jeruzalem en deed Rotterdam aan in juni
1841.
Tijdens een kort verblijf nam hij contact op met 'n Joodse Rabbijn om
zijn zending toe te lichten. De Rabbijn sprak echter geen Engels en
Hyde geen Nederlands, dus er was vrijwel geen communicatie. Tussen 1841
en Anne's komst in 1861, werd Nederland af en toe aangedaan door HLD-zendelingen
op doorreis van Groot Brittanie, Duitsland, Zwitserland en Scandinavie.
Anne's collega, de Duitser Paul A. Schettler, was in 1858 naar de Verenigde
Staten geemigreerd, in 1860 in New York bekeerd tot het Mormonisme en
trok kort daarna naar Utah. Schettler had familie in Zeist die behoorde
tot de Moravische Broederschap, en als Duitser was hij enigzins op de
hoogte van de taal en de gebruiken in Nederland. De twee mannen baden
enige tijd samen en gingen vervolgens ieder hun weg; Schettler naar
familie in Zeist en van der Woude naar Amsterdam.Toen echter de bloedverwanten
van Schettler bemerkten dat deze Mormoon was geworden en van plan was
hen te bekeren, wilden zij niets meer met hem te maken hebben, en aldus
zocht hij Anne op in Amsterdam. Anne was ondertussen op bezoek gegaan
bij twee zussen van hem die in Amsterdam woonden, en alhoewel door hen
ontvangen, werd hij niet gevraagd te blijven logeren. In plaats daarvan
huurden Schettler en hij een kamer in de Reestraat voor zes gulden per
maand.
Dopelingen te Broek bij Akkerwoude
Op 21 Augustus, liet Anne Schettler achter in Amsterdam en
vertrok richting Friesland, waar hij de volgende dag in Workum aankwam.
Hij vond daar een van zijn zussen die hem hartelijk onthaalde. De dag
daarop predikte hij in Workum. Anne schreef in een verslag naar Utah
dat de prediking in die plaats heel wat opwinding veroorzaakte. "De
bijeenkomst bleek heel druk bezocht. Een dominee maakte bezwaar en probeerde
ons het spreken te beletten. Ik had het er daar heel druk."
Klaarblijkelijk was van der Woude aardig opgewassen tegen de gereformeerde
dominee's; hij schrijft: "Op de 28ste had ik een lang gesprek met
een dominee die m.b.v. de schriften wilde aantonen dat zijn leerstellingen
juist waren en de onze vals. Overigens tevergeefs, hij werd beschaamd
en verliet zonder een woord uiteindelijk de bijeenkomst."
Op 29 Augustus arriveerde Anne in Leeuwarden waar hij door zijn familie
hartelijk werd onthaald. Mormoonse zendelingen werden niet alleen aangemoedigd
de mormoonse leer te prediken aan familie, vrienden en bekenden, maar
ook om de diensten van andere religieuze groeperingen bij te wonen en
toestemming te verkrijgen om hen toe te mogen spreken. 'Tot Heil des
Volks' was een zo'n groepering in Leeuwarden, welke doopsgezinde groep
was gesticht door de (eerwaarde?) Jan de Liefde.
Anne maakte melding van zijn aanwezigheid tijdens deze bijeenkomst.
"Ik bezocht de bijeenkomst en bemerkte dat alhoewel ze hun kinderen
een zegen gaven, ze hen niet doopten, niettemin waren ze tegen de Mormonen
wegens de polygamie en andere zaken, zodat ik er weinig kon doen.."
In een ander verslag naar Utah schreef hij: "Op de 31ste vertrok
ik van Leeuwarden naar Dokkum, waar ik tot de 18de September voor het
Mormonisme de spits afbeet onder bloedverwanten (van mijn vrouw) in
de stal van Metske Tabes Kooistra, die overvol zat met mensen. Er waren
ongeveer tweehonderd mensen in de stal aanwezig en met uitzondering
van enkelen werd mijn prediking door de meesten goed ontvangen. Men
hoorde mij gaarne aan en wilde dat ik de volgende zondag weer zou spreken
in een andere boerenstal te Broek nabij Akkerwoude". De volgende
Zondag, de 22e September, predikte hij in de werkplaats van Eelke Tabes
Kooistra. "Dit opende de deur, en ik doopte een man en twee vrouwen.
Er zijn in dit land vele eerlijke en goedhartige mensen die naar waarheid
zoeken, maar omwille van de valse geruchten over het mormonisme, is
het moeilijk veel vooruitgang te boeken".
Vasthouden aan Traditie's
De ene man en de twee vrouwen die door Anne werden gedoopt
waren zijn broer Gerrit Wiegers van der Woude, Gerrit's vrouw Baudina
Potgieter, en Elizabeth Monsma, echtgenote van Derk Wolters. Andere
familieleden waren niet zo enthousiast in het aanvaarden van Anne's
boodschap. In z'n dagboek noteerde hij dat zijn familie niet vereend
maar overwegend verdeeld was door onze geloofsopvattingen. "Ik
bezocht mijn familie en moest heel wat argumenten over en weer over
me laten gaan m.b.t. het evangelie dat zij niet begrepen. Mijn broer
Hendrik en zijn vrouw waren heel koeltjes. Ze hadden over mij gehoord
en hielden afstand. Hendrik's vrouw Wietske (Bates Kalsbeek) maakte
zelfs hele lelijke opmerkingen over mijn geloof."
Oude kennissen werden opgezocht, en ook markten werden regelmatig bezocht
om contacten te leggen. Hij liet traktaatjes achter waar mogelijk en
waar deze werden aangenomen. Hij bezocht ook een aantal kerken, maar
werd niet toegestaan te spreken. Vanuit Dokkum keerde hij op 5 Oktober
terug naar Leeuwarden en bezocht nog een aantal kennissen, alsmede een
meubelmaker: Sybren van Dijk genaamd. Dit laatste bezoek bleek heel
vruchtbaar. Sybren van Dijk was ontvankelijk, zou zich uiteindelijk
bekeren, en door Anne worden gedoopt. Op 15 October, na een verblijf
van slechts zes weken in Friesland, keerde Anne terug naar Amsterdam.
De enige bekeerlingen in Friesland waren de drie mensen die hij had
gedoopt. Elder Schettler die in Amsterdam arbeidde had het er niet veel
beter afgebracht. Een verslag van hem in de 'Millenial Star'"
"De nationale karaktertrek van Nederlanders is het vasthouden aan
de tradities van hun vaderen, zelfs in grotere mate dan in anderen landen,
en al hun gebruiken ademen deze geest." Volgens een aanhaling door
Anne in zijn dagboek op 22 October 1861, was ook polygamie een struikelblok,
alsmede talrijke anti-mormoonse pamfletten en krantenartikelen. Ook
het boek van W.H.Kirberger: 'De Geschiedenis van de Afkomst en Avonturen
der Mormonen' (A'dam, 1855) droeg bij aan het negatieve imago.
Ziekte en Tweedracht
Anne arbeidde de volgende twaalf maanden hoofdzakelijk in Amsterdam
en bezocht gedurende die tijd verder een aantal andere plaatsen. Alhowel
de winter van 1861-1862 zacht was, had Anne te lijden aan keelpijn en
koorts, was vaak nauwelijks in staat te spreken. Zijn lichamelijke toestand
in de zomer van 1862 ging verder achteruit door ziekte die resulteerde
in hoge koorts en bloedspugen. Afgaande op de symptomen die hij in zijn
dagboek beschreef, leed hij waarschijnlijk aan tuberculosis. Hi had
twee zussen die in Amsterdam woonden, maar tijdens z'n ziekte en in
verzwakte staat, werd hij verzorgd door zijn nieuwe broeders en zusters
in het geloof, niet door zijn bloedverwanten. Hij at veel maaltijden
ten huize van nieuwe bekeerlingen. Af en toe ontving hij een Brits vijf-pond
biljet van de HLD kerk te Liverpool t.b.v. zijn verblijf in een bepaald
kosthuis. En niet alleen ziekte was een tegenvaller tijdens de zendingsarbeid
van Anne. De zomer van 1862 werd gekenmerkt door veel onderlinge ruzie's
onder de heiligen, hetgeen soms ontaardde in gemene roddel. Broeder
Hendrik van Streeter, een van de leiders van de kerk te Amsterdam, kreeg
steeds meer kritiek op Anne en z'n zending. Ook Anne en Schettler kregen
meningsverschillen die hun zendingspogingen hinderden. Teneinde iets
aan de onenigheid te doen, schreef Anne kerkelijke autoriteiten met
het verzoek om advies en in September 1862 werd Schettler overgeplaatst
naar Bazel in Zwitserland; Anne bleef alleen in Nederland achter. Tegen
Oktober 1862 waren er vijftien gedoopte bekeerlingen die samen een kleine
gemeente vormden te Amsterdam.
Produktieve Bekeerlingen
Anne keerde in Oktober 1862 naar Friesland terug, waar hij
alsnog een poging deed de familiebanden aan te halen, maar werd zonder
meer vijandig ontvangen. De man van zijn zus Elizabeth Monsma (alsmede
de man van 'n andere vrouw die door haar man werd verboden om te worden
gedoopt); beide waren woedend dat Anne hun vrouwen had willen misleiden.
Zonder steun en zonder zendingsvooruitzichten vertrok Anne weer uit
Friesland om de winter in Amsterdam door te brengen. De enige mogelijkheid
tot bekering in Friesland was Sybren van Dijk en zij begonnen met elkaar
te corresponderen. Tot Anne's grote vreugde besloot Sybren Mormoon te
worden en op Maandag 18 Mei haastte Anne zich van Amsterdam met de stoomboot
naar Harlingen om van Dijk de dag daarop te dopen in het Potmarge-kanaal
in Leeuwarden. Op Woensdag de 20e legde hij de handen op broeder van
Dijk en ordende hem tot ouderling in de Kerk van Jezus Christus van
de Heiligen der Laatste Dagen. Sybren's doop was de 24e in de Nederlandse
Zending. Van Dijk's bekering betekende waarschijnlijk de redding voor
het Mormonisme in Nederland. In 1866 vertaalde deze een Duitstalige
editie van Parley Pratt's boek: 'Voice of Warning' in het Nederlands.
In 1869 volgde hij met z'n gezin de heiligen naar Utah, en huwde er
een tweede vrouw in 1875. In de jaren 1871-1874 en gedurende de jaren
1880-1882 keerde hij twee maal terug naar Nederland als zendingspresident.
Behalve Sybren, had Anne nog 'n andere bekeerling die op zijn beurt
een aantal mensen bekeerde: Timothy Mets. Anne ontmoette Mets ten huize
van diens schoonvader in Rotterdam; Johannes Huisman.
Mets en de familie Huisman waren een overblijfsel van een godsdienstige
sekte: de Zwijndrechtse Nieuwlichters, wier leerstellingen deels overeenkwamen
met die van de mormonen. Mets overtuigde hun leider Willem Heijstek
ervan dat Zion in Utah moest worden gesticht.
Het jaar daarop keerde Anne terug naar Utah, en Tim Mets volgde met
ongeveer 30 bekeerlingen. Evenals van Dijk keerde hij zich tot polygamie
en trouwde een tweede vrouw spoedig na aankomst in Utah.
Magere Oogst
Velen van de groep bedachten zich later en hielden zich afzijdig van
de HLD kerk. Wellicht was een van de redenen dat door de economische
crisis de kerk 'n nieuwe leerstelling afkondigde, de Verenigde Orde
genaamd. De orde schreef voor dat de heiligen alle goederen, tijd en
talenten ter volledige beschikking stelden van de plaatselijke Orde.
Zelfs landbezit diende te worden overgedragen. De duur
van de Verenigde Orde was kortstondig, van 1874 tot 1878, en werd voornamelijk
gevolgd door Scandinaviers.
Nederlanders leken er weinig voor te voelen, waarvan hun correspondentie
vanuit Utah getuigde aan Henry Hospers in Noord-Westelijk Iowa in 1876.
(zie: William Mulder, De Mormoonse Migratie vanuit Scandinavie, Minneapolis,
1985)
Anne's tweejarige zending liep ten einde en hij maakte voorbereidingen
voor de reis terug naar Utah. Tijdens zijn zending doopte hij 21 bekeerlingen.
Alhoewel de hierarchie in Utah had bepaald dat alle bekeerlingen naar
Utah moesten trekken, wist Anne slechts twee van hen, vrouwen, over
te halen met hem naar Zion op te trekken: Susanna Meyers en Cornelia
Agus. Z'n eigen broer Gerrit en diens vrouw Baudina, verkozen achter
te blijven in Friesland. Gerrit overleed in 1886 op 69-jarige leeftijd,
en Baudina in 1883 op 66-jarige leeftijd. Hun drie dochters huwden mannen
met de achternamen: Hoekstra,Wijnsma, en Gasma. Hadden Gerrit en Baudina
de kerk verlaten onder druk van familie en bekenden? Geen van Anne's
overige familieleden werden lid.
Op 5 Juni 1863, ging Anne aan boord van de S.S.Amazon, deel uitmakend
van een groep van 895 Mormonen uit verschillende delen van Europa.
Vergeleken met dat aantal, was de Nederlandse vertegenwoordiging van
twee heiligen der laatste dagen wel een heel magere oogst.
Vrijheidslievend
Terug in Utah verhuisde Anne met z'n gezin al na 'n jaar naar
Malad in Idaho,
de eerste pionier in die plaats, en bouwde er het eerste winkelbedrijfje
- telegraafkantoortje en rechtbank, in Zuid-Oostelijk Idaho. Het gebouw
werd ook gebruikt als halte op de reisroute per koets naar Butte in
Montana.
Siebregtje overleed in 1872 in Malad.
Vanderwood (zijn naam was inmiddels 'veramerikaanst') huwde Catharine
Jones Evans, geboren in Wales, en zij kregen nog eens zes kinderen.
Hij overleed op 7 Aug. 1892 in Malad. Alhoewel de familie mormoons bleef
is het opvallend dat Anne zelf wat afstand nam. Voelde hij zich niet
prettig in een streng mormoonse omgeving? Hield hij zich afzijdig van
de kerkelijke hierarchie, opdat hij niet opnieuw op zending zou worden
geroepen? Het lijkt erop dat Vanderwood een keer op zending gaan afdoende
vond, in tegenstelling tot van Dijk die twee zendingen volbracht naar
Nederland. Misschien ook voorzag hij moeilijkheden met de komst van
Timothy Smets in 1864 met 'n grote groep 'Nieuwlichters'. Het is ook
mogelijk dat het het onbetwiste dictatorschap van Brigham Young in de
vallei hem dwars zat. Aan Brigham werd de volgende uitspraak toegeschreven:
"De Here heeft deze vallei geschonken aan mij en aan degenen die
ik verkies om ze te bewonen." Brigham's woord was wet.
Wellcht was Anne's vrijheidsdrang als Fries krachtiger dan zijn liefde
voor de heiligen en leidde deze er toe dat hij zich buiten Zion ging
vestigen.
Janet
Sjaarda Sheeres is verbonden aan de Calvin University te Grand Rapids,
Michigan, USA. - bron: "Fryslan"
JG (2004) No 2
Mormoons Forum
Waardevolle Bijdrage
Een prachtige bijdrage van Janet Sjaarda Sheeres aan de ontstaansgeschiedenis
van het Mormonisme in Nederland! Heel indrukwekkend materiaal met waardevolle
details en inzichten in die eerste dagen van de kerk in onze gewesten.
Ook heel interressant dat het een bijdrage betreft van iemand die zelf
geen lid is van onze kerk, hetgeen in de tekst haar weerslag vindt.
Het is ongebruikelijk dat bijvoorbeeld de heerschappij van Brigham Young
ter discussie wordt gesteld. Het waren toen natuurlijk wel heel andere
tijden, maar het is zeker niet ondenkbaar dat Anne Wiegers van der Woude
een zekere mate van onafhankelijkheid wilde handhaven. Dergelijke veronderstellingen
van de auteur, lijken zo op het eerste gezicht zeker gerechtvaardigd,
maar de vraag is wel of ze op feiten berusten.
Wat leidt bijvoorbeeld tot de veronderstelling dat Anne wellicht spijt
had van zijn bekering tot het Mormonisme, en waarom wordt aangenomen
dat er negatieve oorzaken ten grondslag lagen aan de omstandigheid dat
hij (pas) na acht jaar tot ouderling werd geordend?
Aan het einde van het artikel wordt gesuggereerd dat hij zich wilde
distancieren van het geloof. Anne's vrijheidsdrang als Fries lijkt te
zijn gebaseerd op een (overigens sympathieke) stereotype veronderstelling,
maar de vraag is op welke wijze Anne uiting gaf aan een dergelijke vrijheidsdrang.
Zou het bijv. niet evengoed denkbaar zijn dat hij zich juist had bevrijd
van een intolerant en kleingeestig 19e eeuws religieus milieu in Friesland?
Hij vestigde zich eerst, d.w.z. voor zijn bekering, in Wales en later
in Deseret. De mogelijkheid om zich onderweg in Iowa te vestigen in
een milieu waaraan hij zich nu net had onttrokken, lijkt daarom niet
erg voor de hand liggend; dan had hij immers net zo goed in Friesland
kunnen blijven. Anne's hele geschiedenis lijkt er juist op te wijzen
dat hij zijn nieuw gevonden geloof als bevrijdend ervoer, en daardoor
werd geinspireerd, niet gedwongen, tot een moedig geloof en tot de opmerkelijke
daden die er uit voortvloeiden.
Ordening tot Ouderling
Inderdaad een heel goed artikel!
Dat het acht jaar duurde voordat Anne tot ouderling werd geordend hoeft
niet noodzakelijkerwijze als verwonderlijk te worden aangemerkt. In
het werk van Adrian Hekking: 'Saints under Nazi-terror' lezen we bijv.:
Men were usually only ordained as Elders when called to
branch and district presiding offices. Temples, Stakes,
Bishoprics or High Councils did not exist in Holland. No high
priests were necessary to lead the church, not even to
preside over the mission. Adult converts or other older
members, baptized at eight or older, were ordained to
offices in the Aaronic Priesthood and stayed there until
called to an office requiring the Melchizedek Priesthood.
In contrast, organized stakes and quorums require much
more Melchizedek priesthood but they have a more enriched
path of priesthood progression because the young men hold
and act in the offices of the Aaronic priesthood. They are
advanced to elder because of temple endowments and/or
marriage ordinances, and prior to going on missions.
When one considers that priests may be authorized to hold
meetings by the appropriate authority and that missionaries
held positions in presidencies; it is easy to see that not too
many men were advanced to the Melchizedek priesthood.
Perhaps Church sensitivity to the Dutch tradition of holding
older people in an elevated esteem over young people may
have contributed to the long absence of teen-aged Aaronic
priesthood. I believe the first teen-age deacon, Hans Zippro,
was ordained in Amsterdam around 1947 when about sixteen
years old.
Another reason could be Dutch Protestant bias against
Roman Catholic worship. The Netherlands North of the great
rivers was very Protestant (Reformed); the South, Roman
Catholic. The Church did not have any branches in the
South neither did it proselytize there. Protestants were quite
anti-Catholic as a result of the country having fought an
eighty-year war of independence from Catholic Spain.
Freedom to worship God according to the dictates of their
conscience was the major issue of the conflict. Catholic
worship in every form was considered an abomination. The
Mass was seen as pagan pomp, ceremony, and idolatry. It
entailed the participation of teen-aged altar boys. Need I say
more?
Another way for post-teenage men to receive the
Melchizedek priesthood was to be called as local
missionaries. My Dad had an M-Men friend who did this. I
think this possibly also enhanced the prospect of getting help
in obtaining a US sponsor and a ticket to the States
Ook Anne's vestiging in Malad, Idaho, lijkt m.i. de gebruikelijke trend
te volgen om vanuit Salt Lake naar het noorden of het zuiden te pionieren.
Zeer ondernemend en moedig, maar niet bepaald uitzonderlijk in de begindagen
van de kerk in het Westen.
Nuttige kanttekeningen
De spreekwoordelijke vrijheidsdrang van de Friezen heeft de veel diepere
betekenis van het universele menselijk verlangen naar onafhankelijkheid.
Het protestantse milieu waaruit Anne voortkwam, maar ook het nieuw gevonden
mormonisme, legden hem nu eenmaal bepaalde beperkingen op vanuit leerstellige
of kerkelijk-hierarchische strukturen. In beide situaties is het zeker
niet ondenkbaar dat Anne voordurend op zoek was naar een grotere mate
van onafhankelijkheid, maar tegelijkertijd zijn we echter ook vaak op
zoek naar geborgenheid en afhankelijkheid! Is het mogelijk dat Anne
zich aangetrokken voelde tot een in zijn ogen geestelijke bevrijding,
maar ook tot het saamhorigheidsgevoel en de sociale gemeenschap van
het mormonisme? Wat zijn motivatie ook geweest moge zijn, duidelijk
is dat Janet Sjaarda Sheeres prachtig heeft vastgelegd hoe Anne op zijn
manier uitdrukking gaf aan het ideaal van Zion, en als het ware de eerste
steen legde voor de vestiging van het mormonisme in onze streken.